Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:3167

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-03-2019
Datum publicatie
23-04-2019
Zaaknummer
ROT 18/4940
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het ondernemen van gokactiviteiten en met name de daarmee behaalde opbrengsten kunnen van invloed zijn op het recht op bijstand en dit had eiser redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 10 maart 2015, (ECLI:NL:CRVB:2015:729). Eiser heeft door geen melding te maken van zijn gokactiviteiten de voor hem geldende inlichtingenplicht geschonden.

De stelling van eiser dat verweerder hem niet voldoende heeft geïnformeerd over de inlichtingenverplichting leidt niet tot een ander oordeel. Eiser ontvangt een bijstandsuitkering en in dat kader rust op hem de verplichting bij verweerder melding te maken van feiten of omstandigheden waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk kan zijn dat deze van invloed kunnen zijn op zijn recht op bijstand. Indien er bij eiser onduidelijkheid bestond over de reikwijdte van deze inlichtingenplicht, lag het op zijn weg hierover navraag te doen bij verweerder. Naar het oordeel van de rechtbank strekt de informatieplicht van verweerder niet zover dat bij aanvang van de uitkering alle mogelijke situaties die gemeld moeten worden, door verweerder uiteengezet moeten worden.

Eisers verwijzing naar onder meer het arrest van het Hof Amsterdam van 24 mei 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:5614 leidt evenmin tot een ander oordeel. Het Hof heeft in dat arrest vastgesteld dat niet bewezen was dat de verdachte van de inlichtingenplicht en de omvang daarvan wetenschap heeft gehad. Dat betreft een ander beoordelingskader dan hier aan de orde, want verweerder hoeft niet te bewijzen dat eiser wetenschap heeft gehad van de inlichtingenplicht en de omvang daarvan. Ook de omstandigheid dat de gemeente Rotterdam inmiddels – anders dan voorheen – in een informatiebrochure adviseert om casinobezoek door te geven, doet, gelet op wat onder 7. is overwogen, aan het voorgaande niet af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 18/4940

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 maart 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te Rotterdam, eiser,

gemachtigde: mr. J. Nieuwstraten,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. R. Duivenvoorde.

Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2018 (het primaire besluit I) heeft verweerder eisers recht op bijstand herzien over de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017 en een bedrag van € 11.470,- teruggevorderd.

Bij besluit van 21 februari 2018 (het primaire besluit II) heeft verweerder de terugvordering van € 11.470,- gebruteerd tot een bedrag van € 14.722.

Bij besluit van 8 maart 2018 (het primaire besluit III) heeft verweerder een waarschuwing gegeven.

Bij besluit van 22 maart 2018 (het primaire besluit IV) is verweerder aangevangen met de terugvordering door inhouding van € 49,61 op de uitkering.

Bij besluit van 14 augustus 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers bezwaren tegen de primaire besluiten I en II ongegrond verklaard, de bezwaren tegen de primaire besluiten III en IV gegrond verklaard, het primaire besluit III herroepen en eisers aflossingscapaciteit met ingang van 1 maart 2018 vastgesteld op nihil.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft nog een nadere schriftelijke reactie ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is, in het kader van een heronderzoek naar de rechtmatigheid van de verleende bijstand, uitgenodigd voor een gesprek op kantoor van Werk en Inkomen. Eiser is op de afspraak verschenen en heeft de gevraagde bankafschriften bij verweerder ingeleverd. Op de bankafschriften heeft verweerder gezien dat eiser in de maanden januari 2017 tot en met december 2017 geregeld in gokinstellingen pint. Daarnaast heeft eiser met enige regelmaat contant geld op zijn bankrekening gestort.

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser geregeld betalingstransacties in het casino heeft verricht. Diverse van deze transacties hebben plaatsgevonden op dezelfde dag en kort na elkaar. Verweerder acht het daarom niet aannemelijk dat eiser geen gokactiviteiten heeft verricht. Nu eiser van deze activiteiten geen melding heeft gemaakt, vindt verweerder dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden. Als gevolg daarvan kan verweerder eisers recht op bijstand niet meer vaststellen, want het is onduidelijk wat eisers inkomsten en uitgaven bij het gokken zijn geweest. Volgens verweerder zijn geen dringende redenen aanwezig om van de terugvordering af te zien.

3. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte zijn recht op bijstand heeft herzien en het bedrag van € 11.470,- heeft teruggevorderd, omdat in 99,99% van gevallen niet kan worden vastgesteld of sprake is geweest van gokactiviteiten. Daarnaast vindt eiser dat hem ten onrechte wordt verweten dat hij de inlichtingenplicht heeft geschonden. Verweerder heeft hem nooit geïnformeerd over het feit dat hij pintransacties in een casino, gokactiviteiten en contante stortingen moet melden. Evenmin heeft verweerder eiser erop gewezen dat hij een administratie moet bijhouden. Verder betwist eiser dat de gestorte bedragen op zijn bankrekening gokwinsten zijn. Hij vindt dat alle stortingen buiten beschouwing moeten worden gelaten, omdat deze te maken hebben met zijn verplichting ten aanzien van het kwartaalkrediet.

4. Een besluit tot herziening van het recht op bijstand is een voor betrokkene belastend besluit. Dit brengt met zich dat het aan verweerder is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening is voldaan op verweerder rust. In dit geval betekent dit dat verweerder aannemelijk moet maken dat eiser gegokt heeft en dat eiser niet heeft voldaan aan de inlichtingenplicht.

5. Uit de overgelegde bankafschriften blijkt dat eiser in de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017 in totaal 104 betalingstransacties heeft verricht in een casino, althans een gokhal. Van deze betalingstransacties hebben er diverse plaatsgevonden op dezelfde dag en relatief kort achter elkaar. Tijdens een telefoongesprek van 31 januari 2018 zou eiser hebben verklaard dat hij genoodzaakt is om geld op te nemen in een casino, omdat de pinautomaten meestal een storing hebben en dat hij de opgenomen bedragen niet heeft gebruikt om te gokken, maar voor zijn levensonderhoud. Gelet op het aantal betalingstransacties dat heeft plaatsgevonden in een gokinstelling, het feit dat deze transacties veelal op dezelfde dag hebben plaatsgevonden en relatief kort achter elkaar, acht de rechtbank eisers verklaring dat hij enkel geld opneemt in een gokinstelling niet aannemelijk. Ter zitting heeft eiser overigens verklaard dat hij in gokhallen pinde, omdat het daar veiliger was en dus niet omdat er sprake was van storingen. Eiser heeft daarbij verklaard dat, als hij € 100,- pinde, hij dat bedrag in muntstukken van € 2,- uitbetaald kreeg en dan vervolgens weer inwisselde voor bankbiljetten. Dat was ook het geval op dagen waarop hij in relatief korte tijd wel vier maal € 100,- opnam. De rechtbank acht deze gestelde zeer omslachtige gang van zaken zo ongeloofwaardig, dat zij daaraan voorbijgaat. Nu eiser geen enkele aannemelijke verklaring voor zijn pintransacties in gokinstellingen heeft gegeven, heeft verweerder hiermee aannemelijk gemaakt dat eiser gokactiviteiten heeft verricht.

6. Eiser heeft van deze activiteiten geen melding gemaakt. Het ondernemen van gokactiviteiten en met name de daarmee behaalde opbrengsten kunnen van invloed zijn op het recht op bijstand en dit had eiser redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 10 maart 2015, (ECLI:NL:CRVB:2015:729). Eiser heeft door geen melding te maken van zijn gokactiviteiten de voor hem geldende inlichtingenplicht geschonden.

7. De stelling van eiser dat verweerder hem niet voldoende heeft geïnformeerd over de inlichtingenverplichting leidt niet tot een ander oordeel. Eiser ontvangt een bijstandsuitkering en in dat kader rust op hem de verplichting bij verweerder melding te maken van feiten of omstandigheden waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk kan zijn dat deze van invloed kunnen zijn op zijn recht op bijstand. Indien er bij eiser onduidelijkheid bestond over de reikwijdte van deze inlichtingenplicht, lag het op zijn weg hierover navraag te doen bij verweerder. Naar het oordeel van de rechtbank strekt de informatieplicht van verweerder niet zover dat bij aanvang van de uitkering alle mogelijke situaties die gemeld moeten worden, door verweerder uiteengezet moeten worden.

8. Eisers verwijzing naar onder meer het arrest van het Hof Amsterdam van 24 mei 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:5614 leidt evenmin tot een ander oordeel. Het Hof heeft in dat arrest vastgesteld dat niet bewezen was dat de verdachte van de inlichtingenplicht en de omvang daarvan wetenschap heeft gehad. Dat betreft een ander beoordelingskader dan hier aan de orde, want verweerder hoeft niet te bewijzen dat eiser wetenschap heeft gehad van de inlichtingenplicht en de omvang daarvan. Ook de omstandigheid dat de gemeente Rotterdam inmiddels – anders dan voorheen – in een informatiebrochure adviseert om casinobezoek door te geven, doet, gelet op wat onder 7. is overwogen, aan het voorgaande niet af.

9. Schending van de inlichtingenplicht levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, in hoeverre eiser verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan eiser om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenplicht zou hebben voldaan, recht op volledige of aanvullende bijstand zou hebben gehad. Eiser is hierin niet geslaagd. Hij heeft immers geen deugdelijke administratie van zijn gokactiviteiten bijgehouden. Dit betekent dat verweerder eisers uitkering op goede gronden heeft herzien.

10. Op grond van artikel 58, eerste lid, van de Pw, is verweerder gehouden de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover deze ten onrechte of tot een te hoog bedrag zijn ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw. Van dringende redenen om af te zien van terugvordering is de rechtbank niet gebleken.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, rechter, in aanwezigheid van mr. C.M.J. Rouwers, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 29 maart 2019.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.