Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:3153

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-03-2019
Datum publicatie
23-04-2019
Zaaknummer
C/10/569684 / KG ZA 19-214 (voorlopige voorziening tegen oplegging)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Beroepen ongegrond verklaard en voorlopige voorziening afgewezen.

Verweerder was bevoegd huisverbod op te leggen, omdat sprake was van gevaar. Er was sprake van gevaar omdat er spanningen waren tussen partijen die hebben geleid tot fysieke uitingen van verzoeker naar achterblijfster en omdat de spanningen tot gevolg hadden dat achterblijfster geestelijk onder druk is komen te staan. Tussen verzoeker en achterblijfster is sprake van een ongelijkwaardige verhouding en verzoeker en achterblijfster zijn er niet in geslaagd om zelf de spanningen uit hun relatie te halen. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen oordelen dat het belang van achterblijfster prevaleerde boven het belang van verzoeker bij toegang tot de woning. Verweerder was bevoegd om huisverbod te verlengen en kon in redelijkheid gebruik maken van die bevoegdheid. Ten tijde van de verlening van het huisverbod was gevaar onverminderd aanwezig. Hulpverlening was nog niet tot stand gekomen en er waren geen veiligheidsafspraken gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

Reg.nrs.: C/10/569684 / KG ZA 19-214 (voorlopige voorziening tegen oplegging)

C/10/569682 / FA RK 19-2091 (beroep tegen oplegging)

C/10/569888 / KG ZA 19-224 (voorlopig voorziening tegen verlenging)

C/10/569887/FA RK 19-2198 (beroep tegen verlenging)

Procesverbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 maart 2019 op het verzoek om voorlopige voorziening en het beroep in de zaken tussen

[naam verzoeker] , verzoeker,

wonende te [woonplaats verzoeker] , [adres verzoeker] ,

nu verblijvende te [verblijfplaats verzoeker] , [verblijfadres verzoeker] ,

en

de burgemeester van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde mr. J.M. Tang,

in welke zaak belanghebbenden zijn:

[naam belanghebbende] , de partner van verzoeker;

[naam kind] , het kind van verzoeker en zijn partner,

geboren op [geboortedatum kind] 2018,

hierna: achterblijvers,

allen wonende te [woonplaats belanghebbende] , [adres belanghebbende] .

Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 1 maart 2019 heeft verweerder een huisverbod opgelegd aan verzoeker.

Bij besluit van 11 maart 2019 heeft verweerder dit huisverbod verlengd tot 29 maart 2019.

Bij brief, die is ingekomen op 11 maart 2019, heeft verweerder beroep ingesteld tegen deze besluiten (hierna: de bestreden besluiten). Tevens heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorzieningen te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2019.

Aanwezig waren:

 verzoeker,

 verweerder, vertegenwoordigd door mr. J.M. Tang;

 achterblijfster;

 de casemanager, [naam casemanager] .

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart de beroepen ongegrond,

 wijst het verzoek om voorlopige voorzieningen af.

Overwegingen

1 Weergave bestreden besluiten, verzoek en beroepen

1.1.

Bij het bestreden besluit van 1 maart 2019 (bestreden besluit I) heeft verweerder aan verzoeker een huisverbod opgelegd voor de duur van tien dagen op grond van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth). Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de aanwezigheid van verzoeker in de woning (een vermoeden van) een ernstig en onmiddellijk gevaar (hierna: het gevaar) oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen.

1.2.

Bij het bestreden besluit van 11 maart 2019 (bestreden besluit II) heeft verweerder het huisverbod verlengd voor de duur van achttien dagen op grond van de Wth. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de aanwezigheid van verzoeker in de woning nog steeds gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen.

1.3.

Het verzoek strekt ertoe de rechtsgevolgen van bestreden besluit II te schorsen voor de resterende duur van dat besluit. De beroepen strekken ertoe de bestreden besluiten te vernietigen.

2 Kortsluiten met afwijzen verzoek voorlopige voorziening

2.1.

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), voor zover hier van belang, kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2.

Op grond van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

2.3.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zodat hij onmiddellijk uitspraak zal doen op het beroep.

3 Beoordeling gronden

3.1.

Verzoeker voert aan dat bestreden besluit I moet worden vernietigd.

3.1.1.

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wth, voor zover hier van belang, kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9.

3.1.2.

De voorzieningenrechter beoordeelt vol of het gevaar blijkt uit de door verweerder geduide feiten of omstandigheden. Als blijkt van dat gevaar, dan was verweerder bevoegd een huisverbod op te leggen. Niet vereist is dat dat de feiten waarop het huisverbod is gebaseerd vast staan. Voldoende is dat de gestelde feiten en omstandigheden aannemelijk zijn. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wth volgt dat het huisverbod tot doel heeft preventie van strafbare feiten in de vorm van huiselijk geweld en het beschermen van de rechten en vrijheden van anderen. Het huisverbod kan ook worden opgelegd om de gezondheid en de lichamelijke integriteit van de betrokkenen te beschermen in crisissituaties waarin (nog) geen sprake is van strafbare feiten.

3.1.3.

Tussen verzoeker en achterblijfster was tot 1 maart 2019 sprake van een relatie, die positieve punten had, maar waarin ook sprake was van grote spanningen. Positief was dat verzoeker voor achterblijfster heeft gezorgd en dat hij haar heeft geholpen met het ontwikkelen van een gezonder eetpatroon, waardoor haar gezondheidsproblemen zijn afgenomen. De spanningen tussen partijen hebben geleid tot fysieke uitingen van verzoeker naar achterblijfster, zo volgt voor de voorzieningenrechter uit de verklaringen van achterblijfster tegenover het Crisis Interventie Team en de overgelegde foto’s. Daarnaast acht de voorzieningenrechter het aannemelijk dat de spanningen tussen partijen tot gevolg hebben dat achterblijfster geestelijk onder druk komt te staan. Er is sprake van een patroon waarin verzoeker aan achterblijfster onwaarheden voorhoudt, bijvoorbeeld over werk dat hij zou hebben terwijl hij dat niet heeft. Verzoeker is hierdoor onberekenbaar voor achterblijfster. Zij heeft tegenover het Crisis Interventie Team verklaard dat zij doodsbang is voor verzoeker. Er is sprake van een ongelijkwaardige verhouding.

Omdat partijen er niet in zijn geslaagd om die spanningen zelf uit hun relatie te halen, is er sprake van gevaar in de zin van een kans op lichamelijk en geestelijk onheil. Verweerder was bevoegd om het huisverbod op te leggen.

3.1.4.

Daarna beoordeelt de rechter terughoudend of verweerder, alle belangen afwegend, in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die bevoegdheid. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen oordelen dat het belang van achterblijfster en de minderjarige bij rust en veiligheid prevaleert boven het belang van verzoeker bij het verblijven in de woning.

3.1.5.

De beroepsgrond faalt.

3.2.

Verzoeker voert aan dat bestreden besluit II moet worden vernietigd.

3.2.1.

Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Wth kan de burgemeester een huisverbod verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet.

3.2.2.

De voorzieningenrechter beoordeelt vol of het gevaar blijkt uit de door verweerder geduide feiten of omstandigheden. Het aanvaarden van een aanbod tot hulpverlening, het beginnen met die hulpverlening en de reële verwachting dat betrokkene blijft meewerken daaraan, zijn indicaties dat het gevaar niet langer bestaat. Als blijkt van dat gevaar, dan is verweerder bevoegd het huisverbod te verlengen tot ten hoogste vier weken.

3.2.3.

Verzoeker en achterblijfster wensen contact met elkaar te hebben om afspraken te maken over de toekomst. Ten tijde van de verlenging van het huisverbod was echter nog onvoldoende gebeurd om de spanning uit de relatie te halen en was het gevaar onverminderd aanwezig. Het persoonlijkheidsonderzoek van verzoeker heeft nog niet plaatsgevonden, er zijn nog geen veiligheidsafspraken gemaakt, de hulpverlening door Arosa is nog niet opgestart en er is nog geen andere hulpverlening tot stand gekomen die tot afname van het gevaar heeft geleid. Verweerder was derhalve bevoegd om het huisverbod te verlengen en heeft in redelijkheid tot de conclusie kunnen komen dat de belangen van achterblijfster en de minderjarige achterblijver bij verlenging van het huisverbod, te weten die van veiligheid, hulpverlening en rust, zwaarder wegen dan de belangen van verzoeker bij terugkeer in de woning. Ook ter zitting zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die aanleiding geven het huisverbod op te heffen.

3.2.4.

De beroepsgrond faalt.

3.3.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.4.

Omdat de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak doet in de hoofdzaak, wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Aldus gedaan door mr. J.J. Klomp, voorzieningenrechter, tevens kinderrechter, en door deze en mr. A.F.H. Domenie, griffier, ondertekend.

De griffier: De voorzieningenrechter:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover die ziet op het beroep, kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op: