Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:2985

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-04-2019
Datum publicatie
16-04-2019
Zaaknummer
10-250606-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Verwarde man maakt amok in shop bij benzinestation. Wederspannigheid en vernieling. Man getroffen door de gevolgen van het politieoptreden waarbij een hond is ingezet. Geen straf of maatregel opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10-250606-16

Proces-verbaal van de openbare terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Rotterdam op 9 april 2019.

Tegenwoordig als:

politierechter mr. J.L.M. Boek,

officier van justitie mr. D. Streef,

griffier C.A. van den Houwen

De zaak tegen na te noemen verdachte (hierna: verdachte) wordt uitgeroepen.

Als verdachte is verschenen een persoon, die de Nederlandse taal niet of niet voldoende beheerst, doch wel de Poolse taal. Het onderzoek vindt daarom plaats met bijstand van mevrouw J.A. Goedhart-Piekalkiewicz, tolk in die taal. Omdat deze tolk een beëdigde tolk is in de zin van de Wet beëdigde tolken en vertalers is beëdiging op de terechtzitting achterwege gebleven. Al hetgeen op de terechtzitting is gesproken of voorgelezen is door de tolk vertaald.

De verdachte, op de terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de politierechter te zijn genaamd

[naam verdachte] ,

geboren te Pulawy op [geboortedatum verdachte] ,

feitelijk wonende of verblijvende op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] .

De politierechter heeft door deze ondervraging de identiteit van de verdachte vastgesteld.

Als raadsman van de verdachte is aanwezig mr. H. Loonstein, advocaat te Amsterdam.

De politierechter deelt mede dat het onderzoek op de terechtzitting is geschorst op 5 februari 2019. Omdat een andere politierechter zitting houdt, wordt het onderzoek opnieuw aangevangen.

De politierechter deelt de verdachte mede dat hij niet tot antwoorden is verplicht en maant hem dat hij goed zal opletten.

De officier van justitie draagt de zaak voor. De verdachte wordt kort gezegd verweten dat hij zich op 6 december 2016 met geweld heeft verzet tegen rechtmatig politieoptreden van een drietal politieambtenaren, te weten de hoofdagenten [naam hoofdagent 1] en [naam hoofdagent 2] en brigadier [naam brigadier] , die de verdachte hadden aangehouden op verdenking van vernieling. Dat geweld had bestaan uit slaande en schoppende bewegingen, uit zich losrukken en uit het in de hand bijten van [naam hoofdagent 1] . Daarnaast wordt de verdachte vernieling verweten van allerlei spullen in een shop bij een Shell benzinestation langs de A15.

De officier van justitie legt een lijst over met op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering, inbeslaggenomen, niet teruggegeven voorwerpen.

De politierechter deelt mede dat voorafgaand aan de zitting van de raadsman een verzoek tot aanhouding is binnen gekomen. De raadsman krijgt het woord om dat verzoek toe te lichten.

De raadsman voert verweer aan de hand van pleitnotities. De pleitnotities zijn aan dit proces-verbaal gehecht en maken daarvan deel uit. Kort gezegd komt dit verweer er op neer dat de raadsman meermalen had verzocht om de beschikking te krijgen over camerabeelden die in de Shellshop zijn gemaakt. Die camerabeelden zijn van groot belang voor de verdediging, omdat daarop is te zien dat [naam brigadier] fors geweld tegen de verdachte gebruikt, met name door de inzet van een politiehond. Pas een werkdag voor de zitting is hem een DVD verstrekt en deze bleek bovendien geen enkel beeld te bevatten. De verdachte is daardoor ernstig in zijn verdedigingsbelangen geschaad, waardoor de officier van justitie het recht om nog te vervolgen heeft verspeeld. Als de politierechter het verweer verwerpt dient het onderzoek op de zitting te worden aangehouden.

De officier van justitie merkt naar aanleiding van het verweer op:

Dat de raadsman de beelden van het incident die zijn opgenomen door de camera in de Shellshop niet heeft ontvangen, is betreurenswaardig. Er is echter geen sprake van opzet, of zodanige grove nalatigheid dat het OM niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Daar komt bij dat de wederspannigheid heeft plaatsgevonden in de politiebus. De beelden waar de verdediging om verzoekt zien niet op de tenlastelegging. Het verweer moet worden verworpen.

De raadsman wordt in de gelegenheid gesteld te dupliceren en deelt mede:

Voor mij staat nog steeds niet vast dat die camerabeelden er echt niet zijn.

De verdachte is ernstig toegetakeld. De verdediging stelt zich op het standpunt dat het niet toelaatbaar was om die politiehond in te zetten. Verder ziet de tenlastelegging niet op wat in de politiebus is gebeurd maar wat in de Shellshop is gebeurd. Het is nu voor het eerst dat de officier van justitie dit standpunt inneemt.

De verdachte wordt in de gelegenheid gesteld zich over het gevoerde verweer uit te laten. Hij verklaart:

Ik wil alleen zeggen dat ik toen echt niets heb gedaan.

De politierechter deelt mede dat de raadsman een preliminair verweer heeft gevoerd en hij dat had moeten doen voordat de officier van justitie de zaak had voorgedragen. Toch zal de politierechter een inhoudelijk antwoord op het verweer geven, nu dit slechts kan worden verworpen.

De tenlastelegging dient te worden gelezen tegen de achtergrond van het dossier. Ten laste is gelegd dat de verdachte zich heeft verzet tegen de politieambtenaren [naam hoofdagent 1] en [naam hoofdagent 2] en [naam brigadier] . Uit het dossier blijkt dat brigadier [naam brigadier] de verdachte heeft aangehouden in en bij de Shellshop. [naam hoofdagent 1] en [naam hoofdagent 2] hebben de verdachte vervolgens in een politiebus vervoerd naar het politiebureau. [naam hoofdagent 1] heeft in zijn proces-verbaal geschreven dat de verdachte hem in de politiebus in zijn hand heeft gebeten. Nu zowel [naam hoofdagent 1] en [naam hoofdagent 2] als [naam brigadier] worden genoemd in de tenlastelegging en de verdachte bovendien wordt verweten dat hij [naam hoofdagent 1] in zijn hand heeft gebeten, staat vast dat de tenlastelegging betrekking heeft op de gebeurtenissen in en bij de Shellshop en ook op de gebeurtenissen in de politiebus.

Het ontbreken van de camerabeelden in de Shellshop leidt niet tot een niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. Voor een dergelijk oordeel is alleen ruimte als de verdachte met opzet of met grove onachtzaamheid ernstig in zijn verdedigingsbelangen is geschaad. De politierechter acht daar geen sprake van in de onderhavige zaak. De camerabeelden in de Shellshop zijn beschreven in een proces-verbaal van bevindingen en op die wijze ter kennis van de procespartijen en de politierechter gebracht. De inhoud van dit proces-verbaal wordt niet door de verdediging betwist. De officier van justitie kan worden ontvangen in de vervolging.

De politierechter ziet om bovenstaande redenen geen aanleiding om zaak aan te houden.

Het verweer wordt verworpen en het verzoek om aanhouding wordt afgewezen.

De politierechter zet het onderzoek vervolgens voort.

De politierechter deelt mondeling mede de korte inhoud van de stukken van het voorbereidend onderzoek en alle overige stukken van onderzoek, voor zover van belang met het oog op enige door de politierechter te nemen beslissing.

De verdachte verklaart:

Ik voelde mij bij het benzinestation niet goed en heb gevraagd om de politie aan de medewerker van het Shell-station. Op uw vraag waarom ik zo bang was zeg ik u dat ik buiten mensen zag met trainingspakken. Ik zeg u dat ik slechte ervaringen heb met mensen in trainingspakken. Ook had ik een hoge bloeddruk. Desgevraagd zeg ik dat ik Viagra en Red Bull op had.

Volgens mij was daar toevallig een politieagent. Die zei mij dat ik weg moest gaan. Ik vond die politieman er eng uitzien, hij was kaal, hij had vieze schoenen en hij was alleen. Het klopt dat hij zei dat ik naar buiten moest gaan. Ik wist alleen niet zeker of het wel een politieagent was. Ik ben eerder ook door een kale man in elkaar geslagen. Ineens kwam hij met een hond.

Ik weet niet meer dat ik met mevrouw [naam] , die met mij mee was gekomen, heb gesproken. Ik was erg zenuwachtig. Ik slik ook medicatie tegen hoge bloeddruk. Ik ben zo bang geworden dat ik niet wist wat er allemaal gebeurde. Ik was in paniek en was bang voor die kale man. Ik heb mij niet losgetrokken. Hij wees mij namelijk met zijn hand dat ik weg moest.

Desgevraagd zeg ik u dat ik niet zeker weet of ik achter een karretje ben gaan staan. Ik was in paniek en ik had een hoge bloeddruk.

Ik had eigenlijk hulp nodig en geen agressie.

U houdt mij het proces-verbaal van bevindingen voor waarin de camerabeelden van Shell worden omschreven. Te zien is dat ik spullen van de kar op de grond gooi en dat de politieman mij daarna beetpakt en naar de uitgang wijst. Het moment waarop het escaleert, is als ik een doos met goederen naar de politieagent gooi. Dan zet de agent zijn hond in. Uit het proces-verbaal van bevindingen van [naam hoofdagent 1] en [naam hoofdagent 2] , zo houdt u mij voor, zou blijken dat er in de politiebus weer een incident plaatsvindt en dat de verbalisant het gevoel had te zijn opgesloten met een wild beest. Ik zeg u dat ik in de politiebus met geboeide handen zat en dat ik bang was voor die hond. Die hond zat ook in de politiebus en heeft mij in de bus gebeten in mijn hand. U houdt mij voor dat u in de processen-verbaal niets terugvindt over de hond in de politiebus.

Ten aanzien van de vordering benadeelde partij zeg ik het volgende: als ik door mijn schuld iets zou doen dan zou ik dat vergoeden. Ik vind in dit geval niet dat het mijn schuld is, want ik ben degene die is aangevallen.

Die twee witte poederzakjes heeft de politie aan mij laten zien. Die waren niet van mij, dat is niet bij mij aangetroffen. Ik had inderdaad een paar honderd euro cash bij mij.

Persoonlijke omstandigheden

Ik ben bouwvakker en ben werkzaam in Nederland. Ik heb wel wat leningen. Ik wil graag trouwen en hier in Nederland blijven. Ik heb geen kinderen.

De politierechter gaat over tot bespreking van de vordering van de benadeelde partij.

De officier van justitie houdt het requisitoir. Zij vordert dat de verdachte ter zake van de ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een geldboete van € 1.000,00

De officier van justitie merkt ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij op:

De vordering is niet heel netjes onderbouwd, maar dat is geen reden om de vordering af te wijzen. Zij acht de vordering ten aanzien van € 1.637,10 voor toewijzing vatbaar. Zij verzoekt de gevraagde € 55,00 voor het opruimen niet-ontvankelijk te verklaren. Dit is niet onderbouwd.

De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig de overgelegde pleitnotities. De pleitnotities zijn aan dit proces-verbaal gehecht en maken daarvan deel uit. Voor zover de politierechter begrijpt komt het betoog er op neer dat de verdachte moet worden vrijgesproken of ontslagen van alle rechtsvervolging, kennelijk omdat er geen sprake was rechtmatig optreden van [naam brigadier] of omdat de verdachte een beroep kon doen op noodweer(-exces). De inzet van de politiehond was buitenproportioneel en daarmee onrechtmatig.

De raadsman verzoekt de politierechter digitale foto’s te tonen van de verwondingen van de verdachte.

De politierechter toont met behulp van de schermen in de zittingzaal foto’s van de verdachte waarop is te zien dat hij is gewond aan schouder en hand.

De raadsman deelt mede dat de verdachte de verwonding aan de hand in de auto heeft opgelopen, want uit beelden blijkt niet dat dat is gebeurd op het benzinestation.

Uit het proces-verbaal van [naam brigadier] blijkt dat hij de verdachte heeft verzocht de Shellshop te verlaten, dat is geen vordering. De verdachte heeft aan het verzoek niet voldaan, maar dat is niet strafbaar.

Onduidelijk is of er goederen zijn vernield en als dat al zo is, wie dat dan heeft gedaan.

De verdediging is verrast door de insteek van het OM. De nadruk wordt nu gelegd op de politiebus. Dat is materieel een wijziging van de tenlastelegging. Dat het nu alleen maar om de bus gaat, dat verrast mij.

De vordering benadeelde partij dient te worden afgewezen, omdat deze onvoldoende onderbouwd is. Alleen het op de grond vallen van spullen hoeft niet te lijden tot deze schade. De vordering dient niet-ontvankelijk te worden verklaard althans af gewezen.

De officier van justitie wordt in de gelegenheid gesteld te repliceren. Zij deelt mede:

Er doet zich geen situatie van noodweer (exces) voor gelet op de eigen schuld van de verdachte. De politiehond is juist ingezet. Alle geweldsmiddelen waren ingezet. Niets werkte en daarom is de hond ingezet.

Alle handelingen hebben in de bus plaatsgevonden.

Ik verzoek om partiele vrijspraak van het maken van een zwaaiende/slaande beweging, nu niet blijkt dat de verdachte dat heeft gedaan.

De raadsman wordt in de gelegenheid gesteld te dupliceren en deelt mede:

Het is uiterst opmerkelijk dat er een blanco dvd is. Ik vrees dat dit een voorbeeld is om er alles aan te doen om het bewijs weg te moffelen.

De verdachte wordt in de gelegenheid gesteld als laatste te spreken.

De politierechter verklaart het onderzoek gesloten en zegt terstond mondeling vonnis te zullen geven.

De politierechter spreekt het vonnis uit ter openbare terechtzitting.

Aantekening van het mondeling vonnis

1 Inhoud van de tenlastelegging

Bij de dagvaarding is aan de verdachte ten laste gelegde dat

1
hij op of omstreeks 06 december 2016 te Rhoon, gemeente Albrandswaard en/of Spijkenisse, gemeente Nissewaard, in elk geval in Nederland toen de aldaar dienstdoende [naam hoofdagent 1] en/of [naam hoofdagent 2] en/of [naam brigadier] , hoofdagent(en) en/of brigadier van politie eenheid Rotterdam verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht, in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, had(den) aangehouden en vastgegrepen, althans vast had(den) teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner/hunner bediening, door opzettelijk gewelddadig
- (een) zwaaiende/slaande beweging(en) te maken in de richting van voornoemde opsporingsambtena(a)r(en) en/of
- (een) schoppende/trappende beweging(en) te maken in de richting van voornoemde opsporingsambtena(a)r(en)
- (te trachten) zich los te rukken uit de greep van voornoemde opsporingsambtena(a)r(en) en/of
- te bijten in de hand van die [naam hoofdagent 1] , terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten een roodkleurige zwelling aan de rechterhand bij die [naam hoofdagent 1] ten gevolge heeft gehad;
( art 181 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

2
hij op of omstreeks 6 december 2016 te Rhoon, gemeente Albrandswaard opzettelijk en wederrechtelijk onder andere een (ontbijt)kar en/of een of meer zonnebrillen en/of een of meer rekken/stellingen, althans een winkelinventaris, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam rechtspersoon] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

( art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

2 Waardering van het bewijs

2.1.

Bewijswaardering

2.1.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte moet worden vrijgesproken dan wel ontslagen van alle rechtsvervolging.

2.1.2.

Beoordeling

Uit het proces-verbaal van [naam brigadier] van 6 december 2019 en het proces-verbaal waarin de camerabeelden van de Shellshop zijn beschreven, blijkt dat de verdachte de orde in de Shellshop heeft verstoord. Hij zou volgens het personeel met een kar waarop ontbijtspullen stonden door de shop hebben gereden. [naam brigadier] zag vloeistof op de grond liggen, waardoor de verdenking kon ontstaan dat de verdachte voorwerpen van die kar op de grond had gegooid. [naam brigadier] heeft de verdachte duidelijk gemaakt dat hij de Shellshop moest verlaten, in woord en gebaar. De verdachte heeft aan deze vorderingen niet voldaan. Dat [naam brigadier] relateert dat hij de verdachte heeft verzocht de Shellshop te verlaten, maakt nog niet dat er op een later moment geen sprake zou zijn van een vordering in de zin van artikel 184 Sr. Die vordering is gedaan en is, gelet op de verstoring van de orde door de verdachte, ook rechtmatig gedaan. De verdachte heeft die vordering niet opgevolgd en heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan een strafbaar feit. [naam brigadier] heeft de verdachte vervolgens vastgepakt, maar de verdachte heeft zich losgetrokken. Daarmee heeft hij zich met geweld verzet tegen het optreden van [naam brigadier] en is het ten laste gelegde feit onder 1 in zoverre bewezen. Het geweld dat daarna door [naam brigadier] tegen de verdachte is aangewend, valt buiten bereik van de tenlastelegging.

Vervolgens is de verdachte door [naam hoofdagent 1] en [naam hoofdagent 2] overgebracht naar de politiebus. Zij brengen een aangehouden verdachte over naar het politiebureau en dat maakt hun optreden rechtmatig. De verdachte heeft zich daar tegen verzet door te trachten zich los te rukken. [naam hoofdagent 1] is vervolgens bij de verdachte in de politiebus gaan zitten. Niet is gebleken dat de hond daar bij was. De verdachte heeft zich tegen [naam hoofdagent 1] verzet door in zijn richting te schoppen en te trappen, door te trachten zich los te rukken en door [naam hoofdagent 1] in zijn hand te bijten. Ook in zoverre is de tenlastelegging bewezen.

Van verdediging tegen een wederrechtelijke aanranding zoals is vereist voor een gerechtvaardigd beroep op noodweer is derhalve niet gebleken.

2.1.3.

Conclusie

Het tenlastegelegde is wettig en overtuigend bewezen.

3 Bewijsmiddelen en voor bewijs redengevende feiten en omstandigheden

De inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen is telkens zakelijk weergegeven.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal van politie is - tenzij anders vermeld - bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. De bewijsmiddelen zijn, ook in onderdelen, telkens slechts gebezigd voor het bewijs van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

Feit 1:

1.

Het proces-verbaal van bevindingen, in het proces-verbaal van politie [proces-verbaalnummer 1] , documentcode [code] , inhoudende als relaas van de verbalisant:

Op woensdag 7 juni 2017 heb ik nogmaals de camerabeelden bekeken van het Shell pompstation gelegen aan de A15 te Rhoon.

03.16

Man blijft met telefoon aan zijn oor en probeert telkens de kar weer te pakken. Agent zet de kar stukje opzij. Agent is in gesprek met de man. Agent gebaart richting de uitgang van de shop.

04.03

Man met de telefoon aan het oor komt van rechts weer in beeld. Hij staat voor de kassa en pakt de kar.

04.07

Agent komt ook van rechts in beeld, de man zet de kar tussen hem en de agent in.

04.15

Agent pakt de man bij zijn kleding en gaat weer in gesprek. Agent heeft de man met zijn linkerhand bij de kleding beet en wijst met zijn rechterhand richting de uitgang.

04.48

De man pakt met zijn linkerhand de kar vast.

05.00

De man gooit spullen van de kar op de grond.

05.05

De man en de agent lopen rechts uit beeld.

05.15

De man en de agent komen van rechts weer in beeld lopen. De man zet de kar tussen hem en de agent in.

2.

Het proces-verbaal van bevindingen, in het proces-verbaal met dossiernummer [proces-verbaalnummer 2] , van politie, regionale eenheid Rotterdam, inhoudende als relaas van de verbalisant [naam brigadier] , brigadier van politie:

Feit 1:

Op dinsdag 6 december 2016, omstreeks 04:45 uur, was ik ter plaatse in de shop van Shell Poortland. Deze is gevestigd aan de Rijksweg A15. Ik zag dat een man achter een voorraadkar stond en deze vooruit duwde als hij zich door de zaak bewoog. Tevens zag ik dat de man onrustig om zich heen keek. Ik sprak vervolgens met de shopbediende. Zij verklaarde mij dat de man de shop niet wilde verlaten en dat hij erg raar reageerde. Hij liep al de gehele tijd met de kar, welke eigendom van de Shellshop was, door de shop. Ik zag vervolgens dat er al enkele goederen van de kar waren gevallen en dat er ook al vloeistof op de grond lag. Ik wilde man vervolgens naar buiten geleiden maar de man trok zich los.

Feit 2:

De man gooide verschillende stellingen met goederen waaronder brillen, speelgoed en ruitenvloeistof over de grond. Vervolgens rende hij door de shop en sprong daarbij op een andere stelling.

3.

Het proces-verbaal van bevindingen, in het proces-verbaal met dossiernummer [proces-verbaalnummer 3] , van politie, regionale eenheid Rotterdam, inhoudende als relaas van de verbalisant [naam hoofdagent 1] , hoofdagent van politie en [naam hoofdagent 2] , hoofdagent van politie of één van hen:

Op dinsdag 06 december 2016 bij het benzinestation Shell Portland bij Rhoon aan de A15 ben ik, verbalisant [naam hoofdagent 1] , naar de diensthondengeleider gerend. Op de benen van de verdachte zat een onbekend gebleven burger die onze collega te hulp was gesneld. Ik heb de positie van deze man overgenomen en heb de benen van de verdachte gefixeerd. Dit middels het vasthouden met mijn beide handen van diens enkels. Ik voelde dat de verdachte trachtte zijn benen uit mijn greep te bevrijden door te spartelen. Ik heb hierop mijn greep aangepast en de onderbenen van de verdachte omhoog gevouwen waardoor zijn voeten bij zijn achterwerk kwamen. Hier verzette de verdachte zich hevig spartelend tegen. Ik heb hierbij herhaaldelijk in de Nederlandse, Engelse en Duitse taal tegen de verdachte gezegd dat hij was aangehouden voor wederspannigheid, tevens heb ik getracht hem duidelijk te maken dat hij ter voorgeleiding zou worden overgebracht naar een politiebureau.

Hierop hebben wij hem met vereende krachten in hun dienstmotorvoertuig hebben geplaatst. Hierbij hebben wij de verdachte op zijn buik diagonaal in het passagierscompartiment geplaats en ben ik verbalisant [naam hoofdagent 1] , op de bank achterin het voertuig gaan zitten, teneinde zicht te houden op de verdachte tijdens het transport. Direct na het sluiten van de schuifdeur van het

voertuig, begon de verdachte zich overeind te worstelen. met hem te zoeken teneinde vast te stellen of hij letsel had en om hem te kalmeren. Op geen enkele wijze is het mij gelukt mij verstaanbaar of duidelijk te maken naar de verdachte toe. Uiteindelijk heeft de verdachte een aantal spartelende danwel trappende bewegingen gemaakt, terwijl ik trachtte zijn voeten te

fixeren zodat hij zich niet af kon zetten tegen de zijwand van het voertuig. Hierbij heeft hij mij op mijn rechterhand geraakt met de neus van zijn werklaars. Ik voelde hierbij een pijnscheut in de knokkels van mijn ringvinger en pink. Op deze plek zag ik direct een roodkleurige zwelling ontstaan.

Feit 2:

4.

Het proces-verbaal van aangifte, in het proces-verbaal met dossiernummer [proces-verbaalnummer 4] , van politie, regionale eenheid Rotterdam. inhoudende als verklaring van aangever:

Hij deed aangifte namens de benadeelde.

Rechtspersoon naam : [naam rechtspersoon]

Adres : [vestigingsadres rechtspersoon]

Postcode plaats : [postcode] [vestigingsplaats rechtspersoon]

Gemeente : [naam gemeente]

Ik ben de eigenaar van het Shell Station aan de Al5 te Rhoon gemeente Albrandswaard.

Ik werd op 06-12-2016 gebeld door alarmmaatschappij dat de overvalknop was ingedrukt.

Ik hoorde de medewerker van de alarmmaatschappij vertellen: er is een lastige klant, zeg maar. Ik zag in de shop een stelling omver liggen en een pad gebaand tussen de rotzooi. Ik heb een goederenlijst waarop staat welke producten onbruikbaar zijn.

Zonnebrillen;

Kadokaartenrek;

Aanbiedingsstandaard.

4 Bewezenverklaring

Hiervoor heeft de politierechter de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1
hij op 06 december 2016 te Rhoon, gemeente Albrandswaard en in elk geval in Nederland toen de aldaar dienstdoende [naam hoofdagent 1] en [naam brigadier] , hoofdagenten en brigadier van politie eenheid Rotterdam verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht op heterdaad ontdekt, had(den) aangehouden en vastgegrepen, althans vast had(den) teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige uitoefening hunner bediening, door opzettelijk gewelddadig
- (een) schoppende/trappende beweging(en) te maken in de richting van voornoemde opsporingsambtena(a)r(en)
- (te trachten) zich los te rukken uit de greep van voornoemde opsporingsambtena(a)r(en) en/of
- te bijten in de hand van die [naam hoofdagent 1] , terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten een roodkleurige zwelling aan de rechterhand bij die [naam hoofdagent 1] ten gevolge heeft gehad;

2
hij op 6 december 2016 te Rhoon, gemeente Albrandswaard opzettelijk en wederrechtelijk zonnebrillen en/of een of meer rekken/stellingen, geheel of ten dele toebehorende aan [naam rechtspersoon] , heeft vernield .( art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

De bewezen feiten leveren op:

Feit 1: wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmee gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben

Feit 2: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. Meer in het bijzonder is op het moment van het plegen van het ten laste gelegde feit onder 1 niet gebleken dat er sprake was van een wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich moest verdedigen.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering schuldig verklaring zonder oplegging van straf

De politierechter heeft bij de straftoemeting gelet op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Gezien de ernst van het feit zou in beginsel een geldboete zijn gerechtvaardigd. De verdachte is echter behoorlijk gewond geraakt door het optreden van [naam brigadier] . De politierechter oordeelt dat de inzet van de hond in de gegevens omstandigheden een zwaar middel is geweest. [naam brigadier] heeft de hond nog over de kar getild om de verdachte te laten bijten. Dat gaat heel ver. De verdachte is door de gevolgen van het feit al genoeg gestraft. Aan de verdachte zal daarom geen straf of maatregel worden opgelegd.

8 In beslag genomen voorwerpen

8.1.

Beoordeling

Ten aanzien van het in beslag genomen geldbedrag van 750 euro zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte.

9 Vordering benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [naam benadeelde] ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 1.692,60 aan materiële schade.

9.1.

Standpunt officier van justitie

De vordering is voor het bedrag van € 1.637,10 voor toewijzing vatbaar. Voor het overige dient de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

9.2.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering nu de verdachte vrijgesproken dient te worden. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de materiële schade onvoldoende is onderbouwd en dat ook overigens niet is vast te stellen dat het rechtstreekse schade betreft.

9.3.

Beoordeling

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu de schade onvoldoende is onderbouwd.

10 Beslissing

De politierechter:

verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;

verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

bepaalt dat ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten geen straf of maatregel wordt opgelegd;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- gelast de teruggave aan verdachte van:

een geldbedrag van € 750,00

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering;

De politierechter geeft aan de verdachte kennis dat deze binnen veertien dagen hoger beroep kan instellen tegen dit vonnis en maakt de verdachte opmerkzaam op het recht om op de terechtzitting van dat rechtsmiddel afstand te doen.

Dit proces-verbaal is vastgesteld en ondertekend door de politierechter en de griffier.