Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:2955

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-03-2019
Datum publicatie
16-04-2019
Zaaknummer
C/10/542235 / HA ZA 18-24
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 1:408 BW. Onderhoudsplichtige heeft geen GBA-adres in Nederland, invorderingsperikelen, rol en wettelijke taak LBIO

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/542235 / HA ZA 18-24

Vonnis van 27 maart 2019

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te Amsterdam,

eiser,

advocaat mr. K.E. van Hoeve te Amsterdam,

tegen

de openbare rechtspersoon LANDELIJK BUREAU INNING ONDERHOUDSBIJDRAGEN,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. R.D. Rischen te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en LBIO genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 20 december 2017, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties,

  • -

    de oproepingsbrief voor de mondelinge behandeling van deze rechtbank van 1 augustus 2018,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van de zitting van 11 oktober 2018,

  • -

    de brieven van mrs. Van Hoeve en Rischen van 19 respectievelijk 22 oktober 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] en [naam 1] zijn met elkaar gehuwd geweest. [eiser] en [naam 1] zijn de ouders van vier kinderen, waarvan thans drie meerderjarig zijn.

2.2.

De rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 15 juni 2016 de echtscheiding uitgesproken. De aan deze beschikking gehechte afspraken zoals vastgelegd in de “finale versie 2 juni 2015” maken onderdeel uit van die beschikking.

De inhoud van die afspraken luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Scheidingsvoorstel [eiser] en [naam 1]

Voorstel:

1. Bijdrage aan (…) [naam 1] : [naam 1] ontvangt van [eiser] een maandelijkse

bruto bijdrage gedurende maximaal 12 jaar. Deze maandelijkse bruto bijdrage zal

EUR 4.000 per maand bedragen (…).

2. Kinderbijdrage: De kinderbijdrage wordt vastgesteld op EUR 750 per maand per kind zo

lang zij thuis wonen en wordt betaald door [eiser] aan [naam 1] . Vanaf het

moment dat het betreffende kind uit huis is, zal [eiser] de kinderbijdrage van

minimaal EUR 500 per maand rechtstreeks voldoen aan de kinderen tot een leeftijd van

20 20 jaar danwel gedurende de tijd dat zij studeren.”

2.3.

Op 15 december 2016 heeft [naam 1] het LBIO verzocht de inning van de onderhoudsbijdragen over te nemen (formulier overname inning internationale alimentatie) op grond van artikel 1:408 BW, omdat er een betalingsachterstand zou zijn ontstaan doordat [eiser] niet aan zijn betalingsverplichtingen ter zake de alimentatie voldeed.

2.4.

Volgens het uittreksel Gemeentelijke Basisadministratie (hierna: GBA) van 21 december 2016 stond [eiser] vanwege zijn buitenlandse adres (Verenigde Arabische Emiraten) niet in het GBA ingeschreven.

2.5.

Bij schrijven van 2 januari 2017 heeft het LBIO [naam 1] om het adres van [eiser] verzocht. Bij schrijven van 5 januari 2017 heeft [naam 1] het LBIO bericht dat [eiser] in Bahrein woonachtig is, maar dat zijn adres haar onbekend is.

2.6.

Het LBIO is op 31 januari 2017 tot openbare betekening overgegaan. Op 28 februari 2017 is het exploot betekend aan het parket van het Openbaar Ministerie bij de rechtbank Rotterdam. In de Staatscourant van 7 maart 2017 is gepubliceerd dat de deurwaarder op verzoek van het LBIO aan [eiser] haar brief van 31 januari 2017 en de grosse van de beschikking van de rechtbank Amsterdam d.d. 15 juni 2016 zijn betekend.

2.7.

Het Hof Amsterdam heeft in hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Amsterdam (zie 2.2) bij tussenbeschikking van 30 mei 2017, voor zover hier van belang, bepaald dat:

“(…) de man aan de vrouw met ingang van 17 januari 2017 een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw verschuldigd is van € 4.000,- per maand, met ingang van heden bij vooruitbetaling te voldoen;

dat de man in de kosten van de verzorging en opvoeding van [naam kind 1] maandelijks aan de vrouw een bedrag dient te voldoen van € 750,-, vanaf heden bij vooruitbetaling te voldoen;

dat de man in de kosten van de verzorging en studie maandelijks aan [naam kind 2] een bedrag dient te voldoen van € 750,-, vanaf heden bij vooruitbetaling te voldoen;(…)”

2.8.

[eiser] heeft tot aan de tussenbeschikking van het Hof Amsterdam van 30 mei 2017 (zie 2.7) maandelijks een bedrag van € 3.000,00 respectievelijk € 1.000,00 aan onderhoudsbijdragen betaald ten behoeve van [naam 1] en ten behoeve van [naam kind 1] en [naam kind 2] .

2.9.

Op 3 oktober 2017 heeft het LBIO de deurwaarder opdracht gegeven om tot inning van de achterstallige alimentatie over te gaan. Bij schrijven van 5 oktober 2017 heeft het LBIO de deurwaarder een recent uittreksel GBA van [eiser] (4 oktober 2017) verschaft. Volgens het GBA verblijft [eiser] sinds 1 januari 2015 in de Verenigde Arabische Emiraten.

2.10.

Op 25 oktober 2017 heeft de deurwaarder bankbeslag gelegd ten bedrage van

€ 36.507,43 op de tegoeden van [eiser] bij de ABN AMRO Bank N.V.

2.11.

Op 26 oktober 2017 heeft [eiser] telefonisch contact gehad met het LBIO en onder meer een e-mail adres verstrekt.

2.12.

Op 30 oktober 2017 heeft het LBIO aan [eiser] per e-mail een saldo overzicht gestuurd. Bij overname (door het LBIO) stonden bedragen van € 3.754,57 en € 6.566,11 aan kinder- en partneralimentatie en bedragen van € 563,19 en € 984,92 aan opslagkosten open.

Na overname (door het LBIO) bedroeg het totaal openstaand saldo € 41.874,39

(= € 55.697,48 (onderhoudsbijdragen kinder- en partneralimentatie, opslagkosten en executiekosten) - € 13.823,09 (ontvangen betalingen).

2.13.

Op 30 oktober 2017 heeft de advocaat van [eiser] het LBIO gesommeerd het beslag (onder de banktegoeden van [eiser] ) op te heffen. Nadat (de advocaat van) [eiser] een kort geding had aangespannen, heeft het LBIO het beslag doen opheffen. Het kort geding heeft niet plaatsgevonden.

3 Het geschil

3.1.

De vordering van [eiser] luidt dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    bepaalt dat [eiser] geen (opslag)kosten aan het LBIO verschuldigd is;

  • -

    het LBIO veroordeelt om binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis aan [eiser] te betalen de ten onrechte geïncasseerde bedragen, zijnde een bedrag van

€ 10.430,09, dat onder het beslag is gevallen en de teveel betaalde bedragen, waaronder de (opslag)kosten per maand;

  • -

    bepaalt dat het LBIO de inning staakt;

  • -

    het LBIO veroordeelt in de proceskosten van het kort geding en de onderhavige procedure.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat het LBIO onzorgvuldig en onrechtmatig heeft gehandeld door hem niet ex artikel 1:408 lid 5 BW te informeren. Nu [eiser] niet is geïnformeerd over de vordering van het LBIO zijn de opslagen onterecht opgelegd. [eiser] is niet in de gelegenheid geweest verweer tegen de vordering te voeren. Indien hij die gelegenheid wel zou hebben gehad zou hij het LBIO hebben kunnen laten weten dat hij aan de onderhoudsbijdragen heeft voldaan, althans dat hij bedragen heeft verrekend, dan wel zou hij in de gelegenheid zijn geweest de volgens het LBIO verschuldigde bedragen te voldoen teneinde de opslagkosten te voorkomen. Tot slot voert [eiser] aan dat het LBIO misbruik heeft gemaakt van recht.

3.3.

Het verweer van het LBIO strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van [eiser] in zijn vorderingen, dan wel hem deze vorderingen te ontzeggen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien voldoening niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis plaatsvindt.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Tussen partijen is in geschil of het LBIO ex artikel 1:408 lid 5 BW meer had moeten doen om [eiser] te informeren over het voornemen tot overname van de inning van (achterstallige) alimentatie, de hoogte van de door het LBIO bij [eiser] geïncasseerde bedragen en of [eiser] gehouden is tot betaling van (opslag)kosten.

4.2.

Tot invordering op verzoek van een onderhoudsgerechtigde wordt slechts overgegaan, indien de gerechtigde ter gelegenheid van de indiening van het verzoek aannemelijk heeft gemaakt dat binnen ten hoogste zes maanden voorafgaande aan de indiening van het verzoek de onderhoudsplichtige ten aanzien van tenminste één periodieke periode tekort is geschoten in zijn verplichtingen. In deze gevallen geschiedt de invordering van bedragen die verschuldigd zijn vanaf een tijdstip van ten hoogste zes maanden voorafgaande aan de indiening van het verzoek.

4.3.

Alvorens tot invordering met verhaal van kosten over te gaan wordt de onderhoudsplichtige ingevolge artikel 1:408 lid 5 BW bij brief met bericht van ontvangst in kennis gesteld van het voornemen daartoe en de reden daarvoor, alsmede van het bedrag inclusief de kosten van invordering. Op deze wijze wordt de alimentatieplichtige in de gelegenheid gesteld aan te tonen dat hij de achterstand (alsnog) heeft betaald. Op de veertiende dag na de verzending van de brief wordt het LBIO bevoegd tot invordering over te gaan. De onderhoudsgerechtigde dient daartoe de executoriale titel in handen te hebben gesteld van het LBIO. De overhandiging daarvan machtigt het LBIO tot invordering van de onderhoudsgelden, zo nodig door middel van executie. De invorderingskosten (= opslagkosten en executiekosten) worden eveneens op de alimentatieplichtige verhaald. Er is geen sprake van een overeenkomst van opdracht, de taak en bevoegdheid van LBIO vloeien voort uit de wet. Het LBIO is gehouden tot een zorgvuldige uitvoering van zijn wettelijke taak.

4.4.

Vaststaat dat de rechtbank Amsterdam bij beschikking van 15 juni 2016 de echtscheiding heeft uitgesproken en dat de tussen partijen overeengekomen afspraken (zie 2.2) onderdeel uitmaken van die beschikking. Zo ook de afspraak dat [eiser] een alimentatieverplichting heeft ten opzichte van [naam 1] en hun twee minderjarige kinderen. In dat verband dient [eiser] maandelijks aan [naam 1] te voldoen een bedrag van € 4.000,00 voor [naam 1] en een bedrag van € 750,00 per minderjarig kind. Dat sprake is van tussen [eiser] en [naam 1] gemaakte nadere aanvullende afspraken over de hoogte van de alimentatie en/of verrekening van posten – in afwijking van hetgeen is bepaald in de beschikking van de rechtbank Amsterdam – wordt door het LBIO betwist en is door [eiser] niet onderbouwd; een beschikking van de rechtbank Amsterdam met die strekking of e-mails die hierover met [naam 1] zouden zijn gewisseld zijn niet overgelegd. Daar komt nog bij dat het Hof Amsterdam de door de rechtbank vastgestelde alimentatie (€ 4.000,00 aan partneralimentatie en € 750,00 aan kinderalimentatie per minderjarig kind) heeft bevestigd (zie 2.7). Aldus staat de betalingsverplichting van [eiser] vast.

Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] aan alimentatie tot januari 2017 maandelijks aan [naam 1] heeft betaald een bedrag van € 3.000,00 voor haar en € 1.000,00 voor de

twee minderjarige kinderen samen. Dit betekent dat [eiser] niet geheel aan zijn alimentatieverplichtingen heeft voldaan en dat aan het vereiste van artikel 1:408 lid 4, dat de onderhoudsplichtige ten aanzien van ten minste één periodieke betaling tekort is geschoten wordt voldaan.

4.5.

Nu het LBIO op terechte gronden tot inning van de achterstallige alimentatie is overgegaan is zij ook gerechtigd de invorderingskosten op [eiser] te verhalen (zie 4.4). [eiser] stelt echter dat hij geen invorderingskosten verschuldigd is, omdat het LBIO onzorgvuldig en onrechtmatig heeft gehandeld door hem niet over de (voorgenomen) overname van de alimentatie inning te informeren. Het LBIO had niet mogen volstaan met de openbare betekening van de brief van 31 januari 2017 en had meer inspanningen moeten verrichtten om [eiser] over de voorgenomen inning in te lichten.

Het LBIO meent dat nu er geen adres van [eiser] bekend was, met de openbare betekening aan de vereisten van artikel 1:408 lid 5 BW is voldaan. Voorts voert het LBIO aan dat [eiser] rekening had moeten houden met inning door het LBIO omdat [naam 1] hem meerdere malen had laten weten dat zij zich tot het LBIO zou wenden. Daarnaast meent het LBIO dat het aan [eiser] is om zorg te dragen voor een correcte vermelding van zijn adres in de GBA.

4.6.

De rechtbank is van oordeel dat nu er geen adres van [eiser] bekend was met de openbare betekening van de brief van 31 januari 2017 aan de wettelijke vereisten van artikel 1:408 lid 5 BW is voldaan. Ten aanzien van de stelling van [eiser] dat het LBIO onzorgvuldig en onrechtmatig heeft gehandeld geldt het volgende. Hoewel het LBIO via [naam 1] in het bezit was van meerdere e-mailadressen, waaronder het werk-email adres van [eiser] , heeft het daarvan geen gebruik gemaakt om met [eiser] contact op te nemen over de (voorgenomen) inning van de partner- en kinderalimentatie. Evenmin heeft het LBIO de advocaat van [eiser] benaderd om aan de adresgegevens van [eiser] te komen. Ter zitting heeft het LBIO daarvoor als verklaring gegeven dat dit om privacy-redenen in de regel niet gebeurt en niet gebruikelijk is. Nu daarbij vast staat dat er via de GBA geen aanknopingspunten waren om het adres van [eiser] te achterhalen – er stond vermeld dat [eiser] in de Verenigde Arabische Emiraten woonachtig was, terwijl hij woonachtig was in Qatar en nadien in Bahrein – en [eiser] een eigen verantwoordelijkheid heeft ter zake een correcte vermelding in de GBA, is onvoldoende gesteld om te kunnen concluderen dat het LBIO onzorgvuldig of onrechtmatig heeft gehandeld. Daarbij komt dat [eiser] niet heeft onderbouwd dat hij zijn correcte adres wel (destijds) aan [naam 1] zou hebben verstrekt.

4.7.

[eiser] stelt dat als hij wel op de hoogte zou zijn gesteld van de voorgenomen inning door het LBIO, hij zou hebben kunnen aantonen dat hij aan zijn betalingsverplichtingen had voldaan. Zoals reeds is overwogen onder 4.4. staat vast dat [eiser] – in tegenstelling tot het door hem gevoerde verweer – niet aan zijn betalingsverplichting ter zake de alimentatie heeft voldaan. Anders dan [eiser] meent zou het LBIO daarom, ook indien [eiser] in staat geweest was verweer te voeren tegen de voorgenomen inning, tot die inning zijn overgegaan. De opslagkosten zouden daarmee ook verschuldigd zijn geworden. In zoverre [eiser] aanvoert dat hij, indien hij van de voorgenomen inning op de hoogte zou zijn geweest, de verschuldigde bedragen zou hebben kunnen betalen teneinde de opslagkosten te voorkomen, geldt dat deze stelling niet kan worden gevolgd. Immers [eiser] heeft, ook nadat hij op

de hoogte raakte van de inning door het LBIO, de verschuldigde bedragen niet (volledig) betaald (zoals nader overwogen onder 4.11) zodat nog altijd sprake is van een

betalingsachterstand. De vordering tot vergoeding van de opslagkosten wordt derhalve afgewezen.

4.8.

In zoverre [eiser] meent dat sprake is van ten onrechte geïncasseerde bedragen en beslagkosten geldt dat gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor onder 4.4 heeft overwogen omtrent de vermeende onterechte geïncasseerde bedragen volgt reeds dat hiervan geen sprake kan zijn. In zoverre [eiser] een beroep doet op verrekening van de opslagkosten met – naar de rechtbank begrijpt – een vordering uit onrechtmatige daad op grond van artikel 6:162 BW geldt dat voor een geslaagd beroep op grond van artikel 6:162 BW onder meer vereist is dat sprake is van schade die door de vermeende onrechtmatige gedraging is veroorzaakt. Los van de vraag of het gelegde bankbeslag onrechtmatig is, heeft [eiser] – mede gelet op betwisting van het LBIO – onvoldoende gemotiveerd gesteld dat hij dientengevolge überhaupt schade heeft geleden. [eiser] heeft zich ter zake immers beperkt tot blote stellingen, die door het LBIO zijn betwist. Hij heeft zijn stellingen vervolgens onvoldoende uitgewerkt en onderbouwd, wat wel op zijn weg had gelegen. Nu de rechtbank niet kan vaststellen dat [eiser] schade heeft geleden, kan een beroep op 6:162 BW reeds daarom niet slagen.

4.9.

Resteert de vraag of het LBIO bij [eiser] de inning van de partner- en kinderalimentatie thans dient te staken. Artikel 1:408 lid 6 BW bepaalt dat de invordering die op het verzoek van de onderhoudsgerechtigde geschiedt, slechts eindigt indien gedurende ten minste een half jaar regelmatig is betaald aan het LBIO en er geen bedragen meer verschuldigd zijn vanaf ten hoogste zes maanden voorafgaand aan het verzoek van de onderhoudsgerechtigde.

4.10.

Ter zitting heeft het LBIO verklaard dat [eiser] nog een betalingsachterstand heeft van € 7.866,00. [eiser] heeft betwist dat hij nog een betalingsachterstand heeft en heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat hij de gemaakte kosten voor de kinderen en de maandelijkse premie voor een door [naam 1] afgesloten verzekering met de door hem te betalen kinder- en partneralimentatie heeft verrekend. Ter adstructie heeft hij naar de door hem overgelegde bankafschriften verwezen (producties 13, 14 en 15 bij dagvaarding).

4.11.

Anders dan [eiser] stelt, heeft het LBIO op grond van artikel 1:408 BW een zelfstandige vordering op [eiser] , waarbij niet [naam 1] de schuldeiser is, maar het LBIO. Daaruit volgt dat betalingen aan [naam 1] niet in mindering strekken op de vordering van het LBIO. De rechtbank is, anders dan [eiser] , van oordeel dat uit de door hem overgelegde bankafschriften (producties 13, 14 en 15 bij dagvaarding) niet kan worden afgeleid dat men, als het LBIO de inning overneemt, niettemin bedragen bevrijdend kan betalen aan de onderhoudsgerechtigde. Van een nadere onderbouwing van zijn verweer is de rechtbank niet gebleken. Dit betekent dat er nog een alimentatieachterstand bestaat en dat een staken van de inning van de partner- en kinderalimentatie niet aan de orde is.

4.12.

Dit alles leidt ertoe dat de vorderingen van [eiser] dienen te worden afgewezen.

4.13.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De door het LBIO gevorderde wettelijke rente over de proceskosten is toewijsbaar als in het dictum vermeld.

De rechtbank begroot deze kosten aan de zijde van het LBIO op:

-griffierecht € 618,00

-salaris € 1.086,00 (2 punten x tarief € 543,00)

Totaal € 1.704,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst af het gevorderde;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten aan de zijde van het LBIO tot op heden begroot op € 1.704,00;

5.3.

bepaalt dat met betrekking tot de proceskosten dat [eiser] deze dient te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis en veroordeelt [eiser] , voor het geval voldoening van die kosten binnen die termijn niet plaatsvindt, tot betaling van de wettelijke rente over die kosten te rekenen vanaf het verstrijken van voormelde termijn van voldoening;

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. S.M. den Hollander en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2019.

1451/2872