Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:2953

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-03-2019
Datum publicatie
16-04-2019
Zaaknummer
C/10/544702 / HA ZA 18-152
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Burengeschil. Verjaring ex artikel 3:105 BW. Vereisten bezit. Vordering tot realiseren gemeenschappelijke scheidsmuur. Vordering tot verwijderen van bomen binnen twee meter van de erfgrens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/544702 / HA ZA 18-152

Vonnis van 27 maart 2019

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

wonende te Amsterdam,

2. [eiser 2] in zijn hoedanigheid van executeur testamentair van de nalatenschap van [naam overledene], overleden op [datum] , wiens gezamenlijke erfgenamen zijn:

a. [erfgenaam 1] , wonende te Stellendam,

b. [erfgenaam 2], wonende te Stellendam,

c. [erfgenaam 3], wonende te Ouddorp,
d. [erfgenaam 4] , wonende te Ouddorp,

e. [erfgenaam 5], wonende te Ouddorp,

f. [erfgenaam 6], wonende te Ouddorp,

g. [erfgenaam 7], wonende te Melissant,

h. [erfgenaam 8], wonende te Ouddorp,

i. [erfgenaam 9], wonende te Ouddorp,

3. [eiser 3],

wonende te Ouddorp,

4. [eiser 4],

wonende te Goedereede,

5. [eiser 5],

wonende te Delft,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. A.G. de Jong te 's-Gravenhage,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te Ouddorp,

2. [gedaagde 2],

wonende te Ouddorp,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. P. van der Mersch te Rotterdam.

Eisers in conventie/ verweerders in reconventie zullen hierna worden aangeduid als [eiser 1] (eisers in conventie sub 1), [eiser 2] (eiser in conventie sub 2) en [eiser 5] (eiser in conventie sub 5). Eisers in conventie/verweerders in reconventie sub 2 tot en met 4 worden aangeduid als de familie [naam familie 1] . Gedaagden in conventie/eisers in reconventie zullen [gedaagde 1] c.s. genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 6 februari 2018, met producties 0 tot en met 27;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, met producties 1 tot en met 11;

  • -

    de brief van de rechtbank van 2 mei 2018 waarbij partijen zijn opgeroepen voor de comparitie van partijen;

  • -

    de brief van mr. Mersch van 29 mei 2018 met productie 12;

  • -

    de brief van mr. De Jong van 29 mei 2018 met (nogmaals) productie 22 en producties 28 tot en met 30;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 12 juni 2018;

  • -

    de akte na comparitie van eisers in conventie, met producties 31 tot en met 34;

  • -

    de antwoordakte na comparitie in conventie en in reconventie van [gedaagde 1] c.s..

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser 1] heeft sinds 1992 het perceel gelegen aan de [adres 1] te Ouddorp, kadastraal bekend als [kadasternummer 1] (hierna: perceel B-2149 ), in eigendom. Perceel B-2149 is onbebouwd en onbewoond.

2.2.

De familie [naam familie 1] heeft het naast en achter perceel B-2149 gelegen perceel aan de [adres 2] te Ouddorp, kadastraal bekend [kadasternummer 2] (hierna: perceel B-4410 ) in eigendom. Op perceel B-4410 staat een oude boerderij die niet bewoond wordt.

2.3.

[gedaagde 1] c.s. hebben sinds 1 april 2014 de woning met tuin aan de [adres 3] te Ouddorp, kadastraal bekend [kadasternummer 3] en [kadasternummer 4] (hierna: perceel B-2023 en perceel B-4409 ), in eigendom. [gedaagde 1] c.s. heeft de percelen B-2023 en B-4409 gekocht en geleverd gekregen van [naam 1] . Perceel B-2023 en B-4409 grenzen vanaf de kant van de Oosterweg gezien aan perceel B-2149 . Perceel B-4409 grenst vanaf diezelfde kant bezien aan de rechterzijde aan perceel B-4410 .

2.4.

[naam 1] was sinds 3 december 1993 eigenaar van perceel B-2023 . Voor die tijd gebruikte [naam 1] perceel B-2023 reeds. In 1966/1967 heeft zij met haar toenmalige echtgenoot een woning op perceel B-2023 gebouwd, die steeds door haar en haar gezin is bewoond. [naam 1] is de moeder van [erfgenaam 1] , één van de erven van [naam overledene] . [naam 1] is op 18 mei 2017 overleden.

2.5.

De percelen B-2149 , B-4410 , B4409 en B-2023 waren in het verleden alle eigendom van het echtpaar [naam 2] en [naam 3] .

2.6.

[naam overledene] heeft een gedeelte van de haar toebehorende grond, meer specifiek een stuk grond gelegen achter het perceel B-2023 , aan [naam 1] gelegateerd. Dit betreft het in 2012 formeel gevormde perceel B-4409 .

2.7.

Op de zijgrens tussen B-4409 en B-4410 stond bij de verkrijging van B-4409 door [gedaagde 1] c.s. in 2014 een hek van palen met gaas. Aan de kant van B-4409 stond naast dit hek een lage hulsthaag. Aan de achterzijde van perceel B-4409 werd de erfafscheiding met en B-4410 in april 2014 gevormd door paaltjes, deels verbonden met draad.

2.8.

In april 2014 bevond zich rondom de erfgrens tussen de percelen B-4409 en B-2023 enerzijds en perceel B-2149 anderzijds een circa drie meter hoge en vier meter brede bramenhaag. Aan de zijde van B-2023 en B-4409 bevond zich naast deze bramenhaag een hek van paaltjes met draad. Op perceel B-2023 bevond zich naast dit hek met paaltjes een pad, dat aan de andere zijde werd begrenst door een coniferen haag. Aan de andere zijde van de coniferenhaag was het terras behorend bij de woning op perceel B-2023 gesitueerd.

De navolgende situatieschets is opgenomen in het kadaster.

2.9.

Een brief van 27 oktober 2014 van [gedaagde 1] c.s. aan [eiser 1] luidt, voor zover relevant, als volgt:

“Wellicht een beetje vreemd om op deze wijze gecontacteerd te worden, maar via het kadaster hebben wij uw naam en adres doorgekregen als zijnde de eigenaar van het perceel grasland gelegen aan de [adres 1] te Ouddorp en om die reden doe ik u dit schrijven toekomen.

Sinds september van dit jaar bewoon ik samen met mijn vrouw en twee kinderen de woning op het perceel met nummer 49 en ondanks dat het een ruim bemeten perceel is, missen wij nog die ruimte om de kinderen lekker te laten spelen en ontdekken. U voelt hem wellicht al aankomen, maar ik wil u hierbij vragen wat uw plannen zijn met het perceel grasland aansluitend op de zijtuin van de woning. Wellicht is het mogelijk dat wij tegen vergoeding of door het uitvoeren van onderhoud aan het perceel ervan gebruik mogen maken en het perceel als speelweide voor mijn kinderen kan fungeren. Indien u het perceel wenst te verkopen dan zou ik hier graag als eerste aanspraak op willen maken.”

2.10.

Een brief van 16 februari 2015 van [eiser 1] aan [gedaagde 1] c.s. luidt, voor zover relevant, als volgt:

“Wij dragen Ouddorp ook een warm hart toe en ons plan is nog steeds om een huis te bouwen op ONS perceel. Het wachten is op de vergunning.

Derhalve kan ik niemand zomaar toestaan om gebruik te maken van het perceel.

Een optie zou zijn dat u het voor bepaalde tijd huurt; bijvoorbeeld voor de periode van 1 jaar. (…) Ik heb mij laten raden over wat een redelijke huurprijs is. € 3.000,- per jaar is zeer billijk.
(…)
Indien we onverhoopt niet tot overeenstemming met betrekking tot de huurovereenkomst komen, dan wel indien ik op korte termijn geen reactie van u ontvang, mag u mijn perceel, of een gedeelte daarvan, niet in gebruik hebben/houden. Ook niet als doorgangsroute.”

2.11.

In oktober 2016 heeft [eiser 1] de onder 2.8 bedoelde bramenhaag laten verwijderen. Daarbij kwam in het midden van de bramenhaag een rij palen met prikkeldraad tevoorschijn.

2.12.

[gedaagde 1] c.s. hebben de coniferenhaag naast het terras (bedoeld onder 2.8) verwijderd.

2.13.

[gedaagde 1] c.s. hebben het hekwerk aan de achterzijde van perceel [kadasternummer 4] vernieuwd. [gedaagde 1] c.s. hebben het hekwerk aan de zijgrens tussen B-4409 en B-4410 vervangen door palen met gaas.

2.14.

Op 18 juli 2016 heeft een uitmeting plaatsgevonden door het kadaster. Daarbij waren [eiser 1] , [erfgenaam 3] en [gedaagde 1] c.s. aanwezig. Bij die uitmeting is geconstateerd dat het door [gedaagde 1] c.s. geplaatste hek tussen perceel B-2023 en B-2149 niet op de erfgrens maar op het aan [eiser 1] toebehorende perceel B-2149 staat.

2.15.

Op 8 augustus 2016 heeft blijkens een relaas van bevindingen van het kadaster een grensreconstructie plaatsgevonden. Het relaas van bevindingen luidt, voor zover relevant, als volgt:

Gegevens van de verschenen belanghebbenden of vertegenwoordiging
Mevrouw [eiser 1] (…) aanvrager en eigenaar van perceel 2149, verschenen op 08-08-2016

De heer [eiser 2] (…) executeur-testamentair van de nalatenschap van de familie [naam familie 1] (eigenaar van perceel 4410), verschenen op 08-08-2016
(…)

Omschrijving van de aangewezen kadastrale grenzen
De noord- en de zuidgrens van perceel 2149 zijn op de hoekpunten gemarkeerd met ijzeren buizen.”

2.16.

Bij brief van 22 september 2016 heeft [eiser 1] , voor zover hier van belang, het volgende aan [gedaagde 1] c.s. bericht:

“Graag laat ik jullie weten dat op vrijdag 30 september aanstaande de geplande doorgang, aan de linkerkant van mijn stuk land op de Oosterweg, gerealiseerd zal gaan worden. Tevens zal mijn hele terrein worden geklepeld conform de recente afbakening van het kadaster.

Om de werkzaamheden goed te laten verlopen verzoek ik jullie dan ook vriendelijk om jullie eigendommen plus het hekwerk dat nu nog op mijn terrein staan, (zoals onlangs door het Kadaster middels duidelijke bakens is weergegeven), te verwijderen.”

2.17.

Bij brief van 6 juni 2017 heeft [eiser 1] [gedaagde 1] c.s. gesommeerd de door hen aangebrachte erfgrens in perceel B-2149 te verwijderen en deze te verplaatsen naar de kadastrale erfgrens, conform het relaas van bevindingen van het kadaster van 8 augustus 2016.

3 De vordering in conventie

3.1.

Eisers in conventie vorderen - na wijziging van eis - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht te verklaren dat de kadastrale grens zoals door het Kadaster op 3 januari 2012 en 8 augustus 2016 is vastgesteld de erfgrens vormt tussen de percelen B-2023 , B-4409 ,

B-2149 en B-4410 en dat er sprake is van ingebruikneming en overbouw door gedaagden ten laste van [eiser 1] over de volledige lengte van de erfgrens tussen het perceel B-2149 te Ouddorp met percelen B-2023 en B-4409 te Ouddorp tot een diepte van circa 3,6 meter en ten laste van de familie [naam familie 1] dan wel [eiser 5] over de volledige erfgrens aan de westelijke zijde tussen het perceel B-4409 te Ouddorp met het perceel B-4410 te Ouddorp tot een diepte van circa 0,2 meter;

II. gedaagden te veroordelen aan het Kadaster de opdracht te geven om de kadastrale erfgrenzen in het veld aan te brengen tussen perceel B-4410 en hun perceel B-4409 , alsmede tussen perceel B-2149 en hun percelen B-4409 en B-2023 , zulks op straffe van € 1.000,- per dag dat [gedaagde 1] c.s. daarmee in gebreke blijven vanaf het moment dat veertien dagen zijn verstreken na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis met een maximum van

€ 50.000,-;

III. [gedaagde 1] c.s. te veroordelen tot het verwijderen van al hetgeen is overgebouwd, te weten in ieder geval doch niet uitsluitend een hekwerk en een speeltoestel alsmede de strook grond volledig te ontruimen, zulks op straffe van € 2.000,- per dag dat [gedaagde 1] c.s. daarmee in gebreke blijven vanaf het moment dat veertien dagen zijn verstreken na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis met een maximum van € 100.000,-;

IV. [gedaagde 1] c.s. te veroordelen hun medewerking te verlenen aan het plaatsen van een erfafscheiding op de kadastrale erfgrenzen en [gedaagde 1] c.s. te veroordelen om alle obstakels te verwijderen in en boven de grond met een straal van vijftig centimeter gemeten vanaf de erfgrenzen, zulks op straffe van € 1.000,- per dag dat [gedaagde 1] c.s. daarmee in gebreke blijven vanaf het moment dat veertien dagen zijn verstreken na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis met een maximum van € 50.000,-;

V. [gedaagde 1] c.s. te veroordelen tot betaling van de helft van de kosten van de erfafscheiding tussen percelen B-4409 en B-4410 aan familie [naam familie 1] , althans tot betaling van een bedrag van € 4.635,23 en [gedaagde 1] c.s. te veroordelen tot betaling van de helft van de kosten van de erfafscheiding tussen perceel B-2149 en percelen B-4409 en B-2023 aan [eiser 1] , althans tot betaling van een bedrag van € 2.853,80;

VI. [gedaagde 1] c.s. te veroordelen om alle bomen op de percelen B-2023 en B-4409 te verwijderen die binnen twee meter staan van de kadastrale erfgrens van de percelen B-2149 en B-4410 , zulks op straffe van € 1.000,- per dag dat [gedaagde 1] c.s. daarmee in gebreke blijven vanaf het moment dat veertien dagen zijn verstreken na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis met een maximum van € 50.000,-;

VII. [gedaagde 1] c.s. te veroordelen tot betaling aan [eiser 1] van de gemaakte kadasterkosten van € 1.300,-;

VIII. primair, [gedaagde 1] c.s. te veroordelen tot betaling aan eisers van de werkelijke proceskosten van eisers op te maken bij staat, subsidiair [gedaagde 1] c.s. te veroordelen in de kosten van de procedure conform het liquidatietarief met bepaling dat indien deze kosten niet binnen twee weken na betekening van dit vonnis zijn betaald, [gedaagde 1] c.s. daarover de wettelijke rente zijn verschuldigd vanaf dat moment tot aan de dag der algehele voldoening;

IX. [gedaagde 1] c.s. te veroordelen in de na het vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen met, onder de voorwaarde dat [gedaagde 1] c.s. niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van het vonnis plaats heeft gevonden, een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis, met bepaling dat indien deze kosten niet binnen twee weken na betekening van dit vonnis zijn betaald, [gedaagde 1] c.s. daarover de wettelijke rente zijn verschuldigd vanaf dat moment tot aan de dag der algehele voldoening.

3.2.

Eisers in conventie/verweerders in reconventie hebben aan hun vorderingen het volgende ten grondslag gelegd.

3.2.1.

De uit het kadaster volgende erfgrenzen zijn de juiste erfgrenzen. [gedaagde 1] c.s. hebben aan eisers in conventie/verweerders in reconventie toebehorende grond buiten deze grenzen in gebruik genomen. Daarbij hebben zij door het kadaster aangebrachte grensmarkeringen verwijderd. De grensmarkeringen dienen opnieuw te worden aangebracht door het kadaster. [gedaagde 1] c.s. dienen te worden veroordeeld het kadaster daartoe opdracht te geven.

3.2.2.

[gedaagde 1] c.s. hebben een aan [eiser 1] toebehorende strook grond op perceel B-2149 onrechtmatig in gebruik genomen. Voorts hebben [gedaagde 1] c.s. het nieuwe hekwerk dat hun perceel B-4409 scheidt van perceel B-4410 niet op de erfgrens maar op perceel B-4410 geplaatst dat toebehoort aan de familie [naam familie 1] . [gedaagde 1] c.s. dienen de in gebruik genomen stukken grond terug te geven.

3.2.3.

Omdat de verhoudingen verstoord zijn tussen eisers in conventie/verweerders in reconventie enerzijds en [gedaagde 1] c.s. anderzijds, is het van belang dat op de kadastrale erfgrenzen twee meter hoge, duurzame en onderhoudsvrije schuttingen worden geplaatst. De helft van de kosten daarvan dienen door [gedaagde 1] c.s. te worden voldaan op grond van artikel 5:49 BW. Voorts dienen tot een afstand van 50 cm van de erfgrens alle obstakels in en boven de grond verwijderd te worden.

3.2.4.

Op de percelen van [gedaagde 1] c.s. staan bomen die zich binnen twee meter afstand van de erfgrens bevinden. Dat is op grond van artikel 5:42 BW niet geoorloofd. [gedaagde 1] c.s. dienen deze bomen te verwijderen.

3.2.5.

Eisers in conventie/verweerders in reconventie hebben kosten gemaakt ter voorbereiding van de procedure en ter vaststelling van de feiten. Deze kosten dienen door [gedaagde 1] c.s. te worden voldaan. [eiser 1] heeft een bedrag van € 1.300,- aan kadasterkosten voldaan.

3.2.6.

Er zijn gronden aanwezig [gedaagde 1] c.s. te veroordelen in de werkelijke proceskosten.

4 Het verweer in conventie

4.1.

Het verweer van [gedaagde 1] c.s. strekt tot afwijzing van de vorderingen met hoofdelijke veroordeling van eisers in conventie/verweerders in reconventie in de proceskosten, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis.

4.2.

[gedaagde 1] c.s. voeren de volgende verweren.

4.2.1.

[eiser 5] dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in de door hem ingestelde vorderingen, nu hij niet de eigenaar van de in het geding zijnde percelen is.

4.2.2.

Er is geen sprake van ingebruikneming of overbouw ten laste van het perceel van [eiser 1] . De strook grond vanaf het midden van de verwijderde bramenstruik tot aan de volgens de kadastrale gegevens geldende erfgrens is op grond van artikel 3:105 lid 1 BW eigendom van [gedaagde 1] c.s. geworden. De familie [naam familie 2] heeft die strook grond tientallen jaren in gebruik gehad. [gedaagde 1] c.s. nemen er genoegen mee aan te nemen dat de strook grond die door verjaring hun eigendom is geworden wordt begrensd door het huidige, door hen aangebrachte hekwerk op perceel B-2149 . Dat hekwerk staat op dezelfde plaats als het hek dat langs de bramenhaag, aan de kant van perceel B-2023 stond.

4.2.3.

Het hekwerk tussen perceel B-4409 en het aan de familie [naam familie 1] toebehorende perceel B-4410 staat op de erfgrens. Het nieuwe hekwerk is op dezelfde plaats gezet als het oude hekwerk. Bovendien is het hek geplaatst na consultatie van en met instemming van [erfgenaam 3] . Voor zover er sprake zou zijn van een overschrijding van de kadastrale grens is die overschrijding verwaarloosbaar klein. Er is sprake van misbruik van recht.

4.2.4.

[gedaagde 1] c.s. hebben geen erfgrensmarkeringen verwijderd en kunnen niet verplicht worden het kadaster op te dragen om erfgrenzen aan te brengen.

4.2.5.

[gedaagde 1] c.s. kunnen niet verplicht worden mee te betalen aan het aanbrengen van erfafscheidingen. Volgens [gedaagde 1] c.s. staat op de grens met het perceel van de familie [naam familie 1] reeds een erfafscheiding op de juiste plek. [eiser 1] kan zelf, in overleg met [gedaagde 1] c.s., een erfafscheiding aanbrengen ter hoogte van het midden van de voormalige bramenhaag.

4.2.6.

Voor zover er binnen twee meter van de erfgrenzen bomen staan op de aan [gedaagde 1] c.s. toebehorende percelen, staan die bomen langer dan twintig jaar op de bewuste plek zodat de vordering tot het verwijderen daarvan reeds verjaard is. Voor zover er bomen staan die jonger zijn dan twintig jaar, hebben eisers in conventie geen belang bij verwijdering omdat deze tussen de oudere bomen staan. Er is sprake van misbruik van recht.

4.2.7.

[eiser 1] heeft het Kadaster aanvankelijk ingeschakeld omdat de gemeente dat eiste met het oog op een vergunningaanvraag. De kosten zijn dus niet gemaakt ter voorbereiding van deze procedure en dienen daarom door [eiser 1] zelf te worden gedragen.

4.2.8.

De door eisers in conventie gevraagde dwangsommen zijn excessief hoog.

5 De vordering in reconventie

5.1.

[eiser 6] c.s. vorderen voor recht te verklaren dat 1) zij door verjaring eigenaar zijn geworden van de strook grond aan de zijde van perceel B-2149 begrensd door het huidige, door [eiser 6] c.s. geplaatste hekwerk en aan de zijde van perceel B-4409 en B-2023 begrensd door de kadastrale grens en 2) de erfgrens tussen perceel B-4409 en perceel

B-4410 loopt op de plaats waar het huidige hekwerk zich bevindt, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag met een maximum van € 100.000,- voor iedere dag dat eisers in conventie in gebreke blijven aan dat bevel te voldoen.

5.2.

[eiser 6] c.s. leggen aan hun vordering hetzelfde ten grondslag als zij in conventie als verweer aanvoeren.

5.3.

Eisers in conventie/verweerders in reconventie hebben geen conclusie van antwoord in reconventie genomen. Uit hetgeen zij ter zitting naar voren hebben gebracht moet worden opgemaakt dat hun stellingen en standpunten in conventie, ook gelden in het kader van de reconventie.

6 De beoordeling

in conventie en in reconventie

6.1.

Vanwege de samenhang tussen de vorderingen in conventie onder I en II en de vordering in reconventie zullen deze hieronder, meer specifiek in 6.8 tot en met 6.27, samen worden behandeld.

ten aanzien van [verweerder] :

6.2.

[eiser 6] c.s. hebben gevorderd [verweerder] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen omdat [verweerder] niet in enige rechtsverhouding tot [eiser 6] c.s. staat.

6.3.

Eisers in conventie hebben aangevoerd dat [verweerder] belang heeft bij de ingestelde vorderingen omdat hij perceel B-4410 van familie [naam familie 1] heeft gekocht.

6.4.

De rechtbank overweegt als volgt. [verweerder] heeft gesteld de koper te zijn van perceel B-4410 . [verweerder] en familie [naam familie 1] hebben verklaard dat het perceel nog niet is geleverd aan [verweerder] . Dat betekent dat perceel B-4410 nog steeds aan familie [naam familie 1] in eigendom toebehoort. [verweerder] heeft als koper in beginsel alleen contractuele aanspraken (richting kopers) en geen zakenrechtelijke positie met betrekking tot perceel B-4410 . Niet in te zien valt dan ook dat de door de overige eisende partijen ingestelde vorderingen met betrekking tot perceel B-4410 ook aan [verweerder] toekomen. Dat betekent dat [verweerder] niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vorderingen.

Ten aanzien van de erfafscheiding tussen perceel B-4410 en B-4409

6.5.

Bij gelegenheid van de comparitie van partijen zijn de partijen betrokken bij het geschil over de erfgrens tussen het aan familie [naam familie 1] toebehorende perceel B-4410 en het aan [gedaagde 1] c.s. toebehorende perceel B-4409 tot afspraken met elkaar gekomen. De afspraken luiden dat familie [naam familie 1] en [gedaagde 1] c.s. gezamenlijk opdracht zullen geven aan het kadaster om de erfgrens vast te stellen en af te palen en dat beide partijen deze erfgrens zullen erkennen als de enige juiste. Daarbij zijn familie [naam familie 1] en [gedaagde 1] c.s. overeengekomen dat zij elk de helft van de kosten voor het inschakelen van het kadaster zullen dragen, evenals de kosten van een eventueel te plaatsen afzetting. Over het al dan niet plaatsen van de afzetting zouden partijen hun overleg voortzetten.

6.6.

In de akte na comparitie heeft familie [naam familie 1] dat nog geen opdracht is verstrekt aan het kadaster. Volgens familie [naam familie 1] is dat nog niet gebeurd, omdat [gedaagde 1] c.s. weigeren afspraken te maken over de wijze van markering van de kadastrale erfgrens door het kadaster en over de kosten voor de te plaatsen erfafscheiding.

Bij antwoordakte na comparitie hebben [gedaagde 1] c.s. naar voren gebracht dat er tussen partijen geen overeenstemming is over de formulering van de opdracht aan het kadaster. Volgens [gedaagde 1] c.s. stelt familie [naam familie 1] voorts allerlei randvoorwaarden waarmee [gedaagde 1] c.s. niet akkoord zijn. [gedaagde 1] c.s. geven aan dat door de advocaten van partijen nog over het een en ander wordt gecorrespondeerd en dat niet uit te sluiten is dat alsnog een akkoord bereikt wordt.

Van partijen zijn geen nadere berichten ontvangen na de wederzijdse akten na comparitie.

6.7.

Nu door geen van de partijen ter comparitie een voorbehoud is gemaakt in verband met eventueel te verbinden voorwaarden aan de hiervoor onder 6.5. weergegeven afspraak (die ter comparitie op schrift is gesteld en door beide partijen voor akkoord is ondertekend), is daarvoor thans geen plaats meer. De afspraak dat partijen het kadaster gezamenlijk zullen inschakelen is ook gemaakt onafhankelijk van de vraag of overeenstemming wordt bereikt over een eventueel voor gemeenschappelijk rekening aan te brengen scheidsmuur tussen de percelen.

De rechtbank zal - conform hetgeen is afgesproken - beslissen dat wordt verstaan dat de familie [naam familie 1] en [gedaagde 1] c.s. zijn overeengekomen dat zij gezamenlijk het kadaster opdracht verlenen de erfafscheiding vast te stellen en af te palen tussen het perceel aan de [adres 2] van de familie [naam familie 1] ( B-4410 ) en het perceel aan [adres 3] van [gedaagde 1] c.s. ( B-4409 ) en dat deze grens door beide partijen zal worden erkend als de enige juiste.

Ten aanzien van de erfafscheiding tussen perceel B-2149 enerzijds en B-4409 en B-2023 anderzijds

6.8.

[eiser 1] heeft onderbouwd gesteld dat door [gedaagde 1] c.s. een stuk van het aan haar toebehorende perceel B-2149 in gebruik is genomen. [gedaagde 1] c.s. betwisten dat op zichzelf niet. Volgens [gedaagde 1] c.s. is de betreffende strook grond, te weten – zo begrijpt de rechtbank althans – de grond vanaf het voormalige hek naast de voormalige bramenhaag tot aan de kadastrale erfgrens, over de gehele lengte van de grens tussen perceel B-2149 enerzijds en de percelen B-2023 en B-4409 anderzijds, door verjaring eigendom van [gedaagde 1] c.s. geworden.

6.9.

Vaststaat in elk geval dat [gedaagde 1] c.s. een strook grond in gebruik hebben die buiten de kadastrale grenzen van hun percelen B-2023 en B-4409 gelegen is en die zich bevindt op perceel B-2149 , het perceel van [eiser 1] . Vast staat voorts dat [gedaagde 1] c.s. geen toestemming van of overeenstemming hebben met [eiser 1] over dat gebruik, zodat dat in beginsel onrechtmatig is. Dat is anders indien [gedaagde 1] c.s. zich gegrond beroepen op verjaring van de vordering tot revindicatie van de strook grond. Indien het beroep op verjaring gegrond is, zijn zij immers eigenaar van de betreffende strook grond.

6.10.

De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 3:105 lid 1 BW verheft tot rechthebbende degene die een goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw. De in art. 3:105 BW bedoelde verjaringstermijn bedraagt twintig jaar (art. 3:306 BW). De termijn van verjaring begint met de aanvang van de dag, volgende op die waarop een niet-rechthebbende bezitter is geworden of de onmiddellijke opheffing gevorderd kon worden van de toestand waarvan diens bezit de voortzetting vormt (3:314 lid 2 BW). Voor het intreden van de verjaring is niet relevant wie de strook grond in bezit heeft genomen of dat er wisselingen in de persoon tegen wie de vordering tot revindicatie moet worden ingesteld hebben plaatsgevonden. Slechts vereist voor verkrijging ex artikel 3:105 BW is dat degene die zich beroept op dat artikel het bezit heeft op het moment waarop de extinctieve verjaring van de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit wordt voltooid. Niet van belang is of het bezit te goeder trouw is en evenmin hoe lang de huidige bezitter het bezit heeft gehad.

6.11.

De vraag of sprake is van voor verkrijging ex artikel 3:105 BW bedoelde bezit dient te worden beoordeeld aan de hand van de maatstaven van artikel 3:107 BW e.v. Bezit wordt door artikel 3:107 BW omschreven als het houden van een goed voor zichzelf. Daaronder wordt verstaan het direct of indirect uitoefenen van de feitelijke macht over de zaak met de pretentie rechthebbende te zijn. Of iemand een goed houdt voor zichzelf moet worden beoordeeld naar verkeersopvatting, met inachtneming van de regels die de artikelen 3:109 BW e.v. geven en voorts op grond van uiterlijke feiten, aldus artikel 3:108 BW. Dit is een objectieve maatstaf. Het gaat in de eerste plaats om de uiterlijke omstandigheden waaruit naar verkeersopvattingen een wilsuiting kan worden afgeleid om als rechthebbende op te treden. Doorslaggevend voor artikel 3:108 BW is de verkeersopvatting van de objectieve derde tot de uiterlijke feiten. Aan de hand van de objectief waarneembare feiten dient te worden bepaald of naar verkeersopvatting een rechtspretentie aanwezig is. In het begrip bezit ligt het vereiste dat het bezit “ondubbelzinnig” moet zijn besloten. Er is geen sprake van (ondubbelzinnig) bezit als de machtsuitoefening met betrekking tot de zaak evengoed kan duiden op een gebruik als eigenaar als op een gebruik in andere hoedanigheid zoals bijvoorbeeld in hoedanigheid van gebruiker op grond van een beperk of persoonlijk recht.

6.12.

Een goed wordt in bezit genomen door zich daarover de feitelijke macht te verschaffen. Daarbij geldt dat indien een goed in bezit van een ander is, meer nodig is om diens bezit te doen eindigen dan enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen.

6.13.

[gedaagde 1] c.s. voeren aan dat perceel B-2023 sinds 1966/1967 ononderbroken in bezit en gebruik is geweest van [naam 4] en [naam 1] . Na het overlijden van [naam 4] woonde [naam 1] er alleen en later met haar nieuwe partner, aldus [gedaagde 1] c.s. Bij deze gebruikers/bezitters van perceel B-2023 is volgens [gedaagde 1] c.s. steeds ook de strook grond tussen de coniferenhaag en de bramenhaag exclusief in gebruik geweest. Tussen deze hagen bevond zich een open ruimte die gebruikt werd om de om de hagen te snoeien. De ruimte tussen de hagen was niet toegankelijk voor derden en niet bereikbaar vanaf perceel B-2149 . Verder naar achter op perceel B-2023 stond meer dan twintig jaren lang een garage (die door [gedaagde 1] c.s. inmiddels is verplaatst naar een andere plek op hun percelen). De garage stond voor een deel over de kadastrale erfgrens tussen perceel B-2023 en perceel B-2149 , en dus op perceel B-2149 . Ook verder naar achter op de percelen van [gedaagde 1] c.s. is de in het geding zijnde strook grond gelegen op perceel B-2149 volgens [gedaagde 1] c.s. steeds onderdeel geweest van het achtererf van de percelen B-2023 en B-4409 .

6.14.

Ter onderbouwing van deze stellingen hebben [gedaagde 1] c.s. een aantal verklaringen overgelegd. Een door [naam 1] en haar dochter [erfgenaam 1] (de hiervoor onder 2 sub a genoemde erfgenaam van [naam overledene] ) ondertekende verklaring van 21 oktober 2016 luidt als volgt:

“Hierbij verklaren ondergetekende (…) dat tijdens de verkoop van de percelen kadastraal bekend onder nummer [kadasternummer 3] en [kadasternummer 4] , beter bekend als [adres 3] te Ouddorp, de toen zichtbaar in gebruik geweest zijnde erfafscheidingen (met uitzondering van de achtergrens welke recent voor de verkoop bepaald is) met de aangrenzende percelen, reeds vanaf 1967 doch minimaal vanaf 1990, als zodanig zijn aanvaard en gebruikt. Dit onder meer door een duidelijke afbakening middels palen voorzien van prikkeldraad/gaas, vaste begroeiing en op en nabij de grenzen van perceel, geplaatste objecten, zoals onder andere een garage. De grens met perceel B 2149 was naast palen met prikkeldraad tevens voor een groot deel afgebakend met een ondoordringbare bramenhaag.”

[naam 5] en [naam 6] , sinds 1987 de bewoners van de [adres 4] te Ouddorp, hebben op 21 maart 2018 – voor zover relevant – als volgt verklaard:

“In 1987 zijn wij (de familie [naam familie 3] ) aan [adres 4] in Ouddorp komen wonen. Omdat in datzelfde jaar de echtgenoot van mevrouw [naam familie 2] kwam te overlijden, alsook een tweetal andere personen op [adres 2] is er een hechte band tussen ons als buren ontstaan. (…) Enige tijd na het overlijden van haar echtgenoot heeft mevrouw [naam familie 2] de duiventil vervangen voor een fietsenschuur en heeft zij ook enkele coniferenhagen door haar toenmalige schoonzoon (…) laten plaatsen. De fietsenschuur stond op het terras nabij de schurveling tegen de zijkant van de woning en liep uit in de richting van perceel B-2149 . Daaraan is een coniferenhaag geplaatst rondom het terras. Het terras werd met een poort afgesloten. (…) Achter de coniferenhaag was een verhard pad zodat deze haag, alsook de bramenhaag kon worden gesnoeid en onderhouden. Het onderhoud aan de tuin, waaronder de coniferenhagen (er was er ook een bij de garage) is altijd door of namens mevrouw [naam familie 2] gedaan. Ook de hoge coniferen achter de garage zijn door mevrouw [naam familie 2] gezet. De bramenhaag heeft er altijd gestaan. Deze liep langs het gehele perceel; tussen de percelen van mevrouw [naam familie 2] en perceel B-2149 . Deze was hoog en breed en vanaf het perceel van mevrouw [naam familie 2] kon men niet op perceel B-2149 komen en andersom was dit evenmin mogelijk. Voor de bramenhaag liep een hekwerk van palen met prikkeldraad.

In 1992 heeft mevrouw [naam familie 2] het perceel B-4409 van de oom en tante op [adres 2] gekregen en bij perceel B-2023 getrokken. (…)

In 1996 heeft mevrouw [naam familie 2] een vergunning aangevraagd voor het plaatsen van een garage en deze is door haar toenmalige schoon (...) geplaatst. Achter deze garage was ruimte tot aan de bramenhaag, met een tegelpad en opslag van stenen. Deze ruimte achter de garage liep aan beide kanten door, zowel verder op het achterste perceel, alsook naar de voorkant achter de coniferenhaag tot aan de schurveling.

Vanaf het moment dat wij aan de Oosterweg zijn komen wonen hebben wij, in goed overleg met de eigenaren van [adres 2] , paarden en koeien gehouden op de percelen behorende bij [adres 2] , alsook perceel 2149. Er was vanaf perceel B-2149 , alsook het daarachter gelegen perceel geen toegang tot het perceel van mevrouw [naam familie 2] . Het gedeelte waarover tussen eigenaresse van perceel B-2149 , mevrouw [eiser 1] , en de familie [gedaagde 1] op [adres 3] conflict (…) is behoorde al sinds wij hier wonen bij [adres 3] , tussen familie [gedaagde 1] als nieuwe eigenaren van [adres 3] en mevrouw [eiser 1] , eigenaresse van perceel B-2149 .

Mevrouw [naam familie 2] heeft in ieder geval vanaf het moment dat wij aan de Oosterweg zijn komen wonen, het betwiste stuk tuin in bezit gehad en hiervan als eigenaresse gebruik van heeft gemaakt. Het was niet mogelijk om vanaf perceel B-2149 op enigerlei wijze (…) dit stuk grond of de rest van de tuin van mevrouw [naam familie 2] te bereiken.”

6.15.

[eiser 1] heeft betwist dat sprake is geweest van bezit. Verjaring is volgens [eiser 1] dan ook niet aan de orde. [eiser 1] heeft ter onderbouwing van haar betwisting een (ongedateerde) verklaring van [erfgenaam 3] , [eiser 3] (eiseres sub 3) en [eiser 4] (eiseres sub 4) overgelegd (productie 34) waarin zij verklaren dat de op de bijlage bij de verklaring weergegeven strook grond “geen onderdeel uitmaakt van de tuin c.q. het erf van [naam 1] (…) en dat er geen sprake is van inbezitneming van deze strook grond door [naam 1] .”

6.16.

Naar het oordeel van de rechtbank is deze betwisting van [eiser 1] onvoldoende om de stelling van [gedaagde 1] c.s. te weerleggen dat de strook grond, gelegen op perceel B-2149 , evenwijdig aan de kadastrale erfgrens tussen perceel B-2149 en perceel B-2023 , vanaf de straatkant van perceel B-2023 tot aan de achtergrens van perceel B-2023 , in gebruik is geweest bij [naam 1] . Deze strook strekte zich in de breedte uit van de voormalige coniferenhaag langs het terras op perceel B-2023 , die volgens partijen op de kadastrale erfgrens stond, tot aan het (voormalige) hek dat aan de zijde van perceel B-2023 langs de voormalige bramenhaag was geplaatst. [eiser 1] heeft niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist dat de strook grond uitsluitend bereikbaar was via perceel B-2023 . Evenmin is betwist dat de strook uitsluitend werd gebruikt door de bewoners van perceel B-2023 . Door de heer en mevrouw [naam familie 3] , die kennelijk sinds eind jaren tachtig frequent contact hadden met de vlakbij hen wonende [naam 1] , hebben daarover concreet verklaard. In de verklaringen die [eiser 1] heeft overgelegd wordt daarop niet ingegaan. Die verklaring (productie 34) behelst slechts een algemene ontkenning dat de strook onderdeel uitmaakte van de tuin van [naam 1] .

6.17.

Door [eiser 1] is evenmin gemotiveerd betwist dat verder naar de achtergrens van perceel B-2023 op de hiervoor onder 6.16 omschreven strook grond, de garage van [naam 1] was gelegen. Volgens de verklaring van [erfgenaam 3] ter comparitie is die garage in 1987/1988 gebouwd. Niet betwist is tenslotte dat [naam 1] achter de garage en op het perceel B-2149 coniferen heeft gepland.

6.18.

Naar het oordeel van de rechtbank moet het hiervoor omschreven gebruik door [naam 1] van de in 6.16 bedoelde strook grond als bezit worden aangemerkt. De bewuste strook grond was uitsluitend te bereiken via perceel B-2023 . Vanaf perceel B-2149 was er geen toegang tot de strook grond. Optisch en praktisch was de strook grond daarmee onderdeel van perceel B-2023 . Erkend wordt dat de strook grond werd gebruikt door de bewoners van perceel B-2023 voor onderhoud van de aan weerszijden gelegen hagen. Dat die snoeiwerkzaamheden, zoals [eiser 1] aanvoert, slechts incidenteel plaatsvonden betekent in dit geval niet dat geen sprake is van bezit. De strook grond vormde door de feitelijke omstandigheden ter plaatse een geheel met perceel B-2023 en kon alleen door de bewoners van dat perceel worden gebruikt. Van een enkele, op zichzelf staande machtsuitoefening die het bezit van de oorspronkelijke rechthebbende niet doet eindigen, kan in dit geval dan ook niet gesproken worden. Voor het deel van de strook grond waarop de garage en bomen stonden gaat het verweer dat slechts sprake is van incidenteel gebruik hoe dan ook niet op omdat de garage en bomen permanent aanwezig waren.

6.19.

De vraag die vervolgens voor ligt, is hoe lang het bezit heeft geduurd. De vordering tot beëindiging van het bezit verjaart twintig jaren na de dag volgend op die waarop een niet-rechthebbende bezitter is geworden of de onmiddellijke opheffing kan worden gevorderd van de toestand waarvan diens bezit de voortzetting vormt (artikel 3:314 lid 2 BW). [gedaagde 1] c.s. hebben gesteld dat de situatie ter plaatse, dat wil zeggen de aanwezigheid van de ondoordringbare bramenhaag op perceel B-2149 langs de erfgrens met perceel B-2023 , meer dan twintig jaren heeft bestaan. Dat wordt gestaafd door de verklaring van heer en mevrouw [naam familie 3] dat de bramenhaag er altijd heeft gestaan, waarmee kennelijk bedoeld is in elk geval sinds de heer en mevrouw [naam familie 3] woonachtig waren op de [adres 4] in 1987. Voorts is door de heer [eiser 2] ter comparitie verklaard dat de garage op perceel B-2023 in 1987/1988 is gebouwd. Tenslotte hebben [gedaagde 1] c.s. ter comparitie naar voren gebracht dat de coniferen achter de garage in 1981, 1987 respectievelijk 2000 zijn geplaatst door [naam 1] vanwege in die jaren plaatsgevonden sterfgevallen. De juistheid hiervan is door [eiser 1] niet betwist. Naar het oordeel van de rechtbank staat hiermee vast dat het bezit van de strook grond gelegen op perceel B-2149 , evenwijdig aan de kadastrale erfgrens tussen perceel B-2149 en perceel B-2023 , reikend vanaf de straatkant van perceel B-2023 tot aan de achtergrens van perceel B-2023 , over een breedte gemeten vanaf de voormalige coniferenhaag langs het terras op perceel B-2023 , tot aan het (voormalige) hek aan de zijde van perceel B-2023 langs de voormalige bramenhaag, minimaal twintig jaar heeft geduurd. Dat betekent dat de vordering tot revindicatie reeds was verjaard op het moment dat [gedaagde 1] c.s. perceel B-2023 in eigendom verkregen. De hiervoor omschreven strook grond is dan ook eigendom van [gedaagde 1] c.s.

6.20.

[eiser 1] heeft nog aangevoerd dat uit de door haar als productie 29 overgelegde luchtfoto’s blijkt dat de betreffende strook grond pas in gebruik is genomen nadat [gedaagde 1] c.s. perceel B-2023 in eigendom kregen. Op die foto’s is inderdaad een duidelijke wijziging zichtbaar van het erf aan de zijde van perceel B-2023 die grenst aan perceel B-2149 . Er is een grotere open plek zichtbaar die kennelijk is ontstaan nadat [gedaagde 1] c.s. de percelen B-2023 en B-4409 in eigendom heeft verkregen. Dit betekent evenwel niet dat de betreffende strook grond voorheen niet in bezit was bij de rechtsvoorganger van [eiser 1] , [naam 1] . Hiervoor is vastgesteld dat de betreffende strook grond gelegen achter de voormalige coniferen haag voorheen feitelijk deel uitmaakte van perceel B-2023 en bezit was van de eigenaar van perceel B-2023 . Dat dat uit de luchtfoto’s van voor de door [gedaagde 1] c.s. aangebrachte wijzigingen aan de tuin niet duidelijk was, maakt dat niet anders.

6.21.

Volgens [gedaagde 1] c.s. staat het huidige hek dat de tuin van [gedaagde 1] c.s. afscheidt van het perceel [eiser 1] op dezelfde plaats als het hek dat aan de zijde van perceel B-2023 langs de voormalige bramenhaag stond. [eiser 1] heeft dat onvoldoende gemotiveerd betwist. [eiser 1] zegt dat zij niet kan bevestigen dat het huidige hek op de plaats staat waar eerder het hek langs de bramenhaag stond. Van [eiser 1] mocht verwacht worden dat zij daarover bij de overige in dit geschil betrokkenen navraag had gedaan. Dat heeft zij kennelijk niet gedaan. Voorts ligt voor de hand dat [eiser 1] zich wel enig beeld kan vormen van de plaats waar het voormalige hek zich bevond, nu zij het kennelijk is geweest die de bramenhaag heeft laten verwijderen. In rechte wordt er dan ook vanuit gegaan dat het huidige hek staat op de plaats waar voorheen het hek naast de bramenhaag stond.

6.22.

De conclusie van al het voorgaande is dat de bedoelde strook grond tussen het huidige hek op perceel B-2149 en de kadastrale erfgrens (waarop eerder de coniferenhaag stond), voor zover deze strook grond is gelegen langs perceel B-2023 , eigendom is van [gedaagde 1] c.s..

6.23.

Dat geldt niet voor het verlengde van deze strook grond, gelegen naast perceel B-4409 . Niet in geschil is dat perceel B-4409 pas in 2012 is gevormd en bij wijze van legaat door [naam overledene] bij haar overlijden in 2011 aan [naam 1] is vermaakt. Voor die tijd had [naam 1] volgens [gedaagde 1] c.s. de grond die thans perceel B-4409 vormt reeds lange tijd in gebruik, maar volgens de eigen stellingen van [gedaagde 1] c.s. (onder 5.8 van de antwoordakte na comparitie) was dit op grond van ingebruikgeving door [naam overledene] , de toenmalige eigenaar. Hieruit moet worden opgemaakt dat [naam 1] het stuk grond thans bekend als perceel B-4409 gebruikte met instemming van [naam overledene] en dus op grond van een persoonlijk recht. [naam 1] was daarmee houder van het stuk grond dat thans perceel B-4409 vormt. Dat staat er, bijzondere omstandigheden die hier niet zijn gebleken daargelaten, aan in de weg dat [naam 1] het bezit is gaan uitoefenen over op perceel B-2149 gelegen, ten processe bedoelde strook grond. Gesteld noch gebleken is dat [naam 1] deze strook grond op andere wijze gebruikte dan de grond die haar door [naam overledene] in gebruik was gegeven. Dat betekent dat er naar buiten toe geen waarneembaar feitelijk verschil was tussen de wijze waarop de strook grond toebehorend aan de eigenaar van perceel B-2149 en de grond die in gebruik was gegeven door [naam overledene] werd gebruikt. Het kon en behoefde de eigenaar van perceel B-2149 - vanaf 1992 [eiser 1] - dan ook niet duidelijk te zijn dat [naam 1] [naam familie 1] meende eigenaar te zijn van de bedoelde strook grond op perceel B-2149 en dat moest worden opgetreden tegen het gebruik van die strook wilde [eiser 1] voorkomen dat zij door tijdsverloop de eigendom van de strook grond zou kwijtraken.

6.24.

[gedaagde 1] c.s. hebben nog gesteld dat [naam 1] het bezit van de strook grond bedoeld onder 6.23 uitoefende namens [naam overledene] . De vraag of sprake is van middellijk bezit moet worden beoordeeld aan de hand van de maatstaf van artikel 3:108 BW. De enkele omstandigheid dat sprake is van een rechtsverhouding op grond waarvan gebruik van de thans als perceel B-4409 bekende grond door [naam 1] was toegestaan, brengt niet mee dat door haar (mogelijk) gepleegde machtsuitoefeningen ten aanzien van een belendend perceel naar verkeersopvatting aan de eigenaar van het in gebruik gegeven perceel moeten worden toegerekend. Het bezit kan niet op die manier worden opgedrongen. Voor middellijke bezitsverkrijging is vereist dat sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat de feitelijke ingebruikneming op grond van vertegenwoordiging of een rechtsverhouding als bedoeld in artikel 3:110 BW aan de eigenaar van het in gebruik gegeven perceel kan worden toegerekend. Dergelijke feiten of omstandigheden zijn gesteld noch gebleken.

6.25.

Voor zover de stelling van [gedaagde 1] c.s. is dat [naam 1] het huidige perceel B-4409 reeds eerder dan in 2012 - door verjaring - in eigendom had gekregen, is dat door [gedaagde 1] c.s. onvoldoende onderbouwd. Dat valt ook niet te rijmen met de stelling dat [naam 1] de grond die thans perceel B-4409 vormt in gebruik gekregen had. Gebruik op een dergelijke persoonlijke titel sluit bezit en daarmee verjaring uit.

6.26.

De conclusie van het voorgaande is dat de eigendom van [gedaagde 1] c.s. ten aanzien van perceel B-4409 niet verder reikt dan de kadastrale grenzen van dat perceel.

6.27.1.

[eiser 1] heeft in de dagvaarding onder 30 aangegeven dat voor zover het beroep van [gedaagde 1] c.s. op verjaring zou slagen, zij teruglevering van de strook grond vordert op grond van het arrest van de Hoge Raad van 24 februari 2017 (ECLI:NL:2017:309). Volgens [eiser 1] zijn [gedaagde 1] c.s. niet te goeder trouw en hadden zij op grond van de kadastrale gegevens kunnen nagaan dat de strook grond op het perceel van [eiser 1] lag. Nu het beroep op verjaring van [gedaagde 1] c.s. ten dele slaagt, zal thans het beroep van [eiser 1] op voornoemd arrest worden behandeld.

6.27.2.

In het arrest 27 februari 2017 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat aan verkrijgende verjaring op de voet van artikel 3:105 BW niet in de weg staat een vordering uit onrechtmatige daad van de (voormalige) rechthebbende die zijn eigendom aan een andere partij heeft verloren door de werking van artikel 3:105 BW. De Hoge Raad overweegt dat een persoon die een zaak in bezit neemt en houdt, wetende dat een ander daarvan eigenaar is, onrechtmatig handelt tegenover die eigenaar en dat dat meebrengt dat de laatste vergoeding van de schade kan vorderen die hij als gevolg van dat onrechtmatig handelen lijdt. Volgens de Hoge Raad ligt het in een dergelijk geval voor de hand dat de rechter, desgevorderd, indien de inbezitnemer nog steeds eigenaar is, de inbezitnemer/eigenaar op de voet van artikel 6:103 BW veroordeelt bij wijze van schadevergoeding de in bezit genomen zaak aan de benadeelde terug over te dragen.

6.27.3.

Een vordering tot schadevergoeding door [gedaagde 1] c.s. (in natura) is in dit geval niet aan de orde. De verkrijgende verjaring is in dit geval ingetreden voordat [gedaagde 1] c.s. eigenaren werden van perceel B-2023 en B-4409 . Niet in te zien valt dat [gedaagde 1] c.s., die de strook grond hebben verkregen nadat deze door verjaring eigendom was geworden van de rechtsvoorganger van [gedaagde 1] c.s., [naam 1] , onrechtmatig hebben gehandeld op de in het arrest van de Hoge Raad van 27 februari 2017 bedoelde zin. Voor veroordeling van [gedaagde 1] c.s. tot teruglevering ex artikel 6:103 BW is dan ook geen plaats.

6.28.

Gelet op al het voorgaande zal de vordering in conventie onder I strekkende tot verklaring voor recht dat de door het kadaster op 3 januari 2012 en 8 augustus 2016 vastgelegde grens de erfgrens vormt tussen de betrokken percelen slechts worden toegewezen voor zover het de erfgrens tussen perceel B-2149 en B-4409 betreft.

De vordering in reconventie tot verklaring voor recht dat [eiser 6] c.s. eigenaar zijn geworden van de strook grond naast de percelen B-2023 en B-4409 en de erfgrens tussen de percelen B-2149 enerzijds en de percelen B-2023 en B-4409 anderzijds zich bevindt ter hoogte van het huidige hekwerk zal slechts worden toegewezen voor zover de naast perceel B-2023 gelegen, hiervoor omschreven strook grond betreft en voor zover het de erfgrens tussen de percelen B-2023 en B-2149 betreft. Voor het opleggen van een dwangsom bij een verklaring voor recht, zoals door [eiser 6] c.s. is gevorderd, is uit de aard van deze veroordeling geen plaats.

6.29.

De vordering onder II strekkende tot het (op kosten van [gedaagde 1] c.s.) aanbrengen van de kadastrale erfgrenzen is slechts toewijsbaar voor zover het de grens tussen perceel B-2149 en B-4409 betreft. Vast staat dat [gedaagde 1] c.s. naast perceel B-4409 een hek hebben aangebracht op perceel B-2149 (in het verlengde van het hek naast perceel B-2023 op de plaats van het voormalige hek naast de voormalige bramenhaag). Daardoor is niet meer duidelijk waar de kadastrale erfgrens tussen B-2149 en B-4409 zicht bevindt. [eiser 1] heeft er recht en belang bij dat de kadastrale erfgrens tussen B-2149 en B-4409 (weer) in het veld wordt aangebracht.

[eiser 1] vordert dat een dwangsom wordt gesteld op het niet-nakomen van de vordering onder II. De dwangsom zal worden toegewezen op de wijze als in het dictum vermeld.

6.30.

Onder III heeft [eiser 1] gevorderd [gedaagde 1] c.s. te veroordelen tot het verwijderen van al hetgeen is overgebouwd, waaronder een hekwerk en speeltoestel. Deze vordering zal uitsluitend worden toegewezen voor de overgebouwde zaken die zich op perceel B-2149 bevinden langs de erfgrens met perceel [kadasternummer 4] . De dwangsom wordt toegewezen op de wijze als na te melden.

6.31.1.

Onder IV heeft [eiser 1] (na wijziging van eis) gevorderd [gedaagde 1] c.s. te veroordelen mee te werken aan het plaatsen van een erfafscheiding op de kadastrale grenzen, tegen betaling door [gedaagde 1] c.s. van de helft van de kosten van die erfafscheiding.

6.31.2.

[eiser 1] stoelt deze vordering op artikel 5:49 BW Dat artikel bepaalt dat de eigenaren van aangrenzende erven in een aangebouwd gedeelte van een gemeente te allen tijde kunnen vorderen dat de andere eigenaar meewerkt aan het aanbrengen van een twee meter hoge scheidsmuur tussen de percelen en dat de eigenaren in gelijke delen bijdragen aan de kosten van de afscheiding.

6.31.3.

De eigenaren van twee aan elkaar grenzende erven hebben beiden belang bij een behoorlijke afscheiding van hun erven. Dat belang is groter in de bebouwde kom dan buiten de bebouwde kom, omdat de erven binnen de bebouwde over het algemeen kleiner zijn en er dus een grotere behoefte aan privacy is. Dat is de reden dat in artikel 5:49 BW is bepaald dat in een aangebouwd gedeelte van een gemeente iedere eigenaar medewerking van zijn buurman kan vorderen om een scheidsmuur aan te brengen. De achtergrond van artikel 5:49 BW is met name gelegen in de bescherming van de privacy.

6.31.4.

Volgens [gedaagde 1] c.s. is geen sprake van een “aaneengebouwd gedeelte van een gemeente”. [eiser 1] heeft dat niet betwist. Vaststaat dat perceel B-2149 van [eiser 1] onbebouwd is en dat de percelen B-2023 en B-4409 gedeeltelijk bebouwd zijn. Van een aaneengebouwd gedeelte lijkt daarmee geen sprake te zijn. Niet zonder meer duidelijk is dan ook waarin het belang van [eiser 1] op privacybescherming is gelegen. [eiser 1] heeft niet onderbouwd wat het belang is bij de scheidsmuur. Zij voert slechts aan dat de verstoorde relatie tussen partijen ertoe noopt. Dat is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende, temeer nu [eiser 1] niet woonachtig is op perceel B-2149 . Niet in te zien valt dan ook dat het belang van de privacybescherming in de omstandigheden van dit geval redelijkerwijs toepassing van 5:49 BW vordert. De vordering tot het meewerken aan het plaatsen van een gemeenschappelijke scheidsmuur wordt dan ook afgewezen. De vordering tot verwijdering van obstakels binnen 50 centimeter van de erfgrens, waaraan [eiser 1] ten grondslag heeft gelegd dat deze obstakels de te plaatsen erfafscheidingen kunnen beschadigen, deelt dat lot en zal eveneens worden afgewezen.

De rechtbank overweegt nog dat het [eiser 1] uiteraard vrij staat om op haar eigen perceel op eigen kosten een afscheiding aan te brengen.

6.32.

Vordering VI strekt ertoe [gedaagde 1] c.s. te veroordelen om alle bomen op percelen B-2023 en B-4409 die binnen twee meter van de erfgrens staan te verwijderen.

[gedaagde 1] c.s. hebben aangevoerd dat voor zover er sprake is van bomen op hun perceel die binnen twee meter van de erfgrens staan, deze bomen daar al twintig jaar staan zodat de vordering tot beëindiging van de onrechtmatige toestand is verjaard.

[eiser 1] heeft niet betwist dat de bomen die binnen twee meter van de erfgrens staan ouder dan twintig jaar zijn. In rechte moet er dan ook vanuit gegaan dat de bedoelde bomen reeds minimaal twintig jaar staan waar zij staan. Dat betekent dat op grond van artikel 3:306 BW de vordering tot opheffing van de onrechtmatige situatie is beëindigd. De vordering tot verwijdering van de bomen zal dan ook worden afgewezen.

6.33.

Onder VII vordert [eiser 1] betaling door [gedaagde 1] c.s. van de door haar gemaakte kadasterkosten ad € 1.300,-. Volgens [eiser 1] gaat het hier om kosten ter voorbereiding van de procedure en ter vaststelling van de feiten.

[gedaagde 1] c.s. hebben tegen deze vordering aangevoerd dat [eiser 1] het kadaster heeft ingeschakeld omdat de Gemeente dat eiste in verband met een vergunningaanvraag. Volgens [gedaagde 1] c.s. was van de voorbereiding van een procedure door [eiser 1] toen nog geen sprake. De vordering moet volgens [gedaagde 1] c.s. dan ook worden afgewezen.

[eiser 1] heeft niet gereageerd op dit verweer. Het lag op haar weg om dit gedeelte van haar vordering, gezien de betwisting van [gedaagde 1] c.s., nader te onderbouwen. Nu [eiser 1] dat heeft nagelaten staat niet vast dat er een grond aanwezig is om [gedaagde 1] c.s. deze kosten aan [eiser 1] te laten vergoeden. De vordering wordt daarom afgewezen.

6.34.1.

Onder VIII heeft [eiser 1] primair gevorderd [gedaagde 1] c.s. te veroordelen in de werkelijke proceskosten. Volgens [eiser 1] is zij door de houding van [gedaagde 1] c.s. gedwongen te procederen, terwijl het [gedaagde 1] c.s. bij voorbaat duidelijk was dat hun verweren geen kans van slagen hadden. Bij gelegenheid van de comparitie heeft [eiser 1] daar aan toegevoegd dat [gedaagde 1] c.s. voorafgaand aan de procedure niet bereid waren om hun bewijsstukken met betrekking tot de verjaring te overleggen en dat [eiser 1] door die proceshouding genoodzaakt was een procedure te starten. Subsidiair heeft [eiser 1] gevorderd [gedaagde 1] c.s. te veroordelen in de wettelijke proceskosten.

6.34.2.

Nu partijen over en weer ten dele in het ongelijk zijn gesteld en de vorderingen over en weer ten dele worden toegewezen dan wel ten dele worden afgewezen, is er naar het oordeel van de rechtbank plaats de proceskosten in conventie aldus te compenseren dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat hoe dan ook geen omstandigheden aanwezig zijn die de door [eiser 1] gevorderde werkelijke proceskostenvergoeding zouden kunnen billijken.

7 De beslissing

De rechtbank,

in conventie:

ten aanzien van [eiser 5]

verklaart [eiser 5] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen;

ten aanzien van de erfafscheiding tussen perceel B-4410 en B-4409

verstaat dat de familie [naam familie 1] en [gedaagde 1] c.s. in het kader van hun geschil over de erfgrens tussen de percelen B-4410 en B-4409 zijn overeengekomen dat zij gezamenlijk het kadaster opdracht verlenen de erfafscheiding vast te stellen en af te palen tussen het perceel aan de [adres 2] van de familie [naam familie 1] ( B-4410 ) en het perceel aan [adres 3] van [gedaagde 1] c.s. ( B-4409 ) en dat deze grens door beide partijen zal worden erkend als de enige juiste;

ten aanzien van de erfafscheiding tussen perceel B-2149 enerzijds en B-4409 en B-2023 anderzijds

verklaart voor recht dat de kadastrale grens vastgesteld door het kadaster op 3 januari 2012 en 8 augustus 2016 tussen de percelen B-2149 en B-4409 de erfgrens vormt tussen die percelen;

veroordeelt [gedaagde 1] c.s. het kadaster op te dragen om de kadastrale erfgrens tussen perceel B-2149 en perceel B-4409 in het veld aan te brengen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,- per dag vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis, met een maximum van € 10.000,-;

veroordeelt [gedaagde 1] c.s. tot het verwijderen van hetgeen zij op perceel B-2149 hebben geplaatst, voor zover dit het gedeelte van perceel B-2149 betreft dat naast perceel B-4409 is gelegen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,- per dag vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis, tot een maximum van € 10.000,-;

verklaart dit vonnis voor zover het veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie:

verklaart voor recht dat [eiser 6] c.s. eigenaren zijn van de strook grond gelegen op perceel B-2149 , evenwijdig aan de kadastrale erfgrens tussen perceel B-2149 en perceel B-2023 , reikend vanaf de straatkant van perceel B-2023 tot aan de achtergrens van perceel B-2023 , over een breedte gemeten vanaf de voormalige coniferenhaag welke op de kadastrale erfgrens stond, tot aan het huidige hekwerk op perceel B-2149 , welk hekwerk op dezelfde plaats staat als het voormalige hek langs de voormalige bramenhaag;

in conventie en in reconventie voorts:

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Heevel en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2019.

1861/1515