Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:2928

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-04-2019
Datum publicatie
09-05-2019
Zaaknummer
C/10/557316 / HA ZA 18-811
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdeling gemeenschap na echtscheiding. Man komt overeenkomst (echtscheidingsconvenant) niet na om vrouw 30% van de aandelen in zijn BV te leveren. Man keert zich zelf € 250.000 dividend uit. Ongerechtvaardigde verrijking. Stelplicht verjaring. Rekening-courantschuld aan BV is overgeslagen goed (althans: overgeslagen schuld) bij verdeling. Geen verjaring maar alsnog ‘verdeling’ van deze schuld. Regresrecht pas na voldoening meer dan eigen aandeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2019/735
JPF 2019/106
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/557316 / HA ZA 18-811

Vonnis van 17 april 2019

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. P.J.M. Bruin te Haarlem,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. P.N.M. de Gier te Rotterdam.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie

  • -

    de akte eiswijziging van de vrouw

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 16 januari 2019

  • -

    de nadere akte van de vrouw, tevens akte eiswijziging/ - vermeerdering in conventie

  • -

    de nadere akte van de man, tevens akte eiswijziging/ - vermindering in reconventie

  • -

    de overgelegde producties.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn voormalige echtelieden. Partijen waren gehuwd in gemeenschap van goederen. De echtscheidingsbeschikking is gegeven door de rechtbank Den Haag op 22 februari 2012. Deze beschikking is op 9 maart 2012 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Partijen hebben op 30 november 2011 een echtscheidingsconvenant gesloten. Het echtscheidingsconvenant is in de echtscheidingsbeschikking opgenomen.

2.2.

Tijdens het huwelijk had de vrouw een eenmanszaak genaamd [naam bedrijf 1] en was de man directeur-grootaandeelhouder van een vennootschap genaamd [naam bedrijf 2] (hierna ook te noemen: de BV). De BV had, of heeft, deelnemingen (aandelen) in andere bedrijven en voerde/ voert ook de directie over andere bedrijven.

2.3.

In het echtscheidingsconvenant staat onder meer:

Aandelen

De aandelen [naam bedrijf 2] zullen worden verdeeld tussen de man en de vrouw des, dat de vrouw 30% van de aandelen verkrijgt en de man 70%.

De man blijft directeur en is belast met de dagelijkse leiding van de vennootschap. De administratie wordt door

- althans in opdracht van - de man gevoerd.

Indien de bezittingen van de vennootschap te gelde worden gemaakt zal het vermogen van de vennootschap percentueel onder de aandeelhouders worden uitgekeerd.

Tussen man en vrouw wordt nadrukkelijk vastgelegd dat de vrouw haar vermogen (aandelen) niet mag onderzetten tot (meerdere) zekerheid voor een te verkrijgen financiering. Voorts wordt overeengekomen dat de middelen die beschikbaar komen bij het te gelde maken van het vermogen van de vennootschap door de vrouw nadrukkelijk niet mogen worden geïnvesteerd in enig bedrijf. Deze middelen dienen - met uitsluiting van ieder ander doel - uitsluitend ter besteding aan gezinsbelangen en/of belangen van de kinderen of niet bedrijfsmatige

- persoonlijke - belangen van de vrouw. De vrouw is daarbinnen volledig vrij in haar bestedingen.

Deze aandelensplitsing zal worden ingeschreven in het register van aandeelhouders door de notaris die de vennootschap destijds heeft opgericht (of diens ambtsopvolger).

Partijen komen overeen dat deze aandelenverdeling zal plaatsvinden binnen vier weken nadat het bedrijf [naam bedrijf 1] zal zijn geliquideerd. De kosten van de aandelenregistratie e.d. worden door de man en de vrouw ieder voor de helft gedragen.

Schulden

Partijen stellen vast dat er nog de navolgende schulden zijn te verevenen:

- persoonlijke lening DSB ad € 15.000,-

- openstaand saldo VISA-Card € 10.000,-

- lopende rekeningen € 15.000,-.

Deze schulden worden toegescheiden aan de man. De man vrijwaart de vrouw

nadrukkelijk voor aanspraken door derden ten aanzien van deze schulden vanaf 1

januari 2012.

[…]

SLOTBEPALING:

Kwijting

Partijen verlenen elkaar kwijting onder de voorwaarde dat het bepaalde in de voorafgaande artikelen wordt nagekomen.

Vrijwaring

Partijen vrijwaren elkaar tegen rechtsvorderingen die verband houden met aan hen

toebedeelde goederen en verbintenissen.”

3. Het geschil

in conventie en reconventie

3.1.

De vrouw vordert na (eerste) akte eiswijziging bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. met betrekking tot de dividenduitkering in 2014 op de aandelen in [naam bedrijf 2]

(€ 250.000) de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 75.000, vermeerderd met wettelijke rente met ingang van 1 januari 2015.

II. Primair: vast te stellen (de rechtbank begrijpt: voor recht te verklaren) dat de bezittingen van [naam bedrijf 2] per ultimo 2015 door de man te gelde zijn gemaakt en dat ter zake de man wordt veroordeeld tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 48.630, vermeerderd met wettelijke rente met ingang van 1 januari 2016.

III. Subsidiair:

- de man te veroordelen om binnen twee weken na betekening van het vonnis mee te werken aan de juridische levering aan de vrouw van 30% van de aandelen in [naam bedrijf 2] , en

- te bepalen dat indien de man in gebreke blijft om te voldoen aan de verplichting om mee te werken aan de juridische levering van het 30% aandelenbelang dit vonnis in de plaats treedt van die medewerking, en

- de man te veroordelen om aan de vrouw een afschrift over te leggen van de statuten van [naam bedrijf 2] alsook van de jaarrekeningen over 2016 en 2017.

IV. de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 4.250 ter zake van de verkoop van de voormalige echtelijke woning, vermeerderd met wettelijke rente met ingang van 1 maart 2012.

V. de man te veroordelen om met ingang van 1 januari 2018 aan maandelijkse

alimentatie aan de vrouw dient te voldoen een bedrag van € 3.368.

VI. de man te veroordelen om over de periode 1 januari 2015 - 31 december 2017 aan achterstallige alimentatie (indexatie) aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 2.751, te vermeerderen met wettelijke rente met ingang van respectievelijk 1 januari 2016 tot 1 januari 2017 over een bedrag van € 307, met ingang van 1 januari 2017 tot 1 januari 2018 over een bedrag van € 1.117 en met ingang van 1 januari 2018 over een bedrag van € 2.751.

VII. onderdeel III op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000 per dag of dagdeel van niet volledige nakoming van de te geven last.

VIII. met veroordeling van de man in de kosten van het geding, alsook in de nakosten.

3.2.

De man voert verweer in conventie.

3.3.

In reconventie vordert de man (voorafgaand aan zijn akte eisvermindering), zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

de vrouw te veroordelen om aan de man te betalen een bedrag van € 108.326,-, zijnde de helft van de rekening-courantstand in [naam bedrijf 2] . per ultimo 2012, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen ander bedrag, te betalen binnen twee weken na betekening van het te dezen te wijzen vonnis.

3.4.

De vrouw voert verweer in reconventie.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

vordering I

4.1.

De vrouw stelt:

- dat de man zich in 2014 vanuit de - door hem gecontroleerde - BV een dividend heeft laten uitkeren van € 250.000;

- dat zij uit hoofde van het echtscheidingsconvenant gerechtigd is tot 30% van de aandelen in de BV;

- dat zij herhaaldelijk aan de man heeft verzocht om uitvoering te geven aan de overeenkomst tot (juridische) levering van 30% van de aandelen aan de vrouw, maar dat de man ten onrechte heeft nagelaten deze overeenkomst na te komen;

- dat zij dus recht heeft op 30% van deze dividenduitkering, zijnde € 75.000.

4.2.

De man voert de volgende weren:

- de vordering is volgens het echtscheidingsconvenant pas opeisbaar als de vrouw haar eenmanszaak [naam bedrijf 1] heeft geliquideerd;

- de vordering is verjaard (art. 3:307 BW);

- de dividenduitkering is gebruikt ter volledige delging van een rekening-courantschuld aan de BV (standpunt in de eis in reconventie), respectievelijk ter gedeeltelijke delging van deze schuld (standpunt na comparitie).

Deze rekening-courant schuld is in hoofdzaak ontstaan omdat met het opgenomen geld de onderneming van de vrouw ( [naam bedrijf 1] ) is opgericht en in stand gehouden, ter afwending van een dreigend faillissement.

- nu de vrouw geen (juridisch) eigenaar is van de aandelen kan de vrouw geen rechten aan ontlenen aan artikel 2:201 BW.

De man bepleit subsidiair dat bij de bepaling van de omvang van de dividenduitkering uitgegaan moet worden van het nettobedrag, na voldoening van inkomstenbelasting door de man, hetgeen volgens de man uitkomt op € 195.000, bij een dividenduitkering van € 250.000, zodat de vrouw hoogstens recht heeft op € 58.500 (30%).

4.3.

De rechtbank oordeelt als volgt. De vrouw heeft een uittreksel overgelegd uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. Op dit uittreksel staat dat [naam bedrijf 1] per 1 januari 2012 is opgeheven. Voor zover de man zijn verweer inzake het bestaan van [naam bedrijf 1] niettemin wenst te handhaven is dit verweer niet voldoende nader onderbouwd, zodat het faalt.

4.4.

Om te kunnen beoordelen welke verjaringstermijn geldt, dient eerst de grondslag van de vordering vastgesteld te worden. Er bestaan immers verschillende soorten verjaring.

4.5.

Tenzij het beroep op verjaring mocht slagen, acht de rechtbank de vordering toewijsbaar op de grondslag van ongerechtvaardigde verrijking. In zijn meest recente processtuk lijkt de man overigens inmiddels zelf ook te erkennen dat de vrouw recht heeft op een aandeel in het dividend. Voor zover de man de vordering van de vrouw toch niet wil erkennen, heeft het volgende te gelden.

Het gaat hier om een geldvordering, op de man en niet op diens BV. Het is de BV die het dividend heeft uitgekeerd en de man die het dividend heeft ontvangen. Het is de man die de zeggenschap heeft in deze BV en de man is met de vrouw overeengekomen dat aan haar 30% van de aandelen in deze BV toekomt. De man heeft de vrouw buitenspel gezet bij het doen van de dividenduitkering. De vrouw heeft meermaals, maar vergeefs, aan de man verzocht om de aandelenlevering te effectueren (producties IV en V van de vrouw: brieven van de advocaat van de vrouw van 29 mei 2015 en van 17 juli 2018, in beide brieven wordt aanspraak gemaakt op juridische levering van 30% van de aandelen). In de brief van 29 mei 2015 wordt ook nog aangegeven dat de vrouw al eerder, meermaals, heeft verzocht om levering van de aandelen. De man kan de vrouw onder deze omstandigheden niet tegenwerpen dat zij geen aandeelhouder is geworden.

4.6.

Rechtsvorderingen tot schadevergoeding uit ongerechtvaardigde verrijking vallen onder de werking van art. 3:310 BW. Ingevolge lid 1 van dit artikel verjaart deze rechtsvordering door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgend op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden, en in ieder geval door verloop van 20 jaar na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt.

4.7.

Op degene die zich op het - bevrijdende - verweer van verjaring beroept rust de stelplicht - en bij gemotiveerde betwisting door de andere partij de bewijslast van het feitencomplex dat aan het verjaringsverweer ten grondslag ligt.

4.8.

De man stelt niet op welke datum de vrouw bekend is geworden met de schade (gemiste dividenduitkering). Dan kan ook niet bepaald worden wanneer de verjaringstermijn is gaan lopen. Als onvoldoende onderbouwd wordt daarom het verjaringsverweer verworpen. In het midden kan blijven of er überhaupt voldoende jaren zijn verstreken om te kunnen spreken van eventuele verjaring, alsmede of de voormelde brieven van de vrouw niet kwalificeren als stuiting van de verjaring van haar vordering.

4.9.

Aan het verweer dat de dividenduitkering mede zou zijn aangewend om een rekening-courantschuld aan de BV te delgen, wordt - in conventie – niet toegekomen. De man stelt immers in reconventie een vordering in die ertoe strekt dat de vrouw wordt veroordeeld om haar aandeel in deze rekening-courant schuld te dragen.

4.10.

Omdat een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking wordt begrensd door de waarde waarmee in casu de man daadwerkelijk is verrijkt, dient bij de vaststelling van de toe te kennen schadevergoeding ermee rekening te worden gehouden dat de man belasting heeft betaald over het aan hem uitgekeerde dividend. De vrouw heeft daarom recht op 30% van het netto door de man ontvangen bedrag. Terecht wijst de vrouw erop dat de man verschillende bedragen noemt over zijn belastingdruk in box II (de ene keer 22% en de andere keer 25%). De rechtbank zal uitgaan van 22%, nu de man niet duidelijk maakt waarom van 25% moet worden uitgegaan. Het box II-tarief inkomstenbelasting bedroeg in 2014, als bijzondere fiscale tegemoetkoming in dat jaar, bij uitzondering maar 22%. De netto-uitkering aan de man bedraagt alsdan € 195.000. Daarvan 30% is € 58.500. Dit bedrag zal bij wege van schadevergoeding worden toegewezen aan de vrouw.

vordering II en subsidiair vordering III

4.11.

De vrouw stelt dat de BV eind 2015 haar activa te gelde heeft gemaakt en dat zij, de vrouw, volgens het bepaalde in het echtscheidingsconvenant dan naar rato (30%) recht heeft op een deel van de opbrengst. De vrouw stelt dat de meest recente jaarrekening van de BV waarover zij beschikt die van 2015 is en dat de man, ondanks verzoeken daartoe, weigert om haar jaarrekeningen over 2016 en 2017 te verstrekken. Volgens de vrouw bestaan de bezittingen van de BV per ultimo 2015 nagenoeg uitsluitend uit een vordering op de man en liquide middelen. De vrouw berekent haar vordering als volgt: eigen vermogen van de BV per ultimo 2015 € 162.101 (productie VII vrouw, blz 9). Daarvan 30% is (afgerond) € 48.630.

De vrouw heeft bij akte na comparitie haar vordering als volgt nader onderbouwd:

- de activiteiten van de BV bestaan volgens de jaarstukken 2014 uit het houden van aandelen in werkmaatschappijen en het voeren van de directie daarover

- ten tijde van de echtscheiding was de belangrijkste bezitting van de BV een aandelenbelang in [naam bedrijf 3]

- het aandelenbelang in [naam bedrijf 3] komt niet meer terug in latere jaarstukken, dus dit belang moet vervreemd zijn.

Subsidiair vordert de vrouw veroordeling van de man om binnen twee weken na de datum van betekening van het vonnis 30% van de aandelen aan de vrouw te leveren en tevens om afgifte van een afschrift van de statuten van de BV en van jaarrekeningen van de BV over 2016 en 2017.

4.12.

De man bestrijdt niet langer dat tussen partijen is overeengekomen dat het vermogen van de BV naar rato van hun belang onder de aandeelhouders zal worden uitgekeerd indien de BV zal worden geliquideerd voordat het aandelenbelang aan de vrouw is overgedragen. De man acht de vordering echter niet toewijsbaar, immers:

- de vrouw is geen aandeelhouder

- de vordering is verjaard

- de man betwist dat hij de bezittingen van de BV te gelde heeft gemaakt. Volgens de man onderbouwt de vrouw haar vordering niet goed.

Subsidiair dient te worden uitgegaan van de liquidatiewaarde per ultimo 2018 van bruto € 42.497,-. Als wordt uitgegaan van de opbrengst van afzonderlijke activa (i.h.b. de verkoop van de deelneming in [naam bedrijf 3] ) wordt miskend dat tegenover deze opbrengsten passiva van de Bv staan. Uitgaande van de bruto liquidatiewaarde dient vervolgens de 25% box II belastingdruk te worden ingehouden. Het aandeel van de vrouw bedraagt dan 30% van netto € 36.373,- zijnde € 10.912,-.

4.13.

De rechtbank gaat voorbij aan het verweer dat de vrouw geen aandeelhouder is. De rechtbank neemt haar eerdere oordeel dat, en waarom, dat niet in de weg staat aan toewijzing van de vordering, hier over.

4.14.

Het beroep op verjaring is onvoldoende onderbouwd. In het midden kan blijven of er überhaupt voldoende jaren zijn verstreken sinds de gestelde verkoop van de activa van de BV om de verjaringstermijn vol te kunnen laten lopen.

4.15.

De vrouw heeft onvoldoende toegelicht dat en op welke grond meer dan haar aandeel in de netto liquidatiewaarde verschuldigd is. De rechtbank zal een bedrag van € 10.912,- toewijzen, nog te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2016.

Vordering IV

4.16.

De vrouw vordert te bepalen dat het te wijzen vonnis zo nodig in de plaats dient te treden van de medewerking van de man aan levering van 30% van de aandelen aan de man.

4.17.

De man voert het verweer dat hij bereid is om vrijwillig gevolg te geven aan een eventuele onherroepelijk geworden uitspraak.

4.18.

De rechtbank zal deze vorderingen afwijzen. Deze deelvordering heeft slechts zin indien de - subsidiaire - vordering 3 tot levering van de aandelen mocht worden toegewezen, hetgeen niet het geval is. Waar geen plicht tot levering van de aandelen wordt opgelegd, is het ook niet nodig om te bepalen dat het vonnis in plaats zal treden van de medewerking van de man aan deze levering.

vordering V

4.19.

De vrouw stelt dat tussen partijen nader is overeengekomen, in afwijking van het echtscheidingsconvenant, dat de man de vrouw nog een bedrag van € 4.250 moet betalen ter zake van de overwaarde van de woning en dat de man die afspraak - onvoorwaardelijk - heeft bevestigd in zijn e-mailbericht van 1 juli 2015 (productie 8 vrouw). De vrouw stelt dat de man ten onrechte deze afspraak weigert na te komen, zodat hij tot betaling van dit bedrag veroordeeld dient te worden.

4.20.

De man erkent dat hij uit coulance bereid was om de vrouw € 4.250 te betalen, maar slechts in het geval tussen partijen een totale regeling tot stand zou komen, hetgeen niet het geval is. De vrouw mag volgens de man niet aan ‘cherry picking’ doen.

4.21.

De rechtbank stelt vast dat de man op bladzijde 5 van het door de vrouw aangehaalde e-mailbericht toezegt/ bevestigt dat de vrouw recht heeft op de

€ 4.250. Dat aan deze toezegging enige voorwaarde zou zijn verbonden, valt hier niet te lezen. De vrouw heeft mogen begrijpen dat de man een onvoorwaardelijke toezegging deed, ook als deze verklaring de wil van de man niet dekt. Een zodanige discrepantie komt voor risico van de man (art. 3:35 BW). Aan de vrouw zal € 4.250 worden toegewezen.

vordering VI

4.22.

De vrouw vordert vaststelling van de maandelijks door de man te betalen alimentatie. De vrouw stelt dat tussen partijen een nadere afspraak is gemaakt, in afwijking van het echtscheidingsconvenant, omtrent de hoogte van de verschuldigde alimentatie en dat de man die afspraak niet goed nakomt.

4.23.

De man voert verweer.

4.24.

Geschillen omtrent een wettelijk recht op partner- of kinderalimentatie dienen ingeleid te worden met een verzoekschrift. De vrouw heeft geen verzoek heeft ingediend maar een dagvaarding uitgebracht. Volgens de wet dient alsdan ‘de wisselbepaling’ te worden toegepast (artikel 69 Rv.). De rechtbank zal deze deelvorderingen in de stand van zaken waarin de procedure zich bevindt, verwijzen naar familiekamer van de rechtbank, die (wel) bevoegd is tot kennisneming van geschillen op dit gebied. Of de zaak rijp is voor het geven van een beschikking, dan wel of eerst nog een andere proceshandeling nodig is, zal aan de familiekamer zijn om te beoordelen.

vordering VII

4.25.

De vrouw vordert een dwangsomveroordeling van de man van € 1.000 per dag ten aanzien van vordering III.

4.26.

De man voert aan dat een dwangsom onnodig is voor zover bepaald zal worden dat het vonnis in de plaats zal treden van de rechtshandelingen die de man zou moeten verrichten en de man benadrukt dat hij uitvoering van geven aan het vonnis van de rechtbank.

4.27.

De rechtbank zal deze deelvordering afwijzen. Nu de subsidiaire vordering III zal worden afgewezen, is evenmin nodig om daaraan een dwangsom te verbinden.

vordering VIII

4.28.

De proceskosten tussen partijen (ex-echtelieden) zullen worden gecompenseerd.

in reconventie

4.29.

De rechtbank neemt haar oordelen in conventie hier over.

4.30.

De man stelt dat hij de rekening-courantschuld aan de BV, die per 31 december 2012 in totaal € 216.652 bedroeg (conform de concept-balans per 31 december 2012 zoals blijkend uit de brief van Bunnig en Partners van 28 augustus 2013 aan de BV van de man, productie 3 man), volledig heeft afgelost en dat de vrouw de helft daarvan,

€ 108.326, aan hem dient te vergoeden omdat dat haar aandeel (draagplicht) is in deze huwelijkse schuld. Volgens de man zijn partijen bij het sluiten van het echtscheidings-convenant vergeten rekening te houden met de rekening-courant schuld.

Bij akte eisvermindering heeft de man gesteld dat voor wat betreft de hoogte van deze schuld uitgegaan moet worden van de peildatum voor de omvang van de gemeenschap (9 maart 2012, datum inschrijving echtscheidingsbeschikking) en dat de schuld toen € 178.910 bedroeg.

4.31.

De vrouw voert aan dat in het echtscheidingsconvenant is bepaald:

- dat er diverse schulden zijn te verevenen, welke schulden ook in het convenant worden genoemd, en dat deze schulden aan de man worden toegerekend,

- dat de man de vrouw vrijwaart voor aanspraken van derden ten aanzien van die schulden.

Volgens de vrouw blijkt uit het echtscheidingsconvenant geenszins dat de rekening-courant schuld geheel of gedeeltelijk aan haar dient te worden toegerekend en dat als de bewoordingen van het convenant niet duidelijk zijn, de rekening-courant aan de man moet worden toegerekend, mede op grond van de omstandigheden van het geval en met inachtneming van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Deze omstandigheden zijn:

- de rekening-courantschuld was ten tijde van het ondertekenen van het echtscheidingsconvenant als substantieel en de man kan deze onmogelijk over het hoofd hebben gezien;

- de man was betrokken bij de BV, de vrouw niet en zij kende de rekening-courant niet;

- het echtscheidingsconvenant is een package deal (de vrouw nam ook genoegen met slechts 30% van de aandelen), waarmee de vrouw nooit zou hebben ingestemd als zij in deze schuld zou hebben bij te dragen;

- de schulden van [naam bedrijf 1] zijn niet gefinancierd vanuit de BV van de man maar met de overwaarde van verkoop van de voormalig echtelijke woning.

Volgens de vrouw is de vordering van de man verjaard.

4.32.

De rechtbank zal eerst beoordelen of partijen bij de verdeling van de gemeenschap wel of niet rekening hebben gehouden met het bestaan van de rekening-courantschuld.

De rechtbank is van oordeel dat zulks niet het geval is. De rekening-courantschuld wordt niet met name genoemd in de tekst van het echtscheidingsconvenant, daar waar andere schulden juist wel met naam, en beloop, worden genoemd. Ook overigens bevat de tekst van het echtscheidingsconvenant geen regeling omtrent de rekening-courantschuld.

De tekst van het echtscheidingsconvenant (een overeenkomst) is niet per definitie beslissend voor de vraag wat deze overeenkomst inhoudt. Dit is een kwestie van uitleg van de overeenkomst (de Haviltex-maatstaf). De vrouw heeft echter geen verklaringen of gedragingen gesteld die de conclusie kunnen rechtvaardigen dat de rekening-courantschuld op enigerlei wijze in het echtscheidingsconvenant is verdisconteerd. Niet van belang is of de man, als directeur-grootaandeelhouder, wist of behoorde te weten van het bestaan van deze schuld. Van belang is slechts of deze schuld is meegenomen bij de verdeling van de gemeenschap. Die conclusie valt niet te trekken. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de rekening-courantschuld is overgeslagen bij het sluiten van het echtscheidingsconvenant, respectievelijk bij de verdeling van de gemeenschap.

4.33.

Indien enig goed is overgeslagen bij de verdeling van een gemeenschap, dan is daarvan het enige gevolg dat alsnog de verdeling van dat goed worden gevorderd. Een zodanige vordering verjaart dus niet (artikel 3:179 lid 2 BW). Een schuld is weliswaar geen goed (maar een ‘negatief’ goed) maar een redelijke wetsuitleg brengt mee dat ook schulden onder de werking van voormeld artikellid vallen.

4.34.

Aan het oordeel doet niet af het beroep van de vrouw op dwaling (de vrouw stelt dat zij het echtscheidingsconvenant niet zou hebben getekend indien zij destijds met het bestaan van de rekening- courantschuld rekening had kunnen houden).Ten aanzien van verdeling van gemeenschappen geldt niet de algemene dwalingregeling van boek 6 BW, maar de bijzondere dwalingsregeling van artikel 3:196 BW. Onder meer is vereist dat de vrouw voor meer dan een kwart is benadeeld. De vrouw heeft onvoldoende onderbouwd dat dit het geval is. Als uitgangspunt lijdt de man ter zake van de rekening-courantschuld evenveel financieel nadeel als de vrouw.

De stellingen van de vrouw zijn niet voldoende zwaarwegend voor het oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om haar de helft van de schuld toe te rekenen. Het is nog niet gezegd dat de vrouw zonder echtscheidingsconvenant financieel (wezenlijk) beter af zou zijn geweest. De rekening-courantschuld houdt niet op te bestaan als geen echtscheidingsconvenant zou zijn gesloten. En ook de man heeft zijn aandeel in deze schuld te dragen.

In haar akte na comparitie verzoekt de vrouw de gevolgen van het echtscheidingsconvenant te wijzigen. Dit verzoek (de rechtbank leest: deze vordering) zal worden afgewezen. De rechter mag een overeenkomst wijzigen op grond van onvoorziene omstandigheden, maar daarvoor is vereist dat deze omstandigheden van dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Die situatie doet zich niet voor. De rechtbank neemt daartoe haar oordeel waarom geen sprake is van onaanvaardbaarheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, hier over.

4.35.

Over de hoogte van de rekening-courantschuld wordt als volgt geoordeeld. De redelijkheid en billijkheid kunnen afwijking rechtvaardigen van het uitgangspunt dat het moment van verdeling als peildatum voor de waarde van een goed/ de schuld heeft te gelden. De rechtbank ziet in dit geval onvoldoende aanleiding om af te wijken van dit uitgangspunt. In beginsel is niet relevant hoe de rekening-courantschuld tot stand gekomen is. Het gaat er niet om in welke mate een schuld gedurende het huwelijk is toegenomen, maar slechts hoe hoog deze schuld is op de peildatum, zodat vastgesteld kan worden voor welk bedrag beide partijen draagplichtig zijn in die schuld. Uitgegaan zal derhalve worden van de stand van de rekening-courantschuld per 9 maart 2012 (€ 178.910).

4.36.

De man heeft rechtens slechts een regresrecht op de vrouw voor zover hij meer dan zijn aandeel in deze schuld heeft gedragen. Tussen partijen is niet in geding dat dit aandeel de helft is. De man stelde eerst, in zijn eis in reconventie, dat hij de rekening-courant volledig heeft afgelost. De man heeft deze stellingname genuanceerd. In zijn akte na comparitie heeft de man gesteld dat hij de rekening-courantschuld niet volledig heeft afgelost, maar heeft teruggebracht naar € 53.441. Dan is afgelost (€ 178.910 minus € 53.441=) € 125.469. De helft van de schuld is € 89.455. De man heeft een opeisbaar regresrecht voor (€ 125.469 minus € 89.455=) € 36.014. Dit bedrag zal nu reeds aan de man worden toegewezen. Het resterende bedrag is opeisbaar zodra de man de restantschuld van € 53.441,- daadwerkelijk heeft afgelost.

4.37.

De proceskosten tussen partijen (ex-echtelieden) zullen worden gecompenseerd.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 58.500, - te vermeerderen met wettelijke rente met ingang van 1 januari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening,

5.2.

veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 10.912,- te vermeerderen met wettelijke rente met ingang van 1 januari 2016 tot aan de dag der algehele voldoening,

5.3.

veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 4.250 ter zake van de verkoop van de voormalige echtelijke woning, vermeerderd met wettelijke rente met ingang van 1 maart 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

5.4.

verwijst de zaak voor wat betreft vordering VI in de stand van zaken waarin het zich bevindt naar de familiekamer van deze rechtbank,

5.5.

verklaart het vonnis tot zover zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

bepaalt dat ieder van partijen de eigen proceskosten draagt,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.8.

veroordeelt de vrouw om aan de man te betalen een bedrag van € 36.014 binnen twee weken na betekening van onderhavig vonnis,

5.9.

veroordeelt de vrouw om aan de man te betalen een bedrag van € 53.441,- onder de opschortende voorwaarde dat de man aantoont dat hij dit bedrag op de rekening-courant met zijn BV heeft afgelost,

5.10.

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.11.

bepaalt dat ieder van partijen de eigen proceskosten draagt,

5.12.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. van den Bergh en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2019.1

1 [2517/2504]