Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:2839

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-04-2019
Datum publicatie
09-05-2019
Zaaknummer
C/10/542854 / HA ZA 18-46
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2020:1922
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2021:141, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres beweert op grond van vier cessies rechthebbende te zijn geworden op enorme vordering. De vordering is echter verjaard omdat deze niet van de zijde van een eerdere rechthebbende is gestuit. Ontbreken belang bij gevorderde verklaring voor recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/542854 / HA ZA 18-46

Vonnis van 10 april 2019

in de zaak van

[eiser] , handelend als lasthebber van de vennootschap Fine Star Trading Ltd,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. R.W.J.M. te Pas te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KPN B.V. rechtsopvolger onder algemene titel van PTT Telecom B.V.

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. K. Teuben te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eiser] , Fine Star, KPN en de PTT genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 29 december 2017 (met producties 1 t/m 10)

  • -

    de akte van [eiser] (tot precisering van de eis)

  • -

    de conclusie van antwoord van KPN (met producties 1 t/m 4)

  • -

    de brief van de rechtbank van 4 april 2018, waarbij partijen zijn opgeroepen om ter zitting te verschijnen

  • -

    de zittingsagenda

  • -

    de bij brieven van 14 en 15 augustus door de advocaat van [eiser] toegezonden producties 11 t/m 17

  • -

    het proces-verbaal van de op 30 augustus 2018 gehouden comparitie van partijen, waarbij door [eiser] een notitie en door KPN een pleitnota is overgelegd

  • -

    een brief van de advocaat van [eiser] van 2 oktober 2018 met opmerkingen over het proces-verbaal.

1.2.

Tenslotte is vonnis nader bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[eiser] , destijds handelend onder de naam [naam bedrijf 1] , [naam 1] , destijds handelend onder de naam [naam bedrijf 2] (hierna: [naam 1] ) en vof C.J. Communicatieservice (thans in liquidatie) en haar (gewezen) vennoten [naam 2]

(hierna: [naam 2] ) en [naam 1] (hierna gezamenlijk ook: de contractanten) hadden in de jaren

tachtig van de vorige eeuw overeenkomsten met de PTT afgesloten voor de exploitatie van “06-koopnummers” (sekslijnen). Bij de exploitatie van de betreffende telefoonlijnen maakten de contractanten gebruik van de diensten van [naam 3] (hierna: [naam 3] ). [naam 3] had daartoe samenwerkingsovereenkomsten met elk van de contractanten gesloten.

2.2.

De PTT heeft de overeenkomsten voor voornoemde bestaande en bestelde maar nog niet geleverde extra telefoonlijnen tegen 1 oktober 1989 eenzijdig en tegen de wens van de contractanten beëindigd. De reden voor deze beëindiging was erin gelegen dat de PTT zich op het standpunt stelde dat de contractanten, met tussenkomst van [naam 3] , bij de exploitatie van die telefoonlijnen hadden gefraudeerd. De contractanten en [naam 3] hebben betwist dat sprake was van fraude.

2.3.

Op 29 augustus 1989 heeft mr. J.A.M. van de Sande, de toenmalige raadsman van [naam 3] , brieven geschreven aan [naam 1] en [naam 2] , waarin afspraken zijn opgenomen over rechtsmaatregelen tegen de PTT, onder meer inhoudende dat [naam 3] , daartoe gemachtigd door [naam 1] en [naam 2] , dergelijke rechtsmaatregelen zou initiëren. Deze brieven zijn voor akkoord ondertekend door [naam 1] en [naam 2] .

2.4.

Naar aanleiding van de beëindiging van de overeenkomsten zijn er verschillende

gerechtelijke procedures gevoerd.

2.5.

In de eerste plaats is er een bodemprocedure bij de rechtbank ’s-Gravenhage aanhangig gemaakt, waarin de PTT van [naam 3] en contractant C.J. Communicatie- service schadevergoeding heeft gevorderd die zij als gevolg van de fraude heeft geleden. De rechtbank heeft bij eindvonnis van 16 februari 1994 de vordering van de PTT afgewezen bij gebrek aan bewijs van de door haar gestelde fraude.

2.6.

In de tweede plaats heeft [naam 3] in 1996 een procedure tegen KPN, als rechtsopvolger onder algemene titel van de PTT, aanhangig gemaakt ter verkrijging van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat. Het gerechtshof Den Haag heeft bij eindarrest van 28 juni 2007 de vordering van [naam 3] gedeeltelijk toegewezen. Het cassatieberoep van KPN tegen dit arrest is door de Hoge Raad bij arrest van 2 oktober 2009 verworpen. Hetzelfde geldt voor het incidentele cassatieberoep dat [naam 3] tegen het arrest van het hof had ingesteld. De contractanten waren in deze procedure tussen [naam 3] en KPN geen partij.

2.7.

In de derde plaats hebben de contractanten, waaronder [eiser] op eigen naam, bij inleidende dagvaarding van 28 november 2008 een procedure tegen KPN aanhangig gemaakt bij de rechtbank ’s-Gravenhage. In deze procedure hebben zij zich op het standpunt gesteld dat KPN jegens hen aansprakelijk en schadeplichtig was vanwege de beëindiging van de 06-koopnummercontracten in 1989. Zij hebben een schadevergoeding gevorderd van in totaal een bedrag van ruim € 1,1 miljard.

2.8.

Fine Star heeft een vordering tot primair voeging en subsidiair tussenkomst in de onder 2.7 genoemde procedure gedaan. Bij vonnis in het incident van 9 juni 2010 heeft de rechtbank, op de incidentele vorderingen van Fine Star vastgesteld (i) dat juist is dat Fine Star door middellijke vertegenwoordiging reeds partij is in deze procedure, en (ii) dat gelet op dit oordeel niet hoeft te worden beslist op de incidentele vorderingen tot voeging althans tussenkomst.

2.9.

Bij vonnis in het (tweede) incident van 15 september 2010 heeft de rechtbank [naam 3]

toegestaan om tussen te komen in de hoofdzaak van de procedure van de

contractanten tegen KPN.

2.10.

In laatstgenoemde hoofdzaak hebben de contractanten, alsmede Fine Star, zich beroepen op een aantal hieronder weergegeven (gestelde) cessies van de

(gestelde) vorderingen van de partijen [naam 1] en C.J. Communicatieservice op KPN.

2.11.

Volgens de tekst van een op 5 november 1989 gedateerd stuk getiteld

“CESSIEOVEREENKOMST” zouden C.J. Communicatieservice en [naam bedrijf 2] ,

in verband met een door een zekere [naam 4] (hierna: [naam 4] ) verstrekte lening van

fl. 60.000, aan [naam 4] in cessie hebben overdragen “alle gelden die de PTT aan [hen] thans verschuldigd is of in de toekomst schuldig mocht worden met betrekking tot de thans onder kontrakt zijnde kooplijnen en de toegezegde uitbreidingen daarvan, schade-uitkeringen daaronder begrepen”.

2.12.

Volgens de tekst van drie andere in het geding gebrachte stukken zou de onder 2.11 bedoelde vordering:

- op 21 december 1991 namens [naam 4] in de Dominicaanse republiek zijn overgedragen aan Vendex International Investment N.V. (hierna: Vendex),

- op 25 juli 1994 (bij overeenkomst opgemaakt te Aruba en getekend te België) door Vendex aan [naam 5] (hierna: [naam 5] ) zijn overgedragen en ten slotte

- op 1 augustus 1994 bij “Terugleverings Akte” (onder voorwaarden) door [naam 5] aan C.J. Communicatieservice en [naam 1] zijn overgedragen.

2.13.

Volgens de tekst van een op 2 augustus 1994 gedateerd stuk zouden [naam 1] en

[naam 2] (als voormalige vennoten van C.J. Communicatieservice) en [naam 1] (als voormalig eigenaar van [naam bedrijf 2] ) volmacht hebben verleend aan [naam 6] (hierna: [naam 6] ) “om namens hen beide in- en buiten rechten op te treden, dadingen te verrichten en voor finale kwijting namens de volmachtgevers te tekenen en een advokaat-gemachtigde aan te stellen”. [naam 6] heeft dit stuk eveneens ondertekend als “gemachtigde”.

2.14.

Blijkens de tekst van een op 5 juni 2004 gedateerd stuk, getiteld “Agreement of

abandonment”, zou [naam 6] , handelend als gemachtigde van [naam 1] , [naam 2] en [eiser] ,

vorderingen van deze laatsten op KPN hebben overgedragen aan Fine Star, waarbij werd

bepaald dat [naam 6] “will continue representing Fine Star Trading Ltd. in this matter”.

2.15.

Bij brief gedateerd 5 september 2008 van Fine Star aan [naam 6] heeft Fine Star de

instructie gegeven aan [naam 2] , [naam 1] en [eiser] “to act as plaintiffs in the proceedings to collect their share and our share”.

2.16.

Vervolgens is de onder 2.7. genoemde procedure van de contractanten tegen KPN in gang gezet door het aanbrengen van een dagvaarding op de rol van 31 december 2008. [naam 6] heeft mr. Te Pas opdracht gegeven om als behandelend advocaat in deze procedure op te treden.

2.17.

Blijkens de tekst van vijf onderhandse stukken gedateerd 12 december 2008

zouden [naam 1] en [naam 2] , op basis van de op 29 augustus 1989 gemaakte afspraken, hun

vorderingen op KPN hebben gecedeerd aan [naam 3] .

2.18.

Op 30 december 2008 heeft [naam 1] aan mr. Te Pas geschreven dat hij nooit

toestemming heeft gegeven voor de overdracht van zijn rechten aan een derde, dat de

“Agreement of abandonment” hem onbekend was, dat hij zijn rechten op 29 augustus 1989

heeft overgedragen aan [naam 3] en dat hij op 29 augustus 1994 de machtiging aan

[naam 6] had ingetrokken.

2.19.

Bij brief van 16 juni 2010 heeft [naam 6] , namens Fine Star, aan [naam 1] en [naam 2]

bericht dat Fine Star de aan hen verstrekte last van 5 september 2008 intrekt.

2.20.

De rechtbank ’s-Gravenhage heeft, kort samengevat en voor zover voor de onderhavige procedure relevant, in haar eindvonnis van 20 juli 2011 het volgende beslist:

( a) Fine Star, die niet is toegelaten als tussenkomende partij, is na de intrekking van de door

[naam 1] en C.J. Communicatieservice gegeven last op 16 juni 2010, in dit geding alleen nog

betrokken door tussenkomst van [eiser] . De vordering van [eiser] (op eigen naam) is, zoals de rechtbank reeds in haar tussenvonnis van 19 augustus 2009 had beslist, verjaard.

( b) De vorderingen die Fine Star in dit geding jegens KPN geldend beoogt te maken, komen

haar niet toe, aangezien de aan [naam 6] verstrekte volmachten van 2 augustus 1994 hem niet de

bevoegdheid gaven deze vorderingen aan Fine Star over te dragen.

2.21.

[eiser] en Fine Star hebben hoger beroep ingesteld tegen het onder 2.20 vermelde eindvonnis van de Rechtbank ‘s-Gravenhage. Het hoger beroep is uitsluitend ingesteld tegen KPN.

2.22.

In Grief 2 van de memorie van grieven zijn [eiser] en Fine Star opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat de vorderingsrechten van [naam 1] en C.J. Communicatieservice op KPN niet door middel van cessies aan Fine Star zijn overgedragen.

In paragraaf 66 van de memorie van grieven is voorts het volgende opgenomen:

“Anticiperend op de mogelijkheid dat uw Hof het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de onbevoegdheid van [naam 6] blijft steunen en Fine Star in 2004 daarom geen rechthebbende

is geworden, heeft [naam 5] , op basis van de bewezen wanprestatie van [naam 2] en [naam 1] ,

de overeenkomst van 1 augustus 1994 per 21 juni 2012 ontbonden (productie 24) en heeft [naam 5] vervolgens op 26 juli 2012 de vorderingsrechten rechtstreeks aan Fine Star overgedragen (productie 25). Dit, om alsnog de door haar in 2004 gewenste overdracht te

bewerkstelligen. Aldus handelende is de medewerking van [naam 2] en [naam 1] niet meer

vereist en is via deze weg Fine Star alsnog in volle omvang eigenaar van de

vorderingsrechten geworden.”

Bedoelde productie 24 bij memorie van grieven betreft een brief van 21 juni 2012, waarin

[naam 5] aan onder meer [naam 2] en [naam 1] heeft bericht dat zij de terugleveringsakte van

1 augustus 1994 ontbindt vanwege het feit dat “U heeft verklaart niet mee te werken aan de

overdracht van de vorderingsrechten aan een door mij te bepalen partij, zoals uitdrukkelijk

in de akte is overeengekomen”.

Bedoelde productie 25 bij memorie van grieven betreft een ongetekend en op 26 juni 2012

gedateerd stuk getiteld “statement”, waarin [naam 5] de op 25 juli 1994 aan haar gecedeerde rechten overdraagt aan Fine Star.

2.23.

Het gerechtshof Den Haag heeft op 29 oktober 2013 arrest gewezen

(ECLI:NL:GHDHA:2013:538). Het hof heeft Fine Star niet-ontvankelijk verklaard in haar

hoger beroep omdat zij in eerste aanleg geen formele procespartij is geweest en daarom niet

op eigen naam hoger beroep kon instellen. Voorts heeft het hof de vonnissen van de

rechtbank bekrachtigd.

2.24.

Het hof heeft, voor zover voor deze procedure relevant, als volgt overwogen:

“[…]

1.17

Als productie 25 bij memorie van grieven is overgelegd een ongetekend en op 26 juni 2012

gedateerd stuk getiteld “statement”, waarin [naam 5] de haar op 25 juli 1994 gecedeerde

rechten overdraagt aan Fine Star [...]

4.1

In grief 2 komt [eiser] op tegen het oordeel van de rechtbank dat [naam 1] en C.J.

Communicatieservice (en haar vennoten [naam 2] en [naam 1] ) in 2004 hun vorderingen op

KPN niet rechtsgeldig hebben overgedragen aan Fine Star, omdat [naam 6] daartoe niet

gemachtigd was.

4.2

Als het hof [eiser] goed begrijpt houdt zijn betoog allereerst in dat [naam 5] op 1 augustus

1994 de bewuste vorderingen (onder voorwaarden) heeft overgedragen aan [naam 2] en

[naam 1] , dat daarbij is bepaald dat [naam 2] en [naam 1] dienden mee te werken aan de

overdracht van deze vorderingen aan een door [naam 5] aan te wijzen partij en dat [naam 6] ,

tegen de achtergrond van deze verplichting van [naam 2] en [naam 1] jegens [naam 5] , op

basis van de aan hem verleende volmacht bevoegd was de vorderingen aan Fine Star over

te dragen. Dit betoog faalt reeds omdat [eiser] zelf stelt dat de teruglevering door

[naam 5] geen eigendomsovergang beoogde of ten gevolg had. Indien dat juist is hebben

[naam 2] en [naam 1] de vorderingen ook niet aan Fine Star kunnen overdragen. Art. 3:88

BW kan deze onbevoegdheid ook niet repareren, zoals [eiser] aanvoert. De

onbevoegdheid van [naam 2] en [naam 1] is immers niet het gevolg van de ongeldigheid van

een vroegere overdracht, maar het gevolg van de omstandigheid (volgens [eiser] ) dat

[naam 5] de eigendom niet aan hen heeft overgedragen.

4.3

[eiser] voert vervolgens aan dat, ook indien de cessie van 1 augustus 1994 een werkelijk

bedoelde cessie is, [naam 6] in 2004 geen eigendom van [naam 2] en [naam 1] vervreemdde,

maar voldeed aan de contractuele verplichting van [naam 2] en [naam 1] uit de

overeenkomst van 1 augustus 1994 en dat die actie dus wel gedekt was door de volmacht.

Dit betoog, voor zover begrijpelijk, faalt. Indien [naam 2] en [naam 1] wel eigenaar waren

van de vorderingen maar [naam 6] die eigendom niet vervreemdde, is Fine Star geen eigenaar

geworden, of [naam 6] nu handelde binnen de grenzen van zijn bevoegdheid of niet. Art. 3:88

BW is ook hier niet van toepassing, [naam 2] en [naam 1] waren immers in het hier

veronderstelde geval bevoegd over de vorderingen te beschikken. Het hof tekent bij dit

betoog nog aan dat niet blijkt dat de aan [naam 6] verleende volmacht inhield dat hij bevoegd

was namens [naam 2] en [naam 1] door hen gesloten overeenkomsten na te komen, en nog

veel minder dat hij ter nakoming van een dergelijke overeenkomst bevoegd was de

vorderingen op KPN over te dragen. hetzij in eigendom hetzij als cessie ter incasso.

4.4

[eiser] betoogt voorts dat, voor zover [naam 6] toch onbevoegd moet worden geacht, [naam 5]

de overeenkomst van 1 augustus 1994 heeft ontbonden en de vorderingsrechten op 26 juni

2012 alsnog aan Fine Star heeft overgedragen. KPN voert hiertegen terecht aan dat een

dergelijke ontbinding geen terugwerkende kracht heeft, zoals ook [eiser] zich lijkt te

realiseren (memorie van grieven onder 80), zodat [naam 5] geen eigenaar van de vorderingen

is geworden en deze ook niet aan Fine Star heeft kunnen overdragen.”

2.25.

[eiser] heeft tegen het arrest van het hof cassatieberoep ingesteld. Bij arrest van

10 juli 2015 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van [eiser] met toepassing van artikel

81 Wet op de Rechterlijke Organisatie verworpen.

2.26.

Op 22 april 2016 heeft [eiser] , uitsluitend als lasthebber van Fine Star, KPN gedagvaard voor de rechtbank Den Haag. In haar eindvonnis van 12 april 2017 oordeelde de rechtbank dat de stelling die [eiser] aan zijn vordering ten grondslag legde, namelijk dat Fine Star door de cessie van 26 juni 2012 rechthebbende is geworden van de vordering op KPN, in de procedure van de contractanten tegen KPN al inhoudelijk door het Hof is beoordeeld en beslist. Datzelfde gold voor de stelling van [eiser] dat Fine Star (reeds) in 2004 de vorderingsrechten op KPN zou hebben verworven. Omdat het arrest van het Hof van 29 oktober 2013 gezag van gewijsde heeft gekregen, zijn de vorderingen van [eiser] afgewezen.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert na wijziging bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voor recht te verklaren dat Fine Star op 14 november 2017 (zoals in de dagvaarding omschreven) de vorderingsrechten op KPN heeft verkregen;

  2. voor recht te verklaren dat KPN aansprakelijk is voor de door haar rechtsvoorganger PTT veroorzaakte schade;

  3. om KPN op deze gronden te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Fine Star te betalen een bedrag van € 1.100.000.000, vermeerderd met de vervallen rente ad € 301.066.846,32 vanaf 28 november 2008, zijnde de dag waarop de eerste dagvaarding is uitgebracht, tot 28 november 2017 een en ander vermeerderd met de wettelijke rente over beide bedragen tot aan de dag van de algehele voldoening;

  4. KPN te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder de nakosten.

3.2.

Aan deze vorderingen legt [eiser] – kort gezegd – ten grondslag dat Fine Star door vier cessies rechthebbende is geworden op de vorderingen van de contractanten op KPN uit hoofde van wanprestatie ten bedrage van € 1.1 miljard. Volgens [eiser] hebben de hiervoor onder 2.20, 2.23 en 2.26 genoemde uitspraken kracht van gewijsde waardoor de daarin opgenomen feiten en overwegingen in deze procedure vaststaan.

3.3.

KPN concludeert - kort gezegd - tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [eiser] in de (na)kosten van het geding, te vermeerderen met wettelijke rente. Volgens KPN wordt zij voor de derde maal in rechte betrokken met opnieuw dezelfde vorderingen, die al twee keer eerder onherroepelijk zijn afgewezen. Zij acht de nieuwe stelling van [eiser] ongeloofwaardig en de vorderingen ongegrond. Bovendien zijn de beweerde vorderingen volgens KPN verjaard en ook inhoudelijk ongefundeerd.

3.4.

Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

inleiding

4.1.

De eerste drie cessies waarop [eiser] zich in deze procedure beroept zijn al in eerdere procedures aan de orde gesteld. Dat betreft de onder 2.11 genoemde cessie alsmede de eerste twee onder 2.12 genoemde cessies. Omdat inmiddels definitief in rechte is komen vast te staan dat de eerder als vierde gestelde cessie (de “Terugleverings Akte” door [naam 5] aan C.J. Communicatieservice en [naam 1] van 1 augustus 1994) geen rechtsgevolgen tot stand heeft gebracht, zijn de vorderingsrechten volgens [eiser] destijds bij [naam 5] gebleven. Als nieuwe grondslag beroept [eiser] zich op een op 14 november 2017 gedane cessie van [naam 5] aan Fine Star.

verjaring

4.2.

Het meest verstrekkende verweer van KPN is dat de (beweerdelijke) vorderingen van Fine Star inmiddels zijn verjaard. KPN stelt dat uitgangspunt van de huidige stellingen van [eiser] is dat [naam 5] in de periode tussen 25 juli 1994 en 14 november 2017 steeds de rechthebbende is geweest op de vorderingen die [eiser] (als lasthebber van Fine Star) in deze procedure geldend wil maken. [eiser] stelt niet dat [naam 5] de verjaring van de vorderingen, waarvan de termijn van vijf jaar is gaan lopen op 1 oktober 1989, in genoemde periode heeft gestuit, aldus KPN.

4.3.

[eiser] stelt dat het hier gaat om vorderingsrechten, dat deze niet teniet gaan en dat een verjaringsverweer alleen tegenover [naam 5] gevoerd kan worden die echter geen procespartij is. Ook uit de vonnissen van 19 augustus 2009 en van 20 juli 2011 volgt impliciet dat [naam 5] de litigieuze vorderingsrechten op 25 juli 1994 heeft verkregen en uit de verder aangewende rechtsmiddelen blijkt niet dat zij deze niet heeft kunnen verkrijgen of is kwijtgeraakt, aldus [eiser] . Daarnaast is door hem als lasthebber van Fine Star binnen zes maanden na de afwijzende rechterlijke uitspraak een procedure gestart tegen KPN op 22 april 2016. In ieder geval is de verjaring gestuit door het tijdig tussenkomen van Fine Star in het hoger beroep van [naam 3] , door de onder 2.26 genoemde procedure en door de onderhavige procedure.

4.4.

De rechtbank oordeelt dat [eiser] op zichzelf gelijk heeft met zijn stelling dat vorderingsrechten niet teniet gaan maar alleen rechtsvorderingen. Op grond van de zogenaamde zwakke werking van de verjaring blijft immers een natuurlijke verbintenis bestaan. De vordering onder 3. betreft echter ook een rechtsvordering tot betaling van een (substantieel) geldbedrag en daarom zal de rechtbank eerst onderzoeken of deze rechts-vordering verjaard is.

4.5.

Onjuist is de stelling van [eiser] dat het verjaringsverweer alleen tegenover [naam 5] gevoerd kan worden. Op grond van zijn eigen stelling, dat [naam 5] haar vordering op KPN aan Fine Star heeft overgedragen, is laatstgenoemde immers de belanghebbende en niet [naam 5] .

4.6.

Partijen zijn het er terecht over eens dat op de vordering van de contractanten op de PTT (op grond van het overgangsrecht) huidig Nederlands recht van toepassing is, dat de verjaringstermijn vijf jaar bedraagt en dat deze is aangevangen op 1 oktober 1989. Gelet op het voorgaande is het in deze procedure dus aan [eiser] om te stellen - en zo nodig te bewijzen - dat de onderliggende vordering die Fine Star stelt op 14 november 2017 van [naam 5] te hebben verkregen tijdig is gestuit op één van de wijzen als bedoeld in de artikelen 3:316 en 3:317 BW.

4.7.

Naar het oordeel van de rechtbank is in de eerste plaats onjuist dat uit de vonnissen van 19 augustus 2009 en van 20 juli 2011 (impliciet) volgt dat [naam 5] de litigieuze vorderingsrechten op 25 juli 1994 heeft verkregen. In het vonnis van 20 juli 2011 (waaruit - in rechtsoverweging 3.12 - het vonnis van 19 augustus 2009 kenbaar is) blijkt de naam van [naam 5] (slechts) uit rechtsoverweging 3.5. Anders dan [eiser] stelt betreft die rechtsoverweging geen vaststaande feiten. In die overweging wordt weergegeven welke “drie andere geschriften” mr. Duijsens (als procesadvocaat, destijds optredend voor de eisers in die procedure en later alleen voor [eiser] ) in het geding had gebracht en wordt de inhoud en staat van die stukken beschreven. Daarmee is geen sprake van een feit dat gezag van gewijsde heeft gekregen zoals door [eiser] is bepleit. In het vonnis worden vervolgens uitsluitend de posities van [eiser] (en via deze van Fine Star), [naam 1] , C.J. Communicatie-service en [naam 3] besproken en beoordeeld. In de vonnissen wordt beslist dat de vordering van [eiser] is verjaard en die van [naam 1] en C.J. Communicatieservice niet. Over de vordering van [naam 5] - volgens de toen door mr. Duijsens overgelegde geschriften overigens slechts rechthebbende van 25 juli 1994 tot 1 augustus 1994 - is door de rechtbank geen beslissing genomen.

4.8.

Indien in de onderhavige procedure op andere gronden vastgesteld zou kunnen worden dat [naam 5] de litigieuze vorderingsrechten wel op 25 juli 1994 heeft verkregen (en deze niet heeft teruggeleverd aan [naam 2] en [naam 1] overeenkomstig de akte van 1 augustus 1994) dan geldt dat door [eiser] niet wordt gesteld dat van de zijde van [naam 5] tijdig een daad van rechtsvervolging is verricht om de verjaring te stuiten. [eiser] beroept zich slechts op door Fine Star genomen rechtsmaatregelen maar deze zijn slechts relevant vanaf het moment waarop Fine Star de vorderingsrechten van [naam 5] verkreeg. Derhalve is gesteld noch gebleken dat de vordering van [naam 5] op KPN in de periode van 25 juli 1994 tot aan de beweerdelijke cessie aan Fine Star op 14 november 2017 is gestuit.

4.9.

De slotsom is dat als Fine Star al een vordering zou hebben op KPN, deze is verjaard. De vordering tot betaling van een bedrag van € 1.100.000.000 zal worden afgewezen. Gesteld noch gebleken is dat Fine Star daarnaast een afzonderlijk belang heeft bij een loutere vaststelling in rechte van het op 14 november 2017 verkrijgen van vorderingsrechten op KPN. Hetzelfde geldt voor de op zichzelf niet betwiste stelling dat KPN aansprakelijk is voor de door haar rechtsvoorganger PTT veroorzaakte schade. Alle vorderingen zullen worden afgewezen en [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente en nakosten, worden veroordeeld.

De kosten aan de zijde van KPN worden begroot op:

- betaald griffierecht € 3.946,00

- salaris advocaat 7.712,00 (2 punten × tarief € 3.856)

Totaal € 11.658,00

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van KPN bepaald op € 11.658,00, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis alsmede te vermeerderen met de nakosten, conform het liquidatietarief begroot op € 131,- dan wel in geval van betekening € 199,-;

5.3.

verklaart dit vonnis ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Santema, mr. C. Sikkel en mr. P.E. van Althuis en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2019.

32/1573/2992