Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:2718

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-03-2019
Datum publicatie
11-04-2019
Zaaknummer
10/122546-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak mishandeling echtgenote.

Bewezenverklaring bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Toepassing artikel 9a Wetboek van Strafrecht.

Vrijspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/122546-15

Datum uitspraak: 13 maart 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] (Pakistan) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. H. Raza, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 22 september 2015, 8 mei 2017, 31 juli 2017 en 27 februari 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. D. van Zetten heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 40 uur met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering;

  • -

    dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarde.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak feit 2

4.1.1.

Standpunt officier van justitie

De verdachte heeft tijdens een ruzie in een hotelkamer in Houten de aangeefster - zijn echtgenote - hard aan het haar getrokken, haar rechterarm naar achteren getrokken en haar geslagen. De verklaring van de aangeefster vindt steun in de verklaringen van haar oom en haar nicht. Zij zagen de volgende dag bij de aangeefster verwondingen op haar arm en gezicht.

4.1.2.

Beoordeling

Onder feit 2 wordt de verdachte verweten dat hij zijn echtgenote heeft mishandeld. De oom en de nicht van de aangeefster hebben verklaard dat ze de dag na het incident letsel bij haar hebben waargenomen en dat dit - naar de aangeefster hen heeft verteld - door de verdachte zou zijn veroorzaakt. Het letsel en de wijze waarop dit volgens de getuigen zou zijn ontstaan, vinden naar het oordeel van de rechtbank op wezenlijke punten geen aansluiting bij hetgeen de aangeefster daar zelf over bij de politie heeft verklaard. Zo heeft de aangeefster verklaard dat de verdachte haar pijn heeft gedaan, maar dat zij daarbij geen letsel heeft opgelopen. Eerst de volgende dag, in haar aanvullende aangifte, verklaart de aangeefster ook door de verdachte te zijn geslagen, zonder dit nader te concretiseren hoe dit ging en waar zij is geslagen.

Uit de bij de aangifte gevoegde foto’s van het letsel van de aangeefster blijkt niet wanneer deze zijn genomen, zodat niet kan worden vastgesteld dat het letsel het gevolg is van de tenlastegelegde handelingen.

Na de hereniging met de verdachte is de aangeefster door de rechter-commissaris als getuige gehoord. Op de vraag of ze bij haar aangifte naar waarheid heeft verklaard, heeft zij geen antwoord willen geven.

De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte de tenlastegelegde geweldshandelingen heeft begaan.

4.1.3.

Conclusie

Het onder 2 tenlastegelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.2.

Bewijswaardering

4.2.1.

Standpunt verdediging

Uit de omstandigheden waaronder de ten laste gelegde bewoordingen door de verdachte zijn geuit - volgens de verklaring van de schoonmoeder van de verdachte liggend als een klein kind met zijn hoofd op haar schoot waarna hij zijn vrouw knuffelde - blijkt dat dit niet plaatsvond in een bedreigende sfeer en dat de woorden niet bedreigend waren bedoeld. Bij de aangeefster kon niet de redelijke vrees ontstaan dat zij het leven zou laten of dat zij zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De verdachte en de aangeefster gebruikten voor de grap vaker dergelijke bewoordingen tegenover elkaar.

4.2.2.

Beoordeling

De rechtbank overweegt dat sprake is van een bedreiging in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht als de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat zij in het algemeen geschikt is de vrees teweeg te brengen dat de bedreigde het leven zou kunnen verliezen. De rechtbank is van oordeel dat de tenlastegelegde bewoordingen: “Je weet dat wij op de negende verdieping wonen. Ik kan je zo uit de negende verdieping gooien”, in het algemeen een dergelijke vrees opwekken. De aangeefster heeft ook verklaard dat zij zich door de bedreigingen daadwerkelijk bang en bedreigd heeft gevoeld. Uit de verklaring van de aangeefster blijkt allerminst van de door de verdachte geschetste ‘grappige’ context. Ook volgt dit niet uit de verklaring van de schoonmoeder van de verdachte, die heeft verklaard na een echtelijke ruzie ’s nachts naar de woning van de aangeefster en de verdachte te zijn gegaan en de verdachte daar tegen haar dochter te hebben horen zeggen dat hij haar zo van de negende verdieping kon gooien. De getuige schrok van deze bedreiging. De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de geloofwaardigheid van haar verklaring nu zij gedetailleerd heeft verklaard over de bedreiging, de omstandigheden waaronder deze werd geuit en haar reactie hierop. Het verweer wordt daarom verworpen.

4.2.3.

Conclusie

Bewezen is de onder 1 tenlastegelegde bedreiging.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij in de periode van 1 januari 2014 tot en met 21 maart 2015 te Rotterdam [naam slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [naam slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd: "Je weet dat we op de negende etage wonen" en/of "Je weet dat wij op de negende verdieping wonen. Ik kan je zo uit de negende verdieping gooien".

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

1.

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering van de toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr)

7.1.

Algemene overweging

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van zijn echtgenote door te dreigen haar van de negende verdieping af te gooien. Het slachtoffer heeft deze situatie als bedreigend ervaren en heeft het gevoel gehad dat de verdachte haar daadwerkelijk iets wilde aandoen. Door zijn handelen heeft de verdachte bij het slachtoffer gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht. Dit rekent de rechtbank de verdachte aan, omdat het slachtoffer zich in haar huwelijk en haar eigen huis juist veilig en geborgen zou moeten kunnen voelen.

7.2.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.2.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 4 februari 2019, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.

7.2.2.

Rapportage

De rechtbank heeft acht geslagen op het door de Reclassering Nederland over de verdachte opgemaakte rapport, gedateerd 27 juli 2015.

7.3.

Overschrijding redelijke termijn

Het uitgangspunt is dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 24 maanden na aanvang van de redelijke termijn. Deze termijn vangt aan op het moment dat een verdachte in redelijkheid de verwachting kan hebben dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie strafvervolging zal worden ingesteld. De inverzekeringstelling van de verdachte op 22 juni 2015 kan als een zodanige handeling worden aangemerkt, zodat op deze datum de redelijke termijn is aangevangen. Tussen 22 juni 2015 en de datum van het eindvonnis ligt een periode van 44 maanden. Nu wordt uitgegaan van een redelijke termijn van 24 maanden, is er in de onderhavige zaak sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 20 maanden.

7.4.

Toepassing van artikel 9a Sr

De rechtbank ziet in de forse overschrijding van de redelijke termijn, het tijdsverloop sinds het plegen van bovengenoemd bewezenverklaard strafbaar feit, de weerslag die dat op de verdachte heeft gehad en het feit dat de verdachte inmiddels op vrijwillige basis onder behandeling is bij een psychiater voor zijn problematiek aanleiding voor de toepassing van artikel 9a Sr. Aan de verdachte zal dus geen straf of maatregel worden opgelegd.

8 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

9 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

verklaart de verdachte schuldig zonder oplegging van straf of maatregel.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A. Verweij, voorzitter,

en mrs. J.C.M. Persoon en J.M.L. van Mulbregt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R. van Puffelen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 maart 2019.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

Tenlastelegging

1

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 21 maart 2015

te Rotterdam [naam slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven

gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk

voornoemde [naam slachtoffer] meermalen, althans eenmaal dreigend de woorden

toegevoegd: "Je weet dat we op de negende etage wonen" en/of "Je weet dat

wij op de negende verdieping wonen. Ik kan je zo uit de negende verdieping

gooien",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2

hij op of omstreeks 21 maart 2015 te Houten

zijn echtgenoot, althans een persoon, te weten [naam slachtoffer] ,

heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal,

- de haren vast te pakken en/of (vervolgens) aan die haren te trekken en/of

- bij de arm(en) vast te pakken en/of (vervolgens) (met kracht) de arm(en)

naar achter te trekken en/of draaien (waardoor zij ten val is gekomen) en/of

- in/tegen het gezicht, althans op/tegen het lichaam te slaan en/of stompen;