Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:2714

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-03-2019
Datum publicatie
11-04-2019
Zaaknummer
10/701062-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring voor medeplegen mishandeling kind, niet naleven van gedragsaanwijzing, mishandeling van zijn levensgezel en vernieling.

Veroordeling tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/701062-15

Datum uitspraak: 13 maart 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te Curaçao op [geboortedatum verdachte]

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsvrouw mr. C.C.J.L. Huurman-Ip Vai Ching, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 4 september 2015 en 27 februari 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting van 4 september 2015 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. D. van Zetten heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 tot en met 4 tenlastegelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met aftrek van voorarrest, met een proeftijd van 2 jaar;

  • -

    opheffing van het bevel voorlopige hechtenis dat bij eerdere beslissing is geschorst.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van de feiten 1 en 2 en heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de feiten 3 en 4. De raadsvrouw heeft daartoe - kort en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat de verklaringen van [naam slachtoffer 1] , van zijn zus [naam zus slachtoffer] en van zijn oma, de aangeefster [naam aangeefster] , niet betrouwbaar zijn. Uit de verklaring van de kinder- en jeugdpsychiater Bakkum, die als deskundige in deze strafzaak heeft gerapporteerd, kan niet anders dan de conclusie worden getrokken dat [naam slachtoffer 1] in zijn verklaring niet geheel de waarheid heeft verteld en dat hij bepaalde zaken heeft aangedikt. Buiten de genoemde personen heeft geen enkele getuige gezien dat de verdachte [naam slachtoffer 1] heeft mishandeld.

Wat feit 2 betreft had de verdachte geen opzet op het overtreden van de gedragsaanwijzing, omdat hij hiervan niet op de hoogte was en hij in de veronderstelling was dat het contactverbod met [naam slachtoffer 2] verlopen was.

4.1.2.

Beoordeling

Ten aanzien van feit 1:

De rechtbank is van oordeel dat [naam slachtoffer 1] voldoende specifiek, gedetailleerd en consistent heeft verklaard dat hij door de verdachte en zijn moeder, de medeverdachte [naam medeverdachte] , meermalen tegen het hoofd is geslagen, dat hij is geschopt en in zijn nek is gekrabd en dat hij door de verdachte in zijn nek is gedrukt, waardoor hij naar beneden zakte. [naam slachtoffer 1] had door deze geweldshandelingen pijn en krassen in zijn nek. De verklaring van [naam slachtoffer 1] vindt op essentiële onderdelen steun in de eigen waarneming van zijn oma, de aangeefster [naam aangeefster] , en van zijn zus, de getuige [naam getuige] . De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het rapport van kinder- en jeugdpsychiater Bakkum d.d. 17 februari 2016. De deskundige heeft geconcludeerd dat de verklaring van [naam slachtoffer 1] passend is bij zijn beperkte cognitieve niveau, dat hij niet suggestibel is en dat [naam slachtoffer 1] hetzelfde verhaal heeft verteld als op de DVD van het verhoor bij de politie. Anders dan de verdediging, vindt de rechtbank geen aanwijzingen dat [naam slachtoffer 1] zaken heeft aangedikt of anderszins niet naar waarheid heeft verklaard. Voorts ziet de rechtbank in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster [naam aangeefster] en de getuige [naam zus slachtoffer] . Niet aannemelijk is geworden dat zij een motief hadden om valselijk te verklaren en dat zij hun verklaringen daarom hebben afgelegd in strijd met de waarheid.

Op grond hiervan acht de rechtbank de verklaringen van [naam slachtoffer 1] , van de aangeefster [naam aangeefster] en van getuige [naam getuige] betrouwbaar en geloofwaardig en zal zij deze bezigen voor het bewijs. De verklaringen leveren in onderling verband en in samenhang bezien voldoende wettig en overtuigend bewijs op van de aan verdachte tenlastegelegde mishandeling.

Uit de verklaring van [naam slachtoffer 1] en van de aangeefster [naam aangeefster] is tevens gebleken dat zowel de verdachte als de medeverdachte [naam medeverdachte] , [naam slachtoffer 1] in de woning van [naam medeverdachte] in elkaars aanwezigheid sloegen. Uit de verklaring van de getuige [naam getuige] komt naar voren dat de verdachte vond dat de medeverdachte [naam medeverdachte] in relatie tot haar zoon [naam slachtoffer 1] strenger moest zijn en dat zij hem sinds haar relatie met de verdachte vaker sloeg. Omgekeerd was de medeverdachte erbij aanwezig toen de verdachte [naam slachtoffer 1] in zijn nek hard naar beneden drukte en gaf zij daarbij aan dat het handelen van de verdachte haar goedkeuring had. Hieruit volgt een zodanige actieve, faciliterende, ondersteunende rol en samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte dat bij ieder van hen opzet op het medeplegen van mishandeling aanwezig is.

De rechtbank acht niet bewezen dat de verdachte en de medeverdachte [naam slachtoffer 1] van de trap hebben geduwd en de koelkastdeur tegen het hoofd hebben gegooid, omdat dit onvoldoende steun vindt in het dossier. De verdachte wordt van dit deel van de tenlastelegging vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 2:

Uit het relaas van de verbalisant [naam verbalisant] in het proces-verbaal van de Politie Eenheid Rotterdam, proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer] , blijkt dat de verdachte een gedragsaanwijzing ten aanzien van een contactverbod met voornoemde [naam slachtoffer 2] opgelegd heeft gekregen. Dit contactverbod is geldig van 27 december 2014 tot en met 28 maart 2014.

Uit de in het dossier bevindende gedragsaanwijzing blijkt dat de verdachte deze heeft ontvangen en ondertekend op 27 december 2014. Hieruit blijkt dat de verdachte op de hoogte was van de hem opgelegde gedragsaanwijzing en dus heeft de verdachte op 9 maart 2015, door zich te bevinden in de woning [naam slachtoffer 2] , opzettelijk de gedragsaanwijzing overtreden.

4.1.3.

Conclusie

De verweren worden verworpen.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande ten aanzien van de feiten 1 en 2, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tot en met 4 tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij in de periode van 09 maart 2012 tot en met 15 mei 2014 te

Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [naam slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 1] 2004 ),

- meermalen tegen het gezicht en het lichaam hebben geslagen en gestompt en- meermalen/tegen de buik hebben getrapt en/of geschopt- meermalen in de nek hebben gekrabd

- bij de de nek, hebben vastgepakt en/of hebben geduwd en/of de nek hebben ingedrukt

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

2.

hij op 09 maart 2015 te Rotterdam opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 27 december 2014 gegeven door de officier van justitie te Rotterdam immers heeft verdachte opzettelijk in strijd met het in voornoemde gedragsaanwijzing genoemde contactverbod contact opgenomen met [naam slachtoffer 2]

en daarbij zich begeven in de woning gelegen aan de [adres slachtoffer 2] , zijnde de woning van die [naam slachtoffer 2] .

3.

hij op 27 december 2014 te Rotterdam zijn levensgezel, [naam slachtoffer 2] ,

heeft mishandeld door die [naam slachtoffer 2] tegen het hoofd en tegen de arm( te slaan en/of te stompen.

4.

hij op 27 december 2014 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk een deur in het pand Van [adres slachtoffer 2] , toebehorende aan [naam slachtoffer 2] , heeft vernield .

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.

het medeplegen van mishandeling, meermalen gepleegd;

2.

opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering;

3.

mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel;

4.

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat aan een ander toebehoort, vernielen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachte [naam medeverdachte] , zijn toenmalige partner, schuldig gemaakt aan mishandeling van de zoon van de medeverdachte, genaamd [naam slachtoffer 1] , door hem tegen het gezicht te slaan en hem in zijn nek te drukken, waardoor hij naar beneden zakte en pijn had. De verdachte en zijn medeverdachte hebben hiermee een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijk integriteit van [naam slachtoffer 1] en hebben ook zijn gevoel van veiligheid geschonden. De mishandeling vond immers plaats in de woning van de medeverdachte, zijn moeder, bij uitstek een plaats waar kinderen zich veilig moeten kunnen voelen en moeten kunnen rekenen op liefde, bescherming en geborgenheid van hun ouders en verzorgers.

De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn levensgezel [naam slachtoffer 2] door in haar woning haar te slaan, ten gevolge waarvan zij letsel opgelopen heeft. De verdachte heeft door deze geweldshandelingen de lichamelijke integriteit van [naam slachtoffer 2] geschonden. Nadat zij zichzelf in de badkamer had opgesloten om aan verder geweld door de verdachte te ontkomen, heeft hij de badkamerdeur vernield. Dergelijke geweldshandelingen in een woning tasten vaak het gevoel van veiligheid van de bewoners aan. De ervaring leert immers dat slachtoffers van huiselijk geweld nog lange tijd hiervan hinder ondervinden en dat dit afbreuk doet aan hun zelfvertrouwen en gevoel van veiligheid.

De verdachte heeft zich tot slot schuldig gemaakt aan overtreding van een aan hem uitgereikte gedragsaanwijzing, inhoudend dat hij geen contact met die [naam slachtoffer 2] mocht hebben.

De rechtbank rekent de verdachte bovengenoemde feiten zwaar aan.

7.2.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.2.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 4 februari 2019, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Hiermee wordt niet in het nadeel van de verdachte rekening gehouden.

7.2.2.

Rapportages

De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport van Reclassering Nederland dat over de verdachte is opgesteld, gedateerd 19 augustus 2015. Hierin wordt geadviseerd om, indien de verdachte schuldig wordt bevonden, een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en de verplichting om mee te werken aan verder diagnostisch onderzoek en ambulante behandeling, indien daartoe door de reclassering indicaties worden gezien.

7.3.

Overschrijding redelijke termijn

Het uitgangspunt is dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting zonder bijzondere omstandigheden, dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 24 maanden na aanvang van de redelijke termijn. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat een verdachte in redelijkheid de verwachting kan hebben dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De inverzekeringstelling van de verdachte op 9 maart 2015 kan als een zodanige handeling worden aangemerkt, zodat op deze datum de redelijke termijn is aangevangen. Tussen de aanvangsdatum en die van het eindvonnis ligt een periode van circa 8 maanden. Omdat er wordt uitgegaan van een redelijke termijn van 24 maanden, is er sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden met (afgerond) 24 maanden.

7.4.

Straftoemeting

Gezien de ernst van de feiten kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. De rechtbank zal echter afzien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank houdt rekening met het lange tijdsverloop na het plegen van de bewezen verklaarde feiten, de daarmee verband houdende forse overschrijding van de redelijke termijn en het feit dat de verdachte niet eerder en ook nadien niet is veroordeeld ter zake van geweldsdelicten. De rechtbank houdt er ook rekening mee dat enerzijds bij het tenlastegelegde onder 1 minder geweldshandelingen bewezen zijn verklaard dan bij de medeverdachte [naam medeverdachte] , maar dat anderzijds de verdachte voor meer strafbare feiten wordt veroordeeld.

De rechtbank acht alles afwegend de eis van de officier van justitie een passende en geboden straf. De rechtbank zal de verdachte dan ook een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden opleggen met een proeftijd van twee jaar. Dit voorwaardelijke strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank ziet daarbij geen aanleiding tot het stellen van bijzondere voorwaarden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57, 184a, 300, 304 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 tot en 4 tenlastegelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden;

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte dat bij eerdere beslissing is geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A. Verweij, voorzitter,

en mrs. J.C.M. Persoon en J.M.L. van Mulbregt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R. van Puffelen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij

in of omstreeks de periode van 09 maart 2012 tot en met 31 maart 2014 te

Rotterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [naam slachtoffer 1] (geboren op

[geboortedatum slachtoffer 1] 2004 ),

- meermalen, althans eenmaal, in/op/tegen het gezicht en/of het lichaam

heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of

- meermalen, althans eenmaal, op/tegen het hoofd en/of de buik, althans het

lichaam, heeft/hebben getrapt en/of geschopt, terwijl voornoemde [naam slachtoffer 1] op de

grond lag en/of

- meermalen, althans éénmaal, in/op het gezicht en/of de nek, althans het

lichaam, heeft/hebben gekrabt en/of

- bij de keel, althans de nek, heeft/hebben vastgepakt en/of heeft/hebben

geduwd en/of de keel, althans de nek heeft/hebben ingedrukt en/of

- van de trap heeft/hebben geduwd en/of

- een koelkastdeur, althans een hard voorwerp, op/tegen het hoofd, althans het

lichaam, heeft/hebben (aan)gegooid,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 09 maart 2015 te Rotterdam

opzettelijk

heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel

509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de

gedragsaanwijzing d.d. 27 december 2014 gegeven door de officier van justitie

te Rotterdam

immers heeft verdachte opzettelijk in strijd met het in voornoemde

gedragsaanwijzing genoemde contactverbod contact opgenomen met [naam slachtoffer 2]

en/of (daarbij) zich begeven in de woning gelegen op/aan de

[adres slachtoffer 2] , zijnde de de woning van die [naam slachtoffer 2] ;

3.

(10/286255-14)

hij

op of omstreeks 27 december 2014

te Rotterdam

zijn levensgezel, [naam slachtoffer 2] ,

heeft mishandeld door die [naam slachtoffer 2] op/tegen het hoofd en/of op/tegen

(een)(de) arm(en) te slaan en/of te stompen;

4.

(10/286255-14)

hij

op of omstreeks 27 december 2014

te Rotterdam

opzettelijk en wederrechtelijk een deur in het pand [adres slachtoffer 2] ,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 2]

, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft

vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;