Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:2713

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-03-2019
Datum publicatie
11-04-2019
Zaaknummer
10/701061-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen mishandeling van haar kind tot een voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/701061-15

Datum uitspraak: 13 maart 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte]

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. W.H.J.W. de Brouwer, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 4 september 2015 en 27 februari 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting van 4 september 2015 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. D. van Zetten heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het tenlastegelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met aftrek van voorarrest, met een proeftijd van 2 jaar;

  • -

    opheffing van het bevel voorlopige hechtenis dat bij eerdere beslissing is geschorst.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit en heeft - kort en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat de verklaringen van verdachtes moeder, aangeefster [naam aangeefster 1] , van haar zoon [naam slachtoffer] , van haar dochter [naam dochter] en van een buurvrouw van aangeefster, getuige [naam getuige 1] , onbetrouwbaar zijn. Overige getuigenverklaringen leveren onvoldoende steunbewijs op om tot een bewezenverklaring te komen en bevatten slechts uitlatingen die [naam slachtoffer] tegenover de desbetreffende getuigen heeft gedaan. Er is voorts geen bewijs van letsel bij [naam slachtoffer] en van medeplegen door de verdachte van mishandeling. De verdachte had door het ontbreken van letsel geen reden om te vermoeden dat [naam slachtoffer] zou worden mishandeld door de medeverdachte [naam medeverdachte] . Het enkele feit dat de verdachte met de medeverdachte [naam medeverdachte] heeft samengewoond is onvoldoende bewijs voor dit medeplegen.

4.1.2.

Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat [naam slachtoffer] voldoende specifiek, gedetailleerd en consistent heeft verklaard dat hij door de verdachte meermalen tegen het hoofd is geslagen, tegen het lichaam is geschopt en in zijn nek is gekrabd. [naam slachtoffer] heeft voorts verklaard dat hij ook door de medeverdachte [naam medeverdachte] is geslagen en dat deze meermalen in zijn nek heeft gedrukt, waardoor hij naar beneden zakte. [naam slachtoffer] had door deze geweldshandelingen pijn en krassen in zijn nek.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van kinder- en jeugdpsychiater Bakkum d.d. 17 februari 2016. De deskundige heeft geconcludeerd dat de verklaring van [naam slachtoffer] passend is bij zijn beperkte cognitieve niveau, dat hij niet suggestibel is en dat [naam slachtoffer] hetzelfde verhaal heeft verteld als op de DVD van het verhoor bij de politie.

De verklaring van [naam slachtoffer] vindt op essentiële onderdelen steun in de eigen waarneming van de aangeefster [naam aangeefster 1] en van de getuige [naam getuige 1] . De getuige heeft verklaard dat zij heeft gezien dat de verdachte haar zoon sloeg en schopte in de lift van de flat waar de aangeefster woonde. De rechtbank ziet geen aanleiding om de betrouwbaarheid van deze verklaring in twijfel te trekken. Daar komt bij dat genoemde getuige geen familie is van de aangeefster, er ook anderszins tussen hen geen sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking en dat geenszins is gebleken dat zij er belang bij heeft om ten onrechte over de verdachte belastend te verklaren. Voorts ziet de rechtbank in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster [naam aangeefster 1] en de getuige [naam getuige 2] . Niet aannemelijk is geworden dat zij een motief hadden om valselijk te verklaren en dat zij hun verklaringen daarom hebben afgelegd in strijd met de waarheid.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank de verklaringen van [naam slachtoffer] , van de aangeefster [naam aangeefster 1] en van de bovengenoemde getuigen betrouwbaar en geloofwaardig en zal zij deze bezigen voor het bewijs. De verklaringen leveren in onderling verband en in samenhang bezien voldoende wettig en overtuigend bewijs op van de aan de verdachte tenlastegelegde mishandeling.

Uit de verklaring van [naam slachtoffer] en van de aangeefster [naam aangeefster 1] is tevens gebleken dat zowel de verdachte als de medeverdachte [naam medeverdachte] , [naam slachtoffer] in de woning van de verdachte in elkaars aanwezigheid sloegen. De verdachte was ook aanwezig toen de medeverdachte [naam slachtoffer] in zijn nek hard naar beneden drukte en gaf daarbij aan dat dit handelen van de medeverdachte haar goedkeuring had. Uit de verklaring van getuige [naam getuige 2] komt omgekeerd naar voren dat de medeverdachte [naam medeverdachte] vond dat de verdachte in relatie tot [naam slachtoffer] strenger moest zijn. Hieruit volgt een zodanige actieve en faciliterende rol en samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte dat bij ieder van hen opzet op het medeplegen van mishandeling aanwezig is.

De rechtbank acht niet bewezen dat de verdachte en de medeverdachte [naam slachtoffer] van de trap hebben geduwd en de koelkastdeur tegen het hoofd hebben gegooid, omdat dit onvoldoende steun vindt in het dossier. De verdachte wordt van dit deel van de tenlastelegging vrijgesproken.

4.1.3.

Conclusie

Het verweer wordt verworpen.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:

zij in de periode van 09 maart 2012 tot en 15 mei 2014 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander of alleen

opzettelijk mishandelend haar kind, te weten [naam slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer] 2004 ),

- meermalentegen het gezicht en het lichaam hebben geslagen en gestompt en

- meermalen tegen de buik, heeft/hebben getrapt en/of geschopt, terwijl voornoemde [naam slachtoffer] op de grond lag en

- meermalen, in het gezicht en/of de nek, heeft/hebben gekrabd en

- bij de keel, hebben vastgepakt en/of hebben geduwd en/of de nek hebben ingedrukt

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

plegen en medeplegen van mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen haar kind, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan, de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich in een periode van ruim twee jaar op meerdere momenten samen met de medeverdachte, haar toenmalige partner, schuldig gemaakt aan het mishandelen van haar zoon door hem te slaan, te schoppen, in zijn nek te krabben en hem in zijn nek hard naar beneden te drukken. [naam slachtoffer] heeft hierdoor pijn en letsel gehad.

De verdachte en de medeverdachte hebben door hun handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijk integriteit van haar zoon, terwijl kinderen juist zouden moeten kunnen rekenen op liefde, bescherming en geborgenheid van hun ouders en verzorgers. De mishandelingen vonden plaats in de woning van de verdachte, bij uitstek een plaats waar een kind zich veilig moet kunnen voelen. De verdachte had in haar hoedanigheid als moeder een bijzondere zorgplicht jegens haar zoon. Zij was verantwoordelijk voor het waarborgen van een veilige leefomgeving en voor de ongestoorde ontwikkeling van haar kind. De ervaring leert dat slachtoffers van huiselijk geweld hiervan vaak nog lange tijd hinder ondervinden en dat dit afbreuk doet aan hun zelfvertrouwen en gevoel van veiligheid. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.

7.2.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.2.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 4 februari 2019, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Hiermee wordt niet in het nadeel van de verdachte rekening gehouden.

7.2.2.

Rapportage

De rechtbank heeft kennisgenomen van het door Reclassering Nederland opgestelde rapport over de verdachte, gedateerd op 21 augustus 2015. Hierin wordt geadviseerd om, indien de verdachte schuldig wordt bevonden, een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en de verplichting om mee te werken aan verder diagnostisch onderzoek en ambulante behandeling, indien daartoe door de reclassering indicaties worden gezien.

7.3.

Schending redelijke termijn

Het uitgangspunt is dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting zonder bijzondere omstandigheden dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 24 maanden na aanvang van de redelijke termijn. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat een verdachte in redelijkheid de verwachting kan hebben dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De inverzekeringstelling van de verdachte op 9 maart 2015 kan als een zodanige handeling worden aangemerkt, zodat op deze datum de redelijke termijn is aangevangen. Tussen de aanvangsdatum en die van het eindvonnis ligt een periode van ongeveer 48 maanden. Omdat er wordt uitgegaan van een redelijke termijn van 24 maanden, is er sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden met (afgerond) 24 maanden.

7.4.

Straftoemeting

Gezien de ernst van het feit kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. De rechtbank zal echter afzien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank houdt daarbij rekening met het lange tijdsverloop na het plegen van het bewezen verklaarde feit, de daarmee verband houdende forse overschrijding van de redelijke termijn en het gegeven dat de verdachte nadien niet meer met justitie en politie in aanraking is gekomen voor soortgelijke feiten. Ook slaat de rechtbank acht op verdachtes gewijzigde persoonlijke omstandigheden, meer in het bijzonder dat de verdachte niet langer samen zou zijn met de medeverdachte, dat haar zoon [naam slachtoffer] bij haar moeder woont en dat de persoonlijke verhoudingen binnen de familie volgens de verklaring van de verdachte zouden zijn hersteld. Het tegendeel hiervan is de rechtbank niet gebleken en de rechtbank acht dit van groot belang voor [naam slachtoffer] .

De rechtbank acht gelet op het vorenstaande de eis van de officier van justitie een passende en geboden straf. De rechtbank zal de verdachte dan ook een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden opleggen met een proeftijd van twee jaar. Dit voorwaardelijke strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank ziet daarbij geen aanleiding tot het stellen van bijzondere voorwaarden. De straf die aan de verdachte wordt opgelegd is gelijk aan de straf van de medeverdachte. Weliswaar heeft de medeverdachte zich schuldig gemaakt aan het plegen van meer strafbare feiten, maar de verdachte heeft een groter aandeel gehad in de mishandeling van haar kind.

8 Toepasselijke wettelijk voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b en 14c, 47, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden;

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte dat bij eerdere beslissing is geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A. Verweij, voorzitter,

en mrs. J.C.M. Persoon en J.M.L. van Mulbregt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R. van Puffelen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

zij

in of omstreeks de periode van 09 maart 2012 tot en 15 mei 2014 te

Rotterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk mishandelend haar kind, althans een persoon,

te weten [naam slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer] 2004 ),

- meermalen, althans eenmaal, in/op/tegen het gezicht en/of het lichaam

heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of

- meermalen, althans eenmaal, op/tegen het hoofd en/of de buik, althans het

lichaam, heeft/hebben getrapt en/of geschopt, terwijl voornoemde [naam slachtoffer] op de

grond lag en/of

- meermalen, althans éénmaal, in/op het gezicht en/of de nek, althans het

lichaam, heeft/hebben gekrabt en/of

- bij de keel, althans de nek, heeft/hebben vastgepakt en/of heeft/hebben

geduwd en/of de keel, althans de nek heeft/hebben ingedrukt en/of

- van de trap heeft/hebben geduwd en/of

- een koelkastdeur, althans een hard voorwerp, op/tegen het hoofd, althans het

lichaam, heeft/hebben (aan)gegooid,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;