Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:2711

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-03-2019
Datum publicatie
09-04-2019
Zaaknummer
10/662071-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor bedreiging van twee jonge vrouwen met verkrachting (en/of feitelijke aanranding van de eerbaarheid) en schennis van de eerbaarheid.

Oplegging van een taakstraf voor de duur van 120 uren, met aftrek van voorarrest, en een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en met reclasseringstoezicht en bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/662071-17

Datum uitspraak: 18 maart 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] .

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 4 maart 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M. Blom heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 1 primair en 3 primair ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair, 2, 3 subsidiair en 4 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van voorarrest, en een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering, ook als dit inhoudt een behandeling bij een instelling indien de reclassering dat noodzakelijk acht;

  • -

    oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel inhoudende contactverboden ten aanzien van de aangeefsters, met 2 weken hechtenis per overtreding tot een totaal van 6 maanden.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak feiten 1 primair en 3 primair

Met de officier van justitie en de verdachte is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 primair en 3 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

4.2.

Bewijswaardering feiten 1 subsidiair, 2, 3 subsidiair en 4

De verdachte heeft ook het onder 1 subsidiair, 2, 3 subsidiair en 4 ten laste gelegde ontkend. Voor deze feiten is echter voldoende wettig bewijs aanwezig en de rechtbank acht dit bewijs ook overtuigend. De rechtbank overweegt ten aanzien daarvan het volgende.

Feiten 1 subsidiair en 2

Op basis van de inhoud van de bewijsmiddelen staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de verdachte degene is geweest die in de nacht van 26 februari 2017 na 3:15 uur de aangeefster [naam slachtoffer 1] op de fiets is gevolgd naar haar huis en daarbij de onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde handelingen heeft verricht. De aangeefster heeft de dader meerdere malen gezien en een duidelijk signalement van hem gegeven. Zij heeft via een groepsapp op WhatsApp aan vriendinnen verteld wat haar was overkomen en vervolgens ontving zij via deze app een Facebookfoto van iemand die volgens de vriendin die deze foto stuurde en andere getuigen ook een andere vrouw in Krimpen aan den IJssel op soortgelijke wijze zou hebben lastig gevallen. De aangeefster herkende de persoon op deze foto voor 100% als degene die haar naar huis was gevolgd. Onder deze foto stond de naam [naam verdachte] . De politie heeft deze Facebookfoto vergeleken met een foto van de verdachte in het politiesysteem en geconcludeerd dat het dezelfde [naam verdachte] betreft. Vast staat daarom dat de verdachte de dader is geweest.

De ontkennende verklaring van de verdachte is in het licht van deze bewijsmiddelen ongeloofwaardig. Ook vindt zijn verklaring dat hij op het moment dat deze feiten zijn begaan ergens anders is geweest, geen ondersteuning in het dossier. Hij heeft verklaard dat hij tot 3:00 uur in [naam horecagelegenheid 1] is geweest en daarna samen met een vriend, [naam getuige] , naar huis is gefietst. [naam getuige] is hierover als getuige gehoord en heeft dit niet kunnen bevestigen. Ook is deze verklaring in strijd met zijn eerdere verklaring namelijk dat de verdachte thuis zijn verjaardagsfeest had dat tot 3:00 uur duurde en dat hij daarna naar bed was gegaan.

Feiten 3 subsidiair en 4

De rechtbank acht eveneens bewezen dat de verdachte degene is geweest die de aangeefster [naam slachtoffer 2] op 2 maart 2017 na 21:20 uur naar huis is gevolgd en daarbij de onder 3 subsidiair en 4 ten laste gelegde handelingen heeft verricht. De aangeefster heeft bij de meervoudige fotoconfrontatie de foto van de verdachte aangewezen en verklaard dat haar gevoel zegt dat hij de dader is. Zij heeft hem dus herkend als de dader, maar niet met 100% zekerheid. Echter, in samenhang bezien met de overige bewijsmiddelen is er voldoende wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte ook deze feiten heeft begaan. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat op essentiële punten overeenkomsten of kenmerkende gelijkenissen bestaan tussen dit incident en het incident op 26 februari 2017 waarbij de verdachte [naam slachtoffer 1] is gevolgd. Beide incidenten hebben plaatsgevonden in nagenoeg hetzelfde deel van Krimpen aan den IJssel en ook grotendeels op dezelfde wijze. Ook komen de door de beide aangeefsters opgegeven signalementen van de dader op wezenlijke punten overeen.

De verdachte heeft verklaard dat hij op het moment dat deze feiten zijn begaan op een feest was in [naam horecagelegenheid 2] in Capelle aan den IJssel en dus de dader niet kan zijn geweest. Ook deze verklaring is in het licht van de bewijsmiddelen ongeloofwaardig en vindt geen ondersteuning in het dossier. Er is navraag gedaan bij dit café en daaruit kwam naar voren dat er in de avond van 2 maart 2017 in dit café geen feest is geweest omdat het donderdagavond was en dit een besloten kaartavond is.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2, 3 subsidiair en 4 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1. subsidiair

hij op 26 februari 2017 te Krimpen aan den IJssel [naam slachtoffer 1] heeft bedreigd met verkrachting en/of feitelijke aanranding van de eerbaarheid, door

- naast die [naam slachtoffer 1] te gaan fietsen en

- daarbij zichzelf af te trekken en

- aan die [naam slachtoffer 1] meermalen de woorden toe te voegen: "Zuig me, zuig me" en "Kom

maar mee, kom me zuigen", althans woorden van gelijke strekking en

- achter die [naam slachtoffer 1] aan te fietsen en

- aan die [naam slachtoffer 1] de woorden toe te voegen: "Niet naar binnen gaan, kom me zuigen",

althans woorden van gelijke strekking en

- ( na)bij de woning van die [naam slachtoffer 1] te (blijven) staan;

2.

hij op 26 februari 2017 te Krimpen aan den IJssel zich opzettelijk oneerbaar op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten de Kerkdreef, met ontbloot geslachtsdeel heeft bevonden en zich heeft afgetrokken;

3. subsidiair

hij op 2 maart 2017 te Krimpen aan den IJssel [naam slachtoffer 2] heeft bedreigd met verkrachting door

- aan die [naam slachtoffer 2] de woorden toe te voegen: "Ik wil je neuken!" en "Ik wil je in je kutje

neuken!" en

- ten overstaan van die [naam slachtoffer 2] ter hoogte van zijn gulp

aftrekbewegingen te maken en

- kreungeluiden te maken en

- zeer dicht naast die [naam slachtoffer 2] te gaan fietsen;

4.

hij op 2 maart 2017 te Krimpen aan den IJssel zich opzettelijk oneerbaar op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten op of nabij de IJsselstraat, ter hoogte van zijn gulp aftrekbewegingen heeft gemaakt.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1. subsidiair

bedreiging met verkrachting en/of feitelijke aanranding van de eerbaarheid;

2.

schennis van de eerbaarheid op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd;

3. subsidiair

bedreiging met verkrachting;

4.

schennis van de eerbaarheid op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft tweemaal een jonge vrouw bedreigd met verkrachting (en/of feitelijke aanranding van de eerbaarheid) en zich daarbij ook schuldig gemaakt aan schennis van de eerbaarheid. In beide gevallen volgde de verdachte het slachtoffer in het donker (midden in de nacht dan wel laat in de avond) onderweg naar huis. Hij ging naast het slachtoffer fietsen, maakte seksueel getinte opmerkingen en trok zich af of maakte aftrekbewegingen. Zoals ook blijkt uit de door hen op de terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaringen was dit erg beangstigend voor de slachtoffers en heeft dit op hen een behoorlijke impact gehad. Ook nu nog durven zij in het donker (of in de schemering) niet alleen over straat en kampen zij zelfs overdag met gevoelens van onveiligheid als zij buiten zijn. Het handelen van de verdachte zorgt daarnaast voor onrust en gevoelens van onveiligheid in de samenleving in het algemeen en met name in de directe omgeving.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 13 februari 2019, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het betreft een veroordeling in 2012 voor feiten die zijn gepleegd in 2011 en 2012. Aan de verdachte is toen een grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd met bijzondere voorwaarden, waaronder een verplichte ambulante behandeling bij forensische polikliniek De Waag. De verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij deze behandeling met een positief resultaat heeft afgesloten.

De rechtbank heeft ook acht geslagen op de door Reclassering Nederland en psycholoog drs. J.J. van der Weele over de verdachte opgemaakte rapporten, gedateerd 28 december 2017 respectievelijk 9 oktober 2018.

Het door psycholoog drs. J.J. van der Weele opgemaakte rapport houdt onder meer het volgende in:

De verdachte is een laaggemiddeld intelligente man, met een nog weinig uitgekristalliseerde

persoonlijkheid. In de weekeinden kan hij wel eens bovenmatig alcohol gebruiken, maar verder zijn er geen aanwijzingen voor enigerlei psychische ziekte of persoonlijkheidsstoornis. Op relationeel gebied heeft hij nog relatief weinig ervaring, hetgeen in lijn is met zijn (relatief onrijpe) persoonlijkheidsontwikkeling tot dit moment.

Geconstateerd kan worden dat de feiten uit 2011 een zekere mate van gelijkenis vertonen met de feiten waarvan hij nu wordt verdacht, maar aangezien hij de huidige feiten met

klem ontkent kunnen aan deze constatering geen verdere conclusies worden verbonden.

Vanwege de ontkenning van de feiten is het te vroeg om te speculeren over het recidiverisico. Puur op basis van het verleden, met daarbij een kennelijk positief verlopen

behandeltraject bij De Waag, en zonder rekening te houden met onderhavige aanklacht lijkt het risico beperkt. Bij bewezenverklaring van het ten laste gelegde is er echter sprake van een geheel andere situatie en kan het risico van recidive moeilijk worden uitgesloten.

Zolang de verdachte de onderhavige feiten ontkent is er geen aanknopingspunt voor een op preventie van (eventuele) recidive gerichte interventie. In maatschappelijk opzicht heeft hij op dit moment geen zorg nodig. Gelet hierop wordt geen advies gegeven omtrent de op te leggen straf.

Reclassering Nederland komt in haar rapport ook tot de conclusie dat er, gelet op de ontkenning door de verdachte, geen inschatting kan worden gemaakt van het recidiverisico en er ook geen plan van aanpak kan worden opgesteld. Zij onthoudt zich daarom van advies omtrent de op te leggen straf.

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de aard en de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. De rechtbank ziet echter - met de officier van justitie - aanleiding om af te zien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Daarbij wordt in aanmerking genomen het tijdsverloop sinds het plegen van de feiten, alsmede de noodzaak van begeleiding en mogelijk ook een nieuwe ambulante behandeling om het recidiverisico te verminderen. Daarom wordt een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. De rechtbank ziet geen aanleiding de proeftijd op 3 jaar te stellen. Daarnaast wordt een taakstraf opgelegd.

Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen reden om een vrijheidsbeperkende maatregel inhoudende contactverboden ten aanzien van de aangeefsters op te leggen. Het betreft feiten die 2 jaar geleden zijn gepleegd en er is geen indicatie dat de verdachte contact zoekt dan wel in de afgelopen 2 jaar heeft gezocht met de aangeefsters.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

8 Vordering benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde] ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 1.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van vordering en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2.

Beoordeling

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door de onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Het handelen van de verdachte heeft, zoals reeds overwogen, een behoorlijke impact op haar gehad. Het gevorderde bedrag acht de rechtbank echter te hoog. De immateriële schade zal, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval, naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 250,-, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen, met afwijzing van hetgeen aan hoofdsom meer is gevorderd.

De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 26 februari 2017.

Nu de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.3.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 250,-, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Voor het overige wordt de vordering afgewezen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 36f, 57, 239 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en 3 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 subsidiair, 2, 3 subsidiair en 4 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

stelt als bijzondere voorwaarden:

  1. de veroordeelde zal zich melden bij Reclassering Nederland, zo lang en zo vaak als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;

  2. de veroordeelde zal zich, indien de reclassering dit noodzakelijk acht, onder ambulante behandeling stellen van een instelling voor zijn problematiek, gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering in overleg met de betreffende instelling verantwoord vindt;

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, waarbij Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 114 (honderdveertien) uren te verrichten taakstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 57 (zevenenvijftig) dagen;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde] te betalen een bedrag van € 250,- (zegge: tweehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 26 februari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 250,- (hoofdsom, zegge: tweehonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 februari 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 250,- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 5 (vijf) dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. K.A. Baggerman, voorzitter,

mrs. D. Visser en A.A. Kalk, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.K. van Zanten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 26 februari 2017 te Krimpen aan den IJssel,

ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om

door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of

(een) andere feitelijkhe(i)d(en) iemand, te weten [naam slachtoffer 1] , te dwingen

tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en),

- naast die [naam slachtoffer 1] is gaan fietsen en/of

- ( daarbij) zichzelf heeft afgetrokken en/of

- aan die [naam slachtoffer 1] (meermalen) de woorden heeft toegevoegd: "Zuig me, zuig

me" en/of "Kom maar mee, kom me zuigen", althans woorden van gelijke strekking

en/of

- achter die [naam slachtoffer 1] aan is gefietst en/of

- aan die [naam slachtoffer 1] de woorden heeft toegevoegd: "Niet naar binnen gaan, kom

me zuigen", althans woorden van gelijke strekking en/of

- ( na)bij de woning van die [naam slachtoffer 1] is (blijven) staan,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 246 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 26 februari 2017 te Krimpen aan den IJssel

[naam slachtoffer 1] heeft bedreigd met

verkrachting en/of feitelijke aanranding van de eerbaarheid,

door

- naast die [naam slachtoffer 1] te gaan fietsen en/of

- ( daarbij) zichzelf af te trekken en/of

- aan die [naam slachtoffer 1] (meermalen) de woorden toe te voegen: "Zuig me, zuig me"

en/of "Kom maar mee, kom me zuigen", althans woorden van gelijke strekking

en/of

- achter die [naam slachtoffer 1] aan te fietsen en/of

- aan die [naam slachtoffer 1] de woorden toe te voegen: "Niet naar binnen gaan, kom me

zuigen", althans woorden van gelijke strekking en/of

- ( na)bij de woning van die [naam slachtoffer 1] te (blijven) staan;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 26 februari 2017 te Krimpen aan den IJssel

zich opzettelijk oneerbaar op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer

bestemd, te weten de Kerkdreef,

met ontbloot geslachtsdeel heeft bevonden en/of zich heeft afgetrokken;

art 239 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 02 maart 2017 te Krimpen aan den IJssel,

ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om door geweld of (een)

andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) iemand, te weten [naam slachtoffer 2] , te dwingen tot het plegen

en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en),

- aan die [naam slachtoffer 2] de woorden heeft toegevoegd: "Ik wil je neuken!" en/of "Ik

wil je in je kutje neuken!" en/of

- ten overstaan van die [naam slachtoffer 2] zichzelf heeft afgetrokken, althans (ter hoogte

van zijn gulp) aftrekbewegingen heeft gemaakt en/of

- kreungeluiden heeft gemaakt en/of

- zeer dicht naast die [naam slachtoffer 2] is gaan fietsen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 246 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 02 maart 2017 te Krimpen aan den IJssel

[naam slachtoffer 2] heeft bedreigd met verkrachting door

- aan die [naam slachtoffer 2] de woorden toe te voegen: "Ik wil je neuken!" en/of "Ik wil

je in je kutje neuken!" en/of

- ten overstaan van die [naam slachtoffer 2] zichzelf af te trekken, althans (ter hoogte van

zijn gulp) aftrekbewegingen te maken en/of

- kreungeluiden te maken en/of

- zeer dicht naast die [naam slachtoffer 2] te gaan fietsen;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 02 maart 2017 te Krimpen aan den IJssel

zich opzettelijk oneerbaar op of aan een plaats,

op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten op of nabij

de IJsselstraat,

heeft afgetrokken, althans (ter hoogte van zijn gulop) aftrekbewegingen heeft

gemaakt;

art 239 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht