Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:2645

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-01-2019
Datum publicatie
04-04-2019
Zaaknummer
C/10/557808 / FT EA 18/1435 en C/10/557809 / FT EA 18/1436
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toewijzing verzoek dwangakkoord. Het gedane aanbod is hoger dan waartoe verzoeker op grond van zijn vrij te laten bedrag is gehouden. Onjuiste berekening saldo uitdeling minnelijk traject.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 287a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

rekestnummer: [nummer] en [nummer]

uitspraakdatum: 17 januari 2019

in de zaak van:

[naam 1] ,

wonende te [adres]

[postcode] [woonplaats] ,

verzoeker.

1 De procedure

Verzoeker heeft op 31 augustus 2018, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om een één schuldeiser, te weten:

- Waterweg Wonen, vertegenwoordigd door GGN (hierna: Waterweg);

die weigert mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.

Waterweg heeft voorafgaand aan de zitting een verweerschrift toegezonden.

Ter zitting van 6 december 2018 zijn verschenen en gehoord:

  • -

    verzoeker;

  • -

    de heer [naam 2] , werkzaam bij Myrtax Beschermingsbewind (hierna: beschermingsbewind);

De weigerende schuldeiser is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De zaak is aangehouden omdat uit de ‘berekening saldo uitdeling minnelijk traject’ bleek dat verzoeker een hoger aanbod dan 25 % zou kunnen doen. Beschermingsbewind heeft na aanhouding echter laten weten dat voormelde berekening niet juist bleek te zijn.

Op 8 januari 2019 heeft beschermingsbewind de rechtbank per e-mail een laatste stand van zaken toegestuurd.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 Het verzoek

Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift twee concurrente schuldeisers met ieder twee vorderingen. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 12.253,67 van verzoeker te vorderen.

Verzoeker heeft bij e-mail van 10 april 2018 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, inhoudende een betaling van 25 % aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.

Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoeker is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van zijn WIA-uitkering. De aangeboden regeling voorziet in uitkering van een prognosepercentage. Dat betekent dat de afloscapaciteit eventueel nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen.

Volgens de aangeboden schuldregeling wordt het aangeboden percentage in één keer aan de schuldeisers uitgekeerd. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden. Verzoeker heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en zijn vaste lasten worden inmiddels door zijn budgetbeheerder voldaan.

Eén schuldeiser stemt met de aangeboden schuldregeling in. Waterweg stemt hier niet mee in. Zij heeft twee vorderingen met een totaalbedrag van € 9.158,57 op verzoeker, welke 74,74 % van de totale schuldenlast beloopt.

3 Het verweer

Waterweg heeft in haar verweerschrift gesteld dat haar aandeel in de totale schuldenlast het grootst is van alle schuldeisers. Zij heeft recht op volledige betaling van haar vordering. Daarnaast wenst Waterweg alleen voorstellen te overwegen die zijn gedaan door bij het NVVK aangesloten schuldhulpverleners.

Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft Waterweg geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunten ter zitting toe te lichten.

4 De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van Waterweg bij haar weigering vast.

De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of Waterweg in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de vorderingen van Waterweg een aandeel vormen in de totale schuldenlast van 74,74 %. De andere schuldeiser, ook met twee vorderingen, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan.

De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten Myrtax Bewindvoering B.V. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd.

Door schuldhulpverlening is ter zitting verklaard dat aan alle waarborgen, die ervoor moeten zorgen dat verzoeker het maximale ten behoeve van zijn schuldeisers zal afdragen, is voldaan. Verzoeker heeft sinds 19 oktober 2016 beschermingsbewind. Het ontstaan van nieuwe schulden ligt niet in de rede.

Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoeker van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht. Gebleken is dat verzoeker begeleid woont en een WIA-uitkering ontvangt. Dat hij in de komende jaren met werk een inkomen kan verwerven dat hoger is dan zijn huidige inkomen is onwaarschijnlijk.

Daarnaast is het gedane aanbod hoger dan waartoe verzoeker op grond van zijn vrij te laten bedrag is gehouden: het aanbod gaat uit van een maandelijkse betaling van € 85,10, terwijl verzoeker op grond van zijn inkomen en vrij te laten bedrag maandelijks (slechts) € 35,50 zou hoeven afdragen. Het op 10 april 2018 gedane voorstel is dan ook te beschouwen als het maximaal haalbare.

Bovendien zal toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling aanzienlijke kosten met zich meebrengen, bestaande uit salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, welke in mindering komen op hetgeen verzoekster zou kunnen afdragen in de schuldsaneringsregeling. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoeker die vanuit een stabiele situatie zijn schuldenproblematiek wil oplossen en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van Waterweg, die geweigerd heeft in te stemmen.

Het verzoek om Waterweg te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.

Waterweg zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoeker niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.

De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoeker zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden en dat hij niet verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.

5 De beslissing

De rechtbank:

- beveelt Waterweg om in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling;

- veroordeelt Waterweg in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoeker begroot op nihil;

- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;

- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C.A.M. Los, rechter, en in aanwezigheid van B.G. van der Vlies, griffier, in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2019. 1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.