Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:2595

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-03-2019
Datum publicatie
10-05-2019
Zaaknummer
C/10/568990 / KG ZA 19-168
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kort geding. Geschil tussen advocatenkantoor en netbeheerder. Vordering strekkende tot verbod op elektriciteitsonderbreking tijdens kantooruren afgewezen. Onderbreking levert geen tekortkoming in de nakoming van de aansluit- en transportovereenkomst op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2019/348
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/568990 / KG ZA 19-168

Vonnis in kort geding van 1 maart 2019

in de zaak van

de naamloze vennootschap

VAN TRAA ADVOCATEN N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

advocaten mrs. R. de Haan en W.C.P.A. van den Nouland te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

STEDIN NETBEHEER B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. M. Trimbos-Hartman te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Van Traa en Stedin genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 28 februari 2019, met producties 1 tot en met 8;

  • -

    de aanvullende producties 9 tot en met 12;

  • -

    de producties 1 tot en met 8 van Stedin;

  • -

    de mondelinge behandeling op 1 maart 2019;

  • -

    de pleitnota van Van Traa;

  • -

    de pleitnota van Stedin.

1.2.

In verband met de spoedeisendheid van de zaak heeft de voorzieningenrechter direct na de sluiting van de mondelinge behandeling de beslissing en de motivering daarvan kenbaar gemaakt. Dit vonnis bevat een schriftelijke weergave daarvan.

1.3.

Stedin heeft op de zitting bezwaar gemaakt tegen toelating van de door Van Traa ingediende aanvullende producties. De voorzieningenrechter ziet evenwel geen aanleiding om de betreffende stukken buiten beschouwing te laten. De stukken zijn de dag voor de zitting, om 17.33 uur, per e-mail aan de voorzieningenrechter en de advocaat van Stedin toegezonden. Artikel 6.2 van het Procesreglement kort gedingen rechtbanken bepaalt dat stukken die binnen 24 uur vóór de zitting worden ingediend in beginsel buiten beschouwing worden gelaten. Van deze bepaling wordt in dit geval echter afgeweken, omdat op de zitting is gebleken dat het beginsel van hoor en wederhoor niet is geschonden. Stedin heeft, nu zij ter zitting in staat bleek om inhoudelijk op de stukken te reageren, blijkbaar voldoende tijd gehad om kennis te kunnen nemen van de inhoud daarvan.

2 De feiten

2.1.

Van Traa is een advocatenkantoor. Bij dit kantoor werken 29 advocaten. Daarnaast is er ondersteunend personeel werkzaam bij het kantoor. Van Traa is gevestigd in het pand Minervahuis II, gelegen aan de Meent in Rotterdam.

2.2.

Stedin is de beheerder van het elektriciteitsnet in Rotterdam.

2.3.

Bij brief van 20 februari 2019 heeft Stedin aan de bewoners van het hiervoor bedoelde pand te kennen gegeven dat zij werkzaamheden in de buurt heeft gepland en dat de bewoners daarom geen elektriciteit hebben op 4 maart 2019 tussen 08.00 en 15.00 uur. Van Traa heeft op 21 februari 2019 kennis genomen van de inhoud van die brief. De werkzaamheden zien op de vervanging van een groepenkast in het distributienet.

2.4.

Partijen hebben vervolgens met elkaar gesproken over de mogelijkheid om het tijdstip waarop de werkzaamheden plaatsvinden aan te passen. Van Traa heeft Stedin verzocht de werkzaamheden uit te voeren gedurende nachtelijke uren. Stedin heeft Van Traa bericht dat dit verzoek niet wordt ingewilligd, maar dat de duur van de transportonderbreking wel kan worden ingekort. De elektriciteitsvoorziening wordt afgesloten tussen 09.00 en 13.00 uur.

2.5.

In de algemene voorwaarden voor aansluiting en transport elektriciteit en gas voor kleinverbruikers (versie 2013), die van toepassing zijn op alle aansluit- en transportovereenkomsten die kleinverbruikers van elektriciteit en gas sluiten met Stedin, en de daarbij gevoegde bijlage staat onder andere:

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze algemene voorwaarden wordt verstaan onder:

Aansluit- en transportovereenkomst: de afspraken tussen de netbeheerder en de contractant betreffende het in stand houden van de aansluiting en/of het transport van elektriciteit en/of gas naar en/of van het punt waarop de installatie van de

contractant op het (gastransport)net van de netbeheerder is aangesloten;

(…)

Contractant: degene die een aansluit- en transportovereenkomst met de netbeheerder is aangegaan of wil aangaan ten behoeve van:

a. een aansluiting voor elektriciteit met een maximale doorlaatwaarde van ten hoogste 3x80A, niet zijnde een aansluiting als bedoeld in artikel 1, lid 2 of lid 3 van de Elektriciteitswet 1998, en/of

b. een aansluiting voor gas met een totale maximale capaciteit van ten hoogste 40 m3(n) per uur;

(…)

Leverancier: degene die de levering van elektriciteit en/of gas verzorgt;

Levering: de beschikbaarstelling op het (gastransport)net, niet zijnde het transport, van de tussen leverancier en contractant overeengekomen hoeveelheid elektriciteit respectievelijk gas;

Leveringsovereenkomst: de overeenkomst tussen de contractant en een leverancier betreffende de levering;

(…)

Artikel 2 Toepasselijkheid van de algemene voorwaarden en andere voorwaarden

2.2 (…)

In de van deze voorwaarden deel uitmakende Netcode Elektriciteit (…) zijn de

kwaliteitscriteria voor de dienstverlening van de netbeheerder opgenomen als bedoeld

in artikel 31, lid 1 onderdeel f van de Elektriciteitswet 1998 (…) Deze kwaliteitscriteria

zijn als bijlage aan deze algemene voorwaarden toegevoegd (…).

(…)

Artikel 3 De aansluit- en transportovereenkomst

(…)

3.3

Wil de contractant een aansluit- en transportovereenkomst aangaan, dan machtigt hij

zijn leverancier om hem als afnemer bij de netbeheerder aan te melden. De leverancier

informeert de contractant namens de netbeheerder over de aansluit- en

transportovereenkomst en deze algemene voorwaarden. De aansluit- en

transportovereenkomst gaat in op de datum waarop de contractant als afnemer in het

aansluitingenregister van de netbeheerder is opgenomen.

(…)

3.4

De netbeheerder zal bij de uitvoering van de aansluit- en transportovereenkomst die zorg betrachten die van een zorgvuldig handelend bedrijf mag worden verwacht.

(…)

Artikel 9 Beperking of onderbreking van het transport in specifieke omstandigheden

9.1

De netbeheerder kan, indien dit naar zijn oordeel noodzakelijk of gewenst is, in het belang van een goede elektriciteits- respectievelijk gasvoorziening, in verband met de uitvoering van onvoorziene werkzaamheden, in het belang van de veiligheid of in geval van redelijkerwijs te duchten gevaar voor schade – indien mogelijk na voorafgaande

waarschuwing – het transport gedurende een zo kort mogelijke tijd beperken of onderbreken. Hetzelfde geldt voor de uitvoering van voorziene werkzaamheden, met dien verstande dat deze conform de in artikel 2, lid 2 bedoelde kwaliteitscriteria

plaatsvinden en op grond daarvan onder andere vooraf aangekondigd worden.

(…)

Artikel 17 Aansprakelijkheid

17.1a De netbeheerder is, met inachtneming van het bepaalde in de overige leden van dit

artikel, jegens de contractant aansprakelijk voor schade als gevolg van onderbreking

van het transport van elektriciteit respectievelijk gas echter uitsluitend indien en voor

zover:

a. de onderbreking het gevolg is van een aan de netbeheerder toerekenbare tekortkoming èn

b. het personenschade betreft als gevolg van lichamelijk letsel of overlijden en/of

c. het zaakschade betreft bestaande uit vernietiging, beschadiging of verlies van een zaak en/of

d. het noodzakelijke kosten betreffen ter voorkoming van zaakschade bij een onderbreking van meer dan 8 uur, die niet bestaan uit kosten ter zake van een vervangende elektriciteitsvoorziening.

(…)

Bijlage bij Algemene Voorwaarden voor aansluiting en transport elektriciteit en/of gas voor kleinverbruikers (versie 2013)

6.2

Kwaliteitscriteria met betrekking tot de service van de netbeheerder jegens

aangeslotenen (uit Netcode Elektriciteit per 16 maart 2013, vastgesteld door de

Autoriteit Consument en Markt) (Volledige versie: zie website van de ACM)

(…)

6.2.4

De service van de netbeheerder jegens aangeslotenen met een aansluitcapaciteit tot

en met 3x80A op laagspanningsniveau voldoet aan het onder 6.2.4.1 tot en met 6.2.4.6 gestelde.

(…)

6.2.4.6 De netbeheerder stelt de aangeslotene tenminste drie werkdagen van tevoren op de

hoogte van door hem geplande werkzaamheden waarbij de transportdienst bij de aangeslotene moet worden onderbroken.

2.6.

Het besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 21 april 2016, kenmerk ACM/DE/2016/202151, houdende de vaststelling van de voorwaarden als bedoeld in artikel 31 van de Elektriciteitswet 1998 (Netcode elektriciteit) houdt onder meer in:

Hoofdstuk 8. Kwaliteitsvoorwaarden

(…)

Artikel 8.3

Voor aansluitingen met een doorlaatwaarde tot en met 3x80A geldt dat de netbeheerder:

(…)

f. de aangeslotene tenminste drie werkdagen van tevoren op de hoogte stelt van door de netbeheerder geplande werkzaamheden waarbij het noodzakelijk is dat de transportdienst bij de aangeslotene wordt onderbroken.

2.7.

De aansluitwaarde van Van Traa heeft een doorlaatwaarde van 3x35A.

3 Het geschil

3.1.

Van Traa vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Stedin te verbieden de geplande werkzaamheden uit te voeren of te doen uitvoeren op maandag 4 maart 2019 tussen 08.00 en 15.00 uur, of op enig ander tijdstip die dag, dan wel op enige andere dag tijdens kantooruren en tijdens openingstijden van horeca, althans Stedin te gelasten dat de werkzaamheden enkel worden uitgevoerd op door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen tijdstippen en dagen, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van Stedin in de proceskosten en de nakosten.

3.2.

Stedin voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van Van Traa in de proceskosten.

3.3.

Op de voor de beoordeling van de vordering van belang zijnde stellingen van partijen wordt hierna ingegaan.

4 De beoordeling

Ten aanzien van de gestelde lastgeving

4.1.

Van Traa heeft bij dagvaarding en op de zitting erop gewezen dat niet alleen haar belangen in het geding zijn, maar ook die van de medehuurders van het pand Minervahuis II. De vordering is mede namens aanvankelijk drie en later vier

– [naam medehuurder 1] , [naam medehuurder 2] , [naam medehuurder 3] en restaurant [naam medehuurder 4] – van hen ingesteld, aldus Van Traa.

4.2.

Stedin heeft hier bezwaar tegen gemaakt. In de dagvaarding is als (enige) eiser Van Traa vermeld. De medehuurders zijn dus geen partij in dit kort geding, aldus Stedin. Stedin voegt daar aan toe dat geen van die partijen bij haar geklaagd heeft.

4.3.

Van Traa voert in dit verband aan dat de betreffende medehuurders een last aan haar hebben verstrekt.

4.4.

Lastgeving is de overeenkomst van opdracht waarbij de ene partij, de lasthebber, zich jegens de andere partij, de lastgever, verbindt voor rekening van de lastgever een of meer rechtshandelingen te verrichten (artikel 7:414 lid 1 BW). De lastgever kan, op grond van het tweede lid van dat artikel, de lasthebber de opdracht geven om in eigen naam, voor rekening van de lastgever, te procederen. Volgens vaste rechtspraak hoeft de lasthebber niet in de dagvaarding te vermelden dat hij optreedt voor de belangen van een derde. Pas als het verweer van de wederpartij daartoe aanleiding geeft, zal de lasthebber moeten stellen, en zo nodig bewijzen, dat hij uit hoofde van lastgeving bevoegd is op eigen naam ten behoeve van de rechthebbende op te treden (HR 26 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP9665, NJ 2005, 41, r.o. 3.3). Nu Stedin verweer heeft gevoerd op dit punt, ligt het op de weg van Van Traa om aannemelijk te maken dat sprake is van lastgeving.

4.5.

Van Traa heeft ter onderbouwing van haar stelling e-mailberichten in het geding gebracht die door de betreffende medehuurders op 27 en 28 februari 2019 aan haar zijn verzonden. Uit die e-mailberichten blijkt het volgende. [naam medehuurder 1] heeft Van Traa bericht dat zij “zich wil aansluiten bij een eventuele procedure”. [naam medehuurder 2] schrijft dat zij graag van Van Traa verneemt “hoe we hier in kunnen ondersteunen om een vuist te maken richting Stedin”. [naam medehuurder 3] heeft Van Traa bericht dat zij wat haar betreft in contacten mag stellen dat zij mede bezwaar maakt namens [naam medehuurder 3] als dat helpt, maar dat [naam medehuurder 3] zich niet zal aansluiten bij enige juridische procedure (omdat het een klein kantoor betreft en zij zelf schade beperkend kan optreden door haar medewerkers thuis te laten werken), en dat zij voor een eventuele procedure toestemming nodig heeft van het hoofdkantoor in Zweden, die dat in dit geval niet zal geven. [naam medehuurder 4] heeft Van Traa bericht “te willen aansluiten bij deze procedure”.

4.6.

Stedin weerspreekt dat de toevoer van elektriciteit naar [naam medehuurder 4] wordt onderbroken en stelt dat [naam medehuurder 4] inmiddels daarvan op de hoogte is gesteld. Het moet daarom ervoor worden gehouden dat [naam medehuurder 4] geen belang (meer) heeft bij de gevorderde voorziening.

4.7.

Ten aanzien van [naam medehuurder 3] heeft te gelden dat de inhoud van haar e-mailbericht niet als lastgeving in de zin van artikel 7:414 lid 1 BW kan worden beschouwd, alleen al omdat zij daarvoor blijkbaar toestemming nodig heeft van het hoofdkantoor. Bovendien geldt ten aanzien van [naam medehuurder 3] dat het, gezien de inhoud van haar e-mail, onduidelijk is welk belang zij concreet (nog) heeft.

4.8.

Ten aanzien van [naam medehuurder 2] is evenmin sprake van lastgeving. Een vraag hoe Van Traa kan worden ondersteund is onvoldoende om aan te nemen dat [naam medehuurder 2] Van Traa opdracht heeft gegeven.

4.9.

De mededeling van [naam medehuurder 1] roept evenzeer vragen op. [naam medehuurder 1] wil zich blijkbaar aansluiten bij de procedure. Dat is strikt genomen geen opdracht en bijvoorbeeld ook niet een (proces)volmacht in de zin van artikel 3:60 BW. Daar komt bij dat [naam medehuurder 1] zich ook niet heeft aangesloten bij de procedure in de zin dat zij daarbij partij is geworden. Ook ten aanzien van die partij wordt dan ook geen lastgeving aangenomen. Ten overvloede wordt daar nog aan toegevoegd dat over het belang van [naam medehuurder 1] bij de procedure en de vordering niets concreets gesteld is.

Ten aanzien van de vordering

4.10.

Artikel 254 Rv bepaalt dat de voorzieningenrechter in spoedeisende zaken waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, bevoegd is om deze te geven. Van een spoedeisende zaak in vorenbedoelde zin is sprake als van de eiser niet kan worden gevergd dat hij de uitkomst van een eventuele bodemprocedure afwacht.

4.11.

De werkzaamheden, en de daarmee gepaard gaande transportonderbreking, zijn gepland op 4 maart 2019. De spoedeisendheid van de zaak is daarmee gegeven. Het spoedeisend belang is ook niet door Stedin betwist.

4.12.

Van Traa grondt haar vordering primair op onrechtmatige daad, en subsidiair, voor het geval wordt geoordeeld dat sprake is van een contractuele relatie tussen Stedin en haar, op een toerekenbare tekortkoming aan de kant van Stedin. Zij voert het volgende aan.

Het tijdens kantooruren afsluiten van de elektriciteitsvoorziening is onrechtmatig, gezien de aard en de omvang van de schade die daaruit voortvloeit voor Van Traa en de overige in Minervahuis II gevestigde bedrijven en instanties. De zorgvuldigheid die Stedin op grond van de – naar de mening van Van Traa niet van toepassing zijnde – algemene voorwaarden moet betrachten, is ver te zoeken. Van enige noodzaak om de werkzaamheden gedurende kantooruren en openingstijden van horecagelegenheden te verrichten is niet gebleken. De werkzaamheden moeten dan ook ’s nachts worden uitgevoerd. Stedin doet dat ook bij andere geplande werkzaamheden. Stedin kan een aggregaat inhuren voor de benodigde verlichting. Ook kan worden gewacht met het uitvoeren van de werkzaamheden totdat het buiten eerder licht wordt.

Doordat de (zich in de kelder van het pand bevindende) server van Van Traa is aangesloten op de elektriciteitsvoorziening die door Stedin wordt afgesloten, kunnen 25 van de 29 advocaten die op 4 maart aanstaande aan het werk zouden zijn, en het ondersteunend personeel, geen werkzaamheden verrichten. De schade die voortvloeit uit de transportonderbreking is daardoor enorm. Stedin heeft Van Traa aangeraden om een aggregaat te huren, maar dat biedt geen oplossing. Het is technisch niet mogelijk om binnen zeer korte tijd een aggregaat te installeren. Bovendien moet, vanwege de ruimte die de op de stoep te plaatsen aggregaat in beslag neemt, een vergunning voor het plaatsen van een aggregaat worden aangevraagd. De behandeling van een dergelijke aanvraag bedraagt maximaal 8 weken. Dit alles brengt met zich dat ook een belangenafweging in het voordeel van Van Traa moet uitvallen.

4.13.

Vooropgesteld wordt dat de voorzieningenrechter zich bij de beoordeling van een vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening – bij wijze van uitgangspunt – dient te richten naar de waarschijnlijke uitkomst van een eventuele bodemprocedure. Dat betekent in dit geval dat de vordering in beginsel alleen kan worden toegewezen als met grote mate van waarschijnlijkheid valt te verwachten dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat een – in verband met door Stedin uit te voeren werkzaamheden – geplande transportonderbreking tijdens kantooruren wanprestatie, dan wel een onrechtmatige daad, aan de kant van Stedin oplevert. Bovendien moeten de belangen van Van Traa bij de gevorderde voorziening zwaarder wegen dan de belangen van Stedin bij afwijzing van de vordering.

4.14.

De vraag die eerst moet worden beantwoord, is of sprake is van een contractuele relatie tussen Van Traa en Stedin. De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag bevestigend. Van Traa stelt dat niet zij, maar de verhuurder van het pand degene is die in een contractuele betrekking staat tot Stedin. De voorzieningenrechter leidt uit de (hiervoor onder 2.5 weergegeven) ‘algemene voorwaarden voor aansluiting en transport elektriciteit en gas voor kleinverbruikers’ (hierna: de algemene voorwaarden) echter af dat degene die met een leverancier van elektriciteit, zoals Eneco Services B.V., een overeenkomst sluit betreffende de levering van elektriciteit, automatisch een aansluit- en transportovereenkomst aangaat met de netbeheerder, in dit geval Stedin. Stedin stelt dat Van Traa in haar systeem is geregistreerd als aangeslotene. Uit de door Stedin in het geding gebrachte schermafdruk hiervan, blijkt dat Eneco Services B.V. als leverancier is geregistreerd. Het moet daarom ervoor worden gehouden dat Van Traa een leveringsovereenkomst heeft gesloten met Eneco Services B.V., en dat zij daardoor automatisch een aansluit- en transportovereenkomst is aangegaan met Stedin.

4.15.

De vraag die vervolgens moet worden beantwoord, is of de tijdens kantooruren geplande transportonderbreking een tekortkoming in de nakoming van die aansluit- en transportovereenkomst oplevert. De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

4.16.

Stedin kan op grond van artikel 9.1 van de algemene voorwaarden het transport van elektriciteit (gedurende een zo kort mogelijke tijd) onderbreken als dat, in het belang van een goede elektriciteitsvoorziening, naar haar oordeel noodzakelijk of gewenst is. Zij moet in dat geval – overeenkomstig het bepaalde in artikel 6.2.4.6 van de in artikel 9.1 van de algemene voorwaarde genoemde Kwaliteitscriteria en het bepaalde in artikel 8.3 van de meest recente versie van de Netcode elektriciteit, waaraan Stedin zich als netbeheerder moet houden – de aangeslotene, Van Traa dus, tenminste drie werkdagen van tevoren hiervan op de hoogte stellen. Verder moet zij – overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.4 van de algemene voorwaarden – bij de uitvoering van de aansluit- en transportovereenkomst die zorg betrachten die van een zorgvuldig handelend bedrijf mag worden verwacht.

4.17.

Stedin heeft met betrekking tot de noodzaak van de transportonderbreking onweersproken gesteld dat een groepenkast in het distributienet moet worden vervangen omdat, als gevolg van de in het centrum van Rotterdam toegenomen vraag naar aansluitingen, meer vermogen wordt gevraagd dan op dit moment via de verouderde groepenkast op veilige wijze kan worden geleverd. Gelet hierop, acht de voorzieningenrechter aannemelijk dat een transportonderbreking noodzakelijk is in het belang van een goede elektriciteitsvoorziening, en dat het vervangen van de groepenkast met voortvarendheid ter hand moet worden genomen.

4.18.

Vaststaat dat Stedin Van Traa tenminste drie werkdagen voor aanvang van de op maandag 4 maart 2019 geplande transportonderbreking, namelijk bij brief van 20 februari 2019, die Van Traa op donderdag 21 februari 2019 heeft gelezen, hiervan op de hoogte heeft gesteld.

4.19.

Anders dan Van Traa is de voorzieningenrechter van oordeel dat Stedin, door het – in verband met de geplande werkzaamheden – onderbreken van de transport van elektriciteit tijdens kantooruren, de in artikel 3.4 van de algemene voorwaarde neergelegde zorgplicht niet schendt.

4.20.

Stedin stelt zich op het standpunt dat van haar in alle redelijkheid niet kan worden verwacht dat zij, omdat aangeslotenen overdag en ’s avonds elektriciteit nodig hebben, alleen ’s nachts werkzaamheden uitvoert. De voorzieningenrechter onderschrijft dit standpunt. Het staat Stedin vrij om de door haar uit te voeren werkzaamheden tijdens kantooruren in te plannen. Dat zij zo nu en dan (voorziene) werkzaamheden ’s nachts uitvoert, maakt dat niet anders. Evenmin kan van haar worden verwacht dat zij in een dergelijk geval de werkzaamheden uitvoert in de zomermaanden, zodat deze – bij daglicht – in de vroege ochtend kunnen worden uitgevoerd. Opgemerkt zij dat Stedin, rekening houdend met het belang van Van Traa, de duur van de transportonderbreking al heeft beperkt, in die zin dat de elektriciteitsvoorziening niet – zoals aanvankelijk aangekondigd – van 08.00 tot 15.00 uur wordt afgesloten, maar van 09.00 tot 13.00 uur.

4.21.

Dat Van Traa niet ‘in de cloud’ werkt, maar een server in de kelder van haar kantoorpand heeft staan, en daardoor tijdens een onderbreking van elektriciteitstoevoer niet bij de zich op die server bevindende dossiers kan en ook geen e‑mailberichten kan ontvangen en verzenden, komt voor haar rekening en risico. Bovendien acht de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat, zoals Van Traa stelt, in het geheel geen werkzaamheden kunnen worden verricht. Dossiers die zijn opgeslagen op een server kunnen – zoals Stedin tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding heeft opgemerkt – bijvoorbeeld van tevoren worden gekopieerd naar het bureaublad van een laptop, jurisprudentie- en/of literatuuronderzoek kan via een (andere) wifi-verbinding worden gedaan, en telefoontjes kunnen worden gepleegd vanaf een mobiele telefoon en ontvangen via een tijdelijk ingeschakeld callcenter waarnaar het algemene telefoonnummer van Van Traa kan worden doorgeschakeld (zoals zij ter zitting heeft verklaard). Hierbij komt dat het probleem kan worden ondervangen door het – op eigen kosten, zo volgt uit de algemene voorwaarden – inzetten van een aggregaat. Aangenomen wordt dat Van Traa voor het plaatsen van een aggregaat op de voor het kantoorpand gelegen stoep een vergunning nodig heeft. Stedin heeft op de zitting te kennen gegeven dat zij de gemeente Rotterdam heeft gevraagd of een aanvraag voor een dergelijke vergunning in dit geval met spoed in behandeling kan worden genomen, en dat het antwoord daarop ‘ja’ was. Nu Van Traa zelf geen navraag heeft gedaan bij de gemeente, moet het ervoor worden gehouden dat deze informatie juist is. Dat het technisch niet mogelijk is om binnen zeer korte tijd een aggregaat te installeren, is gemotiveerd door Stedin betwist en door Van Traa niet meer weersproken.

4.22.

Omdat niet met grote mate van waarschijnlijkheid valt te verwachten dat in een bodemprocedure wordt geoordeeld dat een – in verband met door Stedin uit te voeren werkzaamheden – geplande, en (relatief) kortdurende transportonderbreking tijdens kantooruren wanprestatie aan de kant van Stedin oplevert – voor de volledigheid wordt overwogen dat het ook niet onrechtmatig is, nu Stedin haar zorgplicht niet heeft geschonden – valt ook de belangenafweging in het nadeel van Van Traa uit. Daarbij is tevens meegewogen dat Stedin ook te maken heeft met derden (zowel bedrijven die hinder ondervinden van de op maandag 4 maart aanstaande geplande transportonderbreking als degenen die betrokken zijn bij de uitvoering van de werkzaamheden), die zich al op de transportonderbreking respectievelijk de geplande werkzaamheden hebben ingesteld en daarvoor voorbereidingen hebben getroffen. Verder is meegewogen dat, zoals Stedin terecht aanvoert, toewijzing van de vordering een precedent schept. In de omstandigheden die het geval van Van Traa bijzonder maken, ziet de voorzieningenrechter dan ook juist aanleiding om niet in te grijpen. Ten slotte is meegewogen dat Van Traa de afgelopen 15 jaar niet met een transportonderbreking is geconfronteerd.

4.23.

Dit betekent dat de vordering wordt afgewezen.

4.24.

Van Traa wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van Stedin worden begroot op:

- griffierecht € 639,00

- salaris advocaat € 980,00

Totaal € 1.619,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vordering af,

5.2.

veroordeelt Van Traa in de proceskosten, aan de zijde van Stedin tot op heden begroot op € 1.619,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin, in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2019, en schriftelijk uitgewerkt op 8 maart 2019.2885/2009