Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:2593

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-03-2019
Datum publicatie
14-05-2019
Zaaknummer
C/10/566869 / KG ZA 19-74
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering tot nakoming van een overeenkomst over het (laten) vervoeren van postpakketten afgewezen op grond van een belangenafweging. Vordering 843a Rv toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/566869 / KG ZA 19-74

Vonnis in kort geding van 12 maart 2019

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DPD (NEDERLAND) B.V.,

gevestigd te Best,

eiseres,

advocaat mr. M. Kalkwiek te Utrecht,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VAN BAAL WONINGTEXTIEL B.V.,

gevestigd te Breda,

gedaagde,

advocaat mr. P.J.M. Boomaars te Breda.

Partijen zullen hierna DPD en Van Baal genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 7 februari 2019, met producties 1 tot en met 12 (waarvan productie 10 bij brief van 25 februari 2019 is vervangen);

  • -

    de aanvullende producties 13 tot en met 15;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 4;

  • -

    de mondelinge behandeling op 28 februari 2019;

  • -

    de pleitnota van DPD.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

DPD is een expeditiebedrijf. Zij verzorgt het vervoer van postpakketten.

2.2.

Van Baal vervaardigt textielproducten voor woningen.

2.3.

Op 24 april 2015 hebben DPD en Van Baal schriftelijk een overeenkomst gesloten (hierna: de overeenkomst). Deze overeenkomst ziet op dienstverlening door DPD aan Van Baal. In de overeenkomst en de daarbij gevoegde bijlage 1 (Tarieven, volumes en bestemmingen) staat onder andere:

Artikel 1. — De Dienstverlening

1.1

De Expediteur zal op grond van de Overeenkomst voor de Opdrachtgever het in bijlage 1 (Tarieven, volumes en bestemmingen) genoemde volume Pakketten doen vervoeren naar de in bijlage 1 (Tarieven, volumes en bestemmingen) genoemde bestemmingen. De werkzaamheden van de Expediteur worden hierna ‘de Dienstverlening’ genoemd.

(…)

1.3

Omdat de op www.dpd.nh/tarieven gepubliceerde tarieven zijn overeengekomen met het oog op een voordeel bij een hoger volume pakketten heeft de Expediteur het recht om de tarieven te wijzigen als het overeengekomen volume niet door de Opdrachtgever wordt aangeboden. In dat geval zal de Expediteur de Opdrachtgever informeren als het recht op de tariefswijziging ontstaat en mededelen dat binnen één kalendermaand alsnog het overeengekomen volume moet zijn aangeboden. Na verloop van de termijn van één kalendermaand, en het onbenut laten van die termijn door de Opdrachtgever door niet alsnog na te komen, zal de Expediteur de tariefwijziging doorvoeren. De tariefwijziging geldt voor de resterende duur van de Overeenkomst, tenzij Partijen schriftelijk uitdrukkelijk en ondubbelzinnig anders hebben bepaald. Deze bevoegdheid laat alle overige rechten van de Expediteur, waaronder maar niet beperkt tot het recht op nakoming en schadevergoeding, onverlet.

(…)

Artikel 4. — Duur van de Overeenkomst

4.1

Partijen beogen hun rechtsverhouding met de Overeenkomst volledig te regelen en daarom vervangen zij daarmee alle tussen hen geldende verbintenissen die daarvan afwijken.

4.2

De Overeenkomst treedt in werking op de datum van haar ondertekening en wordt aangegaan voor de duur van 1 (één) jaar. Daarop wordt de Overeenkomst stilzwijgend verlengd voor de duur van telkens 1 (één) jaar, tenzij deze wordt beëindigd.

4.3

De Overeenkomst kan door zowel de Expediteur als de Opdrachtgever tegen het einde van de overeengekomen duur worden opgezegd. (…)

(…)

Bijlage 1 - Tarieven, volumes en bestemmingen

DPD CLASSIC

Land

Volume per jaar

Tarief per pakket

Eilandentoeslag per pakket

Nederland (NL)

3.000

(…)

(…)

België (BE)

1.000

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

Duitsland (DE)

1.000

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

Frankrijk (FR)

500

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

Hongarije (HU)

500

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

Luxemburg (LU)

500

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

Noorwegen (NO)

500

(…)

(…)

Oostenrijk (AT)

500

(…)

(…)

Polen (PL)

500

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

Tsjechië (CZ)

500

(…)

(…)

Verenigd Koninkrijk (GB)

600

(…)

(…)

Zweden (SE)

500

(…)

(…)

2.4.

Van Baal heeft in de periode van juni 2018 tot en met januari 2019 geen pakketten ter vervoer aangeboden aan DPD.

2.5.

Bij e-mailbericht van 20 juli 2018 heeft DPD onder andere het volgende aan Van Baal geschreven:

Van Baal Woningtextiel is vanaf juni 2018 geheel gestopt met het verzenden van pakketten met DPD. U heeft in een gesprek met de DPD Accountmanager de heer [naam 1] aangegeven dat u de pakketten voortaan gaat verzenden met een andere vervoerder. De overeenkomst (volume 9.600 pakketten per jaar) laat echter geen ruimte toe om deze overeenkomst tussentijds te beëindigen. U dient de overeenkomst dus tot ommekomst daarvan op 24 april 2019 uit te dienen.

Omdat u heeft meegedeeld te stoppen met verzending — wat op grond van de overeenkomst niet mag — verzoekt, en voor zover nodig sommeert, DPD u hierbij om uiterlijk binnen 7 kalenderdagen na dagtekening van deze brief te verklaren dat Van Baal Woningtextiel haar verplichtingen onder de overeenkomst onberispelijk zal nakomen.

2.6.

Van Baal heeft DPD in reactie daarop, bij e-mailbericht van 20 juli 2018, het volgende bericht:

Ik lees dat er een gesprek heeft plaatsgevonden met onze nieuwe medewerker [naam 2] en jullie relatie manager [naam 1] . Het klopt niet dat wij gestopt zijn met DPD.

Destijds in 2015 zijn er gesprekken geweest met [naam 3] en [naam 4] . Ik heb toen ook heel duidelijk aangegeven dat wij geen enkele zekerheid kunnen geven over het te verzenden volume. In 2015 / 2016 / 2017 / 2018 hebben wij tot aan vandaag ook nooit hierover een discussie gehad.

Op dit moment ben ik op vakantie en stel voor dat ik na mijn terugkomst (7 Augustus) met [naam 1] een afspraak zal maken om onze huidige samenwerking te bespreken.

2.7.

Van Baal heeft in het eerste contractjaar 700 pakketten verzonden via DPD, in het tweede jaar 839, in het derde jaar 1.853 en in het lopende contractjaar 16.

2.8.

Een bespreking over de samenwerking tussen DPD en Van Baal heeft niet plaatsgevonden.

2.9.

Bij brief van 29 november 2018 heeft de advocaat van DPD Van Baal verzocht, en voor zover nodig gesommeerd, om uiterlijk op 6 december 2018 schriftelijk te verklaren dat zij de overeenkomst met DPD zal nakomen door het afgesproken aantal van 9.600 pakketten in de periode van 24 april 2018 tot 24 april 2019 aan te bieden aan DPD.

2.10.

De advocaat van Van Baal heeft DPD bij brief van 12 december 2018 te kennen gegeven dat Van Baal geen gehoor zal geven aan de sommatie, omdat partijen geen minimale afnamehoeveelheid zijn overeengekomen.

2.11.

Bij aangetekende brief en bij e-mailbericht van 24 januari 2019 heeft Van Baal de overeenkomst met DPD opgezegd.

3 Het geschil

3.1.

DPD vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

1. Van Baal te bevelen tot nakoming van de overeenkomst, door tenminste één keer per week alle pakketten die door haar naar relaties moeten worden vervoerd aan DPD ter expeditie ter beschikking te stellen op de wijze zoals

bepaald in de overeenkomst, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

2. Van Baal te bevelen om de in 2018 tussen Van Baal en een derde partij gesloten overeenkomst met betrekking tot het (doen) vervoeren van pakketten over te leggen, alsmede te overleggen de facturen die deze derde partij aan Van Baal heeft verzonden voor de dienstverlening op grond van die overeenkomst, een en ander vanaf het moment dat die overeenkomst van kracht is geworden tot 24 april 2019;

Subsidiair

een zodanig vonnis te wijzen als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te

behoren,

een en ander met veroordeling van Van Baal in de proceskosten en de nakosten.

3.2.

Van Baal voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van DPD in haar vorderingen, dan wel tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van DPD in de proceskosten en de nakosten.

3.3.

Op de voor de beoordeling van de vorderingen van belang zijnde stellingen van partijen wordt hierna ingegaan.

4 De beoordeling

Ten aanzien van de spoedeisendheid van de zaak

4.1.

Artikel 254 Rv bepaalt dat de voorzieningenrechter in spoedeisende zaken waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, bevoegd is om deze te geven. Van een spoedeisende zaak in vorenbedoelde zin is sprake als van de eiser niet kan worden gevergd dat hij de uitkomst van een eventuele bodemprocedure afwacht.

4.2.

Van Baal heeft de overeenkomst op 24 januari 2019 opgezegd. Dit betekent – zo volgt uit de artikelen 4.2 en 4.3 van de overeenkomst – dat deze per 24 april 2019 eindigt. Nu nakoming van lopende verplichtingen wordt gevorderd is de spoedeisendheid van de zaak daarmee gegeven.

Ten aanzien van de eerste primaire vordering

4.3.

DPD legt het volgende aan haar vordering ten grondslag.

DPD heeft zich ertoe verplicht om per jaar het in bijlage 1 bij de overeenkomst genoemde aantal van 9.600 pakketten te doen vervoeren. Van Baal heeft zich op haar beurt ertoe verplicht dit aantal door DPD te laten vervoeren. Dit volgt uit de artikelen 1.1 en 1.3 van de overeenkomst. Van Baal komt deze verplichting niet na. DPD heeft een spoedeisend belang bij nakoming van de overeenkomst door Van Baal, omdat de overeenkomst per 24 april 2019 eindigt. Na de beëindiging kan geen vordering tot nakoming meer worden ingesteld.

4.4.

Van Baal betwist dat zij jegens DPD tekort is geschoten. Volgens haar is zij niet met DPD overeengekomen dat zij per jaar 9.600 pakketten via DPD zal verzenden. Het aantal 9.600 is volledig uit de koker van DPD gekomen. Dat zij veel minder pakketten per jaar verzendt, blijkt uit de cijfers over de afgelopen jaren. In april 2015 is zij bezocht door een vertegenwoordiger van DPD. Hij heeft bij wijze van voorbeeld het aantal van 9.600 pakketten per jaar genoemd, als uitgangspunt voor de prijsbepaling. Ook over de landen waarnaar Van Baal pakketten verzendt is niet gesproken. In bijlage 1 bij de overeenkomst staan dan ook landen waarnaar zij nooit, dan wel sporadisch, pakketten verzendt, zoals Tsjechië, Polen en Noorwegen. De vertegenwoordiger verzekerde haar dat het te ondertekenen document slechts een mantelovereenkomst was. Haar is voorgehouden dat het geen enkel probleem was als zij in de praktijk minder pakketten zou verzenden. In dat geval zouden hooguit de prijzen door DPD worden aangepast. DPD heeft tot 2018 nooit een probleem gemaakt van het feit dat Van Baal aanzienlijk minder dan 9.600 pakketten per jaar verzendt. Er is zelfs nooit een opmerking over gemaakt. Evenmin heeft DPD, in verband hiermee, de tarieven verhoogd. Van Baal mocht er gerechtvaardigd op vertrouwen dat voor haar geen minimale afnamehoeveelheid geldt. Dat DPD zich op voornoemde wijze aan haar klanten presenteert, blijkt uit de door Van Baal in het geding gebrachte e-mail die DPD naar aanleiding van een offerteaanvraag recentelijk aan een ander bedrijf heeft verzonden. In die e-mail schrijft DPD: “U zit nergens aan vast en wij werken niet met boeteclausules zoals vele andere vervoerders wel doen. Als u niet red wat u gezegd heeft te gaan versturen zullen we hoogstens een tarief aanpassing doen (dit indexeren we elke drie maanden), anderzijds als u meer verstuurd zullen wij u een scherper tarief aanbieden. Zo transparant zijn we.

In het geval de tekst van artikel 1.3 wél letterlijk van toepassing moet worden geacht, geldt dat DPD met inachtneming van een termijn van een kalendermaand aan Van Baal had moeten mededelen dat door Van Baal alsnog het volume van 9.600 pakketten moet worden afgenomen. Pas als die sommatie niet wordt nagekomen, ontstaat er aanspraak op nakoming en schadevergoeding. DPD heeft nooit een termijn van een kalendermaand in acht genomen. Van Baal is daardoor niet correct in gebreke gesteld.

De vordering moet bovendien worden afgewezen omdat DPD geen spoedeisend belang heeft bij de gevorderde nakoming. DPD vordert feitelijk dat gedurende één maand alle pakketten die Van Baal verzendt via haar worden verzonden. Het betreft hooguit enkele tientallen pakketten. Het is ongeloofwaardig dat een groot bedrijf als DPD die enkele tientallen pakketten dermate dringend nodig heeft om de kosten van haar bedrijfsvoering te dekken dat een bodemprocedure niet kan worden afgewacht, aldus Van Baal.

4.5.

Vooropgesteld wordt dat de voorzieningenrechter zich bij de beoordeling van een vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening – bij wijze van uitgangspunt – dient te richten naar de waarschijnlijke uitkomst van een eventuele bodemprocedure. Dat betekent in dit geval dat de vordering tot nakoming in beginsel alleen kan worden toegewezen als met grote mate van waarschijnlijkheid valt te verwachten dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat – op grond van de overeenkomst – op Van Baal de verplichting rust om jaarlijks 9.600 pakketten via DPD te verzenden, dan wel om zich daartoe in te spannen. Bovendien moet het belang van DPD bij het treffen van een onmiddellijke voorziening zwaarder wegen dan het belang van Van Baal bij afwijzing van de vordering.

4.6.

Nu DPD en Van Baal ieder een andere uitleg aan de overeenkomst geven, moet deze worden uitgelegd aan de hand van het zogenaamde Haviltex-criterium. Dit criterium houdt in dat het bij de uitleg van een schriftelijk contract waarin de verhouding van partijen is geregeld niet alleen aankomt op een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen, maar ook op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen en aan de bepalingen van dat geschrift mochten toekennen, en op hetgeen zij in dat verband redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

4.7.

De vraag is dus of de overeenkomst in een eventuele bodemprocedure zal worden uitgelegd overeenkomstig de door DPD daaraan gegeven uitleg. Het antwoord op die vraag wordt in het midden gelaten. Als geconcludeerd wordt dat met grote mate van waarschijnlijkheid valt te verwachten dat die vraag in een bodemprocedure bevestigend wordt beantwoord, brengt een belangenafweging namelijk met zich dat de vordering desalniettemin moet worden afgewezen. Overwogen wordt het volgende.

4.8.

Partijen zijn het erover eens dat de overeenkomst eindigt per 24 april 2019. Dat, zoals Van Baal stelt, in de periode tot 24 april 2019 een – in verhouding tot het aantal dat volgens DPD jaarlijks door Van Baal aan haar moet worden aangeboden ter vervoer – zeer beperkte hoeveelheid pakketten door Van Baal wordt verzonden, is door DPD niet weersproken. DPD voert met betrekking tot haar belang bij de gevorderde voorziening aan dat zij daardoor omzet kan genereren, waarmee zij onder meer haar kosten dekt, en de schade, die zij lijdt doordat Van Baal haar verplichtingen niet nakomt, kan beperken. Daarbij komt, aldus DPD, dat van een veroordeling tot nakoming van de overeenkomst een signaalwerking uitgaat richting andere partijen met wie DPD een soortgelijke overeenkomst heeft gesloten.

4.9.

Hiertegenover staat het belang van Van Baal, dat – zo is op de zitting gebleken – eveneens financieel van aard is. Van Baal stelt onweersproken dat de door DPD gehanteerde tarieven beduidend hoger liggen dan de tarieven van andere expediteurs/vervoerders.

4.10.

Aan voornoemde belangen van DPD wordt geen zwaarder gewicht toegekend dan aan het belang van Van Baal. Daarbij is meegewogen dat in het geval de uitkomst van een eventuele bodemprocedure in het nadeel van Van Baal uitvalt, dit zich zal laten vertalen in een op grond van artikel 6:74 lid 1 BW door Van Baal aan DPD te betalen vergoeding van de schade die DPD heeft geleden doordat Van Baal tekort is geschoten in de nakoming van de op haar rustende verbintenis. Niet gesteld, laat staan aannemelijk geworden, is dat Van Baal te zijner tijd geen verhaal zal bieden, en dat de schade om die reden op dit moment moet worden beperkt. Of de schade die DPD op Van Baal wenst te verhalen wordt beperkt doordat Van Baal gedurende de resterende contractperiode uitsluitend via DPD (reguliere) pakketten verzendt, wordt aan Van Baal gelaten. Evenmin is gesteld dat DPD in financiële problemen zal raken als Van Baal de volgens DPD op haar rustende verplichting niet (zo veel mogelijk) nakomt. Ten aanzien van de signaalwerking die mogelijk van een veroordelend vonnis uitgaat, merkt de voorzieningenrechter op dat dit ook onvoldoende gewicht in de schaal legt. Wat DPD op dit punt stelt, geldt evenzeer voor een bodemvonnis. Niet gesteld is dat er op dit moment nog een partij is waarmee DPD een soortgelijke overeenkomst heeft gesloten en die de overeenkomst niet nakomt, dan wel dreigt niet na te komen.

4.11.

Concluderend, ziet de voorzieningenrechter onvoldoende aanleiding tot het treffen van een onmiddellijke voorziening.

Ten aanzien van de tweede primaire vordering

4.12.

DPD grondt haar tweede primaire vordering op het bepaalde in artikel 843a Rv. Zij legt aan deze vordering het volgende ten grondslag. Om de stelling van Van Baal dat zij geen overeenkomst met een andere expediteur/vervoerder heeft gesloten gemotiveerd te kunnen weerspreken, heeft DPD een afschrift nodig van de overeenkomst die Van Baal heeft gesloten met een derde. Uit de overeenkomst zal ook blijken of Van Baal met deze derde heeft afgesproken om een bepaald aantal opdrachten te geven.

Uit de facturen zal blijken wat het daadwerkelijke volume is geweest. Aan de hand hiervan kan DPD begroten welke schade zij heeft geleden, indien in een bodemprocedure wordt geoordeeld dat op Van Baal een inspanningsverplichting rust.

4.13.

Van Baal stelt zich op het standpunt dat de vordering moet worden afgewezen. Volgens haar heeft DPD niet aangetoond dat zij een spoedeisend belang heeft bij het gevorderde. Daarbij komt, volgens Van Baal, dat niet aan de in artikel 843a Rv neergelegde vereisten is voldaan, nu DPD geen partij is bij een eventuele tussen Van Baal en een derde gesloten overeenkomst, en zij ook geen rechtmatig belang heeft bij inzage in de betreffende bescheiden. Voor het antwoord op de vraag of zij tekort is geschoten jegens DPD, is namelijk niet relevant of zij met een derde heeft gecontracteerd, aldus Van Baal.

4.14.

Overwogen wordt het volgende.

Artikel 843a Rv biedt een partij de mogelijkheid om kennis te nemen van bescheiden waarover zij niet, maar een ander wel beschikt. Een op basis van dit artikel ingestelde vordering is, behoudens in de gevallen genoemd in het vierde lid van dit artikel, toewijsbaar als het gaat om concreet door de eiser geduide bescheiden die betrekking hebben op een rechtsbetrekking waarin hij (of zijn rechtsvoorganger) partij is, en hij een rechtmatig belang heeft bij inzage, afschrift of uittreksel van die bescheiden. Anders dan Van Baal betoogt, is niet vereist dat de eiser, DPD in dit geval, (ook) partij is bij de overeenkomst(en) ten aanzien waarvan zij afschrift vordert. In de rechtspraak wordt dit vereiste zo uitgelegd dat de bescheiden relevant moeten kunnen zijn voor de beoordeling van het geschil met het oog waarop verstrekking wordt gevraagd. Aan dat vereiste is, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, in dit geval voldaan, maar alleen voor zover het de facturen betreft. Dat de overeenkomst relevant is voor de beoordeling van het geschil, is onvoldoende aannemelijk. Van Baal heeft op de zitting erkend dat zij (ook) pakketten verzendt via andere partijen dan DPD. DPD stelt dat daarnaast uit de overeenkomst zal blijken of Van Baal met deze derde heeft afgesproken om een bepaald aantal pakketten te verzenden. DPD heeft de relevantie hiervan niet toegelicht. Dat deze informatie relevant is voor de beoordeling van het tussen DPD en Van Baal bestaande geschil, dat ziet op de vermeende aansprakelijkheid van Van Baal voor de schade die DPD heeft geleden doordat Van Baal minder pakketten via DPD heeft verzonden dan het – volgens DPD – contractueel overeengekomen aantal, en de hoogte van die schade, valt niet zonder meer in te zien. Ten aanzien van de facturen heeft wél te gelden dat deze relevant zijn voor de beoordeling van het tussen DPD en Van Baal bestaande geschil. Uit de door een andere expediteur/vervoerder aan Van Baal verzonden facturen kan worden opgemaakt dat Van Baal pakketten te verzenden had, en hoeveel pakketten het betrof. Die informatie is van belang voor de begroting van de schade, als in een bodemprocedure wordt geoordeeld dat op Van Baal een inspanningsverplichting rust en dat Van Baal, door niet zo veel mogelijk pakketten aan DPD aan te bieden ter vervoer, die inspanningsverplichting heeft geschonden. Opmerking verdient nog dat het Van Baal vrijstaat om de tarieven waartegen de pakketten zijn vervoerd en de totaalbedragen van die facturen onleesbaar te maken, omdat deze gegevens concurrentiegevoelig kunnen zijn en niet van belang worden geacht voor de beoordeling van het tussen partijen bestaande geschil.

4.15.

Aan de overige vereisten van artikel 843a Rv is eveneens voldaan. De bescheiden waarvan DPD een afschrift vordert, zijn concreet geduid. Zoals uit het hiervoor overwogene volgt, heeft DPD ook een rechtmatig belang bij afschrift van de facturen. Dat belang beperkt zich, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, evenwel tot de lopende contractperiode, zijnde de periode vanaf 24 april 2018.

4.16.

Resteert de vraag of DPD een spoedeisend belang heeft bij het gevorderde, in die zin dat, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist. DPD heeft ten aanzien van het spoedeisend belang aangevoerd dat afgifte van de facturen van belang is voor de begroting van de door haar geleden schade, die zij mogelijk via een bodemprocedure op Van Baal wil verhalen. Het spoedeisend belang is daarmee voldoende gegeven. Van Baal heeft bovendien niets gesteld omtrent haar belang bij afwijzing van de vordering.

4.17.

Dit betekent dat de tweede primaire vordering wordt toegewezen. Aan de beoordeling van de subsidiaire vordering komt de voorzieningenrechter niet toe.

Ten aanzien van de proceskosten

4.18.

Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

gebiedt Van Baal om aan DPD een afschrift te verstrekken van de facturen die door een derde aan haar zijn verzonden voor de verlening van diensten op grond van een tussen die derde en haar gesloten overeenkomst met betrekking tot het (doen) vervoeren van pakketten, over de periode van 24 april 2018 tot 24 april 2019,

5.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.3.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F.L. Geerdes en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2019.2885/676