Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:2479

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-02-2019
Datum publicatie
18-04-2019
Zaaknummer
KTN-6927437_01042019
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet gedaagde, maar iemand met dezelfde voorletter, achternaam en woonachtig op hetzelfde adres heeft de verzekering afgesloten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 6927437 CV EXPL 18-3166

uitspraak: 21 februari 2019

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht,

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

Achmea Schadeverzekeringen N.V., h.o.d.n. Centraal Beheer Achmea,

gevestigd te Apeldoorn,

eiseres in conventie,

verweerder in reconventie,

gedaagde in verzet,

gemachtigde: mr. M. Mulder (Syncasso Gerechtsdeurwaarders),

tegen:

[gedaagde] ,

wonende te Dordrecht,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

eiser in verzet,

gemachtigde: mr. C.F.M. van den Ekart.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘Achmea’ en ‘ [gedaagde] ’.

1 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  1. het tussenvonnis van 1 november 2018 waarin tevens een comparitie van partijen is bepaald;

  2. de conclusie van dupliek in reconventie tevens houdende akte uitlating producties en akte na tussenvonnis van de zijde van Achmea;

  3. de akte uitlating na tussenvonnis van de zijde van [gedaagde] .

  4. de aantekening dat de comparitie heeft plaatsgevonden op 23 januari 2019;

  5. de overgelegde producties.

Het vonnis is bepaald op heden.

2 De verdere beoordeling

2.1

De kantonrechter verwijst naar en handhaaft hetgeen bij tussenvonnis van 1 november 2018 is overwogen.

2.2

Het geschil tussen partijen betreft de vraag of tussen Achmea en [gedaagde] een verzekeringsovereenkomst tot stand is gekomen op 12 maart 2017 voor het voertuig met kenteken [kentekennummer] . Bij voornoemd tussenvonnis heeft de kantonrechter Achmea de gelegenheid gegeven informatie en stukken over te leggen waarop zij baseert dat zij met [gedaagde] een verzekeringsovereenkomst heeft gesloten. Tegelijkertijd is [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om informatie en stukken over te leggen waaruit kan worden afgeleid dat een andere [naam persoon] dan gedaagde de verzekeringsovereenkomst heeft gesloten met Achmea. Naar aanleiding van de door partijen na het tussenvonnis overgelegde stukken en hetgeen bij gelegenheid van de comparitie van partijen is besproken, wordt het volgende overwogen.

2.3

[gedaagde] betwist dat hij een verzekeringsovereenkomst met Achmea is aangegaan. Ter onderbouwing van zijn betwisting heeft hij na tussenvonnis aangevoerd dat niet hij, maar zijn zoon [naam zoon] de verzekeringsovereenkomst met Achmea is aangegaan. Dit kan volgens [gedaagde] worden afgeleid uit het feit dat het bankrekeningnummer eindigend op 2427, waarvan betalingen aan Achmea zijn verricht, op naam van [naam zoon] staat. Dit wordt door Achmea bij gebrek aan wetenschap betwist. Gelet op de betwisting van Achmea lag het op de weg van [gedaagde] om – bijvoorbeeld door middel van een verklaring van de bank – te onderbouwen dat het rekeningnummer -2427 daadwerkelijk aan [naam zoon] toebehoort. Dat heeft hij echter niet gedaan waardoor de kantonrechter niet kan vaststellen dat het rekeningnummer daadwerkelijk toebehoort aan [gedaagde] . De kantonrechter wijst er in dit verband op dat hij in zijn tussenvonnis aan [gedaagde] heeft opgedragen om verificatoire bescheiden over te leggen, hetgeen [gedaagde] echter heeft nagelaten.

2.4

Bij gelegenheid van de comparitie van partijen is vastgesteld dat de auto op 26 april 2017 op naam van [gedaagde] stond. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat zijn zoon [naam zoon] vanaf 12 maart 2017 de verzekerde was waardoor Achmea met die zoon de verzekeringsovereenkomst is aangegaan. Achmea heeft in dat verband middels een polisblad, telefoongesprekken en de digitaal geregistreerde gegevens afkomstig uit de online aanvraag gemotiveerd weersproken dat niet [naam zoon] , maar [gedaagde] de verzekerde is. De daarop gevolgde betwisting van [gedaagde] is, hoewel hij daartoe gelegenheid heeft gehad, echter niet voldoende onderbouwd. Ook hier geldt dat de kantonrechter in zijn tussenvonnis [gedaagde] heeft opgedragen om stukken over te leggen waaruit de tenaamstelling op 12 maart 2017 blijkt, aan welke opdracht [gedaagde] geen gevolg heeft gegeven. Ook zijn er door [gedaagde] geen feiten en/of omstandigheden gesteld die ertoe leiden dat getwijfeld kan worden aan het standpunt van Achmea dat de auto op 12 maart 2017 op naam van [gedaagde] stond en dat hij een verzekeringsovereenkomst is aangegaan met Achmea.

2.5

Het verweer van [gedaagde] dat hij geen nota’s of aanmaningen heeft ontvangen, kan hem niet baten. Achmea stelt dat door en namens haar een zevental brieven is verstuurd naar [gedaagde] waarin hij is aangemaand tot betaling van de premieachterstand. Deze brieven zijn allemaal naar hetzelfde adres gestuurd, [adres] te Dordrecht. Door [gedaagde] is niet weersproken dat hij in de betreffende periode op dat adres woonachtig was en hij heeft verder niet bestreden dat de aanmaningen door Achmea naar dat adres zijn verstuurd. Het lag dan op de weg van [gedaagde] om feiten en omstandigheden aan te voeren, die aannemelijk maken dat hij al deze brieven niet ontvangen heeft. Door [gedaagde] is dit nagelaten en hij heeft, in licht van het voorgaande, niet kunnen volstaan met de enkele ontkenning dat hij de aanmaningen nimmer heeft ontvangen.

2.6

De kantonrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat Achmea voldoende gemotiveerd en onderbouwd heeft gesteld dat de auto op 12 maart 2017 op naam van [gedaagde] stond en dat zij met [gedaagde] een verzekeringsovereenkomst heeft gesloten. Hetgeen [gedaagde] hiertegen aanvoert is niet, althans onvoldoende, onderbouwd. [gedaagde] poneert met name blote stellingen en had ter onderbouwing van zijn verweer kunnen aantonen middels bijvoorbeeld een uittreksel van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) dat de auto op 12 maart 2017 op naam van [naam zoon] stond. Nu dit door [gedaagde] is nagelaten vloeit uit het voorgaande voort dat [gedaagde] de premie van de verzekeringsovereenkomst over de periode 12 maart 2017 tot 1 mei 2017 is verschuldigd aan Achmea. Het verstekvonnis van 8 februari 2018 wordt gelet op het voorgaande bekrachtigd.

2.7

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

In reconventie:

2.8

Uit hetgeen in conventie is overwogen en beslist, volgt dat [eiser] de premie van de verzekeringsovereenkomst over de periode 12 maart 2017 tot 1 mei 2017 verschuldigd is aan Achmea. Achmea heeft dus met recht een bedrag van € 904,94 geïnd door beslag te leggen op het loon van [eiser] . De vordering van [eiser] tot betaling van het ten onrechte door Achmea geïnde bedrag zal daarom worden afgewezen.

2.9

De vordering van € 750,- voor gemaakte kosten voor rechtsbijstand zal worden afgewezen nu [eiser] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure in reconventie zal worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Achmea worden begroot op nihil, omdat de vordering in reconventie nauw samenhangt met de vordering in conventie en zij in dat verband geen extra kosten heeft hoeven maken.

3 De beslissing

De kantonrechter:

In conventie:

bekrachtigt het op 8 februari 2018 tussen partijen gewezen verstekvonnis;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de verzetprocedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Achmea vastgesteld op € 216,- aan salaris voor de gemachtigde;

In reconventie:

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Achmea begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.F.M. Wouters en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

35789