Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:2448

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-03-2019
Datum publicatie
01-04-2019
Zaaknummer
10/710337-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Woninginbraak en poging woninginbraak, 4 maanden gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/710337-14

Datum uitspraak: 6 maart 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] (Marokko),

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] .

Gemachtigd raadsman mr. C.P. Zwaanswijk, advocaat te ‘s-Gravenhage.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 20 februari 2019. De verdachte is niet ter terechtzitting verschenen.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. R.H.I. van Dongen heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot primair een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met aftrek van voorarrest, dan wel subsidiair (indien het tijdsverloop zou leiden tot het oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet meer aan de orde is) tot een werkstraf voor de duur van 240 uren met een vervangende hechtenis van 120 dagen.

4 De verdediging

De raadsman heeft primair gepleit voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie en heeft subsidiair vrijspraak bepleit voor beide feiten.

5 Ontvankelijkheid officier van justitie

5.1.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft betoogd (samengevat) dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard vanwege een dusdanige overschrijding van de redelijke termijn van berechting waardoor ook de beginselen van een behoorlijke procesorde zijn geschonden omdat daarmee ook de strafvorderlijke belangen van de verdachte grovelijk zijn veronachtzaamd. Door voornoemde schending zou, aldus de raadsman, niet alleen het verdedigingsbelang maar ook de waarheidsvinding in het gedrang zijn gekomen.

5.2.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat de door de verdediging genoemde schendingen volgens uitspraken van de Hoge Raad niet kunnen leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie maar slechts tot strafvermindering. Verder zijn volgens de officier van justitie het verdedigingsbelang en de waarheidsvinding niet in het gedrang gekomen nu de verdachte zich vanaf het begin van het politieonderzoek consequent op zijn zwijgrecht heeft beroepen met betrekking tot de feiten en de verdachte ook telkens niet ter terechtzitting is verschenen.

5.3.

Beoordeling

Bij de berechting van een zaak, waarbij geen sprake is van bijzondere omstandigheden heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat een verdachte in redelijkheid de verwachting kan hebben dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De inverzekeringstelling van een verdachte kan als een zodanige handeling worden aangemerkt. De verdachte is in de onderhavige zaak op 23 november 2014 in verzekering gesteld. Op deze datum is de redelijke termijn derhalve aangevangen. Naar het oordeel van de rechtbank is er in deze zaak geen sprake van bijzondere omstandigheden.

Tussen 23 november 2014 en de datum van het eindvonnis ligt een periode van ruim vier jaar en drie maanden. Nu in deze zaak, zoals hiervoor is overwogen, wordt uitgegaan van een redelijke termijn van twee jaar, is er in de onderhavige zaak sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) van ruim twee jaar en drie maanden. Deze overschrijding is niet toe te rekenen aan de verdachte.

Volgens vaste jurisprudentie leidt een overschrijding van de redelijke termijn niet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Als regel moet overschrijding van de redelijke termijn worden gecompenseerd door vermindering van de straf. Mocht de rechtbank toe komen aan een strafoplegging dan zal zij overgaan tot strafvermindering.

5.4.

Conclusie

De rechtbank verwerpt het verweer.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van de verdachte.

6 Waardering van het bewijs

6.1.

Bewijswaardering feiten 1 en 2

Op grond van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen heeft de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vastgesteld.

Op 22 november 2014 omstreeks 19:47 uur heeft de zoon van aangever [naam] een melding ontvangen dat het stille alarm afging in de woning van aangever aan de [adres delict 2] in Scharendijke. Ter plaatse gekomen heeft de zoon vastgesteld dat men heeft gepoogd in te breken in de woning (feit 2).

Op 22 november 2014 omstreeks 20:26 uur heeft aangeefster [naam slachtoffer 1] (feit 1) een alarmmelding ontvangen in verband met een inbraak op de zolder/overloop van hun woning aan de [adres delict 1] in Ouddorp. Aangeefster heeft verklaard dat bij voornoemde inbraak een Toshiba laptop, een cameratas en HP laptop/notebook zij weggenomen. Ter plaatse gekomen heeft de politie de cameratas op de oprit van de woning aangetroffen.

Op 22 november 2014 omstreeks 20:30 uur heeft een verbalisant, rijdende op een rotonde ter hoogte van de Oosterweg, een personenauto met daarin drie manspersonen zien rijden op de N57 ter hoogte van Ouddorp. De verbalisant heeft de personenauto gevolgd en heeft ondertussen informatie ontvangen dat er zojuist een inbraakalarm is gemeld in Ouddorp en dat het kenteken van de personenauto op naam staat van de verdachte, die antecedenten heeft op het gebied van diefstal. Vervolgens is de verbalisant de personenauto blijven achtervolgen over de N57 in de richting van Rotterdam waarbij diverse afslagen zijn genomen en door verschillende gehuchten/dorpen is gereden. Tijdens de achtervolging heeft de personenauto meermalen opmerkelijk rijgedrag vertoond (onder meer rijden op de verkeerde weghelft, rijden zonder verlichting, geen richting aangeven, snelheden van 120 en 140 km/uur). De verbalisant heeft de personenauto gevolgd tot 20:45 uur, het tijdstip waarop de personenauto door meerdere politievoertuigen tot stoppen is gedwongen. In de personenauto zijn drie manspersonen (hierna ook: de verdachten) aangetroffen, te weten [naam medeverdachte 1] , [naam medeverdachte 2] en de verdachte, die vervolgens zijn aangehouden. De personenauto is onderzocht en daarin is een TomTom-oplader aangetroffen. Bij de verdachte is een iPhone 3 inbeslaggenomen.

Omstreeks 21:15 uur heeft voornoemde verbalisant samen met twee collega’s nog eens stapvoets de eerder door voornoemde personenauto gereden route nagereden. Tijdens dat onderzoek hebben zij in de wegbermen van de gereden route drie paar zwarte handschoenen, diverse restanten van een Toshiba-laptop en twee delen van een TomTom- navigatiesysteem aangetroffen. Opvallend daarbij was dat voornoemde goederen telkens in droge toestand werden aangetroffen terwijl de grasbermen rondom de goederen nat waren als gevolg van de luchtvochtigheid, wat betekent dat voornoemde goederen slechts kort daarvoor op de betreffende plaatsen terecht zijn gekomen. Op 23 november 2014 heeft de politie nogmaals onderzoek verricht naar de door de personenauto gereden route. Langs die route in Stellendam heeft men toen een HP-notebook/laptop aangetroffen.

Uit onderzoek is gebleken dat de in de wegbermen aangetroffen Toshiba-laptop, de HP-notebook/laptop en de cameratas toebehoorden aan aangeefster [naam slachtoffer 1] .

Het TomTom navigatiesysteem is onderzocht en de opgeslagen gegevens (data, tijdstippen en routeinformatie) zijn uitgelezen. Daaruit blijkt dat het navigatiesysteem zich op 22 november 2014 in een rijdend voertuig heeft bevonden. Verder blijkt daaruit het navolgende:

- de laatste route in het navigatiesysteem start op 22 november 2014 om 17:45 uur in

Rijswijk (Z-H);

  • -

    om 18:27 uur rijdt het voertuig de N57 op in de richting van Zeeland;

  • -

    om 18:55 uur verlaat het voertuig de N57 en rijdt naar Scharendijke;

  • -

    tussen 19:12 en 19:47 uur bevindt het voertuig zich in de nabije omgeving van de

[adres delict 2] in Scharendijke;

  • -

    om 19:49 uur rijdt het voertuig wederom op de N57 in de richting van Rotterdam;

  • -

    om 20:00 uur verlaat het voertuig de N57 om Ouddorp in te rijden;

  • -

    het voertuig rijdt via verschillende straten naar de locatie [adres delict 1] alwaar het

om 20:05 uur aankomt;

  • -

    het voertuig rijdt door en parkeert om 20:09 uur op een locatie aan de [adres delict 1] ; het voertuig staat vervolgens 19 minuten stil;

  • -

    om 20:28 uur begint het voertuig weer te rijden vanaf de [adres delict 1] ;

  • -

    om 20:31 uur rijdt het voertuig de Oosterweg in;

  • -

    om 20:33 uur rijdt het voertuig de N57 op in de richting van Rotterdam.

Uit de verdere navigatiegegevens blijkt dat het voertuig na 20:33 uur exact dezelfde route heeft gereden als de route die de voornoemde achtervolgende verbalisant in zijn auto en de door hem achtervolgde auto met daarin de verdachten heeft gereden tot aan de plaats waar het navigatiesysteem naderhand door de politie is aangetroffen in de berm.

Ook in de onder de verdachte inbeslaggenomen iPhone zijn routegegevens aangetroffen. Hieruit blijkt dat voornoemd toestel tussen 17:30 uur tot 18:33 uur dezelfde route heeft gevolgd als voornoemd navigatiesysteem, althans masten heeft aangestraald die aansluiten bij de gereden route. Aangenomen kan worden dat voornoemde iPhone zich in het voertuig moet hebben bevonden waar ook het navigatiesysteem zich in bevond.

Uit onderzoek is tevens gebleken dat in twee van de aangetroffen handschoenen DNA-materiaal is aangetroffen. In één van de handschoenen is DNA-materiaal afkomstig van de van de verdachte [naam medeverdachte 3] aangetroffen en in de andere handschoen is DNA-materiaal afkomstig van de verdachte aangetroffen.

Uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden - in onderlinge samenhang bezien – en gelet op het feit dat de drie verdachten geen enkele verklaring hebben gegeven voor hun aanwezigheid in de directe nabijheid van de betreffende woningen ten tijde van de inbraak en de poging daartoe - wat gelet op alle genoemde feiten en omstandigheden wel een concrete en verifieerbare verklaring vereist - kan de rechtbank niet anders concluderen dan dat de verdachten tezamen en in vereniging beide feiten hebben gepleegd.

6.1.1.

Conclusie

Dit betekent dat beide feiten bewezen zijn.

6.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1

hij op 22 november 2014 te Ouddorp, gemeente Goeree-Overflakkee,

tezamen en in vereniging met anderen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning, gelegen aan de

[adres delict 1] , heeft weggenomen een laptop (merk Toshiba) en een

notebook/laptop (merk HP) en een cameratas, geheel

of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader (s), waarbij verdachte en

zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben

verschaft door middel van braak en inklimming;

2.

hij op 22 november 2014 te Scharendijke, gemeente Schouwen-Duiveland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf

om tezamen en in vereniging met anderen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning, gelegen aan de [adres delict 2] , weg te nemen geld en/of een of meer goed(eren),

toebehorende aan [naam slachtoffer 2] , en zich daarbij de

toegang tot die woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld en/of

goed(eren) onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak

en/of inklimming, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, een

trap tegen de achtergevel van die woning heeft geplaatst/gezet en met een

steen, een draai/kiepraam/ruit van die woning heeft vernield , terwijl de uitvoering

van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

7 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1. DIEFSTAL DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN WAARBIJ DE

SCHULDIGE ZICH DE TOEGANG TOT DE PLAATS VAN HET MISDRIJF

HEEFT VERSCHAFT DOOR MIDDEL VAN BRAAK EN INKLIMMING;

2 POGING TOT DIEFSTAL DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN

WAARBIJ DE SCHULDIGE ZICH DE TOEGANG TOT DE PLAATS VAN HET MISDRIJF HEEFT VERSCHAFT EN/OF HET WEG TE NEMEN GOED ONDER ZIJN BEREIK HEEFT GEBRACHT DOOR MIDDEL VAN BRAAK EN/OF INKLIMMING.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

8 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

9 Motivering straf

9.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

9.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan een woninginbraak en een poging daartoe.

Dit zijn buitengewoon ernstige en ergerlijke feiten, die niet alleen overlast met zich brengen voor de bewoners, maar ook gevoelens van angst en onveiligheid bij hen en in de samenleving in het algemeen veroorzaken. De verdachte heeft zich van deze mogelijke gevolgen kennelijk geen enkele rekenschap gegeven en heeft slechts oog gehad voor zijn eigen gewin. Het feit dat hij al eerder is veroordeeld voor woninginbraken heeft kennelijk ook weinig indruk gemaakt althans het heeft hem er niet van weerhouden dergelijke feiten te plegen.

9.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

9.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 5 februari 2019, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

9.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

De rechtbank heeft reeds vastgesteld dat de redelijke termijn voor de berechting is overschreden met ruim twee jaar en drie maanden. In het geval de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, zou de rechtbank, rekening houdend met het strafblad van de verdachte, een gevangenisstraf hebben opgelegd voor de duur van acht maanden. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn komt de rechtbank tot strafvermindering en zal zij de verdachte een gevangenisstraf van vijf maanden opleggen.

10 Vordering benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [naam benadeelde] ter zake van het onder 2 ten laste gelegde en bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 1.636,58 aan materiële schade.

10.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot integrale en hoofdelijke toewijzing van de vordering alsmede tot oplegging van de maatregel tot schadevergoeding.

10.2.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft in lijn met zijn vrijspraakverweer geconcludeerd tot afwijzing van de vordering dan wel tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij.

10.3.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt en deze niet is weersproken, zal de vordering worden toegewezen.

Nu de verdachte het strafbare feit samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partij betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 22 november 2014.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil,

en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

10.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 1.636,58 vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 45, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

12 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

13 Beslissing

De rechtbank:

verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van de verdachte;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


veroordeelt de verdachte hoofdelijk met diens mededaders, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde] , te betalen een bedrag van € 1.636,58 (zestienhonderdzesendertig euro en achtenvijftig eurocent), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 22 november 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [naam benadeelde] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde] te betalen

€ 1.636,58 (zestienhonderdzesendertig euro en achtenvijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 november 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 1.636,58 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 26 (zesentwintig) dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M.H. Geerars, voorzitter,

mr. W.J.M. Diekman en mr. A.A.T. Werner, rechters,

in tegenwoordigheid van A. Gaal, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 22 november 2014 te Ouddorp, gemeente Goeree-Overflakkee,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een woning, gelegen aan de

[adres delict 1] , heeft weggenomen een laptop (merk Toshiba) en/of een

notebook/laptop (merk HP) en/of een cameratas, in elk geval enig goed, geheel

of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader (s), waarbij verdachte en / of

zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben

verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn / hun bereik

heeft / hebben gebracht door middel van braak, verbreking en / of inklimming;

2.

hij op of omstreeks 22 november 2014 te Scharendijke, gemeente

Schouwen-Duiveland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf

om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning, gelegen aan de [adres delict 2] , weg te nemen geld en/of een of meer goed(eren),

geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 2] , in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de

toegang tot die woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld en/of

goed(eren) onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking

en/of inklimming, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, een

trap tegen de achtergevel van die woning heeft geplaatst / gezet en/of met een

steen, in elk geval een hard voorwerp, een draai/kiepraam / ruit van die

woning heeft vernield en/of ingeslagen en/of ingegooid, terwijl de uitvoering

van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.