Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:2408

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-03-2019
Datum publicatie
29-03-2019
Zaaknummer
83/153348-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen. De verdachte trad gedurende een jaar op als “geldezel” en ontving in die hoedanigheid grote hoeveelheden geld op zijn bankrekeningen tot een totaalbedrag van meer dan één miljoen euro, afkomstig van een bitcoinbeurs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 83/153348-18

Datum uitspraak: 13 maart 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. F.P. Slewe, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 27 februari 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. S. Sleeswijk Visser heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het tenlastegelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 240 uur subsidiair 120 dagen hechtenis.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

Standpunt verdediging

Weliswaar kan uit de witwastypologieën een vermoeden van witwassen worden ontleend, maar er is geen bewijs dat de verdachte vóór 23 juli 2015 wist (of redelijkerwijs moest vermoeden) dat het geld dat hij op zijn bankrekeningen gestort kreeg uit misdrijf afkomstig was. Gelet op het OVC-gesprek in het dossier van 23 juli 2015 kan pas vanaf dat moment worden vastgesteld dat de verdachte wist dat het geld uit misdrijf afkomstig was. De verdachte dient daarom te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde opzet- en gewoontewitwassen voor zover dat ziet op de periode vóór 23 juli 2015.

Beoordeling

Criminele herkomst

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting acht de rechtbank het vermoeden gerechtvaardigd dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig waren.

De rechtbank baseert dit vermoeden op de volgende feiten en omstandigheden.

De verdachte heeft binnen een relatief korte periode uit de verkoop van bitcoins afkomstige geldbedragen bijgeschreven gekregen op zijn bankrekeningen. Het is een feit van algemene bekendheid dat bitcoins dikwijls worden gebruikt in het criminele circuit, onder meer in de drugshandel. In de periode van 16 september 2014 tot en met 28 augustus 2015 ontving de verdachte, verdeeld over vier verschillende bankrekeningen, in totaal een bedrag van

€ 1.027.905,66 van bitcoinbeurs Kraken. Hierbij valt op dat geen van de uitbetalingen door Kraken, soms meerdere op één dag, per transactie hoger was dan € 8.999,91. Aldus bleven deze bijschrijvingen op de bankrekeningen van de verdachte steeds onder de meldplicht van de banken. (Het totaal van) deze bijschrijvingen stond in geen verhouding tot de inkomsten uit arbeid van de verdachte. De op de bankrekeningen van de verdachte bijgeschreven geldbedragen werden vrijwel direct na ontvangst - soms na een (gedeeltelijke) doorboeking naar bankrekeningen van familieleden van de verdachte - contant opgenomen, zonder kennelijke legale economische noodzaak of verklaring daarvoor.

Gelet op het voorgaande mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat voormelde geldbedragen niet van misdrijf afkomstig zijn. De verdachte heeft zich echter zowel tijdens zijn verhoor door de FIOD als ter terechtzitting op zijn zwijgrecht beroepen.

Gelet op het ontbreken van een aannemelijke verklaring voor een legale herkomst van voormelde geldbedragen is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat deze geldbedragen onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat de verdachte dit heeft geweten.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij

in de periode van 01 september 2014 tot en met 12

september 2015, te Rotterdam en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

meermalen,

a) voorwerpen, te weten

geldbedragen tot een totaalbedrag van 1027905,66 euro,

voorhanden heeft gehad en/of heeft

overgedragen en/of omgezet,

en

b) daarvan de herkomst, heeft verhuld en heeft

verhuld wie de rechthebbende(n) op genoemde voorwerpen was/waren,

terwijl hij, verdachte, en zijn mededader(s) wisten, dat bovenomschreven voorwerpen

- onmiddellijk of middellijk –afkomstig waren uit enig misdrijf,

terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders van het plegen van dat

feit een gewoonte hebben gemaakt.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Kennelijke verschrijvingen in de tenlastelegging zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

medeplegen van gewoontewitwassen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straffen

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen.

De verdachte trad gedurende een jaar op als “geldezel” en ontving in die hoedanigheid grote hoeveelheden geld op zijn bankrekeningen tot een totaalbedrag van meer dan één miljoen euro. Vrijwel direct nadat de bedragen waren bijgeschreven op een van de bankrekeningen van de verdachte werden zij, al dan niet na (gedeeltelijke) doorbetalingen naar

bankrekeningen van familieleden van de verdachte, contant opgenomen. Witwassen is een ernstig feit dat de integriteit van het financiële handelsverkeer schaadt en het vertrouwen dat daarin moet worden gesteld. Bovendien heeft de verdachte door zijn handelswijze de opbrengsten uit enig misdrijf aan het zicht van onder meer justitie onttrokken. Hierdoor hebben de door anderen gepleegde misdrijven geloond, waarmee de onderliggende criminaliteit is gefaciliteerd. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.

De rechtbank heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 16 januari 2019, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten en waaruit blijkt dat de verdachte na het plegen van het bewezenverklaarde feit is veroordeeld voor andere misdrijven.

Gezien de ernst van het feit kan – gelet op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd – in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank slaat evenwel acht op het feit dat het bewezenverklaarde feit dateert van circa viereneenhalf tot drieëneenhalf jaar geleden en dat de verdachte sindsdien geen nieuwe strafbare feiten heeft begaan. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de persoonlijkheidsproblematiek van de verdachte en zijn overige persoonlijke omstandigheden voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ook houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat, voor zover door haar is kunnen worden vastgesteld, de verdachte een betrekkelijk ondergeschikte rol heeft vervuld bij de uitvoering van het bewezenverklaarde feit en daarmee zelf geen substantieel geldelijk voordeel heeft verkregen. Een deel van de voorgenomen straf zal daarom voorwaardelijk worden opgelegd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Daarnaast zal de rechtbank een taakstraf van na te noemen duur opleggen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 63 en 420ter Wetboek van Strafrecht, zoals deze wetsbepalingen golden ten tijde van het bewezenverklaarde feit.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het tenlastegelegde, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte (ook) daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 5 (vijf) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaren;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;


veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.J. van den Berg, voorzitter,

en mrs. L. Daum en P.M. van Russen Groen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. B.A.M. Elst, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 maart 2019.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij

op een of meerdere tijdstippen

in of omstreeks de periode van 01 september 2014 tot en met 12

september 2015,

te Rotterdam en/of (telkens) (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

a) (telkens) een of meer voorwerp(en), te weten een (grote) hoeveelheid,

in

elk geval (circa) 4182 bitcoins en/of girale en/of contante

geldbedragen tot een totaalbedrag van (circa) 1027905,66 euro,

althans grote geldbedragen,

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft

overgedragen en/of

omgezet,

en/of

van genoemde voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden,

dat bovenomschreven voorwerp(en)

- onmiddellijk of middellijk –

afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) van het plegen van dat

feit

een gewoonte heeft/hebben gemaakt,

en/of

b) (telkens) van één of meer voorwerp (en), te weten een (grote)

hoeveelheid, in elk geval (circa) 4182 bitcoins en/of girale en/of

contante geldbedragen tot een totaalbedrag van (circa) 1027905,66 euro,

althans grote geldbedragen,

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding, de

verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, en/of heeft verborgen en/of

verhuld wie de rechthebbende(n) op genoemde voorwerpen was/waren,

en/of

heeft verborgen en/of verhuld wie genoemde voorwerpen voorhanden

heeft gehad,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

wist(en), althans redelijkerwijs moest (en) vermoeden,

dat bovenomschreven voorwerp(en)

- onmiddellijk of middellijk –

afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) van het plegen van dat

feit

een gewoonte heeft/hebben gemaakt.