Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:2405

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-03-2019
Datum publicatie
29-03-2019
Zaaknummer
10/239774-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft het slachtoffer met een keukenmes in de zij gestoken. De rechtbank komt tot poging tot doodslag op grond van voorwaardelijk opzet. Beroep op noodweer verworpen. Vanwege tijdsverloop en verminderde toerekeningsvatbaarheid wordt verdachte veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf en een onvoorwaardelijke taakstraf voor de maximale duur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/239774-17

Datum uitspraak: 7 maart 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] [woonplaats verdachte] ,

raadsvrouw mr. E.M. van den Oudenaller, advocaat te Dordrecht.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 21 februari 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. B.M.M. Zonneveld heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het primair en subsidiair ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het meer subsidiair ten laste gelegde (poging tot zware mishandeling);

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 160 uren met aftrek van voorarrest, waarvan 80 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarde een meldplicht bij de reclassering;

  • -

    oplegging van een schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer.

4 Waardering van het bewijs

Het primair ten laste gelegde (poging tot doodslag)

Uit het onderzoek ter terechtzitting en de inhoud van wettige bewijsmiddelen zijn de volgende feiten en omstandigheden naar voren gekomen.

De verdachte heeft verklaard dat zij het slachtoffer met een keukenmes in zijn linkerzij heeft geprikt. Volgens de verdachte had het mes een lengte van twintig tot vijfentwintig centimeter, inclusief het handvat. Het slachtoffer heeft verklaard dat het lemmet van het mes ongeveer dertig centimeter was. Overige gegevens betreffende het mes ontbreken in het dossier. Volgens een medewerker van de ambulancedienst was het mes ongeveer zes centimeter het lichaam van het slachtoffer binnengedrongen. Bij het slachtoffer werd een open steekverwonding in de linker flank van de borstkas geconstateerd. De wond werd met vijf hechtingen gedicht. De plaats van de verwonding is volgens de forensisch arts potentieel levensbedreigend, afhankelijk van de lengte van het scherpe voorwerp waarmee gestoken is.

De vraag is of de verdachte haar opzet al dan niet voorwaardelijk had gericht op het van het leven beroven van het slachtoffer.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de dood van het slachtoffer - is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Wat betreft de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo een kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan worden afgeleid dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Bepaalde gedragingen kunnen echter naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.

De rechtbank heeft onder meer vastgesteld dat de verdachte een keukenmes heeft gepakt en het slachtoffer daarmee in de linker zij, ter hoogte van de borstkas, heeft gestoken. Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat het om een mes ging met een omvang van ten minste twintig centimeter en dat het slachtoffer een open steekverwonding had aan de linkerzijde van zijn borstkas. Het is algemeen bekend dat dicht bij deze plek van het lichaam vitale organen zitten. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de omvang van het door de verdachte gebruikte mes en de door de forensisch arts geconstateerde verwonding, sprake is geweest van potentieel levensbedreigend letsel. Onder deze omstandigheden was er sprake van een aanmerkelijke kans dat het slachtoffer van het leven beroofd zou worden door het met een mes steken door de verdachte. De gedragingen van de verdachte kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer op de dood van het slachtoffer gericht dat het niet anders kan zijn geweest dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard.

In weerwil van de standpunten van de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank dan ook het primair ten laste gelegde bewezen.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

zij op 26 november 2017 te Dordrecht

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [naam slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met een mes die [naam slachtoffer]

in de zij heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

5.1.1. Beroep op noodweer(exces)

De verdediging heeft een beroep op noodweer gedaan. Daartoe is aangevoerd dat er sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de verdachte. In haar eigen huis werd ze geduwd, in haar gezicht geschopt, op haar borst geslagen en werd haar keel dichtgeknepen. De verdachte heeft eerst naar het mes gegrepen nadat het slachtoffer haar verwurgde waardoor zij moeilijk kon ademhalen. Eerst nadat het slachtoffer de ruzie voortzette, niet wilde luisteren en haar woning niet wilde verlaten heeft de verdachte het slachtoffer geprikt. De verdachte had het mes gepakt om het slachtoffer op een afstand te houden, om mee te dreigen.

5.1.2. Beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat indien door of namens de verdachte een beroep is gedaan op noodweer, de rechter zal moeten onderzoeken of de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer zijn vervuld. Die houden volgens artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht in dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Daaronder is onder omstandigheden mede begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo’n aanranding. De vraag of een gedraging geboden is door de noodzakelijke verdediging – waarmee onder meer de proportionaliteitseis tot uitdrukking wordt gebracht – van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed leent zich niet voor beantwoording in algemene zin. Bij de beslissing daaromtrent komt mede betekenis toe aan de waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval. Deze proportionaliteitseis strekt ertoe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn indien zij – als verdedigingsmiddel – niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding.

De rechtbank stelt op grond van de processtukken en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast. Daarbij tekent de rechtbank aan, dat over wat er in de woning van de verdachte is voorgevallen slechts twee personen verklaringen hebben afgelegd, namelijk de verdachte en het slachtoffer. Deze verklaringen stemmen deels overeen maar lopen op onderdelen uiteen. De rechtbank is van oordeel dat het door de verdachte geschetste relaas niet enkel vanwege de op onderdelen andersluidende verklaringen van het slachtoffer als onaannemelijk terzijde geschoven kan worden. Om die reden zal de rechtbank bij de beoordeling van het verweer, daar waar verschillen tussen de verklaringen van de verdachte en het slachtoffer bestaan, de verklaringen van de verdachte tot uitgangspunt nemen.

De verdachte en het slachtoffer kregen ruzie in de slaapkamer van de woning van de verdachte. Daarbij werd over en weer geduwd en geslagen. Op een gegeven moment nam het slachtoffer de verdachte in een zogenaamde houdgreep en klemde haar hoofd onder zijn oksel. Na enige tijd liet het slachtoffer de verdachte los. De verdachte ging naar de keuken om spullen te pakken om zich te kunnen verdedigen. Ze pakte onder meer een keukenmes.

De verdachte ging terug naar het slachtoffer en de ruzie werd voortgezet. Ook nu lieten beiden zich niet onbetuigd. Volgens de verdachte heeft het slachtoffer haar bij de nek vastgepakt en haar enige tijd in een verwurging gehouden. Het slachtoffer heeft verklaard dat hij de verdachte heeft beetgepakt. Toen het slachtoffer haar losliet heeft de verdachte het keukenmes, dat zij eerder in de slaapkamer had weggelegd, weer in de hand genomen en het slachtoffer vervolgens in zijn zij ‘geprikt’. De verdachte heeft verklaard dat zij dit deed omdat het slachtoffer niet wilde luisteren, de ruzie bleef voortzetten en niet uit haar huis wilde gaan.

De vraag is, of, voor zover er op enig moment sprake is geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, de handeling van de verdachte kan worden aangemerkt als een noodzakelijke verdediging waarbij vervolgens de vraag is of de door de verdachte gekozen gedraging in redelijke verhouding tot de ernst van de aanranding stond.

De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. De verdachte had zich niet alleen kúnnen maar ook móeten onttrekken aan de situatie. Op het moment dat zij naar de keuken ging, had zij de woning kunnen verlaten, hulp kunnen inroepen of iemand kunnen waarschuwen. Daar heeft de verdachte niet voor gekozen. Integendeel, zij is gewapend met een mes teruggegaan naar het slachtoffer. Dat de kinderen van de verdachte nog in de woning waren maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. De verdachte had het slachtoffer immers zelf gevraagd voor de kinderen te zorgen en uit niets blijkt dat de boosheid van het slachtoffer gericht was tegen de kinderen.

5.1.3. Conclusie

Dit leidt tot de conclusie dat er op het moment van steken geen noodzaak tot verdediging was. De rechtbank komt dan ook niet toe aan de vervolgvraag of de gekozen gedraging in redelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

Het bewezen feit levert op:

(primair)

poging tot doodslag.

6 Strafbaarheid verdachte

Beroep op noodweerexces

De verdediging heeft weliswaar een beroep op noodweerexces gedaan maar heeft dit op geen enkele wijze onderbouwd. Bovendien heeft de rechtbank hiervoor geoordeeld dat het beroep op noodweer niet kan slagen aangezien op het moment van steken geen sprake was van een noodzakelijke verdediging door de verdachte. Op grond daarvan en met inachtneming van het bepaalde in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht kan daarom ook het beroep op noodweerexces niet slagen.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft het slachtoffer met een keukenmes in de zij gestoken. Het slachtoffer liep als gevolg daarvan een steekwond op die in het ziekenhuis is gehecht. Gelet op de omvang van het mes en de plek waar het mes het lichaam is binnengegaan mag het slachtoffer van geluk spreken dat het letsel relatief beperkt is gebleven. Dat is zeker niet de verdienste van de verdachte. Het had veel slechter kunnen aflopen voor het slachtoffer.

De verdachte heeft zich dan ook schuldig gemaakt aan een zeer ernstig feit. Door haar handelen heeft de verdachte op zeer ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van feiten als het onderhavige gedurende lange tijd, naast lichamelijke gevolgen, ook negatieve psychische gevolgen daarvan kunnen ervaren.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

6 februari 2019, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder met justitie in aanraking is gekomen. Zij heeft een blanco strafblad.

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 8 mei 2018, gevolgd door een voortgangsverslag van 13 februari 2019. Deze rapportages houden - onder meer - het volgende in.

De verdachte heeft zich tijdens het toezicht door de reclassering gehouden aan de afspraken en zich coöperatief opgesteld. De eerder geadviseerde ambulante behandeling is opgestart en budgetbeheer staat op het punt van beginnen. Het zelfinzicht is gegroeid en er is een positieve ontwikkeling ten aanzien van denkwijze, houding en gedrag van de verdachte. Geadviseerd wordt te bepalen dat het reclasseringstoezicht wordt voortgezet.

Psycholoog M.D. Beijer-Holtman heeft een rapport over de verdachte opgemaakt gedateerd 6 maart 2018. Dit rapport houdt - onder meer - het volgende in.

Ten tijde van het onderzoek was er bij de verdachte sprake van een aanpassingsstoornis met angstige en depressieve kenmerken. Tevens werd een stoornis in gebruik van cannabis vastgesteld. Bij de verdachte werden een laag zelfbeeld en een gebrekkige coping gezien in de onderliggende persoonlijkheidsdynamiek. Het is onduidelijk of het gebruik van cannabis enig effect heeft gehad ten tijde van het bewezen verklaarde feit. Voor de overige kenmerken geldt dat wel. Geadviseerd wordt de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te achten ten tijde van het bewezen verklaarde feit.

Gelet op wat de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Nu de conclusies van de psycholoog gedragen worden door haar bevindingen en door wat ook overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank die conclusies over en maakt die tot de hare. De verdachte wordt dus in verminderde mate toerekeningsvatbaar geacht.

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De rechtbank zal echter afzien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, omdat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar wordt geacht, het strafbare feit al geruime tijd geleden is gepleegd en de verdachte sindsdien geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd. Bovendien heeft zij zich gehouden aan de afspraken met de reclassering.

De rechtbank zal dus een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, met als bijzondere voorwaarde dat het reclasseringstoezicht wordt voortgezet. De rechtbank acht dit noodzakelijk om de verdachte te ondersteunen in haar voornemen geen strafbare feiten meer te plegen.

Gezien de ernst van het feit zal de rechtbank tevens een taakstraf van na te noemen duur opleggen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

8 Vordering benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [naam benadeelde] , ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 480,00 aan materiële schade en een vergoeding van € 2.500,00 aan immateriële schade.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de post ‘eigen risico’ en tot niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij ten aanzien van het resterende gedeelte van de vordering. Ten aanzien van de gevorderde vergoeding van de immateriële schade heeft de officier geconcludeerd tot het afwijzen van de vordering vanwege het eigen aandeel van de aangever in de conflictsituatie.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft bepleit tot niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in de vordering, omdat deze onvoldoende onderbouwd zou zijn.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de vordering voor zover betreffende de post ‘eigen risico’ genoegzaam is onderbouwd, zal deze, ondanks de betwisting door de verdachte, worden toegewezen.

De benadeelde partij zal voor wat betreft de vordering tot vergoeding van de materiële schade voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard, nu de betreffende schadeposten op geen enkele wijze zijn onderbouwd.

Tevens is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

Die schade zal op dit moment op basis van de thans gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 500,00. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien de bewijsstukken ter onderbouwing van de vordering thans ontbreken. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank zal bepalen dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 26 november 2017.

De verdachte zal worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 885,00, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden;

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

stelt als bijzondere voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich melden bij Reclassering Nederland, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;

verstaat dat de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarde

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, waarbij Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 234 (tweehonderdvierendertig) uren te verrichten taakstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 117 dagen;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde] , te betalen een bedrag van € 885,00 (zegge: achthonderdvijfentachtig euro), bestaande uit € 385,00 aan materiële schade en € 500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 26 november 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering, en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, aan salaris voor de advocaat en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde] te betalen € 885,00 (hoofdsom, zegge: achthonderdvijfentachtig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 november 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 885,00 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 17 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A. Hello, voorzitter,

en mrs. F. Wegman en A.M. van der Leeden, rechters,

in tegenwoordigheid van D.J. Boogert, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

(primair)

zij op of omstreeks 26 november 2017 te Dordrecht

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

[naam slachtoffer]

opzettelijk van het leven te beroven,

met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, die [naam slachtoffer]

(met kracht) in de zij/buik, althans het bovenlichaam heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(subsidiair)

zij op of omstreeks 26 november 2017 te Dordrecht

aan [naam slachtoffer]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een steekwond, heeft

toegebracht door

met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, die [naam slachtoffer]

(met kracht) in de zij/buik, althans het bovenlichaam te steken;

(meer subsidiair)

zij op of omstreeks 26 november 2017 te Dordrecht

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf

om aan [naam slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, die [naam slachtoffer]

(met kracht) in de zij/buik, althans het bovenlichaam heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(meest subsidiair)

zij op of omstreeks 26 november 2017 te Dordrecht

[naam slachtoffer] heeft mishandeld door deze

met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, die [naam slachtoffer]

(met kracht) in de zij/buik, althans het bovenlichaam te steken,

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een steekwond ten

gevolge heeft gehad.