Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:2380

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-03-2019
Datum publicatie
16-04-2019
Zaaknummer
C/10/534396 / HA ZA 17-849
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2020:999, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Burenrecht. Grensgeschil. Grensreconstructie door Kadaster. Vereisten voor verjaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/534396 / HA ZA 17-849

Vonnis van 27 maart 2019

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

wonende te Capelle aan den IJssel,

2. [eiser 2],

wonende te Capelle aan den IJssel,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. R.H.W. van Ewijk te Amsterdam,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te Capelle aan den IJssel,

2. [gedaagde 2],

wonende te Capelle aan den IJssel,

gedaagden,

eisers in reconventie,

advocaat mr. J.G.M. Roijers te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser 1] c.s. en [gedaagde 1] c.s. genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

[eiser 1] c.s. heeft [gedaagde 1] c.s. bij exploot van 25 augustus 2017 gedagvaard voor deze rechtbank en gevorderd zoals in dat exploot beschreven onder overlegging van elf producties.

1.2.

[gedaagde 1] c.s. heeft een Conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie genomen en daarbij elf producties in het beding gebracht.

Bij aktes van depot heeft [gedaagde 1] c.s. zijn producties 4 en 5, een erfgrens-reconstructie en een schaaltekening in het geding gebracht.

1.3.

De rechtbank heeft een comparitie van partijen bepaald. Vervolgens heeft de rechtbank een agenda voor die comparitie aan partijen toegezonden.

1.4.

Op de comparitie heeft [eiser 1] c.s. genomen zijn tevoren toegezonden Conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte in het geding te brengen producties 12 tot en met 14, tevens akte wijziging van eis in conventie.

[gedaagde 1] c.s. heeft zijn tevoren toegezonden Samenvatting juridische standpunten overgelegd.

[eiser 1] c.s. heeft tevens zijn Aantekeningen voor de zitting overgelegd.

Van de comparitie is proces-verbaal opgemaakt. [eiser 1] c.s. heeft bij brief van 20 juni 2018 opmerkingen over het proces-verbaal gemaakt.

1.5.

[gedaagde 1] c.s. heeft een Conclusie van antwoord op de eisvermeerdering in conventie genomen en daarbij zijn producties 12 en 13 overgelegd.

1.6.

[eiser 1] c.s. heeft een Akte uitlating producties genomen en daarbij zijn producties 15 en 16 overgelegd.

1.7.

Partijen hebben vonnis gevraagd.

2 De vorderingen en het verweer

2.1.

Na eiswijziging vordert [eiser 1] c.s. dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

primair:

I. [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk zal veroordelen om binnen één week na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis, althans met ingang van een zodanige datum als de rechtbank geraden acht, het perceel plaatselijk bekend [adres 1] in Capelle aan den IJssel, kadastraal bekend gemeente Capelle aan den IJssel, sectie A nummer [kadasternummer 1] , met al het hunne en de hunnen te ontruimen en te verlaten en ontruimd en verlaten te houden, meer in het bijzonder door het pad dat zij op dat perceel hebben aangelegd, alsmede de verhoogde border te verwijderen en verwijderd te houden;

op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde 1] c.s. in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, de eerste dag daaronder begrepen, met een maximum van € 10.000,-;

met machtiging, voor zover vereist, van [eiser 1] c.s. om, zo [gedaagde 1] c.s. mocht nalaten aan deze veroordeling te voldoen, de nakoming daarvan te (doen) bewerkstelligen met behulp van de sterke arm, overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 556 lid 1 en 557 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;

althans een zodanige veroordeling uit te spreken, zoveel mogelijk in lijn met het hiervoor gevorderde, als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;

subsidiair:

II. [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk te veroordelen om binnen één week na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis, althans met ingang van een zodanige datum als de rechtbank geraden acht, de schade die [eiser 1] c.s. heeft geleden als gevolg van de voltooide bevrijdende verjaring te vergoeden, en te bepalen dat die schade dient te worden vergoed door de door hen of hun rechtsvoorgangers in bezit genomen strook grond die kadastraal gezien onderdeel uitmaakt van het perceel plaatselijk bekend [adres 1] in Capelle aan den IJssel, kadastraal bekend gemeente Capelle aan den IJssel, sectie A nummer [kadasternummer 1] , terug te leveren aan [eiser 1] c.s. door hem daarvan het bezit te verschaffen, in elk geval door met al het hunne en de hunnen te ontruimen en te verlaten en ontruimd en verlaten te houden, meer in het bijzonder door het pad dat zij op dat perceel hebben aangelegd, alsmede de verhoogde border te verwijderen en verwijderd te houden;

op straffe van een dwangsom van€ 500,- per dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde 1] c.s. in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, de eerste dag daaronder begrepen, met een maximum van € 10.000,-;

met machtiging, voor zover vereist, van [eiser 1] c.s. om, zo [gedaagde 1] c.s mocht nalaten aan deze veroordeling te voldoen, de nakoming daarvan te (doen) bewerkstelligen met behulp van de sterke arm, overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 556 lid 1 en 557 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;

althans een zodanige veroordeling uit te spreken, zoveel mogelijk in lijn met het hiervoor gevorderde, als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;

zowel primair als subsidiair:

III. [gedaagde 1] c.s. te veroordelen om binnen één maand na de betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis, hun medewerking te verlenen aan het oprichten van een houten schutting van twee meter hoogte op de erfgrens, althans tot het verlenen van medewerking aan het oprichten van een scheidsmuur in de zin van art. 5:49 lid 1 BW jo. 5:43 BW van een zodanige aard en in een zodanige uitvoering als partijen dan gezamenlijk overeen zullen komen, en hen te veroordelen bij helfte in de kosten daarvan bij te dragen;

IV. [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting en binnen 14 dagen na het in deze zaak te wijzen vonnis een bedrag van€ 49,25 aan [eiser 1] c.s. te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover te rekenen vanaf 13 oktober 2017;

V. [gedaagde 1] c.s. te veroordelen in de kosten van deze procedure, de nakosten daaronder begrepen indien die dienen te worden gemaakt en de nakosten in het vonnis te begroten, onder de bepaling dat als de gedignkosten niet binnen 14 dagen na betekening van het vonnis zullen zijn voldaan, daarover vanaf de vijftiende dag de wettelijke rente verschuldigd zal zijn.

2.2.

Daartoe stelt [eiser 1] c.s. – samengevat weergegeven – het volgende.

2.2.1.

[eiser 1] c.s. en [gedaagde 1] c.s. zijn buren. [eiser 1] c.s. is in september 2014 eigenaar geworden van het perceel plaatselijk bekend [adres 1] in Capelle aan den IJssel, kadastraal bekend gemeente Capelle aan den IJssel, sectie A nummer [kadasternummer 1] (hierna: Perceel 19). [gedaagde 1] c.s. was in juni 2013 eigenaar geworden van het perceel plaatselijk bekend 's-Gravenpark 17 in Capelle aan den IJssel, kadastraal bekend gemeente Capelle aan den IJssel, sectie A nummer [kadasternummer 2] (hierna: Perceel 17).

2.2.2.

In november 2016 heeft [gedaagde 1] c.s. het pad langs zijn woning op Perceel 17 verlegd en een border aangelegd. Dat pad en die border zijn (gedeeltelijk) op grond van Perceel 19 aangelegd. [gedaagde 1] c.s. heeft zonder recht of titel en zonder toestemming van [eiser 1] c.s. dat pad en die border (gedeeltelijk) op Perceel 19 aangelegd.

2.2.3.

Omdat de erfgrens tussen de beide percelen niet duidelijk zichtbaar was, heeft [eiser 1] c.s. in overleg en voor gemeenschappelijke rekening met [gedaagde 1] c.s. aan het Kadaster opdracht gegeven om de erfgrens te bepalen. [gedaagde 1] c.s. heeft zijn aandeel in de kosten van het Kadaster van € 225,- pas op 13 oktober 2017, nadat [eiser 1] c.s. hem had gedagvaard, betaald. Daarom dient [gedaagde 1] c.s. rente en incassokosten over € 225,- te betalen, zodat [gedaagde 1] c.s. per saldo € 49,75 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 oktober 2017 aan [eiser 1] c.s. verschuldigd is.

2.2.4.

Op 24 januari 2017 heeft het Kadaster de erfgrens gereconstrueerd en door middel van 3 ijzeren buizen en een meetspijker aangegeven. Die reconstructie geeft dezelfde erfgrenzen weer als eerder door het Kadaster, bij Veldwerk 403 in 1957 en bij Veldwerk 423 in 1959, waren bepaald. Die reconstructie toont aan dat het door [gedaagde 1] c.s. verlegde pad langs zijn woning en de border (gedeeltelijk) op Perceel 19 zijn aangelegd. [gedaagde 1] c.s. dient een en ander van Perceel 19 te verwijderen, maar weigert dat te doen. Wegens die weigerachtigheid dient een veroordeling tot ontruiming te worden versterkt met een dwangsom.

2.2.5.

Door de rechtsvoorgangers van [gedaagde 1] c.s. zijn geen daden gepleegd die als inbezitneming van het betreffende gedeelte van Perceel 19 kunnen worden aangemerkt. [gedaagde 1] c.s. of zijn rechtsvoorgangers hebben de betreffende gedeelte daarom niet door (bevrijdende of verkrijgende) verjaring verkregen.

2.2.6.

Voor het geval dat slaagt het verweer van [gedaagde 1] c.s. dat hij door bevrijdende of verkrijgende verjaring gerechtigd is het betreffende gedeelte van Perceel 19 te blijven bezitten, vordert [eiser 1] c.s. subsidiair schadevergoeding. [gedaagde 1] c.s. en zijn rechtsvoorgangers wisten namelijk, althans behoorden te weten dat een ander dan zij eigenaar was van het betreffende gedeelte van Perceel 19. Door dat gedeelte aldus in bezit te nemen en niet terug te geven handelt [gedaagde 1] c.s. onrechtmatig jegens [eiser 1] c.s.. Daarom dient [gedaagde 1] c.s. op de voet van artikel 6:103 BW het in bezit genomen gedeelte van Perceel 19 bij wijze van schadevergoeding aan [eiser 1] c.s. te verschaffen.

2.2.7.

[eiser 1] c.s. heeft ingevolge artikel 5:49 lid 1 BW recht te verlangen dat een scheidsmuur tussen de beide percelen voor gemeenschappelijke rekening wordt opgericht.

2.3.

De conclusies van [gedaagde 1] c.s. strekken tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [eiser 1] c.s. in de proceskosten bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis.

Voor het geval (een van) de vorderingen tot ontruiming worden toegewezen, vordert [gedaagde 1] c.s. de ontruimingstermijn te stellen op één jaar na de betekening van het vonnis en de dwangsom af te wijzen, althans deze te matigen.

2.4.

Daartoe voet [gedaagde 1] c.s. – samengevat weergegeven – het volgende aan.

2.4.1.

[gedaagde 1] c.s. heeft het stuk grond waarop het pad en de border liggen verkregen hetzij bij levering van de onroerende zaak, hetzij door bevrijdende of verkrijgende verjaring.

[gedaagde 1] c.s. heeft Perceel 17 geleverd gekregen door de weduwe van [naam 1] .

2.4.2.

Op de erfscheiding tussen de beide percelen staan bij de gronduitgifte in 1957 geplaatste houten piketpaaltjes.

Voorts bevindt en bevond zich al decennia een haag van Leylandii coniferen langs de erfgrens. De Leylandii coniferenhaag is door de rechtsvoorgangers van [eiser 1] c.s., [naam 2] en [naam 3] op de erfscheiding geplant. De rechtsvoorgangers van [gedaagde 1] c.s., de familie [naam familie] , heeft vanaf de straat tot bij de Leylandii coniferenhaag een heg van Thuja’s geplant welke iets meer Perceel 17 op staat.

Sedert het begin van de jaren ’60 woonde de familie [naam familie] op Perceel 17.

[gedaagde 1] c.s. en zijn rechtsvoorgangers hebben de grond tot de lijn van de piketpaaltjes en de Leylandii coniferenhaag steeds gebruikt.

2.4.3.

[gedaagde 1] c.s. heeft in oktober 2017 een reconstructie van de erfgrens vervaardigd (producties 4 en 5) en in juli 2018 een aanvulling daarop (productie 13). Uit die reconstructies blijkt dat de erfgrens min of meer door het hart van de lijn van Leylandii coniferenhaag loopt.

2.4.4.

[gedaagde 1] c.s. betwist dat hij het pad heeft verlegd. [gedaagde 1] c.s. heeft het pad in 2016 vervangen. De buitengrenzen van het pad en de border liggen binnen de erfgrens van Perceel 17 want binnen het hart van de lijn van Leylandii coniferenhaag.

2.4.5.

[gedaagde 1] c.s. verweert zich tegen de vordering tot medewerking aan een erfafscheiding. Er staat met de coniferenhagen van Leylandii en Thuja’s een fraaie groene en hoge afscheiding. Geen van partijen heeft er belang bij die te vervangen door een lagere (houten of stenen) afscheiding. Zouden de coniferenhagen worden verwijderd dan ontstaat de mogelijkheid van inkijk vanuit Perceel 19 in de (hoger gelegen) woning van [gedaagde 1] c.s.

2.5.

In reconventie vordert [eiser 3] c.s. dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat hij primair ingevolge de levering, subsidiair ingevolge bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van het stuk grond tussen de lijn die het Kadaster heeft bepaald en de lijn van de piketpaaltjes en de Leylandii coniferenhaag. Voorts vordert [eiser 3] c.s. dat de rechtbank [verweerder] c.s. zal veroordelen om mee te werken aan het plaatsen van behoorlijk waarneembare afpaling met een metaaldraad op de erfgrens tussen de percelen.

Verder dient [verweerder] c.s. in de proceskosten in reconventie te worden veroordeeld.

2.6.

Daartoe verwijst [eiser 3] c.s. naar zijn standpunten in conventie en stelt hij voorts – samengevat weergegeven – het volgende.

2.6.1.

voor zover [eiser 3] c.s. door verjaring eigenaar van het stuk grond tussen de lijn die het Kadaster heeft bepaald en de lijn van de piketpaaltjes en de Leylandii coniferenhaag is geworden, heeft hij belang bij een daartoe strekkende verklaring voor recht, zodat hij die in de openbare registers kan doen inschrijven.

2.6.2.

Wegens het grensgeschil heeft [eiser 3] c.s. belang bij het plaatsen van behoorlijke afpalingstekens op de erfgrens. [verweerder] c.s. dient daarvan de helft van de kosten te dragen.

2.7.

De conclusie van [verweerder] c.s. strekt tot afwijzing van de vordering in reconventie.

2.8.

Op de standpunten van partijen wordt hieronder verder ingegaan, voor zover voor deze beoordeling van belang.

3 De beoordeling

Eisvermeerdering in conventie

3.1.

[gedaagde 1] c.s. heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eisvermeerdering in conventie. Zoals verzocht, heeft [gedaagde 1] c.s. de gelegenheid gekregen om schriftelijk op de gewijzigde vorderingen te reageren.

De rechtbank ziet ambtshalve geen bezwaar tegen de eisvermeerdering.

Daarom zal de rechtbank de zaak in conventie beoordelen op basis van de vermeerderde eis.

In conventie en in reconventie

3.2.

Het gaat in deze zaak om een geschil tussen buren, de eigenaren van Perceel 17 en die van Perceel 19, voornamelijk over waar precies de grens tussen de percelen loopt. Zowel voor de beoordeling van de vorderingen in conventie als van die in reconventie dient de rechtbank te bepalen waar de erfgrens loopt. Ook voor zover [gedaagde 1] c.s. zich op (verkrijgende of bevrijdende) verjaring beroept dient de rechtbank die erfgrens vast te stellen.

Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

3.3.

Uit de stellingen van partijen en uit de respectieve notariële leveringsakten (producties 1 en 2 van [gedaagde 1] c.s.) blijkt, dat [eiser 1] c.s. en [gedaagde 1] c.s. van de respectieve rechtsvoorgangers een onroerende zaak hebben verkregen met de volgende omschrijving:

[eiser 1] c.s.

“OMSCHRIJVING REGISTERGOED

het woonhuis met garage, ondergrond en tuin, gelegen te [postcode] Capelle aan den IJssel, [adres 1] , kadastraal bekend gemeente Capelle aan den IJssel, sectie A nummer [kadasternummer 1] , ter grootte van elf are en vijf centiare (11 a 5 ca), hierna aangeduid met “het verkochte”

[gedaagde 1] c.s.

“het gehele in de koopovereenkomst gemelde registergoed:

= het woonhuis met erf, ondergrond en verder toebehoren, staande en gelegen te [postcode] Capelle aan den IJssel, ’ [adres 2] , kadastraal bekend gemeente Capelle aan den IJssel, sectie A nummer [kadasternummer 2] , groot negen are twaalf centiare;

hierna ook te noemen het verkochte”.

Geen van de notariële leveringsakten bevat een verdere beschrijving van het betreffende perceel. Geen van partijen beroept zich op enige andere omschrijving van het door haar van haar rechtsvoorganger verkregene (in een koopakte of anderszins).

Dit betekent voor wat betreft de geleverde perceelomvang dat zowel [eiser 1] c.s. als [gedaagde 1] c.s. een onroerende zaak geleverd heeft gekregen zoals die percelen kadastraal zijn omschreven. Voor de bepaling van de grenzen van de beide percelen is daarom de beschrijving in het kadaster in beginsel bepalend.

3.4.

Ten tijde van de verkrijging door [gedaagde 1] c.s. in juni 2013 en door [eiser 1] c.s. in september 2014 was Perceel 17, respectievelijk Perceel 19 bij het kadaster ingeschreven overeenkomstig het veldwerk 403 uit 1957 en het veldwerk 427 uit 1959 (producties 12 van [gedaagde 1] c.s.). Die beide veldwerken zijn derhalve richtinggevend voor de erfgrens.

3.5.

[gedaagde 1] c.s. heeft de, met een bevestiging door het Kadaster (productie 16 van [eiser 1] c.s.) onderbouwde, stelling van [eiser 1] c.s. dat de veldwerken 403 en 427 met elkaar overeen komen niet bestreden.

De veldwerken 403 en 427 tonen de erfgrens tussen Perceel 17 en Perceel 19 aan langs de lijn tussen aan de voorzijde het meetpunt met de afstand 258.70/258.72 en aan de achterzijde het meetpunt met de afstand 83.51/83.50.

[gedaagde 1] c.s. heeft weliswaar aangevoerd dat die veldwerken niet overeenkomen met de feitelijke toestand – waarover onder 3.6 nader – maar hij heeft de juistheid van die metingen niet inhoudelijk betwist.

Evenmin is bestreden dat (in opdracht van eiser [eiser 1] ) een landmeter van het Kadaster de erfgrens tussen Perceel 17 en Perceel 19 op 17/24 januari 2017 heeft gereconstrueerd. In het betreffende relaas van bevindingen (of veldwerk; producties 6 en 15 van [eiser 1] c.s.) wordt beschreven dat zowel [eiser 1] c.s. als gedaagde [gedaagde 1] daarbij aanwezig zijn geweest. Bij die reconstructie heeft de landmeter de erfgrens gelegd langs dezelfde meetpunten als bij de veldwerken 403 en 427, in het relaas van bevindingen aangeduid met een rode streeplijn, tussen aan de voorzijde het meetpunt met de afstand 258.72 en aan de achterzijde het meetpunt met de afstand 83.51. Ook dat heeft [gedaagde 1] c.s. niet inhoudelijk bestreden.

3.6.

[gedaagde 1] c.s. voert – kort gezegd – aan dat de veldwerken 403 en 427 de feitelijke situatie niet correct weergeven.

Voor zover [gedaagde 1] c.s. betoogt dat de veldwerken 403 en 427 de feitelijke situatie niet correct weergeven, treft dat betoog om de volgende redenen geen doel. Het Kadaster heeft toegelicht (in productie 16 van [eiser 1] c.s.) dat het bij veldwerken om de meetpunten en ijkpunten gaat, dat veldwerken niet op schaal zijn gemaakt en dat deze niet met (lucht)foto’s kunnen worden gecombineerd. De omstandigheid dat bij vergelijking tussen de veldwerken en (lucht)foto’s van dezelfde straat verschillen te zien zijn, maakt die veldwerken daarom niet minder juist.

Voor zover [gedaagde 1] c.s. betoogt dat de veldwerken 403 en 427 de situatie niet correct weergeven omdat deze niet corresponderen met de door hem gestelde piketpaaltjes, treft dat betoog geen doel omdat zijn stelling dat die piketpaaltjes de erfgrens weergeven door het Kadaster niet wordt bevestigd.

Voor zover [gedaagde 1] c.s. betoogt dat de veldwerken 403 en 427 de situatie niet correct weergeven omdat deze niet corresponderen met de aanwezige begroeiing van de Leylandii coniferenhaag en de heg van Thuja’s (aangegeven op de door [gedaagde 1] c.s. vervaardigde schaaltekeningen), treft dat betoog geen doel omdat op de veldwerken geen begroeiingen staan aangegeven. Bovendien is volgens de verklaring van [gedaagde 1] c.s. ter comparitie de Leylandii coniferenhaag geplant door [naam 2] en [naam 3] die blijkens de akte van levering van Perceel 19 aan [eiser 1] c.s. (productie 2 van [gedaagde 1] c.s.) dat perceel pas op 10 juni 1988 verkregen, derhalve omstreeks 30 jaar na de totstandkoming van veldwerken 403 en 427.

Waar geen andere bezwaren tegen veldwerken 403 en 427 zijn aangevoerd, gaat de rechtbank van de juistheid van de gegevens vermeld in die veldwerken uit.

3.7.

Bij gebreke van enige andere (gestelde) basis ter bepaling van de erfgrens tussen Perceel 17 en Perceel 19, heeft dus als erfgrens te gelden de in het relaas van bevindingen aangegeven rode streeplijn, tussen aan de voorzijde het meetpunt met de afstand 258.72 en aan de achterzijde het meetpunt met de afstand 83.51.

Volgens het relaas van bevindingen heeft de landmeter bij die meetpunten twee nieuwe ijzeren buizen geslagen, zodat die lijn ter plaatse kan worden waargenomen.

3.8.

Tussen partijen is niet in geschil dat de door de landmeter gereconstrueerde erfgrens door het hart van de haag van Thuja’s en over een gedeelte van het pand langs de woning van [gedaagde 1] c.s. loopt. Een gedeelte van dat pad en de border van [gedaagde 1] c.s. liggen derhalve op Perceel 19.

Dat eigendom van dat gedeelte heeft [gedaagde 1] c.s. dus niet verkregen door de enkele overdracht in juni 2013.

3.9.

Heeft [gedaagde 1] c.s. het gedeelte van dat pad en de border die op Perceel 19 liggen door (bevrijdende of verkrijgende) verjaring in eigendom verkregen?

3.9.1.

Ingevolge de artikelen 3:105, 3:306 en 3:314 BW wordt degene die een onroerende zaak in bezit heeft daarvan eigenaar door het verstrijken van twintig jaren, de termijn van verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het (onrechtmatige) bezit. Niet van belang is of het bezit al dan niet te goeder trouw is, evenmin hoe lang degene die de zaak bij het verstrijken van de termijn in bezit heeft. Voor de voltooiing van de verjaring is nodig maar ook voldoende dat de toestand dat een ander dan de rechthebbende bezitter (althans onrechtmatig houder) is, gedurende de gehele verjaringstermijn van twintig jaren heeft voortgeduurd.

3.9.2.

Voor verkrijging door verjaring is derhalve bezit van de onroerende zaak vereist.

De vraag of sprake is van bezit dient te worden beantwoord aan de hand van de maatstaven van artikel 3:107 e.v. BW.

Ingevolge artikel 3:107 lid 1 BW in verbinding met artikel 3:108 BW moet de vraag of iemand bezitter is, worden beantwoord naar verkeersopvatting, met inachtneming van de regels die in de daaropvolgende wetsartikelen worden gegeven en overigens op grond van uiterlijke feiten. Het gaat derhalve om een objectieve maatstaf: het komt aan op uiterlijke omstandigheden waaruit naar verkeersopvattingen de wil kan worden afgeleid om als rechthebbende op te treden. De rol van de verkeersopvatting brengt mee dat bij die beantwoording de aard en de bestemming van de betreffende zaak (hier: tuin en pad bij woningen) in aanmerking moeten worden genomen.

Zodanig bezit dient ‘niet dubbelzinnig’ en ‘openbaar’ te zijn, waartoe vereist is dat de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt, daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn. Dat dient naar objectieve maatstaven beoordeeld te worden.

3.9.3.

Voor de aanvang van zodanig bezitten van een onroerende zaak is (mede gelet op artikel 5:24 BW) in het onderhavige geval inbezitneming vereist. Daartoe is ingevolge artikel 3:113 lid 2 BW vereist dat de machtsuitoefening zodanig is dat naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter wordt tenietgedaan. Enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen zijn daartoe niet toereikend.

3.10.

Heeft zodanige inbezitneming plaatsgevonden bij de rechtsvoorgangers van [gedaagde 1] c.s.?

3.10.1.

Gesteld noch gebleken is dat de rechtsvoorgangers van [gedaagde 1] c.s. een afrastering hebben aangebracht rond het gedeelte van dat pad en de border die op Perceel 19 liggen.

3.10.2.

Het aanbrengen van de door [gedaagde 1] c.s. gestelde piketpaaltjes – waarvan [eiser 1] c.s. het bestaan en de functie betwist – geeft – indien het bewijs ervan geleverd zou worden – geen naar buiten toe kenbare inbezitneming. De paaltjes zijn, immers, praktisch onzichtbaar, zodat de rechtsvoorgangers van [eiser 1] c.s. uit het enkel plaatsen van die paaltjes niet zonder meer hebben behoeven af te leiden dat hun toenmalige buurman zich eigenaar van de grond aan gene zijde van die paaltjes waande.

3.10.3.

Het planten van de Leylandii coniferenhaag merkt de rechtbank evenmin aan als zodanige inbezitneming. Immers, Volgens de verklaring van [gedaagde 1] c.s. ter comparitie, is die coniferenhaag geplant door [naam 2] en [naam 3] , de rechtsvoorgangers van [eiser 1] c.s. op Perceel 19. Dat vormt dus geen inbezitneming door een rechthebbende op Perceel 17. Voor zover de Leylandii coniferenhaag al geplant zou zijn door de vroegere eigenaren van Perceel 17 en Perceel 19 tezamen, zoals [gedaagde 1] c.s. stelt onder 5. in de conclusie van antwoord, levert die gedraging evenmin een zodanige inbezitneming door een rechthebbende op Perceel 17 op, omdat daaruit niet blijkt dat het recht van de rechthebbende op Perceel 19 teniet werd gedaan..

3.10.4.

Voor zover [gedaagde 1] c.s. betoogt dat hij en zijn rechtsvoorgangers (vanuit hun woning gezien) tot over het pad en de border die op Perceel 19 liggen tuinonderhoud hebben gepleegd, merkt de rechtbank die gedragingen evenmin aan als zodanige inbezitneming. Tuinonderhoud is, immers, geen daad van inbezitneming of feitelijke machtsuitoefening.

3.10.5.

Voor zover [gedaagde 1] c.s. betoogt dat zijn rechtsvoorgangers met de aanleg van het pad langs hun woning het betreffende stuk grond van Perceel 19 in bezit hebben genomen en vervolgens daarover de feitelijke macht hebben uitgeoefend, overweegt de rechtbank het volgende.

[eiser 1] c.s. stelt dat [gedaagde 1] c.s. in 2016 het pad in de richting van Perceel 19 heeft verlegd. [gedaagde 1] c.s. betwist dat hij het pad heeft verlegd, maar erkent dat hij het pad in bewerking heeft genomen. Vast staat dat [eiser 1] c.s. kort na de bewerking van het pad daartegen bezwaar heeft gemaakt, stellende dat het op zijn Perceel 19 was gekomen. Onder deze omstandigheden lag het op de weg van [gedaagde 1] c.s. om zijn stelling dat het pad niet is verlegd en dat het vóór de bewerking al op Perceel 19 lag, te concretiseren. Dat heeft [gedaagde 1] c.s. niet gedaan. Daarmee kan de aanleg van het pad niet als een inbezitneming (van het betreffende stuk grond) worden aangemerkt.

3.10.6.

Andere als inbezitneming kenbare gedragingen van de rechtsvoorgangers van [gedaagde 1] c.s. zijn gesteld noch gebleken.

3.11.

Daarom concludeert de rechtbank dat niet aannemelijk is geworden dat de rechtsvoorgangers van [gedaagde 1] c.s. het gedeelte van perceel 19 waarop het pad en de border liggen in bezit hebben genomen.

3.12.

Derhalve is de verjaringstermijn niet gaan lopen. Daarop stuit het beroep op voltooide verjaring af.

Voorts in conventie

3.13.

Het vorenstaande voert tot de slotsom dat [gedaagde 1] c.s. zonder recht of titel het gedeelte van Perceel 19 waarop het pad en de border liggen gebruikt. Het laten ontstaan of voortbestaan van zodanige toestand is onrechtmatig jegens de rechthebbende, [eiser 1] c.s..

3.14.

Derhalve dient de vordering van [eiser 1] c.s. tot ontruiming te worden toegewezen.

De rechtbank acht de gevorderde periode voor ontruiming van één week na betekening van het vonnis onredelijk kort, mede gelet op de omstandigheid dat partijen buren zijn. De door [gedaagde 1] c.s. verlangde periode van één jaar acht de rechtbank onredelijk lang. Daarom zal de rechtbank een termijn bepalen van twee maanden.

3.15.

Nu [gedaagde 1] c.s. handelingen zal moeten verrichten ter ontruiming en hij na de grensreconstructie door de landmeter kennelijk niet bereid is gebleken om tot ontruiming over te gaan, acht de rechtbank het opleggen van een dwangsom passend. De omvang van de gevorderde dwangsom en het gevorderde maximum acht de rechtbank eveneens passend.

3.16.

Waar partijen buren zijn, acht de rechtbank de gevorderde machtiging tot de sterke arm niet passend.

3.17.

[eiser 1] c.s. stelt dat hij de opdracht aan het Kadaster tot het uitvoeren van een grensreconstructie in overleg en voor gezamenlijke rekening met [gedaagde 1] c.s. heeft gegeven. Op die stelling is de vordering van [eiser 1] c.s. van per saldo € 49,25 gebaseerd.

[gedaagde 1] c.s. betwist die stelling.

De rechtbank overweegt het volgende.

3.17.1.

Bij e-mail van 2 november 2016 (productie 5 van [eiser 1] c.s.) stuurde [eiser 1] c.s. een offerte van het Kadaster voor een grensreconstructie aan [gedaagde 1] c.s. en schreef [eiser 1] c.s. onder meer:

“Hi [naam 4] ,

Kosten 1 grens EUR450,- (offerte bijgaand)

Dit is dus 225,- voor ieder. Is dit accoord? Zo ja dan ga ik het regelen.

[..]”.

Op 16 en 17 januari 2017 schreven partijen elkaar de volgende e-mails (productie 10 van [eiser 1] c.s.):

[eiser 1] c.s. aan [gedaagde 1] c.s.:

“Hi

Morgen komt het kadaster eindelijk meten. En dan volgende week de grens uitzetten. Laten we daarna even afspreken om te overleggen! Ok?”

[gedaagde 1] c.s. aan [eiser 1] c.s.:

“Hoi [naam 5] ,

Is prima. Weet je hoe laat ze komen?”

[eiser 1] c.s. aan [gedaagde 1] c.s.:

“Rond het middaguur.”

[gedaagde 1] c.s. aan [eiser 1] c.s.:

“Ok”

[eiser 1] c.s. aan [gedaagde 1] c.s.:

“Vandaag alleen meten en dan komt ie volgende week om de grens uit te zetten met paaltjes.”

Uit deze correspondentie valt niet anders af te leiden dan dat [gedaagde 1] c.s. heeft ingestemd, niet alleen met de opdracht aan het Kadaster om de grensreconstructie uit te voeren, maar ook met de helft van de kosten daarvan ten bedrage van € 225,-.

3.17.2.

[gedaagde 1] c.s. betwist niet dat hij zijn aandeel in die kosten van € 225,- pas op 13 oktober 2017 heeft betaald. Dat was nadat de advocaat van [eiser 1] c.s. bij brief van 6 juli 2017 (productie 9 van [eiser 1] c.s.) tot betaling had aangemaand en nadat [eiser 1] c.s. tot dagvaarding was overgegaan en daarbij dat bedrag had gevorderd.

Derhalve diende [gedaagde 1] c.s. niet alleen de hoofdsom van € 225,- maar ook de inmiddels opgelopen rente en kosten te betalen.

Tegen de hoogte van de gevorderde rente en kosten heeft [gedaagde 1] c.s. geen verweer gevoerd.

3.17.3.

Daarom zal de rechtbank het bedrag van € 49,25, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 oktober 2017 toewijzen.

Voorts in conventie en in reconventie

3.18.

Zowel [gedaagde 1] c.s. als [eiser 1] c.s. vordert medewerking aan een behoorlijke grensafscheiding, zij het in verschillende bewoordingen. De rechtbank overweegt het volgende.

3.18.1.

Beide partijen merken op dat voor de uitvoering van de grensafscheiding overleg tussen partijen nodig kan zijn. [gedaagde 1] c.s. voert daarbij aan dat door verwijdering van beplanting en een lage grensafscheiding de mogelijkheid van inkijk in zijn woning ontstaat.

3.18.2.

Nu in dit vonnis wordt beslist over het grensgeschil, ligt het op de weg van partijen – zij zijn en blijven buren – om de uitvoering van de grensafscheiding in onderling overleg te bepalen. Onder deze omstandigheden ligt het niet in de rede om die grensafscheiding bij vonnis te bepalen.

Daarom zal de rechtbank geen van de betreffende vorderingen toewijzen.

3.19.

In de zaak in conventie zal de rechtbank [gedaagde 1] c.s. als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordelen.

De rechtbank zal de aan de zijde van [eiser 1] c.s. tot deze uitspraak gevallen kosten begroten op:

  • -

    dagvaarding € 97,31

  • -

    griffierecht € 287,00

  • -

    salaris advocaat € 1.629,00 (3 punten in Liquidatietarief II)

totaal: € 2.033,31

De veroordeling in de proceskosten omvat een veroordeling in de nakosten. De rechtbank zal het nasalaris advocaat begroten op € 157,00 zonder betekening, met verhoging met verhoging met € 82,00 ingeval van betekening van het vonnis.

Nu [gedaagde 1] c.s. daartegen geen zelfstandig verweer heeft gevoerd, zal de rechtbank de bepalen dat de proceskosten binnen veertien dagen na de uitspraak moeten zijn betaald.

3.20.

In reconventie zal de rechtbank de proceskosten compenseren, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.

3.21.

[gedaagde 1] c.s. maakt bezwaar tegen de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad, waarbij hij onder meer aanvoert dat door verwijdering van beplanting onherstelbare schade zal intreden en de mogelijkheid van inkijk in zijn woning ontstaat.

[eiser 1] c.s. is daarop niet inhoudelijk ingegaan.

Nu de kwestie van het grensgeschil het belangrijkste onderwerp van deze zaak is, zal de rechtbank de veroordelingen niet bij voorraad uitvoerbaar verklaren.

4 De beslissing

De rechtbank,

in conventie

4.1.

veroordeelt [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk om binnen 2 (twee) maanden na betekening van het vonnis het perceel plaatselijk bekend [adres 1] in Capelle aan den IJssel, kadastraal bekend gemeente Capelle aan den IJssel, sectie A nummer [kadasternummer 1] , met al het hunne en de hunnen te ontruimen en te verlaten en ontruimd en verlaten te houden, meer in het bijzonder door het pad dat zij op dat perceel hebben aangelegd, alsmede de verhoogde border te verwijderen en verwijderd te houden;

op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 (vijfhonderd euro) voor elke dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde 1] c.s. in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, de eerste dag daaronder begrepen;

bepaalt als maximum aan te verbeuren dwangsommen: € 10.000,00 (tienduizend euro);

4.2.

veroordeelt [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser 1] c.s. te betalen het bedrag van € 49,25 (negenenveertig 25/100 euro) te vermeerderen met de wettelijke rente daarover te rekenen vanaf 13 oktober 2017;

4.3.

veroordeelt [gedaagde 1] c.s. in de proceskosten;

begroot de tot deze uitspraak aan de zijde van [eiser 1] c.s. gevallen proceskosten op € 2.033,31 (tweeduizend drieëndertig 31/100 euro);

begroot het nasalaris voor de advocaat aan de zijde van [eiser 1] c.s. op € 157,00 zonder betekening, met verhoging met € 82,00 ingeval van betekening van het vonnis;

bepaalt dat de proceskosten binnen veertien dagen na de uitspraak moeten zijn betaald;

4.4.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

4.5.

wijst het gevorderde af;

4.6.

compenseert de proceskosten, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.P. Sprenger en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2019. 1928