Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:2372

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-03-2019
Datum publicatie
28-03-2019
Zaaknummer
10/701008-18 en 10/702083-18 (gevoegde zaak)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte wordt veroordeeld ter zake van seksueel misbruik, waaronder het (pogen tot) seksueel binnendringen, van drie minderjarige meisjes die aan zijn zorg waren toevertrouwd tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren. De rechtbank acht de verklaringen van de aangeefsters betrouwbaar en gebruikt deze aangiftes voor het bewijs. De verklaringen van twee aangeefsters vinden voldoende steun in de overige bewijsmiddelen, het derde feit wordt bewezen verklaard door middel van schakelbewijs, nu steeds sprake was van een overeenkomende modus operandi.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0579
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummers: 10/701008-18 en 10/702083-18 (gevoegde zaak)

Datum uitspraak: 15 maart 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] (Suriname) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de

PI Zuid West – De Dordtse Poorten, te Dordrecht,

raadsman mr. J.J.D. Doleweerd, advocaat te Amersfoort.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 1 maart 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie zijn gewijzigd. De rechtbank heeft de feiten die in de gevoegde dagvaardingen zijn opgenomen van een doorlopende nummering voorzien. Die nummering zal worden aangehouden in dit vonnis.

De tekst van de (gewijzigde) tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M. van den Berg heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 1B en 3 ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1A primair, 2, 4 en 5 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak (feit 1A primair en 1B; zaak [naam slachtoffer 1] )

4.1.1.

Standpunt officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft betoogd dat de het onder 1A primair ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard, nu aangeefster ten tijde van het misbruik de leeftijd van 12 jaar nog niet had bereikt en er sprake is geweest van seksueel binnendringen. Ten aanzien van feit 1B heeft hij geconcludeerd tot vrijspraak.

De verdediging heeft - naast het verweer met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster en het ontbreken van voldoende steunbewijs - betoogd dat het onder 1A en 1B ten laste gelegde niet bewezen kan worden nu de leeftijd van aangeefster ten tijde van het vermeende misbruik op grond van haar (wisselende) verklaringen niet is vast te stellen en voorts geen sprake is geweest van seksueel binnendringen.

4.1.2.

Beoordeling

Aangeefster [naam slachtoffer 1] heeft (onder meer) verklaard dat de verdachte toen zij elf jaar oud was twee keer, tijdens het logeren in verdachtes huis, bij haar in bed is komen liggen. De verdachte is achter haar gaan liggen, heeft zijn en haar onderbroek naar beneden/uit gedaan en heeft vervolgens met zijn penis tussen de benen van aangeefster, tegen haar vagina bewogen.

De verdachte heeft geprobeerd om met zijn penis in haar vagina te komen. Aangeefster heeft verklaard dat ‘hij steeds op zoek was naar de opening’, hij kwam tegen haar schaamlippen aan.

Gelet op de verklaring van aangeefster acht de rechtbank het niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de vagina (dan wel tussen de schaamlippen) van aangeefster is geweest, maar dat hij daartoe steeds een poging heeft gedaan, zodat niet voldaan is aan het bestanddeel ‘seksueel binnendringen’. De verdachte wordt daarom vrijgesproken van het onder feit 1A primair ten laste gelegde.

Voorts gaat de rechtbank er gelet op de verklaring van aangeefster vanuit dat zij ten tijde van het misbruik, de twee keer die zij beschrijft, telkens 11 jaar oud is geweest. De verdachte zal dan ook van feit 1B (art. 245 Sr; plegen van ontuchtige handelingen met iemand van 12 -16 jaar oud) worden vrijgesproken.

4.1.3.

Conclusie

Het onder 1A primair en 1B ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.2.

Vrijspraak (feit 3; zaak [naam slachtoffer 2] )

4.2.1.

Standpunt officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot vrijspraak van feit 3 nu slechts de aangifte als bewijsmiddel kan dienen voor dit feit. De daarin beschreven werkwijze van de verdachte wijkt echter in belangrijke mate af van de overige aangiftes. Nu er onvoldoende steunbewijs is voor de aangifte is niet voldaan aan het bewijsminimum van art. 342 lid 2 Sv en dient de verdachte te worden vrijgesproken van dit feit.

De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 3 ten laste gelegde seksueel misbruik van aangeefster [naam slachtoffer 2] , nu de aangifte onbetrouwbaar is en voldoende steunbewijs ontbreekt.

4.2.2.

Beoordeling

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat wettig én overtuigend bewijs ten aanzien het onder 3 ten laste gelegde misbruik van aangeefster [naam slachtoffer 2] ontbreekt. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.2.3.

Conclusie

Het onder 3 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.3.

Partiële vrijspraak (feit 5; zaak [naam slachtoffer 3] ‘drogeren’)

4.3.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 5 ten laste gelegde ‘drogeren’ wettig en overtuigend bewezen. Aangeefster [naam slachtoffer 3] heeft verklaard dat de verdachte, meermalen slaappillen in haar eten heeft gedaan waarna zij zich moe en zweverig voelde en in slaap viel. Zij heeft het idee dat de verdachte in haar slaap handelingen bij haar heeft verricht. Zij kan van die keren slechts herinneren dat wanneer zij wakker werd de verdachte naast haar in bed lag.

4.3.2.

Beoordeling

Gelet op de verklaring van aangeefster [naam slachtoffer 3] dat ze na het mogelijke drogeren door de verdachte zich niet kon herinneren wat er daadwerkelijk was gebeurd acht de rechtbank niet bewezen dat de verdachte ontuchtige handelingen heeft gepleegd nádat hij aangeefster slaapmiddelen had toegediend. Het dossier bevat hiervoor verder geen aanknopingspunten en de verklaring van aangeefster dat de verdachte naast haar in bed lag, acht de rechtbank daartoe onvoldoende.

De verdachte zal dan ook partieel worden vrijgesproken van het ‘drogeren’ als bedoeld in artikel 243 Sr.

4.3.3.

Conclusie

Het onder 5 partieel ten laste gelegde ‘toedienen van een slaapmiddel aan aangeefster [naam slachtoffer 3] ’ en derhalve ontuchtige handelingen plegen met ‘iemand van wie de verdachte wist dat zij in staat van bewusteloosheid/verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde’ is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt van die bestanddelen van de tenlastelegging vrijgesproken.

4.4.

Bewijswaardering (feiten 1A (subsidiair), 2, 4 en 5)

4.4.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de aan hem onder 1 tot en met 5 ten laste gelegde feiten, nu – kort gezegd – de verklaringen van aangeefsters onbetrouwbaar zijn, de verdachte stellig ontkent en (voldoende) steunbewijs voor deze verklaringen ontbreekt.

De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat er door aangeefsters pas na lange tijd aangifte is gedaan, hetgeen zodanige invloed heeft op de betrouwbaarheid van de herinneringen van aangeefsters dat deze niet meer bruikbaar zijn voor het bewijs. Daarbij komt dat aangeefster [naam slachtoffer 4] reeds geruime tijd psychische problemen had, waarvoor zij reeds onder behandeling liep. Ook daarom kan niet worden gesproken van een betrouwbare aangifte.

Voorts is er binnen de familie veel gesproken hetgeen ruimte heeft geschept voor ‘collaborative storytelling’ en een ‘sneeuwbaleffect’.

In de zaken [naam slachtoffer 1] (feit 1), [naam slachtoffer 4] (feit 2) en [naam slachtoffer 3] (feiten 4 en 5) is niet voldaan aan het bewijsminimum, nu voldoende steunbewijs ontbreekt. De overige verklaringen in het dossier hebben immers een te ver verwijderd verband van de aangiftes. De afzonderlijke aangiftes kunnen evenmin steunbewijs opleveren voor de andere ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van de zaak [naam slachtoffer 3] (feiten 4 en 5) heeft de raadsman subsidiair aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken nu geen sprake is van seksueel binnendringen. Het enkele wrijven over de clitoris is onvoldoende om ‘binnendringen’ bewezen te verklaren. Daarvan is geen sprake als de clitoris (met kleding) bedekt is.

Ten aanzien van de zaak [naam slachtoffer 4] heeft de raadsman subsidiair betoogd dat de dwang niet bewezen kan worden verklaard.

4.4.2.

Beoordeling

Betrouwbaarheid verklaringen aangeefsters

[naam slachtoffer 1] heeft op 15 januari 2018, na een informatief gesprek met zedenrechercheurs, aangifte gedaan van seksueel misbruik. Zij heeft verklaard dat de verdachte toen zij elf jaar oud (1995) was twee keer, tijdens het logeren in zijn woning, bij haar in bed is komen liggen. De verdachte was haar komen ophalen in zijn auto want de moeder van aangeefster had geen auto. Ze sliep op een matras in de woonkamer met haar zusje en haar broertje, die al sliepen, onder een tweepersoons dekbed. Aangeefster lag aan de buitenkant. De verdachte is achter haar gaan liggen, heeft zijn en haar onderbroek naar beneden/uit gedaan en heeft vervolgens met zijn penis tussen de benen van aangeefster, tegen haar vagina, bewogen. Hij maakte op en neer gaande bewegingen achter haar. De verdachte heeft geprobeerd om met zijn penis in haar vagina te komen door, zoals aangeefster heeft verklaard, naar de opening te zoeken.

De verdachte was een goede kennis van haar moeder en kwam vaak bij hen thuis om klusjes te doen. Deze twee nachten had de verdachte de zorg over haar vanwege het feit dat haar moeder voor haar werk nachtdienst moest verrichten. De verdachte had aangeboden op te passen.

[naam slachtoffer 4] heeft op 5 april 2018, na een informatief gesprek met de zedenrechercheurs, aangifte gedaan van verkrachting meermalen gepleegd door de verdachte, haar oom, in de periode 1 januari 2006 tot en met 1 juli 2011. De verdachte en haar moeder waren heel close. Ze deden veel samen en de verdachte kwam vaak bij hen klussen en logeren.

In 2006 is zij met haar moeder en haar broertje in Beverwaard (Rotterdam) komen wonen. Een jaar later, in 2007, kreeg zij een hartjeskamer. De verdachte en haar oom [naam oom] hebben die kamer voor haar gereed gemaakt. Oom [naam oom] heeft de hartjes op de muur getekend.

Het seksueel misbruik is begonnen heel kort nadat ze deze nieuwe kamer kreeg; haar kamer rook nog naar verf.

De verdachte kwam vanaf 2007 meerdere keren per maand ’s nachts naar haar kamer en ging naast haar in bed liggen om seks met haar te hebben. Hij kleedde haar uit, likte haar borsten, befte haar en zij moest hem ook pijpen terwijl hij haar hoofd vast hield. Eerst lukte dat allemaal niet zo goed omdat ze niet wist hoe het moest. Tijdens de seks ging de verdachte op haar liggen waardoor ze soms bijna geen adem kreeg. De penis van de verdachte paste maar een klein stukje in haar vagina. Het deed pijn. Als hij klaarkwam maakte hij steeds een raar geluidje. Zij ging dan naar de badkamer om te plassen en zij had dan bloed bij het afvegen van haar vagina. De verdachte zei steeds; ‘het is ons geheimpje, want we zijn op dezelfde dag jarig’. Als zij haar kamer weer in kwam stonk het. Het misbruik stopte toen zij 11 jaar oud was; in de periode dat haar vader overleed.

[naam slachtoffer 3] heeft op 8 juli 2018, na een informatief gesprek met de zedenrechercheurs, aangifte gedaan van seksueel misbruik gepleegd door de verdachte. Zij heeft verklaard dat de verdachte, haar toenmalige stiefvader waarbij ze in huis woonde, toen zij 11 jaar oud (1997) was en tot zij 16 jaar oud was, meermalen bij haar in bed kwam liggen en dat hij dan met zijn vinger(s) haar clitoris stimuleerde. Het gebeurde vaker maar zij kon zich twee momenten nog goed herinneren.

De rechtbank acht de verklaringen van aangeefsters betrouwbaar en zal deze aangiftes gebruiken voor het bewijs.

Het is een feit van algemene bekendheid dat herinneringen van seksueel misbruik, een scherpe en onuitwisbare indruk achterlaten op de slachtoffers, ook indien zij – zoals in dit geval – nog jong waren. De ervaring leert dan ook dat zij dergelijke gebeurtenissen ook jaren later nog kunnen reproduceren. Daarbij komt dat zedenrechercheurs zijn getraind in de afname van dergelijke aangiftes, ook als deze worden gedaan lange tijd na de periode waarin het misbruik heeft plaatsgevonden.

Voort is van belang dat bij [naam slachtoffer 3] en [naam slachtoffer 4] het seksueel misbruik gedurende vele jaren en steeds op dezelfde wijze heeft plaatsgevonden.

Anders dan de raadsman heeft betoogd volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de verklaringen niet dat aangeefsters veel met elkaar hebben gesproken en hun aangiftes/verklaringen op elkaar hebben afgestemd. Integendeel, de rechtbank acht de verklaringen authentiek en op zichzelf staand. Uit het dossier en de verklaringen van de slachtoffers volgt voorts dat schaamte lange tijd heeft overheerst, zodat zij pas lange tijd na het seksueel misbruik de moed en/of kracht hebben gevonden om daarover te spreken met anderen.

Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [naam slachtoffer 4] voordat zij (voor het eerst) met haar familie over het misbruik heeft gesproken, haar vriendin [naam vriendin] reeds in vertrouwen had genomen, hetgeen een contra indicatie is voor de door de raadsman aangevoerde mogelijkheid van ‘collaborative storytelling’.

Aangevers hebben steeds gedetailleerd en consistent verklaard over het seksueel misbruik. Zij hebben verteld wat er is gebeurd, maar ook steeds aangegeven als ze bepaalde dingen zich niet meer precies konden herinneren.

[naam slachtoffer 1] heeft gedetailleerd verklaard over de plaats waar het misbruik heeft plaatsgevonden, namelijk in de woonkamer van de verdachte, met wie zij daar lag, en tevens over de ontuchtige handelingen die hebben plaatsgevonden. Zij geeft daarbij ook duidelijk aan dat de verdachte niet met zijn penis in haar vagina is geweest. Zij herinnert zich ook dat zij met de auto is opgehaald, omdat haar moeder geen auto had.

Ook [naam slachtoffer 4] heeft het misbruik gedetailleerd beschreven. Het begin en het einde van het misbruik heeft zij gekoppeld aan twee objectieve gebeurtenissen; namelijk het krijgen van een nieuwe (hartjes) kamer en het overlijden van haar vader. Ook heeft zij verklaard dat de verdachte steeds zei dat het hun geheimpje was, omdat ze op dezelfde dag jarig zijn; beiden op 8 december.

De rechtbank stelt vast dat [naam slachtoffer 4] is geboren op [geboortedatum slachtoffer 4] 1999 en de verdachte op [geboortedatum verdachte] 1956.

Het feit dat zij wisselend heeft verklaard over de plek op/bij het bed waar het pijpen van de verdachte doorgaans plaatsvond en zij in haar aangifte heeft verklaard over de vinger van de verdachte in haar poepgat nadat zij daar door getrainde rechercheurs naar is gevraagd doet aan het voorgaande niet af.

Ook [naam slachtoffer 3] heeft gedetailleerd verklaard over de wijze waarop de verdachte naar haar kamer kwam en bij haar in bed kwam liggen. Haar moeder heeft bevestigd dat [naam slachtoffer 3] naar haar toe kwam om te vertellen dat de verdachte ’s nachts bij haar in bed kwam liggen. Zij adviseerde haar dan vuilniszakken of haar bed voor de deur te zetten om de verdachte op die manier buiten haar kamer te houden.

Ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaring van [naam slachtoffer 4] overweegt de rechtbank dat, anders door de verdediging aangevoerd, het enkele feit dat [naam slachtoffer 4] psychische problemen heeft niet maakt dat haar verklaring onbetrouwbaar is.

Dit geldt tevens voor aangeefster [naam slachtoffer 1] . Het enkele volgen van therapie (bij PsyQ) zoals aangevoerd door de raadsman maakt niet dat haar verklaring reeds om die reden onbetrouwbaar is. Bovendien is [naam slachtoffer 1] pas onlangs professionele hulp gaan zoeken en moet dat hulpverleningstraject nog worden opgestart.

(Steun) bewijs

Zoals reeds overwogen, acht de rechtbank de verklaringen van aangeefsters betrouwbaar en zal de rechtbank deze aangiftes gebruiken voor het bewijs. De verdachte ontkent de ten laste gelegde feiten.

Bij de beoordeling van het bewijs stelt de rechtbank voorop dat zedenzaken zich doorgaans laten kenmerken door de aanwezigheid van slechts twee personen bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Bij een ontkennende verdachte brengt dit in veel gevallen mee dat slechts de verklaring van het vermeende slachtoffer als wettig bewijsmiddel voorhanden is.

De vraag of aan het bewijsminimum is voldaan en of er voldoende steunbewijs is, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

[naam slachtoffer 1] (feit 1A)

De rechtbank is van oordeel dat de aangifte van [naam slachtoffer 1] wordt ondersteund door de verklaring van haar moeder, [naam moeder 1] . [naam moeder 1] heeft verklaard dat zij haar kinderen wel eens bij de verdachte, een goede kennis van haar, heeft ondergebracht omdat zij moest werken. Het voorstel kwam dan van de verdachte. Hij stelde voor om de kinderen bij hem en zijn vrouw te laten slapen. De verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd dat [naam slachtoffer 1] wel eens bij hem heeft gelogeerd. [naam slachtoffer 1] was gedurende de tijd dat zij bij de verdachte logeerde steeds aan de waakzaamheid van de verdachte toevertrouwd.

Ook de zus van aangeefster [naam slachtoffer 1] , [naam zus] , heeft verklaard over een vergelijkbaar incident met de verdachte, een vriend van de familie.

Toen zij 11 jaar oud was en de verdachte bij hen logeerde, was hij ’s nachts naast haar liggen in bed. Hij had haar bij haar middel vastgehouden en geknuffeld. Hij had haar daarbij toen gezegd dat hij met zijn kinderen ook altijd zo lag. Zij had het gedrag van de verdachte onaangenaam gevonden en was direct uit bed opgestaan en bij haar moeder gaan liggen. Haar verklaring ondersteunt derhalve de wijze waarop de verdachte te werk ging en daarmee de aangifte van [naam slachtoffer 1] .

[naam slachtoffer 3] (feiten 4 en 5)

De rechtbank is van oordeel dat de aangifte van [naam slachtoffer 3] wordt ondersteund door de verklaring van haar moeder, [naam moeder 2] , de toenmalige partner van de verdachte.

[naam slachtoffer 3] was zijn stiefdochter, die bij hem in huis woonde. Zij werd door de verdachte verzorgd en opgevoed als onderdeel van zijn gezin. [naam partner verdachte] heeft de relatie verbroken toen zij een zelfstandige verblijfsvergunning had gekregen.

Zoals reeds overwogen heeft [naam slachtoffer 3] verklaard dat de verdachte bij haar in bed kwam liggen en dan over haar clitoris wreef met zijn vinger.

Haar moeder heeft bevestigd dat [naam slachtoffer 3] een aantal keer naar haar toe was gekomen om te vertellen dat de verdachte steeds ’s nachts bij haar in bed kwam liggen. Zij had haar dochter geadviseerd om haar bed voor de deur te zetten zodat de deur niet open kon. Zij had haar dochter ook gevraagd of ze een tijdje bij haar zus wilde wonen.

Ze had deze adviezen aan haar dochter gegeven om te voorkomen dat hij ‘aan dingen zou zitten, waar hij niet aan mocht zitten’, en omdat ze het idee had dat hij ‘seks zocht bij kinderen’. Deze gedachte had ze gekregen nadat de verdachte [naam nichtje] , een destijds 13 a 14-jarig nichtje, mee naar huis had genomen en die bij hen in bed had laten slapen. Zij had ze horen ‘smoezen’ en had de verdachte toen uit bed gestuurd. Dit voorval had gemaakt dat ze ‘veiligheid voor haar dochter moest zoeken’.

[naam slachtoffer 4] ; Schakelbewijs (feit 2)

In de zaak [naam slachtoffer 4] heeft oom [naam oom] verklaard over de hartjeskamer van aangeefster en over het feit dat zij de verdachte een kusje gaf op de mond. Overig steunbewijs voor de verklaring van aangeefster ontbreekt.

In het dossier bevindt zich voorts een getuigenverklaring van [naam nichtje] . Zij heeft verklaard dat zij toen zij rond haar 13e/14e jaar een aantal malen misbruikt is door haar oom [voornaam verdachte] (de verdachte). Het misbruik is gestopt nadat de toenmalige partner van de verdachte, (de getuige) [naam partner verdachte] , hen had betrapt in hun bed. Ook deze getuige heeft het misbruik als volgt omschreven dat de verdachte midden in de nacht ineens bij haar in bed kwam liggen, zijn onderbroek aan de kant schoof en met zijn geslachtsdeel over haar vagina ging wrijven.

De rechtbank ziet ten aanzien van de seksuele handelingen in de zaak [naam slachtoffer 4] ondersteuning in de overige aangiften. Volgens vaste jurisprudentie mogen aangiften van andere slachtoffers in zedenzaken slechts dan als schakelbewijs worden gebruikt indien sprake is van een modus operandi die in overwegende mate in de verschillende gevallen overeenkomt én bovendien in tenminste één van die zaken naast de aangifte uit het dossier blijkt van onweerlegbaar steunbewijs.

In de andere zaken is reeds overwogen dat er sprake is van onweerlegbaar steunbewijs.

De rechtbank is voorts van oordeel dat er sprake is van een overeenkomende modus operandi. De verdachte was steeds een vertrouwenspersoon of familielid (oom dan wel stiefvader of vriend van de familie) van de minderjarige aangeefsters. Hij ging ’s nachts, als het donker was en de moeder van de slachtoffers (of zijn vriendin) al sliepen, steeds bij de meisjes in bed liggen, waarna hij de seksuele handelingen met hen pleegde. Het ging steeds om jonge meisjes jaar die aan zijn zorg/waakzaamheid waren toevertrouwd.

De rechtbank constateert voorts dat de aangiften voor wat betreft de modus operandi ook overeenkomt met hetgeen de getuigen [naam nichtje] en [naam zus] hebben verklaard.

De aangiftes van [naam slachtoffer 3] en [naam slachtoffer 1] worden als schakelbewijs gebruikt voor hetgeen onder 2 ten laste is gelegd.

Ontuchtige handelingen; seksueel binnendringen (feiten 4 en 5)

De rechtbank acht bewezen dat door het wrijven over de clitoris van aangeefster [naam slachtoffer 3] – volgens vaste jurisprudentie - steeds sprake is van seksueel binnendringen.

Seksueel binnendringen betreft immers ieder binnendringen van het lichaam met een seksuele strekking. De grote en kleine schaamlippen vormen een natuurlijke lichaamsopening die kan worden binnengedrongen. Voor het aanraken van de clitoris zal de natuurlijke lichaamsopening van de grote en kleine schaamlippen moeten worden binnengedrongen. De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de handelingen van verdachte zoals gekwalificeerd kunnen worden als bestaand uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Geweldshandelingen (feit 2)

De rechtbank acht bewezen dat aangeefster [naam slachtoffer 4] door de verdachte is gedwongen tot handelingen die (mede) bestonden uit het binnendringen van haar lichaam, te weten door het op haar gaan liggen (met zijn zware lichaam waardoor zij bijna geen lucht kreeg en niet weg kon) en het vasthouden van haar hoofd en duwen naar zijn penis, alsmede het uit elkaar duwen van haar benen. De rechtbank betrekt in deze gewelddadige handelingen, die de rechtbank bewezen acht, het feit dat de verdachte in de tenlastgelegde periode op aangeefster een sterk psychisch overwicht had, gezien haar leeftijd en de rol van de verdachte in haar huisgezin. Ook hierdoor was zij gedwongen de gedragingen van de verdachte te dulden.

Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

4.4.3.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte het onder 1A subsidiair, 2, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan.

4.5.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1A subsidiair, 2, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1A.

subsidiair

hij op tijdstippen gelegen in de periode van 01 februari 1995 tot en met 31 januari 1997 te Rotterdam,

ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten met [naam slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 1] 1985),

buiten echt, handelingen te plegen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam slachtoffer 1] , namelijk het meermalen duwen van zijn, verdachtes, penis tegen/tussen de schaamlippen van die [naam slachtoffer 1] ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

terwijl die [naam slachtoffer 1] in genoemde periode een aan

zijn, verdachtes, waakzaamheid toevertrouwde minderjarige was;

2.

hij op tijdstip(pen) gelegen in de periode van 01 januari 2006 tot en met 01 juli 2011 te Rotterdam en Spijkenisse, door geweld en andere feitelijkheden [naam slachtoffer 4] (geboren [geboortedatum slachtoffer 4] 1999), (telkens) heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het (meermalen)

- duwen/brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [naam slachtoffer 4] , en

- klaarkomen in de vagina van die [naam slachtoffer 4] , en

- duwen/brengen en/of houden van zijn, verdachtes, tong en/of vinger(s) in de vagina en/of in de anus van die [naam slachtoffer 4] , en

- zich laten pijpen door die [naam slachtoffer 4] ,

het geweld en/of (een) andere feitelijkheden hebben bestaan uit het (meermalen)

- zoenen op de mond van die [naam slachtoffer 4] , en

- uitkleden van die [naam slachtoffer 4] , en

- likken van de borsten van die [naam slachtoffer 4] , en

- gaan liggen op die [naam slachtoffer 4] , en

- vastpakken van het hoofd van die [naam slachtoffer 4] en (vervolgens) (met kracht) brengen/duwen van dat hoofd naar zijn, verdachtes, penis, en

- uiteen duwen/brengen van de benen van die [naam slachtoffer 4] , en/of

- doorgaan met genoemde handeling(en) ondanks het (mondeling) verweer van die [naam slachtoffer 4] ;

4.

hij op tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 01 januari 1995 tot en met 24 december 1998 te Rotterdam,

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, te weten met [naam slachtoffer 3] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 3] 1986), handelingen heeft gepleegd die bestonden of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam,

namelijk het meermalen, met zijn vinger(s) over de (al dan niet met kleding bedekte) clitoris, wrijven,

terwijl die [naam slachtoffer 3] in die periode een kind was wat hij, verdachte, verzorgde en opvoedde als behorend tot zijn gezin.

5.

hij op tijdstippen gelegen in de periode van 25 december 1998 tot en met 24 december 2002 te Rotterdam,met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, te weten met [naam slachtoffer 3] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 3] 1986),

buiten echt, handelingen heeft gepleegd die bestonden uit het seksueel

binnendringen van het lichaam, namelijk het meermalen

met zijn vinger(s) over de (al dan niet met kleding bedekte) clitoris, wrijven,

terwijl die [naam slachtoffer 3] in die periode een kind was wat hij, verdachte, verzorgde en opvoedde als behorend tot zijn gezin.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1A. subsidiair

een poging met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen te plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd;

2.

verkrachting, meermalen gepleegd;

4.

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan

uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd;

5.

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, begaan tegen een aan zijn zorg of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het seksueel misbruik, waaronder het (pogen tot) seksueel binnendringen, van drie minderjarige meisjes die aan zijn zorg waren toevertrouwd.

De verdachte heeft in de periode van 1 februari 1995 tot en met 31 januari 1997 [naam slachtoffer 1] tweemaal seksueel misbruikt. Het slachtoffer was op het moment van het misbruik 11 jaar. Het seksueel misbruik vond plaats terwijl die [naam slachtoffer 1] met haar zusje en broertje bij de verdachte logeerde. De seksuele handelingen bestonden uit het proberen binnen te dringen van de vagina van die [naam slachtoffer 1] .

De verdachte heeft gedurende een periode van bijna vier jaar zijn nichtje seksueel misbruikt. Het misbruik is begonnen toen zij een leeftijd had van 7 jaar en heeft geduurd tot haar 11e jaar. De seksuele handelingen bestonden onder meer uit het binnendringen van haar lichaam. Het slachtoffer heeft de verdachte ook moeten pijpen.

De verdachte heeft zicht voorts schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met zijn stiefdochter [naam slachtoffer 3] . De verdachte had in die periode en relatie met haar moeder. Het is meerdere keren voorgevallen dat de verdachte bij het slachtoffer in haar bed is gaan liggen en over de clitoris van het slachtoffer heeft gewreven.

De verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan het seksueel misbruik van drie zeer jonge meisjes. Hij heeft daarbij ernstig misbruik gemaakt van zijn, uit de feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en van de kwetsbare positie waarin de slachtoffers zich bevonden. De verdachte heeft hiermee de lichamelijke integriteit van hen geschonden en heeft een normale en gezonde seksuele ontwikkeling van de kinderen, verstoord. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke handelingen schade kunnen toebrengen aan de geestelijke gezondheid van het slachtoffer. De verdachte is hier volledig aan voorbij gegaan en heeft zich kennelijk slechts laten leiden door de bevrediging van zijn eigen seksuele behoeften. De verdachte heeft geprobeerd om het seksueel misbruik van [naam slachtoffer 4] verborgen te houden door tegen haar te zeggen dat het een geheim moest blijven. Minderjaren zijn juist vanwege hun leeftijd niet altijd in staat de juistheid en de gevolgen van hun handelen te overzien, in het bijzonder bij gedragingen die niet bij hun leeftijd passen, zoals seksuele handelingen. Zij behoeven in dergelijke gevallen bescherming. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen dat deze minderjarige meisjes – jonge kinderen nog – in hem hadden. Ten aanzien van de slachtoffers [naam slachtoffer 4] en [naam slachtoffer 3] geldt dat zij seksueel zijn misbruikt in hun eigen huis, een omgeving waar zij zich juist extra veilig en geborgen zouden moeten voelen. Uit de ter terechtzitting voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaringen is gebleken hoezeer de slachtoffers zijn getroffen door het door de verdachte gepleegde seksueel misbruik.

De verdachte is blijven volharden in zijn ontkennende houding. Hiermee heeft hij aan de aangeefsters de erkenning van het leed dat hen is toegebracht onthouden, terwijl, naar uit algemene ervaringsregels volgt, juist die erkenning van groot belang is voor de verwerking van dat leed.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 13 februari 2019, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.

7.3.2.

Rapportages

Psycholoog drs. R.K.F. Lemmens heeft een rapport over de verdachte opgemaakt gedateerd 29 juni 2018. Dit rapport houdt het volgende in.

Uit onderzoek blijkt niet dat de verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestesvermogens. Ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten was dan ook geen sprake van een stoornis c.q. gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens.

Bij bewezenverklaring wordt geadviseerd om het ten laste gelegde volledig toe te rekenen.

De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 6 november 2018. Dit rapport houdt het volgende in.

Er is geen noodzaak bevonden tot het adviseren van een verplicht reclasseringscontact en/of eventuele andere bijzondere voorwaarden.

De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Daarbij past de kanttekening dat dit soort zaken zich moeilijk met elkaar laat vergelijken, gelet op de grote verscheidenheid aan variabelen zoals de aard van het misbruik, de duur van het misbruik, alsmede de verhoudingen tussen de verdachte en de slachtoffers. De voor de straftoemeting bestaande richtlijnen en oriëntatiepunten bieden voor de bewezen verklaarde feiten dan ook onvoldoende aanknopingspunten.

In strafverzwarende zin weegt de rechtbank mee dat de verdachte gedurende een lange periode meerdere zeer jonge meisjes seksueel heeft misbruikt, dat de verdachte eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit namelijk voor ‘verkrachting’, en tevens dat de verdachte geen openheid van zaken heeft willen geven.

Voorts houdt de rechtbank rekening met de aard van het seksueel misbruik, waarbij het seksueel binnendringen als de meest vergaande schending van de lichamelijke integriteit kan worden aangemerkt. Een gevangenisstraf van aanzienlijke duur wordt daarvoor dan ook passend geacht. Daarbij betrekt de rechtbank als belangrijk doel van de straf dat het dient ter vergelding voor het aan de slachtoffers toegebracht groot leed.

Alles overwegende concludeert de rechtbank dat een gevangenisstraf - zoals door de officier van justitie gevorderd - voor de duur van 6 jaar passend en geboden is.

8 Vorderingen benadeelde partijen/ schadevergoedingsmaatregelen

[naam benadeelde 1]

heeft zich ter zake van het onder 1A bewezen verklaarde als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Zij heeft een bedrag gevorderd van € 1.805,41 (gederfde inkomsten) aan materiële schade en een vergoeding van € 3.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente.

[naam benadeelde 2]

heeft zich ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Zij heeft een bedrag gevorderd van € 27.500,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente.

[naam benadeelde 3]

heeft zich ter zake van het onder 4 en 5 bewezen verklaarde als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Zij heeft een bedrag gevorderd van € 10.000,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft primair betoogd dat de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard gelet op het standpunt dat de verdachte van al de ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken.

Subsidiair dienen de vorderingen niet-ontvankelijk te worden verklaard wegens onevenredige belasting van het strafproces, nu zowel de aard van de vorderingen als de hoogte daarvan ingewikkeld zijn en een schriftelijke ronde gelet daarop de voorkeur heeft.

Daarbij komt dat niet zonder meer duidelijk is welk causaal verband bestaat tussen het ten laste gelegde en de psychische problemen van de slachtoffers (of in hoeverre er sprake is van ‘eigen schuld’).

8.3.

Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting aannemelijk is geworden dat de verdachte door de onder 1A subsidiair 2, 4 en 5 bewezen verklaarde feiten rechtstreekse schade heeft toegebracht aan de benadeelde partijen. De benadeelde partijen hebben voorts voldoende onderbouwd gesteld dat zij immateriële schade hebben geleden als direct gevolg van het bewezen verklaarde. Het gevorderde bedrag is telkens - met dien verstande dat de vordering van [naam benadeelde 2] wordt gematigd gelet op de bedragen die worden toegewezen in verglijkbare zaken -, alleszins redelijk gelet op de aard, de tijdsduur en ernst van de normschending. De vorderingen worden dan ook toegewezen.

Materiële schade [naam benadeelde 1]

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] door het onder 1A subsidiair bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks (materiële) schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding onvoldoende gemotiveerd is weersproken, zal de vordering worden toegewezen.

Immateriële schade [naam benadeelde 1]

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] door het onder 1A subsidiair bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 3.000,-, zodat de vordering tot dit bedrag (dus geheel) zal worden toegewezen.

[naam benadeelde 2]

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] door het onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 20.000,-, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen. De vordering zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard.

[naam benadeelde 3]

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij [naam benadeelde 3] door de onder 4 en 5 bewezen verklaarde strafbare feiten, rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 10.000,-, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen.

Wettelijke rente

De benadeelde partij [naam benadeelde 1] heeft gevorderd het te vergoeden bedrag met betrekking tot de immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden immateriële schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 1 februari 1995.

De benadeelde partij [naam benadeelde 2] heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 1 januari 2006.

De benadeelde partij [naam benadeelde 3] heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 1 januari 1995.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 1] een schadevergoeding betalen van

€ 4.805,41, vermeerderd met de wettelijke rente. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 2] een schadevergoeding betalen van

€ 20.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 3] een schadevergoeding betalen van

€ 10.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 45, 57, 63, 242, 244, 245 en 248 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1A primair, 1B en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het de onder 1A subsidiair, 2, 4 en 5 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

Benadeelde partij [naam benadeelde 1]

veroordeelt de verdachte, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij , te betalen een bedrag van € 4.805,41 (zegge: vierduizendachthonderdenvijf euro en eenenveertig cent), bestaande uit € 1.805,41 aan materiële schade en € 3.000,- aan immateriële schade. De immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 1 februari 1995 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

Benadeelde partij [naam benadeelde 2]

veroordeelt de verdachte, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij , te betalen een bedrag van € 20.000,- (zegge: twintigduizend euro), bestaande uit € 20.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 1 januari 2006 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

Benadeelde partij [naam benadeelde 3]

veroordeelt de verdachte, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij , te betalen een bedrag van € 10.000,- (zegge: tienduizend euro), bestaande uit € 10.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 1 januari 1995 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] te betalen € 4.805,41 (hoofdsom, zegge: vierduizendachthonderdenvijf euro en eenenveertig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 58 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 2] te betalen € 20.000,- (hoofdsom, zegge: twintigduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2006 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 20.000,- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 135 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 3] te betalen € 10.000,- (hoofdsom, zegge: tienduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 1995 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 10.000,- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 85 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partijen tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partijen en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.A.M.J. Janssen-Timmermans, voorzitter,

en mrs. G.P. van de Beek en P.E. van Althuis, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A-L.H. Wilkens, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De voorzitter en oudste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1A.

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 01 februari 1995 tot en met 31 januari 1997 te Rotterdam,

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten met [naam slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 1] 1985), buiten echt, handelingen heeft gepleegd die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het meermalen, althans eenmaal, (telkens):

- duwen van zijn, verdachtes, penis tussen de schaamlippen van die [naam slachtoffer 1] , en/of

- ( vervolgens) maken van (rijdende) bewegingen met zijn, verdachtes, penis

tegen de vagina van die [naam slachtoffer 1] , en/of

- klaarkomen tegen de vagina, althans tegen het (onder)lichaam van die [naam slachtoffer 1] ,

terwijl die [naam slachtoffer 1] in of omstreeks genoemde periode(n) een kind was

over wie hij, verdachte, het gezag uitoefende en/of een kind was wat hij,

verdachte, verzorgde en/of opvoedde als behorend tot zijn gezin danwel een aan

zijn, verdachtes, zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige

was;

Subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij

op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 01 februari 1995 tot en met 31 januari 1997 te Rotterdam,

ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten met [naam slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 1] 1985),

buiten echt, handelingen te plegen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam slachtoffer 1] , namelijk het meermalen, althans eenmaal, (telkens):

duwen van zijn, verdachtes, penis tegen/tussen de schaamlippen van die [naam slachtoffer 1] ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

terwijl die [naam slachtoffer 1] in of omstreeks genoemde periode(n) een kind was

over wie hij, verdachte, het gezag uitoefende en/of een kind was wat hij,

verdachte, verzorgde en/of opvoedde als behorend tot zijn gezin danwel een aan

zijn, verdachtes, zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige

was;

1B.

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 01 februari 1997 tot en met 31 januari 1998 te Rotterdam,

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, te weten met [naam slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 1] 1985), buiten echt, handelingen heeft gepleegd die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam,

namelijk het meermalen, althans eenmaal, (telkens):

- duwen van zijn, verdachtes, penis tussen de schaamlippen van die [naam slachtoffer 1] , en/of

- ( vervolgens) maken van (rijdende) bewegingen met zijn, verdachtes, penis

tegen de vagina van die [naam slachtoffer 1] , en/of

- klaarkomen tegen de vagina, althans tegen het (onder)lichaam van die [naam slachtoffer 1] ,

terwijl die [naam slachtoffer 1] in of omstreeks genoemde periode(n) een kind was

over wie hij, verdachte, het gezag uitoefende en/of een kind was wat hij,

verdachte, verzorgde en/of opvoedde als behorend tot zijn gezin danwel een aan

zijn, verdachtes, zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige

was;

Subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij

op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 01 februari 1997 tot en met 31 januari 1998 te Rotterdam,

ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, te weten met [naam slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 1] 1985), buiten echt, handelingen te plegen die bestonden of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam slachtoffer 1] , namelijk het meermalen, althans eenmaal, (telkens):

duwen van zijn, verdachtes, penis tegen/tussen de schaamlippen van die [naam slachtoffer 1] ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

terwijl die [naam slachtoffer 1] in of omstreeks genoemde periode(n) een kind was

over wie hij, verdachte, het gezag uitoefende en/of een kind was wat hij,

verdachte, verzorgde en/of opvoedde als behorend tot zijn gezin danwel een aan

zijn, verdachtes, zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige

was;

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 01 januari 2006 tot en met 01 juli 2011

te Rotterdam en/of te Spijkenisse, althans in Nederland, meerdere malen, althans eenmaal, (telkens)

door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) iemand, te weten [naam slachtoffer 4] (geboren [geboortedatum slachtoffer 4] 1999), (telkens) heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het (meermalen)

- duwen/brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [naam slachtoffer 4] , en/of

- klaarkomen in de vagina van die [naam slachtoffer 4] , en/of

- duwen/brengen en/of houden van zijn, verdachtes, tong en/of vinger(s) in de vagina en/of in de anus van die [naam slachtoffer 4] , en/of

- zich laten pijpen door die [naam slachtoffer 4] ,

het geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met geweld en/of de bedreiging met (een) ander feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben bestaan uit het (meermalen)

- zoenen op de mond van die [naam slachtoffer 4] , en/of

- uitkleden van die [naam slachtoffer 4] , en/of

- likken van de borsten van die [naam slachtoffer 4] , en/of

- gaan liggen op die [naam slachtoffer 4] , en/of

- vastpakken van het hoofd van die [naam slachtoffer 4] en (vervolgens) (met kracht) brengen/duwen van dat hoofd naar zijn, verdachtes, penis, en/of

- uiteen duwen/brengen van de benen van die [naam slachtoffer 4] , en/of

- niet gebruiken van een condoom, en/of

- doorgaan met genoemde handeling(en) ondanks het (mondeling) verweer van die [naam slachtoffer 4] ;

3.

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2001 tot en met 31 december 2001 te Rotterdam,

ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om

met iemand, te weten [naam slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 2] 1986),

van wie hij, verdachte, wist dat die [naam slachtoffer 2] in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens leed dat die [naam slachtoffer 2] niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) een of meer handeling(en) te plegen, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam slachtoffer 2] ,

- die [naam slachtoffer 2] slaapmiddelen en/o£ kalmeringsmiddelen, althans middelen/medicijnen met een bewustzijnsverlagend effect heeft toegediend en/of

- ( vervolgens) op die [naam slachtoffer 2] is gaan liggen terwijl zij in staat van bewusteloosheid en/of verminderd bewustzijn op de bank, althans ergens in zijn woning, lag en/of

- zijn broek naar beneden heeft gedaan en/of

- zijn hoofd op haar borst(en) heeft gelegd en/of

- het shirt, althans de bovenkleding van die [naam slachtoffer 2] , omhoog heeft gedaan en/of

- de broek van die [naam slachtoffer 2] open en/of naar beneden heeft gedaan, althans gepoogd heeft om die broek open en/of naar beneden te doen,

terwijl die [naam slachtoffer 2] een aan zijn zorg, opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige was,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou, kunnen leiden:

hij

in of omstreeks de periode van 01 januari 2001 tot en met 31 december 2001 te Rotterdam,

ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om met iemand, te weten [naam slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 2] 1986) van wie hij, verdachte, wist dat die [naam slachtoffer 2] in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens leed dat die [naam slachtoffer 2] niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) een of meer ontuchtige handeling(en) te plegen bij die [naam slachtoffer 2] ,

- die [naam slachtoffer 2] slaapmiddelen en/of kalmeringsmiddelen, althans middelen/medicijnen met een bewustzijnsverlagend effect heeft toegediend en/of

- ( vervolgens) op die [naam slachtoffer 2] is gaan liggen terwijl zij in staat van bewusteloosheid en/of verminderd bewustzijn op de bank, althans ergens in zijn woning, lag en/of

- zijn broek naar beneden heeft gedaan en/of

- zijn hoofd op haar borst(en) heeft gelegd en/of

- het shirt, althans de bovenkleding van die [naam slachtoffer 2] , omhoog heeft gedaan en/of

- de broek van die [naam slachtoffer 2] open en/of naar beneden heeft gedaan, althans gepoogd heeft om die broek open en/of naar beneden te doen.

terwijl die [naam slachtoffer 2] een aan zijn zorg, opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige was.

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 01 januari 1995 tot en met 24 december 1998 te Rotterdam,

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, te weten met [naam slachtoffer 3] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 3] 1986), handelingen heeft gepleegd die bestonden of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam,

namelijk het meermalen, althans eenmaal, (telkens):

- duwen en/of brengen en/of houden van zijn, verdachtes, tong in de mond van die [naam slachtoffer 3] , en/of

- met zijn vinger(s) over de (al dan niet met kleding bedekte) clitoris, althans de vagina, wrijven,

terwijl die [naam slachtoffer 3] in of omstreeks die periode een kind was over wie hij, verdachte, het gezag uitoefende en/of een kind was wat hij, verdachte, verzorgde en/of opvoedde als behorend tot zijn gezin danwel een aan zijn, verdachtes, zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige was;

5.

op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 25 december 1998 tot en met 24 december 2002 te Rotterdam,

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, te weten met [naam slachtoffer 3] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 3] 1986),

en/of

met iemand van wie hij, verdachte, wist dat zij in staat van bewusteloosheid,

verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een

zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar

geestvermogens leed dat zij niet of onvolkomen in staat was haar wil

daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden

buiten echt, handelingen heeft gepleegd die bestonden of mede bestonden uit het seksueel

binnendringen van het lichaam, namelijk het meermalen, althans eenmaal, (telkens):

- duwen en/of brengen en/of houden van zijn, verdachtes, tong in de mond van die [naam slachtoffer 3] , en/of

- met zijn vinger(s) over de (al dan niet met kleding bedekte) clitoris, althans de vagina, wrijven,

nadat hij, verdachte, die [naam slachtoffer 3] slaapmiddelen en/of kalmeringsmiddelen, althans middelen/medicijnen met een bewustzijnsverlagend effect had toegediend,

terwijl die [naam slachtoffer 3] in of omstreeks die periode een kind was over wie hij, verdachte, het gezag uitoefende en/of een kind was wat hij, verdachte, verzorgde en/of opvoedde als behorend tot zijn gezin danwel een aan zijn, verdachtes, zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige was.