Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:2359

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-03-2019
Datum publicatie
19-04-2019
Zaaknummer
7157740 CV EXPL 18-35371
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toekenning bonus voor werkzaamheden ten behoeve van het verkrijgen van een onherroepelijke exploitatievergunning, Werkgever en werknemer zijn uitdrukkelijk overeengekomen dat bonusregeling van kracht blijft na einde dienstverband. Uitleg bonusregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0433
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 7157740 CV EXPL 18-35371

uitspraak: 29 maart 2019

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te Amsterdam,

eiser,

gemachtigde: mr. S. Karakaya-Pilavci,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FUNPLAZA BEHEER B.V.,

statutair gevestigd te Breda,

gedaagde,

gemachtigde: mr. L.C.M. de Vos.

Partijen worden hierna nader aangeduid als “ [eiser] ” en “Funplaza”.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken:

  • -

    de dagvaarding van 2 augustus 2019, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    de conclusie van repliek, met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek, met producties.

1.2

De uitspraak van het vonnis is (nader) bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken staat tussen partijen het volgende vast.

2.1

[eiser] , geboren op [geboortedatum] , is op 1 maart 2005 in dienst getreden bij Funplaza in de functie van ´ [naam functie 1] ’.

2.2

[eiser] en Funplaza hebben op 31 augustus 2005 een ‘overeenkomst inzake bonusregeling’ gesloten. In deze bonusregeling is - voor zover van belang - het volgende opgenomen:

Artikel 1:

Indien [eiser] in zijn functie van [naam functie 2] , bij een gemeente in Nederland, bewerkstelligt dat Funplaza een onherroepelijke vergunning krijgt voor het exploiteren van een speelautomatenhal, dan zal [eiser] zondermeer aanspraak maken op de bonus, zoals vastgelegd in artikel 4.

Artikel 2:

De exploitatievergunning dient onherroepelijk te zijn en minimaal 50 ksa’s te omvatten.

In het geval dat er minder ksa’s worden vergund, dan zal een evenredige vermindering van de bonus zoals vastgelegd in artikel 4 plaatsvinden.

Artikel 3:

De aanspraak op de bonus zoals vastgelegd in artikel 4 geldt alleen als de vergunning wordt verstrekt in een gemeente die op de gezamenlijk ondertekende acquisitielijst wordt vermeld als zijnde een project “ [eiser] ”.

Artikel 4:

De bonus wordt vastgesteld op € 25’000,-- (vijfentwintigduizendeuro) en geldt per vergunning.

2.3

Partijen hebben op 25 juli 2006 een ‘gewijzigde overeenkomst inzake bonusregeling’ gesloten. Als gevolg van deze wijziging is in artikel 4 van de bonusregeling het volgende bepaald:

Artikel 4:

De bonus wordt vastgesteld voor de eerste verkregen vergunning op € 25.000,-- (vijfentwintigduizendeuro).

Voor de tweede en elke volgende verkregen vergunning(en) geldt een bonus van € 50.000,-- (vijftigduizendeuro) per vergunning.

2.4

Het dienstverband van [eiser] is per 1 september 2006 voor onbepaalde tijd verlengd. [eiser] is vervolgens de functie van ´ [naam functie 2] ´ gaan vervullen

2.5

De gemeente Winschoten heeft bij besluit van 23 mei 2012 aan Funplaza een vergunning verleend voor het exploiteren van een speelautomatenhal aan de Tramweg

6-12 te Winschoten

2.6

Funplaza heeft [eiser] op 24 december 2008 een bonus voor het project Winschoten uitbetaald.

2.7

[eiser] heeft op 27 februari 2009 de arbeidsovereenkomst met Funplaza opgezegd.

2.8

Funplaza heeft naar aanleiding van de opzeggingsbrief van [eiser] op 3 maart 2009 aan [eiser] schriftelijk bevestigd dat de bonusregeling en de gewijzigde bonusregeling onverkort van kracht blijven na 31 maart 2009. Onder de bonusregelingen vielen de destijds lopende projecten Almere, Spijkenisse, Nijmegen en Nijverdal.

2.9

De brief van [eiser] aan Funplaza van 3 maart 2009 luidt als volgt:

(…)

“Zoals afgesproken zeg ik hierbij toe dat als ons project Winschoten niet doorgaat ik mijn bonus van het project Spijkenisse wens te halveren, ook al heb ik aan mijn verplichting voldaan. Uiteraard gaan we hier niet vanuit en weet ik ook zeker dat we met onze creativiteit er toch weer een succes van gaan malen. Maar mocht dit doemscenario toch uitkomen dat lijkt het me een schappelijk gebaar”.

2.10

Op 8 juli 2009 heeft de gemeente Spijkenisse de Verordening Speelautomaten vastgesteld. Deze verordening is (uiteindelijk) niet in werking getreden.

2.11

Op 1 september 2010 is [eiser] weer bij Funplaza op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van twee maanden in dienst getreden. In die arbeidsovereenkomst is onder artikel 3.2 het volgende opgenomen:

“De bonusregeling zoals vastgelegd in een separate overeenkomst blijft onverkort van kracht met dien verstande dat de regeling zich beperkt tot de projecten: Spijkenisse en Almere. Uiteraard geldt de bonusregeling ook voor eventuele nieuwe projecten die opgestart worden in deze periode”.

2.12

In de opvolgende schriftelijke arbeidsovereenkomsten van 1 januari 2011, 1 april 2011, 2 april 2012 en 23 juli 2012 zijn onder artikel 3.2 (vrijwel) gelijkluidende bonusregelingen opgenomen. [eiser] is uiteindelijk tot 31 december 2012 bij Funplaza in dienst geweest.

2.13

De gemeente Winschoten heeft bij besluit van 23 mei 2012 aan Funplaza een vergunning verleend voor het exploiteren van een speelautomatenhal aan de Tramweg 2

te Winschoten, onder gelijktijdige intrekking van de op 29 augustus 2008 verleende vergunning voor het exploiteren van een speelautomatenhal aan de Tramweg 6-12

te Winschoten.

2.14

Op 23 april 2014 is door de gemeente Spijkenisse de geactualiseerde versie van de verordening Speelautomatenhal vastgesteld.

2.15

Funplaza heeft [eiser] begin 2014 benaderd met het verzoek de aanvraag voor een exploitatievergunning gereed te maken. Door [eiser] zijn in dit verband diverse werkzaamheden verricht.

2.16

Funplaza heeft op 10 juli 2014 een aanvraag voor een exploitatievergunning bij de gemeente Spijkenisse ingediend. Bij besluit van 4 mei 2015 is voor het project Spijkenisse een exploitatievergunning verleend aan Funplaza. Dit besluit is op 13 mei 2015 door de gemeente Nissewaard gepubliceerd. De exploitatievergunning is nadien onherroepelijk geworden.

2.17

[eiser] heeft per brief van 2 februari 2018 aanspraak gemaakt op een bonus ten bedrage van € 50.0000 voor het project Spijkenisse.

2.18

Funplaza heeft zich per brief van 20 maart 2018 op het standpunt gesteld dat [eiser] geen recht heeft op de verzochte bonus voor het project Spijkenisse.

3 Het geschil

3.1

[eiser] heeft gevorderd bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Funplaza te veroordelen tot betaling aan hem van een bedrag van € 50.000,00 bruto aan bonus, onder gelijktijdige afgifte van een deugdelijke bruto/netto specificatie, te vermeerderen met wettelijke verhoging, wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en met veroordeling van Funplaza in de proceskosten.

3.2

[eiser] heeft tegen de achtergrond van de onder 2. weergegeven vaststaande feiten

- verkort en zakelijk weergegeven - het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd.

[eiser] is van 1 maart 2005 tot 31 maart 2009 en van 1 september 2010 tot eind december 2012 bij Funplaza in dienst geweest op basis van meerdere arbeidsovereenkomsten. [eiser] heeft diverse werkzaamheden verricht voor het verkrijgen van een exploitatievergunning. Funplaza is ten onrechte niet overgegaan tot uitbetaling van een bonus van € 50.000,00 ten aanzien van werkzaamheden met betrekking tot het project Spijkenisse. Funplaza heeft op 3 maart 2009 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud aan [eiser] schriftelijk bevestigd dat de bonusregeling onverkort van kracht bleef na 31 maart 2009 en in de daaropvolgende arbeidsovereenkomsten is steeds opgenomen dat de bonusregeling bleef gelden voor het project Spijkenisse. Het project Spijkenisse is afgerond nadat de gemeente op 4 mei 2015 een (onherroepelijke) vergunning voor het exploiteren van een speelautomatenhal heeft verleend aan Funplaza.

3.3

De bonusregeling wordt door [eiser] zo uitgelegd dat voor het ontstaan van het recht op de bonus enkel bepalend is dat [eiser] bij een gemeente in Nederland heeft bewerkstelligd dat een onherroepelijke vergunning wordt verkregen. De criteria zoals genoemd in de bonusregeling zijn duidelijk en zijn niet vatbaar voor enige discussie.

3.4

[eiser] heeft het voorwerk voor het verkrijgen van de exploitatievergunning verricht en heeft daarvoor in 2009 het “lobbytraject” doorlopen. [eiser] heeft zich ook in 2014 na beëindiging van zijn dienstverband op verzoek van Funplaza ingezet voor het project Spijkenisse. De verordening die in 2009 was vastgesteld dankzij de inspanningen van [eiser] is in 2014 aan de hand van gewijzigde wet- en regelgeving geactualiseerd.

De nieuwe verordening van 23 april 2014 is op basis van de oude verordening vastgesteld. [eiser] heeft daarmee uiteindelijk bewerkstelligd dat Funplaza een onherroepelijke exploitatievergunning in Spijkenisse heeft gekregen. [eiser] mocht erop vertrouwen dat hij, na afronding van het project Spijkenisse, ofwel nadat de exploitatievergunning was verleend, de overeengekomen bonus mocht ontvangen. [eiser] maakt dan ook grond van artikel 1 en artikel 4 van de bonusregeling aanspraak op een bonus van € 50.000,00 voor het project Spijkenisse.

3.5

Het verweer van Funplaza strekt tot afwijzing van de vordering van [eiser] . Daartoe heeft Funplaza - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende naar voren gebracht.

Hoewel Funplaza niet betwist dat de bonusregeling na het einde van het dienstverband van [eiser] van toepassing is gebleven stelt zij zich op het standpunt dat [eiser] niet voldoet aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 1 van de bonusregeling, zodat hij geen recht heeft op het verkrijgen van de bonus als genoemd in artikel 4 van de regeling.

3.6

Artikel 1 van de bonusregeling dient volgens Funplaza zo te worden uitgelegd dat er sprake moet zijn van een aldus bewerkstelligde vergunning die onherroepelijk is geworden.

Funplaza dient voorts de speelautomatenhal op basis van de vergunning op de locatie waarvoor de vergunning is verleend daadwerkelijk te kunnen exploiteren. De gedachte achter het onverkort van kracht blijven van de bonusregeling is dat [eiser] na uitdiensttreding aanspraak zou kunnen maken op een bonus als hij daarvoor substantiële werkzaamheden zou hebben verricht. Funplaza vond het redelijk dat [eiser] de vruchten van zijn arbeid zou kunnen plukken, ondanks de beëindiging van zijn dienstverband.

De bonusregeling moet niet zo worden uitgelegd dat het verkrijgen van een onherroepelijke exploitatievergunning enkel en alleen bepalend is voor het recht op een bonus. De bonusregeling is gebaseerd op causaliteit en vormde voor [eiser] een (financiële) prikkel om initiërende, concrete, substantiële en effectieve inspanningen te verrichten. Een andere uitleg van artikel 1 van de bonusregeling is in strijd met de formulering door partijen en wordt door Funplaza bovendien onbegrijpelijk geacht. Nu tussen partijen discussie bestaat over de uitleg van de bonusregeling doet Funplaza subsidiair een beroep op de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid.

3.7

Funplaza betwist voorts dat [eiser] door zijn werkzaamheden in de periode 2010/2012 en nadien in 2014 heeft bewerkstelligd dat Funplaza een onherroepelijke exploitatievergunning heeft gekregen. De verordening van 8 juli 2009 is nimmer in werking getreden en kon daarmee geen grondslag vormen voor de exploitatievergunning. Funplaza heeft zich nadien moeten inspannen voor een nieuwe vergunning en zij heeft zelf een nieuw plan moeten opstellen dat voldeed aan de veranderde wet- en regelgeving. Uiteindelijk is de nieuwe verordening in juli 2014 vastgesteld en in werking getreden. Op basis van deze verordening en haar overige inspanningen heeft Funplaza in 2014 de aanvraag voor de exploitatievergunning ingediend. [eiser] heeft geen noemenswaardige werkzaamheden verricht voor het verkrijgen van de vergunning in 2014, laat staan dat deze door [eiser] is “bewerkstelligd”. Funplaza heeft [eiser] in 2014 weliswaar gevraagd “afrondende werkzaamheden” te verrichten, maar deze werkzaamheden waren niet noemenswaardig, hetgeen ook blijkt uit het feit dat [eiser] daarvoor geen vergoeding heeft ontvangen.

3.8

Voor zover [eiser] wel aanspraak kan maken op een bonus heeft volgens Funplaza te gelden dat conform de aanvullende afspraak van 3 maart 2009 deze bonus ten hoogste

€ 25.000,00 kan bedragen. Voor het project Winschoten heeft [eiser] op 24 december 2008 een bonus gekregen, terwijl Funplaza de vergunning voor het exploiteren van de speelautomatenhal niet heeft verkregen als gevolg van werkzaamheden die door [eiser] zijn verricht. Funplaza had dan ook in 2012 een beroep kunnen doen op onverschuldigde betaling en zij had dit bedrag van [eiser] kunnen terugvorderen. Dat [eiser] ten aanzien van het project Spijkenisse heeft aangeboden zijn bonus te halveren heeft Funplaza tot de coulance gebracht de bonus voor het project Winschoten niet terug te vorderen.

3.9

Nu Funplaza betwist dat zij de bonus aan [eiser] verschuldigd is, betwist zij eveneens dat zij wettelijke verhoging en wettelijke rente verschuldigd is.

3.10

De overige stellingen van partijen worden - voor zover voor de uitkomst van de procedure van belang - bij de beoordeling betrokken.

4 De beoordeling

uitleg bonusregeling

4.1

Kern van het geschil tussen partijen betreft de vraag of [eiser] op basis van de op

31 augustus 2005 en op 25 juli 2006 overeengekomen (gewijzigde) bonusregelingen, waarvan de inhoud hiervoor onder 2.2 en 2.3 is weergegeven, aanspraak kan maken op een bonus in het kader van de door hem verrichte werkzaamheden voor het project Spijkenisse.

4.2

Partijen verschillen van mening over de precieze uitleg van artikel 1 van de bonusregeling. De vraag wat partijen zijn overeengekomen dient te worden beantwoord aan de hand van de zogenoemde Haviltex-maatstaf (Hoge Raad 13 maart 1981, NJ 1981, 635). Deze maatstaf houdt in dat de vraag hoe in een schriftelijke afspraak de verhouding van partijen is geregeld en of deze afspraak een leemte laat die moet worden aangevuld, niet kan worden beantwoord op grond van een zuiver taalkundige uitleg van de tekst van de overeenkomst. Het komt aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs daaraan mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

4.3

[eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat een redelijke uitleg van de bonusregeling met zich brengt dat aan alle criteria voor een bonus is voldaan op het moment dat hij heeft bewerkstelligd dat Funplaza een onherroepelijke vergunning voor het exploiteren van een speelautomatenhal heeft verkregen. Funplaza heeft de volgens haar relevante achtergrond van de bonusregeling geschetst, namelijk dat door [eiser] een onherroepelijke exploitatievergunning moet zijn bewerkstelligd en dat Funplaza op de locatie waarvoor de vergunning is verleend een speelautomatenhal moet kunnen exploiteren. De bonusregeling kan volgens Funplaza niet zo worden uitgelegd dat het verkrijgen van een onherroepelijke exploitatievergunning enkel en alleen - dus los van de vraag of Funplaza als gevolg van het verkrijgen van die vergunning daadwerkelijk over kan gaan tot het exploiteren van een speelautomatenhal op die locatie - bepalend is voor het ontstaan van het recht aanspraak te maken op de bonus.

4.4

Vaststaat dat in de letterlijke tekst van de bonusregeling (“indien [eiser] in zijn functie van [naam functie 2] , bij een gemeente in Nederland, bewerkstelligt dat Funplaza een onherroepelijke vergunning krijgt voor het exploiteren van een speelautomatenhal, dan zal [eiser] zondermeer aanspraak maken op de bonus”) niet is opgenomen dat Funplaza de speelautomatenhal op basis van een onherroepelijke (en door [eiser] bewerkstelligde) vergunning daadwerkelijk op de locatie waarvoor de vergunning is verleend moet kunnen exploiteren. Naar het oordeel van de kantonrechter had [eiser] de door Funplaza voorgestane uitleg van de bonusregeling niet redelijkerwijs daaraan hoeven toe te kennen. Partijen verschillen niet van mening over het feit dat [eiser] geen invloed heeft of heeft kunnen uitoefenen op de feitelijke exploitatie van de speelautomatenhal. Door Funplaza is bovendien ook benadrukt dat de zin van de bonusregeling volgens haar is gelegen in het te bereiken resultaat, namelijk het bewerkstelligen dat een onherroepelijke vergunning wordt verkregen voor het exploiteren van een speelautomatenhal. Indien het uitdrukkelijk de bedoeling van Funplaza was geweest dat de bonusregeling zou inhouden dat zij de speelautomatenhal daadwerkelijk moest kunnen exploiteren, had het voor de hand en op haar weg gelegen deze afspraak duidelijk te formuleren en vast te leggen in de bonusregeling. Voorts is van belang dat door [eiser] als onweersproken is gesteld dat voor de eerdere projecten Winschoten en Hoogeveen de bonussen zijn uitbetaald nadat de verleende exploitatievergunningen onherroepelijk zijn geworden en voordat Funplaza is gestart met de exploitatie van de speelautomatenhal. Ten aanzien van het project Spijkenisse heeft Funplaza bovendien de exploitatie van de speelautomatenhal daadwerkelijk ter hand genomen.

4.5

In de bonusregeling is volstrekt helder geformuleerd dat [eiser] zonder meer aanspraak kan maken op een bonus, wanneer hij voldoet aan de voorwaarden. Funplaza heeft ter onderbouwing van haar andersluidende uitleg aangevoerd dat de bonusregeling er niet toe strekt dat Funplaza aan [eiser] een bonus verschuldigd wordt, maar dat [eiser] aanspraak op een bonus kan maken, anders gezegd, het geeft volgens Funplaza [eiser] het recht aan te tonen dat van de door partijen beoogde situatie sprake is, waarna partijen “er uit moet komen”. Anders dan Funplaza kennelijk heeft willen betogen kan hieruit niet alsnog een bepaalde mate van beslissingsvrijheid voor Funplaza worden afgeleid. De tekst van de bonusregeling wijst juist in een andere richting, namelijk dat sprake is van keuzevrijheid aan de zijde van [eiser] om wel of niet aanspraak te maken op de bonus. Door Funplaza zijn geen relevante feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit zou moeten worden afgeleid dat partijen een andere bedoeling hebben gehad, dan wel dat de interpretatie van Funplaza bepalend moet worden geacht. Voor de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid, waarop Funplaza een beroep heeft gedaan, bestaat evenmin voldoende aanleiding. De kantonrechter acht van belang dat Funplaza een professionele partij is en zij wordt geacht van de formulering van de bonusregeling vooraf de implicaties te hebben kunnen overzien. Ook na het opstellen van de bonusregelingen van 31 augustus 2005 en

31 juli 2006 hebben zich nog verschillende momenten voorgedaan, zoals bijvoorbeeld bij het opstellen van de schriftelijke arbeidsovereenkomsten van 1 januari 2011, 1 april 2011,

2 april 2012 en 23 juli 2012, waarop Funplaza de inhoud van de bonusregeling had kunnen verduidelijken in de zin zoals zij die thans in de procedure voorstaat, maar dat heeft zij nagelaten. In het licht van het voorgaande concludeert de kantonrechter dat Funplaza onvoldoende heeft aangevoerd om tot een andere uitleg van de bonusregeling te komen dan de uitleg die door [eiser] op basis van de letterlijke tekst is gegeven, namelijk dat [eiser] zonder meer aanspraak kan maken op een bonus als hij bewerkstelligt dat Funplaza een onherroepelijke vergunning krijgt voor het exploiteren van een speelautomatenhal in een gemeente in Nederland.

recht op bonus?

4.6

Vervolgens dient beoordeeld te worden of aan [eiser] in de gegeven omstandigheden een beroep op de bonusregeling toekomt. Hiervoor is onder 4.4 en 4.5 reeds overwogen dat de bonusregeling zo moet worden uitgelegd dat [eiser] moet hebben bewerkstelligd dat een onherroepelijke vergunning is verkregen voor het exploiteren van een speelautomatenhal. Partijen zijn het er in wezen over eens dat [eiser] daarvoor substantiële werkzaamheden moet hebben verricht. Hoewel Funplaza op zichzelf niet heeft onderbouwd wat volgens haar moet worden verstaan onder “substantiële werkzaamheden” heeft [eiser] de bonusregeling ook zo uitgelegd dat zijn inspanningen er toe moeten hebben geleid dat een (onherroepelijke) exploitatievergunning is verleend, omdat hij anders geen aanspraak op de bonus had gemaakt.

4.7

[eiser] heeft reeds in 2008/2009 in zijn functie van [naam functie 2] werkzaamheden verricht ten behoeve van het verkrijgen van de exploitatievergunning voor het project Spijkenisse. [eiser] heeft daarvoor het “lobbytraject” doorlopen, zij het dat de verordening uiteindelijk niet in werking is getreden en op basis daarvan geen vergunning kon worden verleend. Uit de door [eiser] in het geding gebrachte stukken blijkt ook onmiskenbaar dat deze werkzaamheden door [eiser] zijn verricht en dit wordt ook in zoverre ook niet door Funplaza betwist. Zo kan uit het collegeadvies van 25 mei 2009 en de door [eiser] overgelegde e-mailcorrespondentie uit 2007/2008 met de destijds verantwoordelijke wethouder worden afgeleid dat [eiser] diverse inspanningen heeft verricht zowel door middel van het geven van een presentatie voor de centrumcommissie als ten aanzien van het bezoek van de gemeenteraad van Spijkenisse aan een andere vestiging van Funplaza, een en ander op basis van de presentatie die is opgesteld door [eiser] gedurende zijn dienstverband met Funplaza. Deze werkzaamheden hebben onmiskenbaar geleid tot het vaststellen van de Verordening Speelautomaten op 8 juli 2009.

4.8

Hoewel de speelautomatenverordening uit 2009 uiteindelijk niet in werking is getreden heeft Funplaza zelf ook aangevoerd dat de werkzaamheden ten behoeve van de op dat moment lopende projecten op het moment van het uitdiensttreden van [eiser] in 2009

in een zodanig vergevorderd stadium waren dat het aannemelijk was dat de vergunning als gevolg van die werkzaamheden aan Funplaza zou worden verleend. Wel meent Funplaza dat de uiteindelijk op 4 mei 2015 verkregen vergunning niet het gevolg is van werkzaamheden die door [eiser] zijn verricht, omdat de gemeente niet wilde meewerken aan vergunningverlening op basis van het oorspronkelijke plan en het noodzakelijk was de samenwerking met de toenmalige grondeigenaar te beëindigen en het proces opnieuw te doorlopen.

4.9

Uit het collegeadvies van 16 april 2014 kan niet anders worden afgeleid dan dat de verordening speelautomatenhal van 8 juli 2009, gezien de wijzigingen in wet- en regelgeving, is geactualiseerd en vervolgens is voorgelegd aan de raad. Funplaza heeft nog aangevoerd dat de verordening daarnaast is geactualiseerd als gevolg van voortschrijdend inzicht, onder meer doordat de gebiedsbeperking zoals die gold in 2009 in 2014 is komen te vervallen en dat zij zich uitermate heeft moeten inspannen om voor de vergunning in aanmerking te komen. Funplaza heeft echter nagelaten te onderbouwen welke concrete werkzaamheden zij daartoe zou hebben verricht. Op dit punt ontbreken verder onderbouwde stellingen van Funplaza. Dat Funplaza zelf het “lobbytraject” zou hebben doorlopen in 2014, hetgeen voor haar kennelijk ook een belangrijk punt is, neemt niet weg dat de verordening van 2014 grotendeels is gebaseerd op de in 2009 vastgestelde verordening, een en ander op basis van de door [eiser] in 2008/2009 vastgestelde stukken. Aan die inspanningen van Funplaza kunnen dan ook geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. Daarbij komt nog dat Funplaza in 2014 [eiser] heeft verzocht haar te helpen met de afronding van het project Spijkenisse, omdat [eiser] na dienstverband de beschikking heeft gehouden over het format dat Funplaza nodig had voor de afronding van het project.

Anders dan door Funplaza is betoogd kunnen de “afrondende werkzaamheden” van [eiser] , waarvoor hij geen vergoeding heeft gevraagd, niet worden bestempeld als “niet noemenswaardig” of “niet substantieel. Uit de e-mailberichten blijkt dat door [eiser] stukken zijn geactualiseerd en verstrekt aan Funplaza, mede naar aanleiding van aanvullende vragen die door de gemeente Spijkenisse aan Funplaza zijn gesteld.

4.10

Funplaza heeft er in 2009 uitdrukkelijk voor gekozen de bonusregeling na het einde van het dienstverband te handhaven. De werkzaamheden die door [eiser] vervolgens in de periode vanaf 1 september 2010 tot het einde van de arbeidsovereenkomst in december 2012 zijn verricht waren voor Funplaza kennelijk ook geen aanleiding andersluidende afspraken met [eiser] te maken. Immers, in de arbeidsovereenkomsten die in die periode zijn gesloten is steeds verwezen naar de bonusregeling voor het project Spijkenisse. Niet valt in te zien waarom Funplaza daartoe over is gegaan als zij van mening was dat door [eiser] in het geheel geen noemenswaardige werkzaamheden zijn verricht. Funplaza heeft bovendien zelf aangevoerd dat zij het redelijk vond dat [eiser] de vruchten van zijn arbeid zou kunnen plukken, ondanks een eventuele beëindiging van het dienstverband.

4.11

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen luidt de conclusie dat [eiser] heeft bewerkstelligd dat een onherroepelijke exploitatievergunning voor het project Spijkenisse is verleend voor het exploiteren van een speelautomatenhal. Nu ook aan de overige voorwaarden is voldaan dient Funplaza op grond van de bonusregeling een bonus aan [eiser] uit te betalen. De kantonrechter acht het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar dat Funplaza wordt gehouden aan de voorwaarden voor uitkering van de bonus waarmee zij uitdrukkelijk heeft ingestemd.

hoogte bonus/project Winschoten

4.12

Vervolgens komt aan de orde op welk bedrag aan bonus [eiser] aanspraak kan maken.

Vaststaat dat Funplaza in 2008 heeft beoogd een speelautomatenhal in Winschoten te exploiteren. Eveneens staat vast dat [eiser] conform zijn opdracht heeft bewerkstelligd dat op 29 augustus 2008 aan Funplaza een vergunning voor het exploiteren van een speelautomatenhal op het perceel Tramweg 6-12 (onherroepelijk) is verleend, zij het dat uiteindelijk is gebleken dat deze vergunning niet bruikbaar was voor dat perceel. Funplaza heeft desondanks op 24 december 2008 een bonus van € 25.000,00 voor het project Winschoten aan [eiser] uitbetaald. Zoals reeds hiervoor onder 4.4 en 4.5 is overwogen moet de bonusregeling niet zo worden uitgelegd dat [eiser] diende te bewerkstelligen dat Funplaza daadwerkelijk een speelautomatenhal op basis van een onherroepelijke (en door [eiser] bewerkstelligde) vergunning moest kunnen exploiteren. De marktomstandigheden, waaronder met name het ontbreken van financiële middelen aan de zijde van de projectontwikkelaar waarvan het project afhankelijk was en als gevolg waarvan het project nimmer is gerealiseerd behoren tot het ondernemersrisico van Funplaza. [eiser] kan daarop geen invloed uitoefenen. Funplaza heeft uiteindelijk zelf een vergunningaanvraag voor het exploiteren van een speelautomatenhal op de locatie Tramweg 2 ingediend en deze is ook aan haar verleend. Los van de vraag of daarbij sprake is geweest van het inruilen van de vergunning (“een formaliteit”), zoals door [eiser] is betoogd, dan wel dat Funplaza daarvoor zelf een uitvoerig traject heeft moeten doorlopen, zijn er onvoldoende aanwijzingen dat [eiser] met zijn toezegging van 3 maart 2009 zonder meer heeft afgezien van de helft van zijn bonus voor het project Spijkenisse. Uit de bewoordingen “zoals afgesproken zeg ik hierbij toe dat als ons project Winschoten niet doorgaat ik mijn bonus van het project Spijkenisse wens te halveren, ook al heb ik aan mijn verplichting voldaan” kan niet worden afgeleid dat [eiser] heeft bedoeld te zeggen dat hij ook in het geval het project Winschoten uiteindelijk op een andere locatie zou worden gerealiseerd zou afzien van de helft van zijn bonus, althans dat Funplaza dit zo heeft mogen begrijpen. Funplaza heeft daartoe onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld. Funplaza heeft er bovendien zelf voor gekozen de bonus in december 2008 aan [eiser] uit te betalen (en niet terug te vorderen). De slotsom luidt dat [eiser] conform artikel 4 van de (gewijzigde) bonusregeling aanspraak kan maken op een bonus ten bedrage van € 50.0000 bruto.

wettelijke verhoging

4.13

De gevorderde wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW zal worden gematigd tot nihil, nu de kantonrechter dit op grond van de omstandigheden van het geval billijk voorkomt. [eiser] heeft blijkens zijn brief van 2 februari 2018 eerst eind december 2017 aanspraak gemaakt op de bonus, terwijl de exploitatievergunning reeds in mei 2015 is verleend.

De wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW dient vooral als prikkel om tot tijdige betaling over te gaan, maar dat is hier niet aan de orde.

wettelijke rente

4.14

De wettelijke rente over de bonus is toewijsbaar op de wijze als in het dictum vermeld.

buitengerechtelijke kosten

4.15

[eiser] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten.

Overwogen wordt dat [eiser] voldoende heeft gesteld en heeft onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan incassokosten overschrijdt de daarvoor in het Besluit bepaalde tarieven niet. Een bedrag van € 1.275,00 aan buitengerechtelijke kosten is aldus toewijsbaar.

proceskosten

4.16

Als de in het ongelijk gesteld partij wordt Funplaza in de proceskosten veroordeeld.

nakosten

4.17

De apart gevorderde nakosten zullen worden toegewezen als hierna vermeld, nu de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten.

5 De beslissing

de kantonrechter:

veroordeelt Funplaza tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 50.000,00 bruto aan bonus, onder gelijktijdige afgifte van een deugdelijke bruto/netto specificatie, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, te rekenen vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt Funplaza tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 1.275,00 aan buitengerechtelijke kosten;

veroordeelt Funplaza in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 581,71 aan verschotten en € 1.442,00 aan salaris voor de gemachtigde,

beide bedragen vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW ingaande veertien dagen na de datum van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening;

en indien Funplaza niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, begroot op € 199,00 aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van

€ 68,00 aan betekeningskosten onder de voorwaarde dat betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, een en ander voor zover van toepassing te vermeerderen met btw, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW ingaande veertien dagen na de datum van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

829