Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:2350

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-03-2019
Datum publicatie
27-03-2019
Zaaknummer
C/10/525628 / HA ZA 17-410
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

collectieve actie consumentenbond- NN over beleggingsverzekering- tussenvonnis- nadere akte over onder meer kosten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2019, afl. 4, p. 186
RF 2019/70
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/525628 / HA ZA 17-410

Vonnis van 27 maart 2019

in de zaak van

de vereniging

CONSUMENTENBOND,

gevestigd te 's-Gravenhage,

eiseres,

advocaat mr. A.P. Kranenburg te Amsterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

NATIONALE NEDERLANDEN LEVENSVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. R. van de Klashorst te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna de Consumentenbond en NN genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 24 maart 2017,

  • -

    de akte overlegging producties, tevens uitlating incidenteel verzoek (art. 22 Rv) alsmede correctie/aanvulling van de Consumentenbond met producties 1 tot en met 18,

  • -

    de akte houdende uitlating tevens wijziging van eis van de Consumentenbond, met productie 19,

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 59,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 6 maart 2018,

  • -

    de conclusie van repliek, tevens houdende wijziging van eis, met producties 19 en 20,

  • -

    de conclusie van dupliek, met producties 60 en 61,

  • -

    de akte overlegging producties tevens wijziging van eis van de Consumentenbond, met producties 21 en 22,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 30 oktober 2018,

  • -

    de bij brief van mr. Kranenburg van 6 november 2018 ingediende akte met een aangepaste versie van het petitum,

  • -

    de brief van mr. Van de Klashorst van 12 november 2018,

  • -

    de brief van mr. Kranenburg van 10 december 2018, met opmerkingen over het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

NN heeft in de periode 1992 - 2008 beleggingsverzekeringen verkocht waarop (een van de twee versies van) de “Voorwaarden voor verzekeringen op basis van belegging in participaties” (hierna: VvV) van 31 augustus 1991 respectievelijk 6 september 2001 van toepassing zijn verklaard (hierna ook: NN-beleggingsverzekeringen). NN-beleggingsverzekeringen werden onder meer onder de volgende namen aangeboden:

  • -

    Flexibel Verzekerd Beleggen;

  • -

    Bedrijfs Effect Sparen;

  • -

    ING Bank Privé Pensioenplan;

  • -

    ING Bank Bedrijfsspaarpolis;

  • -

    ING Bank Flexibel Spaarplan.

2.2.

NN-beleggingsverzekeringen zijn beleggingsverzekeringen op universal life basis, waarbij sprake is van een uitkering bij overlijden van de verzekerde vóór een bepaalde datum of in leven zijn van de verzekerde op een bepaalde datum, afhankelijk van welke gebeurtenis het eerste intreedt. De overlijdensrisicodekking is ingebouwd en volledig afgestemd op de waarde die is opgebouwd in de beleggingsverzekering. Daardoor is niet de volledige uitkering bij overlijden verzekerd, maar slechts het verschil tussen het verzekerd bedrag bij overlijden en de waarde die is opgebouwd in de beleggingsverzekering (het risicokapitaal). De overlijdensrisicopremie die op enig moment verschuldigd is, wordt alleen over dit verschil berekend.

De verzekeringnemer had de keuze uit drie verschillende overlijdensrisicodekkingen:

(i) een vast door de verzekeringnemer gekozen kapitaal of, indien dat meer is, 110%

van de opgebouwde waarde;

(ii) 110% van de opgebouwde waarde of, indien dat meer is, de betaalde bruto premie; of

(iii) 90% van de opgebouwde waarde of, indien dat minder is, de betaalde bruto premie.

Daarnaast kon worden gekozen voor aanvullende risicodekkingen en garanties.

2.3.

NN bracht bij de NN-beleggingsverzekeringen de volgende kosten in rekening:

a. a) aan- en verkoopkosten;

b) eerste kosten verzekeraar;

c) doorlopende kosten verzekeraar;

d) eerste kosten assurantietussenpersoon;

e) doorlopende kosten assurantietussenpersoon;

f) beheerkosten;

g) switchkosten;

h) overige incidentele kosten, waaronder mutatiekosten;

i. i) fondsbeheerkosten;

j) overlijdensrisicopremie.

2.4.

NN-beleggingsverzekeringen werden in de onder 2.1 bedoelde periode uitsluitend verkocht via assurantietussenpersonen. NN had geen rechtstreeks contact met de

(aspirant-)verzekeringnemer. De assurantietussenpersoon gaf voorlichting en advies aan de (aspirant-)verzekeringnemer, waarna deze al dan niet koos voor een NN-beleggingsverzekering.

2.5.

NN had naast de VvV de volgende algemene documentatie beschikbaar:

- het Prospectus Levensverzekeringen in beleggingseenheden (diverse versies van 1994 tot januari 1999),

- de brochure Rendement en Risico (vanaf 1 januari 1997),

- de brochure ‘Levensverzekeringen en spaarkasovereenkomsten met beleggingsrisico’ (vanaf 1 oktober 1998; ter vervanging van de brochure Rendement en Risico),

- de ‘Algemene voorlichtingsbrochure over levensverzekeringen met beleggingsrisico’ (vanaf 1 januari 1999, ter vervanging van het Prospectus),

- de Productleeswijzer (vanaf 1 augustus 1999),

- de Financiële Bijsluiter (vanaf 1 juli 2002; zie hierna ook 2.13).

2.6.

Artikel 3D VvV (zowel in de versie van 1990 als in die van 2001) luidt, voor zover hier van belang:

1. Op de voor de verzekeringnemer uitstaande participaties in de door hem aangegeven fondsen zal iedere kalendermaand een vergoeding voor de door de Maatschappij in verband met deze verzekering gemaakte administratie- en beheerskosten in mindering worden gebracht, alsmede de over de betreffende kalendermaand verschuldigde overlijdensrisicopremie.

(…)

Wet- en regelgeving

2.7.

Richtlijn 92/96/EEG van de Raad van de Europese Unie van 10 november 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe levensverzekeringsbedrijf en tot wijziging van de Richtlijnen 79/267/EEG en 90/619/EEG (hierna: Derde levensrichtlijn) bepaalt voor zover hier van belang:

“(…)

(23) Overwegende dat de consument in het kader van een eengemaakte verzekeringsmarkt een grotere en meer gediversifieerde keuze uit overeenkomsten zal hebben; dat hij om ten volle van deze diversiteit en een toegenomen concurrentie te kunnen profiteren, moet beschikken over de nodige inlichtingen om de overeenkomst te kunnen kiezen die het beste bij zijn behoeften past; dat deze behoefte aan inlichtingen nog sterker is omdat de looptijd van de verbintenissen zeer lang kan zijn; dat het dientengevolge wenselijk is de minimumvoorschriften te coördineren opdat de consument een duidelijke en nauwkeurige informatie zou ontvangen over de wezenlijke kenmerken van de hem aangeboden produkten en over de gegevens betreffende de organismen die bevoegd zijn om kennis te nemen van de klachten van verzekeringnemers, verzekerden of begunstigden van de overeenkomst;

(…)

Artikel 31

1. Vóór de sluiting van de verzekeringsovereenkomst dienen aan de verzekeringnemer ten minste de in bijlage II, onder A, vermelde gegevens te worden medegedeeld.

2. De verzekeringnemer dient gedurende de gehele looptijd van de overeenkomst te worden ingelicht over elke wijziging van de in bijlage II, onder B, vermelde gegevens.

3. De Lid-Staat van de verbintenis mag van de verzekeringsondernemingen niet verlangen dat zij aanvullende gegevens naast de in bijlage II vermelde gegevens verstrekken, tenzij deze nodig zijn voor een goed begrip door de verzekeringnemer van de wezenlijke bestanddelen van de verbintenis.

4. De toepassingsvoorschriften betreffende dit artikel en bijlage II worden door de Lid-Staat van de verbintenis vastgesteld.

(…)”.

2.8.

Bijlage II bij de Derde levensrichtlijn luidt voor zover hier van belang:

“(…)

AAN DE VERZEKERINGNEMER TE VERSTREKKEN INLICHTINGEN

De volgende inlichtingen, die hetzij voor de sluiting van de overeenkomst (A) hetzij gedurende de looptijd ervan (B) aan de verzekeringnemer moeten worden meegedeeld, moeten duidelijk, nauwkeurig en schriftelijk worden verstrekt in een officiële taal van de Lid-Staat van de verbintenis.

(…)

A. Vóór de sluiting van de overeenkomst

(…)

a.4 Omschrijving van elke verzekeringsdekking en keuzemogelijkheid

a.5 Looptijd van de overeenkomst

a.6 Wijze van beëindiging van de overeenkomst

a.7 Wijze en duur van betaling van de premies

a.8 Wijze van berekening en toewijzing van winstdelingen

a.9 Gegevens over de afkoop- en premievrije waarden en in hoeverre deze zijn gegarandeerd

a.10 Inlichtingen over de premies voor iedere verzekeringsdekking, zowel de hoofddekking als de aanvullende dekkingen, indien zulke inlichtingen dienstig blijken

(…)”.

2.9.

Artikel 51 van de (tot 2007 geldende) Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 (hierna: Wtv 1993) vormde in Nederland de implementatie van artikel 31 Derde levensrichtlijn en bepaalde:

“Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot aan het publiek te verstrekken informatie door verzekeraars.”

2.10.

Ter uitvoering van artikel 51 Wtv 1993 is per 1 juli 1994 de Regeling Informatieverstrekking aan Verzekeringnemers in werking getreden (hierna: RIAV 1994). Artikel 2 lid 2 van deze regeling luidt, voor zover hier van belang:

“Voor zover de in dit lid bedoelde informatie niet uit de algemene of bijzondere polisvoorwaarden blijkt, draagt de verzekeraar er tevens zorg voor dat de verzekeringnemer schriftelijk in kennis wordt gesteld van:

(…)

b. een omschrijving van de uitkering of uitkeringen waartoe de verzekeraar zich verplicht;

(…)

h. de premie verschuldigd voor de hoofddekking en, indien de overeenkomst voorziet in een of meer nevenuitkeringen, de premies die voor ieder van de nevenuitkeringen verschuldigd zijn;

(…)

k. indien de overeenkomst voorziet in een afkoop- of premievrije waarde, een opgave of indicatie van die waarden of een opgave van de wijze waarop deze waarden worden berekend;

(…)”

2.11.

Vanaf 1996 heeft de verzekeringsbranche (in het kader van zelfregulering) nadere regels gesteld over de informatievoorziening over onder meer beleggingsverzekeringen in de opeenvolgende versies van de Code Rendement en Risico (hierna: CRR). Deze gedragscode is door het Verbond van Verzekeraars in overleg met, onder meer, de Consumentenbond opgesteld.

De CRR 1996 – die vanaf 1 september 1996 gefaseerd in werking trad en vanaf 1 januari 1997 gold voor nieuwe offertes – luidt voor zover hier van belang:

“(…)

DOEL

Door toepassing van de Code moet de consument inzicht krijgen in de wijze waarop rendement en risico van beleggingen van invloed zijn op toekomstige uitkeringen uit levensverzekeringen en spaarkasovereenkomsten.

(…)

RICHTLIJNEN VOOR DE INFORMATIE OMTRENT VOORBEELDEN

(…)

Voor te communiceren voorbeeldpercentages dient een bandbreedte te worden aangehouden welke relevant is voor het beleggingsrisico.

voorbeeldkapitaal

Er dienen ten minste twee voorbeeldkapitalen te worden gegeven, gebaseerd op voorbeeldpercentages gelegen binnen de bandbreedte, waaronder in elk geval de laagste en de gemiddelde waarde. Bij elk voorbeeld moet het daarin voor de berekening toegepaste voorbeeldpercentage worden vermeld. Indien het voorbeeldpercentage c.q. het voorbeeldkapitaal wordt berekend op basis van het produktrendement, dient zulks uitdrukkelijk te worden vermeld. In dat geval dient tevens (de bandbreedte van) het achterliggende fondsrendement te worden genoemd.

Voor de bepaling van de bandbreedte zal een toe te passen rekenvoorschrift worden vastgesteld.

(…)”.

De CRR 1996 is vervangen door de CRR 1998; deze laatste is per 1 april 1998 in werking getreden. Offertes dienden vanaf 1 oktober 1998 aan de CRR 1998 te voldoen. De CRR 1998 is vervangen door de CRR 2002, die achtereenvolgens vervangen werd door de CRR 2003, 2004 en 2006 (in werking getreden per 1 juli 2002 respectievelijk november 2003, september 2004 en 1 augustus 2006).

2.12.

Op 1 januari 1999 is de Regeling Informatieverstrekking aan Verzekeringnemers 1998 (hierna: RIAV 1998) in werking getreden, die de RIAV 1994 verving en waarmee uitvoering werd gegeven aan artikel 51 Wtv 1993. Artikel 2 lid 2 RIAV 1998, luidt voor zover hier van belang:

“(…)

2 Voor zover de in dit lid bedoelde informatie niet uit de algemene of bijzondere polisvoorwaarden blijkt, draagt de verzekeraar er tevens zorg voor dat de verzekeringnemer schriftelijk in kennis wordt gesteld van:

(…)

b. het bedrag van de uitkering of uitkeringen waartoe de verzekeraar zich verplicht of, voor zover dit bedrag niet op voorhand nauwkeurig kan worden bepaald, een nauwkeurige omschrijving van die uitkering of uitkeringen, alsmede van de factoren waarvan de hoogte van de uitkering of uitkeringen afhankelijk is;

(…)

h. de premie verschuldigd voor de hoofddekking en, indien de overeenkomst voorziet in een of meer nevenuitkeringen, de premies die voor ieder van de nevenuitkeringen zijn verschuldigd;

(…)

k. indien de overeenkomst voorziet in een afkoop- of premievrije waarde, een opgave of indicatie van die waarden of een opgave van de wijze waarop deze waarden worden berekend;

(…)

q. de invloed van kosten en inhoudingen ten laste van de verzekeringnemer op het rendement en de uitkering verbonden aan de overeenkomst;

r. indien van toepassing, de kosten die naast de bruto-premie in rekening worden gebracht;

s. indien van toepassing, het aan de overeenkomst verbonden beleggingsrisico en de mate waarin dit risico ten laste is van de verzekeringnemer.

(…)”

2.13.

Op 1 juli 2002 is het Besluit financiële bijsluiter (Besluit van 20 december 2001, houdende regels met betrekking tot het door financiële ondernemingen ter beschikking stellen van een financiële bijsluiter bij complexe producten, Stbl. 2001, 670; hierna: Bfb 2002) in werking getreden. Artikel 3 lid 1 Bfb 2002 bepaalt dat in duidelijke en voor de afnemer begrijpelijke bewoordingen uitsluitend de volgende onderwerpen worden behandeld in de financiële bijsluiter:

  • -

    informatie over de met het product samenhangende financiële risico’s (sub d);

  • -

    informatie over het voorbeeldrendement en de voor de afnemer aan het product verbonden kosten (sub f).

2.14.

Daarnaast is op 1 juli 2002 de Nadere regeling financiële bijsluiter (Nrfb 2002) in werking getreden. Deze regeling geeft nadere regels over de inhoud van de financiële bijsluiter. Deze nadere regels houden onder meer in dat de informatie over de met het product samenhangende financiële risico’s moet worden gegeven met gebruikmaking van de in bijlage 2 Nrfb 2002 opgenomen standaardteksten en standaardmethodieken. Bijlage 3 bij de Nrfb 2002 bevat modellen voor kosten en voorbeeldrendementen en bijlage 4 geeft voorschriften voor de voorbeeldrendementspercentages. Er moeten in tabelvorm ten minste drie voorbeeldrendementen worden weergegeven, te weten:

- i) het netto historisch rendementspercentage (berekend op basis van de rendementen gedurende de laatste twintig jaar van de fondsen waarin wordt belegd en bij een kortere periode waarin wordt belegd op basis van de eigen historie, aangevuld met daarbij passende relevante indexreeksen voor de betreffende jaren);

- ii) het netto pessimistische rendementspercentage, dat afhankelijk van de aard van de beleggingen vooraf werd vastgesteld;

- iii) een standaard bruto rendement van 4% dat voor alle producten gold.

2.15.

Op 1 januari 2006 is artikel 31 van de Wet van 12 mei 2005, houdende regels voor

de financiële dienstverlening (Wet financiële dienstverlening; hierna: Wfd) in werking getreden. Daarin is bepaald dat de financiële dienstverlener voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een financieel product de consument informatie verstrekt voor zover die redelijkerwijs relevant is voor een adequate beoordeling van dat product.

2.16.

Op 1 januari 2006 is eveneens in werking getreden het Besluit

financiële dienstverlening (hierna: Bfd); de RIAV 1998 is daarin geïncorporeerd. Artikel 32 Bfd bepaalt dat de aanbieder van een overeenkomst inzake een levensverzekering ten minste de in dat artikel genoemde informatie dient te verstrekken, waaronder:

  • -

    het bedrag van de uitkering(en) waartoe hij zich verplicht, of, voor zover dit bedrag niet op voorhand nauwkeurig kan worden bepaald, een nauwkeurige omschrijving van die uitkering(en), alsmede van de factoren waarvan de hoogte van de uitkering(en) afhankelijk is (sub b),

  • -

    de invloed van kosten ten laste van de consument op het rendement en de uitkering verbonden aan de overeenkomst (sub q),

  • -

    de kosten die naast de bruto premie in rekening worden gebracht (sub r),

  • -

    het aan de overeenkomst verbonden financiële risico en de mate waarin dit risico voor rekening is van de consument (sub s).

2.17.

Op 22 februari 2006 is inwerking getreden de Nadere regeling van de AFM van 7 februari 2006 houdende regels voor de informatieverstrekking bij complexe producten (Nadere regeling financiële dienstverlening, hierna: Nrfd). De Nrfd bevat een ingrijpende wijziging van de regelgeving voor de financiële bijsluiter en diende per 1 oktober 2006 geïmplementeerd te zijn.

2.18.

Per 1 mei 2006 is de RIAV 1998 komen te vervallen.

2.19.

Op 1 januari 2007 is in werking getreden de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft) en het krachtens die wet geldende Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft 2007 (hierna: Bgfo 2007), waarmee de Wfd, de Bfd en de Nrfd kwamen te vervallen.

2.20.

Per 1 januari 2008 is het Bgfo gewijzigd, onder meer naar aanleiding van het rapport van de door het Verbond van Verzekeraars ingestelde commissie transparantie beleggingsverzekering (de “Commissie De Ruiter”). Deze commissie kwam tot de aanbeveling om in de precontractuele fase meer informatie te verstrekken over de aard van de beleggingsverzekering, de kosten gedurende de gehele looptijd (omgerekend naar een gemiddeld jaarlijks kostenpercentage), de verschillende kostensoorten en de wijze waarop de kosten worden verrekend alsmede de gevolgen van verhoging of verlaging van de bruto premie, van afkoop en premievrijmaking. Daarnaast zouden verzekeraars tijdens de looptijd een jaarlijkse opgave moeten verstrekken van de besteding van de bruto premie en van het

opgebouwde saldo aan beleggingseenheden en voorts informatie moeten verstrekken

over de gevolgen van aanpassingen in de beleggingsverzekering, ook als de

verzekeringnemer daar niet om vraagt. De Commissie De Ruiter heeft haar aanbevelingen vervat in drie door verzekeraars te gebruiken modellen voor informatieverstrekking over

beleggingsverzekering (de zgn. Modellen De Ruiter).

Artikel 60 Bgfo luidt voor zover hier van belang:

“(…)

i. de premie, verschuldigd voor de hoofddekking en, indien de overeenkomst voorziet in een of meer nevenuitkeringen, de premies die voor elk van de nevenuitkeringen zijn verschuldigd en, indien deze premies gedurende de looptijd fluctueren, een zo nauwkeurig mogelijke beschrijving van de wijze waarop ze worden berekend en van de factoren waardoor het beloop ervan wordt bepaald,

(…)

l. indien de uitkering wordt uitgedrukt in rechten van deelneming in een beleggingsinstelling:

1°. de kosten die worden ingehouden op de premie, bedoeld in onderdeel i, onderverdeeld naar eerste kosten, doorlopende kosten en aan- en verkoopkosten;

2°. de kosten die worden ingehouden op de waarde van de rechten van deelneming, onderverdeeld naar eerste kosten, doorlopende kosten en aan- en verkoopkosten;

3°. de kosten die de beheerder van de beleggingsinstelling jaarlijks in rekening brengt voor het beheer van de rechten van deelneming in die beleggingsinstelling;

4°. de invloed van het gemiddelde jaarlijkse percentage van de kosten, bedoeld onder 1°, 2° en 3°, op het rendement en de uitkering, verbonden aan de overeenkomst;

5°. de wijze waarop de kosten, bedoeld onder 1°, 2° en 3°, worden verdeeld over de looptijd van de overeenkomst met de cliënt;

m. een omschrijving van de gevolgen van een verhoging of verlaging van de premie, met inbegrip van premievrijmaken, en, indien de overeenkomst in die mogelijkheid voorziet, van afkoop, en een opgave van de afkoopwaarde gedurende ten minste de eerste tien jaren van de looptijd, onder vermelding van het voor de berekening gehanteerde rendementspercentage;

(…)”.

3 Het geschil

3.1.

De Consumentenbond vordert – na wijziging van eis – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: waarbij telkens voor "NN-beleggingsverzekeringsovereenkomsten" moet worden gelezen de door NN gesloten overeenkomsten onder de namen Flexibel Verzekerd Beleggen, Bedrijfs Effect Sparen, ING Bank Privé Pensioenplan, ING Bedrijfsspaarpolis, ING Bank Flexibel Spaarplan en alle andere door NN gesloten overeenkomsten waarop (een van de twee versies van de) "Voorwaarden voor verzekeringen op basis van belegging in participaties" (gedeponeerd ter griffie van de rechtbank Rotterdam op 31 augustus 1990 resp. 6 september 2001) (de VvV; zie 2.1) van toepassing worden verklaard,

en waarbij het dan telkens betreft:

Primair: al die beleggingsverzekeringsovereenkomsten;

Subsidiair: de in een bepaalde periode gesloten beleggingsverzekeringsovereenkomsten en/of de beleggingsverzekeringsovereenkomsten waarbij de (aspirant-) polishouder niet, voorafgaand aan het sluiten ervan de door het Verbond van Verzekeraars uitgegeven "Prospectus levensverzekeringen in beleggingseenheden" heeft ontvangen,

verzoek ex art 22 Rv

NN alsnog te bevelen om:

a. van elk van de, in het kader van de uitvoering van de NN-beleggingsverzekeringsovereenkomsten gedane, inhoudingen uit een te zetten hoe de hoogte wordt berekend waarbij van elk van de inhoudingen zowel de grondslag als de gehanteerde percentages verstrekt moeten worden en tevens wijzigingen in de loop der jaren worden aangegeven;

b. de vragen:

a. hoe en op welke grondslag zijn de Eerste Kosten Verzekeringsmaatschappij/Kosten Bemiddelaar of Verzekeringsadviseur (EKV/KB) in de loop der jaren berekend?

b. zijn de in artikel 3D van de VvV genoemde "administratie- en beheerkosten" gelijk aan de in de meer recente waarde-overzichten genoemde Doorlopende Kosten Verzekeringsmaatschappij (DKV) en Beheerkosten?

c. hoe en op welke grondslag zijn "administratie- en beheerkosten" respectievelijk DKV en Beheerkosten in de loop der jaren berekend?

d. is in de loop der jaren, in het kader van de voorbeeldberekeningen/prognoses die in de diverse offertes zijn opgenomen, steeds rekening gehouden met alle EKV/KB, DKV en Beheerkosten?

e. worden in de offertes voor NN Beleggingsverzekeringsovereenkomsten bij de gegeven voorbeeldkapitalen steeds netto voorbeeldrendementen (na inhouding van Fondsbeheerkosten) gegeven? Zo nee, wanneer en voor welke beleggingsverzekeringsovereenkomsten worden er bruto voorbeeldrendementen (voor inhouding van Fondsbeheerkosten) gegeven?

f. hoe is de overlijdensrisicopremie bij NN Beleggingsverzekeringen in de loop der jaren berekend en welke sterftetabellen en opslagen werden daarbij gehanteerd?

g. welke tabellen voor de berekening van overlijdensrisicopremie zijn in de loop der jaren gehanteerd voor "losse" overlijdensrisicoverzekeringen en welke sterftetabellen en opslagen werden daarbij gehanteerd?

h. is in de loop der jaren, in het kader van de voorbeeldberekeningen/prognoses die in de diverse offertes zijn opgenomen, steeds rekening gehouden met:

- op polis/participatieniveau: de EKV/KB en de Beheerkosten;

- op fondsniveau: de Fondsbeheerkosten;

- op alle niveaus: de Overige Kosten?

te beantwoorden en, voor zover mogelijk, met stukken te onderbouwen alsmede de gevraagde stukken in het geding te brengen;

I) kosten- ontbreken contractuele grondslag

A. te verklaren voor recht dat in het kader van de NN- beleggingsverzekeringsovereenkomsten geen inhouding van Eerste Kosten ("EK") en geen inhouding van Kosten Bemiddelaar of Verzekeringsadviseur ("KB") is overeengekomen;

B. te verklaren voor recht dat NN deze kosten (in waarde-overzichten na 2008 aangeduid als "Kosten Verzekeringsmaatschappij (eerste kosten)" en "Kosten Bemiddelaar of Verzekeringsadviseur (eerste kosten, doorlopende kosten)" ten onrechte heeft ingehouden;

II kosten- oneerlijke bedingen (voorwaardelijk)

C1. als zou worden aangenomen dat er een grondslag voor de inhouding van EK en/of KB is terug te vinden in de bij de NN-Beleggingsverzekeringen behorende algemene voorwaarden ("administratie en - beheerkosten" als bedoeld in artikel 3 D lid 1 VvV of een andere bepaling) de betreffende bepaling(en) aan te merken als oneerlijk(e) beding(en) en deze te vernietigen;

C2. te verklaren voor recht dat NN de betreffende kosten, in waarde-overzichten na 2008 aangeduid als "Kosten Verzekeringsmaatschappij (eerste en doorlopende kosten)", "Kosten Bemiddelaar of Verzekeringsadviseur (eerste kosten, doorlopende kosten)" en Beheerkosten, ten onrechte heeft ingehouden;

ad I en II kosten- oneerlijke bedingen (voorwaardelijk)

D. als zou worden aangenomen dat de standaard gehanteerde voorbeeldkapitalen/rendementen in de offertes contractuele grondslag voor inhouding van kosten zijn en dus als "bedingen" worden aangemerkt, te verklaren voor recht dat de bepalingen omtrent die voorbeeldkapitalen/rendementen dan moeten worden aangemerkt als, althans worden gelijk gesteld aan, bedingen die oneerlijk zijn en deze te vernietigen;

E. als zou worden aangenomen dat er een grondslag voor de inhouding van EK en/of KB is terug te vinden in de door het Verbond van Verzekeraars uitgegeven "Prospectus levensverzekeringen in beleggingseenheden" of andere, voorafgaand aan het sluiten van de NN-beleggingsverzekeringsovereenkomst naast offerte, polis en algemene voorwaarden aan aspirant-polishouders te verstrekken, stukken de betreffende bepaling(en) aan te merken als oneerlijk(e) beding(en) en deze te vernietigen;

III kosten- leemte/maximering (subsidiair)

als de vorderingen onder B, althans C2, (ten onrechte inhouden kosten) niet (geheel) worden toegewezen;

F. te verklaren voor recht dat NN, in het kader van het aangaan van NN-beleggingsverzekeringsovereenkomsten, heeft nagelaten om aspirant-polishouders passend te informeren over de ( hoogte van de) kosten die door NN en door de beleggingsfondsen worden ingehouden en aldus jegens hen ter zake in verzuim is althans onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld;

G. te verklaren voor recht dat NN ten aanzien van de NN-beleggingsverzekeringsovereenkomsten niet met de betreffende polishouders is overeengekomen hoe hoog de door de polishouder verschuldigde kosten zijn waardoor sprake is van een leemte in de overeenkomsten die nader dient te worden ingevuld;

H. te verklaren voor recht dat inhoud en strekking van de NN-beleggingsverzekeringsovereenkomsten met zich brengen dat de leemte zo moet worden ingevuld dat, voor wat betreft de kosten, naast de Fondsbeheerkosten (TER), alleen de blijkens de waarde-overzichten in rekening gebrachte Beheerkosten mogen worden ingehouden;

I. te verklaren voor recht dat een redelijke uitleg van de NN-beleggingsverzekeringsovereenkomsten met zich brengt dat polishouders erop mogen vertrouwen dat het totaal van de jaarlijks door NN en de beleggingsfondsen gezamenlijk in te houden kosten niet hoger is dan 1%, althans een door de rechtbank nader te bepalen redelijk percentage, van de bij aanvang van dat jaar in de polis opgebouwde waarde;

IV Overlijdensrisicopremie: primair; oneerlijk beding

J. Artikel 3D lid 1 van de bij NN-beleggingsverzekering(sovereenkomst, opm rb) behorende algemene voorwaarden (VvV), voor zover het de overlijdensrisicopremie betreft, als oneerlijk aan te merken en deze te vernietigen;

K. als zou worden aangenomen dat de standaard gehanteerde voorbeeldkapitalen/rendementen in de offertes de contractuele grondslag voor inhouding van de overlijdensrisicopremie zijn en dus als "bedingen" worden aangemerkt, te verklaren voor recht dat de bepalingen omtrent die voorbeeldkapitalen/rendementen dan moeten worden aangemerkt als, althans worden gelijk gesteld aan, bedingen die oneerlijk zijn en deze te vernietigen;

L. te verklaren voor recht dat de overlijdensrisicopremie, als bedoeld in artikel 3 D lid 1 VvV, respectievelijk de, in de door NN verstrekte waarde-overzichten opgenomen, overlijdensrisicopremie, ten onrechte door NN wordt ingehouden;

V Overlijdensrisicopremie: subsidiair: leemte

als de vordering onder L (ten onrechte inhouden overlijdensrisicopremie) niet (geheel) wordt toegewezen:

M. te verklaren voor recht dat NN ten aanzien van de NN-beleggingsverzekeringsovereenkomsten niet met de betreffende polishouders is overeengekomen hoe hoog de door de polishouder verschuldigde, leeftijdsafhankelijke, overlijdensrisicopremie per ƒ 1.000 of € 1.000 verzekerd kapitaal is;

N. te verklaren voor recht dat deze leemte in de NN-beleggingsverzekeringsovereenkomsten wordt ingevuld door, in het kader van de uitvoering van die beleggingsverzekeringsovereenkomsten, telkens de door de polishouder verschuldigde redelijke overlijdensrisicopremie per ƒ 1.000 of € 1.000 verzekerd kapitaal te bepalen;

O. te verklaren voor recht dat die redelijke overlijdensrisicopremie per ƒ 1.000 of € 1.000 verzekerd kapitaal telkens niet hoger zal zijn dan:

primair: het percentage dat op het moment van de betreffende inhouding voor de betreffende leeftijd en het betreffende geslacht is opgenomen in de op het moment van de inhouding meest recente sterftetabel (die als bijlagen bij het als productie 18 bij akte overgelegde rapport van actuaris Van Os zijn gevoegd);

subsidiair: het percentage dat op het moment van de betreffende inhouding voor de betreffende leeftijd en het betreffende geslacht is opgenomen in de op het moment van het sluiten van de betreffende NN-beleggingsverzekeringsovereenkomst meest recente sterftetabel;

meer subsidiair: door de rechtbank in goede justitie te bepalen percentages;

VI Overlijdensrisicopremie: subsidiair: hefboom/inteereffect

als de vordering onder L (ten onrechte inhouden overlijdensrisicopremie) niet (geheel) wordt toegewezen:

P. te verklaren voor recht dat NN gehouden was om de aspirant-polishouders, voorafgaand aan het sluiten van de NN-beleggingsverzekeringsovereenkomsten, te waarschuwen voor het zogenaamde hefboom/inteereffect en dat NN die waarschuwingsplicht stelselmatig niet is nagekomen;

Q. te verklaren voor recht dat, als niet voor dit hefboom-/inteereffect is gewaarschuwd, bij NN-beleggingsverzekeringsovereenkomsten met een overlijdensrisicodekking waarvan de hoogte van de uitkering bij overlijden bij het sluiten van de overeenkomst vast staat, NN gehouden is het hefboom/inteereffect te ecarteren, waarbij tenminste dient te gelden dat de maandelijks verschuldigde overlijdensrisicopremie niet hoger mag zijn dan de premie die zou worden berekend uitgaande van belegging in fondsen met een vast rendement waarbij de in de polis opgebouwde waarde aan het einde van de looptijd van de overeenkomst gelijk is aan het bedrag van de overlijdensrisicodekking;

VII Overlijdensrisicopremie: subsidiair: maximering

als de vordering onder L (ten onrechte inhouden overlijdensrisicopremie) niet (geheel) wordt toegewezen:

R. met inachtneming van hetgeen hiervoor onder V en VI uiteen is gezet, te verklaren voor recht dat de in te houden overlijdensrisicopremie steeds in evenwicht dient te zijn met de maandelijks te betalen premie en dat een redelijke uitleg van de NN-beleggingsverzekeringsovereenkomsten met zich brengt dat het deel van de periodiek verschuldigde premie of koopsom dat ziet op de overlijdensrisicopremie, niet meer mag bedragen dan 20% van de verschuldigde premie respectievelijk koopsom (althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen percentage);

VIII Herberekening opgebouwde waarde

S. te verklaren voor recht dat de, in het kader van elk van de NN-beleggingsverzekeringsovereenkomsten opgebouwde, waarde door NN moet worden herberekend met dien verstande dat:

a. voor wat betreft de door NN ingehouden/in te houden kosten;

- primair:

- de EK/KB en, bij toewijzing van C 2, ook de Doorlopende Kosten Verzekeringsmaatschappij en Beheerkosten, geheel buiten beschouwing worden gelaten;

- subsidiair:

- bij toewijzing van H: naast de Fondsbeheerkosten alleen beheerkosten in

rekening mogen worden gebracht;

- bij toewijzing van I: de door NN en de fondsen gezamenlijk in totaal in rekening gebrachte/te brengen kosten jaarlijks worden gemaximeerd tot 1%, althans een door de rechtbank nader te bepalen percentage, van de bij aanvang van dat jaar in de polis opgebouwde waarde;

b. voor wat betreft de door NN ingehouden/in te houden OVR- premie:

- primair:

de overlijdensrisicopremie geheel buiten beschouwing wordt gelaten;

- subsidiair:

de hoogte van de overlijdensrisicopremie telkens nader wordt ingevuld als omschreven onder O en wordt gemaximeerd als omschreven onder Q en R;

T. te bepalen dat de NN-beleggingsverzekeringsovereenkomsten moeten worden nagekomen in overeenstemming met de gevraagde verklaring voor recht als omschreven onder S en dat al hetgeen meer door NN is ingehouden door de betreffende polishouder onverschuldigd is

voldaan;

U. te bepalen dat, bij de NN-beleggingsverzekeringsovereenkomsten die reeds beëindigd zijn, NN gehouden is het verschil tussen het aldus berekende bedrag en het reeds aan de polishouder uitgekeerde bedrag aan de polishouder uit te keren, verhoogd met wettelijke rente vanaf de dag van de beëindiging van de betreffende overeenkomst tot de dag der algehele voldoening;

IX Schending zorgplichten, onrechtmatig handelen

V. te verklaren voor recht dat NN, in het kader van het aangaan van de NN-beleggingsverzekeringsovereenkomsten, jegens de polishouders haar zorgplichten heeft geschonden en aldus is tekort geschoten in de nakoming van haar contractuele verplichtingen, althans onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld door:

- de EK/KB niet te melden maar deze vervolgens wel in te inhouden;

- geen informatie over de hoogte van de diverse door NN en de fondsen in te houden kosten te verstrekken waardoor de polishouder geen inzicht kreeg in deze kosten en de totaal ingehouden kosten met als gevolg dat veel meer kosten werden ingehouden en veel minder waarde werd/wordt opgebouwd dan die polishouders mochten verwachten;

W. te verklaren voor recht dat NN, in het kader van de NN-beleggingsverzekeringsovereenkomsten, jegens die polishouders haar zorgplicht heeft geschonden en aldus is tekort geschoten in de nakoming van haar contractuele verplichtingen, althans onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld door geen informatie over de hoogte van de overlijdensrisicopremie te verschaffen en niet te waarschuwen voor (mogelijke) sterke stijging van die overlijdensrisicopremie in latere jaren;

onder meer door:

a. het hanteren van tabellen waarin de premie per ƒ 1.000/€ 1.000 verzekerd kapitaal stijgt met de leeftijd;

b. tegenvallende waarde-opbouw waardoor hefboom- en inteereffecten optreden met als gevolg dat veel minder waarde wordt opgebouwd dan die polishouders mochten verwachten;

X. te verklaren voor recht dat NN, in het kader van de NN-beleggingsverzekeringsovereen-

komsten, jegens die polishouders haar zorgplicht heeft geschonden en aldus is tekortgeschoten in de nakoming van haar (pre-)contractuele verplichtingen, althans onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld, door in offertes voorbeeldkapitalen/rendementen te doen opnemen die de polishouders misleiden omdat de voor gegeven voorbeeldkapitalen te behalen rendementen in werkelijkheid veel hoger zijn dan voorgespiegeld, hetgeen onder meer wordt veroorzaakt:

a. doordat NN (in ieder geval tot 2000) niet in offertes vermeldde dat werd gerekend met netto rendementen, na aftrek van hetgeen op fondsniveau wordt ingehouden;

b. doordat NN niet duidelijk maakte dat werd gerekend met vaste gemiddelde rendementen terwijl er in werkelijkheid, bij wisselende rendementen, met hetzelfde gemiddelde rendement veel minder waarde wordt opgebouwd;

c. door hefboom- en inteereffecten (in verband met tegenvallende waarde-opbouw) met als

gevolg dat veel minder waarde wordt opgebouwd dan werd voorgespiegeld;

d. door onjuiste berekeningen veroorzaakt door "softwarefouten";

X Aansprakelijkheid voor schade

Y. te verklaren voor recht dat NN jegens die polishouders aansprakelijk is voor de, door elk van die polishouders, in verband met de hiervoor onder V, W en X omschreven zorgplichtschendingen en onrechtmatig handelen geleden en nog te lijden schade;

XI kosten bijstand deskundigen

Z. NN te veroordelen om aan de Consumentenbond te voldoen een vergoeding voor de kosten van de vaststelling van de schade en aansprakelijkheid (de kosten van de advisering door actuaris Van Os voorafgaand en gedurende deze procedure en de kosten van de door Prof. Cherednychenko en mr. Wallinga afgegeven opinie) ter hoogte van in totaal € 20.584,95 verhoogd met de wettelijke rente vanaf de dag van het vonnis tot aan die van de algehele voldoening;

met veroordeling van NN in de kosten van het geding.

3.2.

NN voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van de Consumentenbond in de proceskosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

A) Inleiding

Kern van het geschil

4.1.

In deze procedure gaat het om beleggingsverzekeringen die NN onder diverse namen in de periode 1992 tot en met 2008 op grote schaal heeft verkocht aan consumenten (zie 2.1). De Consumentenbond verwijt NN – samengevat – dat zij aan de verzekeringnemers kosten in rekening heeft gebracht zonder dat daarvoor een contractuele grondslag bestond. Als geoordeeld wordt dat die kosten wel zijn overeengekomen, zijn de betreffende bedingen volgens de Consumentenbond oneerlijk in de zin van richtlijn 93/13 EEG van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: richtlijn 93/13). Indien dat niet het geval is, brengt een redelijke uitleg van de overeenkomsten tussen NN en de polishouders mee dat de hoogte van de totaal ingehouden kosten moet worden gemaximeerd tot wat de polishouders in redelijkheid mochten verwachten, aldus de Consumentenbond. Ten aanzien van de overlijdensrisicopremie stelt de Consumentenbond dat artikel 3D lid 1 VvV (zie 2.6) oneerlijk is, althans dat NN – kort gezegd – te hoge bedragen heeft ingehouden. Tot slot verwijt de Consumentenbond NN dat zij haar zorg- en informatieverplichtingen niet is nagekomen en stelt hij dat NN daarom schadeplichtig is jegens de polishouders.

Vonnis van 19 juli 2017

4.2.

Over een van de door NN aangeboden beleggingsverzekeringen (Flexibel Verzekerd Beleggen; zie 2.1) is door de vereniging Woekerpolis.nl eerder een collectieve actie gevoerd voor deze rechtbank. Een deel van de onderwerpen die in de onderhavige procedure spelen waren ook aan de orde in de procedure van de vereniging Woekerpolis.nl. In die zaak heeft de rechtbank op 19 juli 2017 een vonnis gewezen. Thans is het hoger beroep tegen dat vonnis aanhangig bij het gerechtshof Den Haag. De in het vonnis van 19 juli 2017 gegeven oordelen zijn niet bindend in deze zaak. Alle verwijten van de Consumentenbond over de NN-beleggingsverzekeringen (waaronder Flexibel Verzekerd Beleggen) dienen op hun eigen merites te worden beoordeeld, op grond van de in deze zaak gevoerde partijdiscussie.

Plan van behandeling

4.3.

De rechtbank zal allereerst (ambtshalve) bezien of de Consumentenbond op grond van artikel 3:305a BW kan worden ontvangen in zijn vorderingen.

Niettegenstaande de wijze waarop de Consumentenbond zijn vorderingen heeft ingekleed, zal de rechtbank vervolgens, om systematische redenen, ingaan op de vraag of NN haar (precontractuele) zorg- en informatieplichten heeft geschonden. Daarna zal de rechtbank beoordelen wat tussen NN en de polishouders als overeengekomen geldt. Ten slotte komt aan de orde of eventueel sprake is van oneerlijke bedingen dan wel leemtes.

B) Ontvankelijkheid collectieve actie

4.4.

Op grond van lid 1 van artikel 3:305a BW kan een stichting of vereniging met volledige rechtsbevoegdheid een rechtsvordering instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen, voor zover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt. De enkele vermelding van het belang in de statuten is daarbij niet voldoende. De organisatie moet het belang waar het in de procedure om gaat ook feitelijk behartigen.

Artikel 3:305a lid 2, eerste volzin, BW bepaalt dat een rechtspersoon zoals bedoeld in lid 1 niet-ontvankelijk is, indien deze partij in de gegeven omstandigheden onvoldoende heeft getracht het gevorderde door het voeren van overleg met de gedaagde te bereiken. Op grond van artikel 3:305a lid 2, laatste volzin, BW is een dergelijke organisatie eveneens niet-ontvankelijk indien met de rechtsvordering de belangen van de personen ten behoeve van wie de rechtsvordering is ingesteld onvoldoende gewaarborgd zijn.

4.5.

Vaststaat dat de Consumentenbond een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid is die zich blijkens de onweersproken inhoud van zijn statuten (zoals geciteerd door de Consumentenbond in zijn dagvaarding) toelegt op de behartiging van consumentenbelangen. Naar aanleiding van het verweer van NN dat niet alle polishouders van de NN-beleggingsverzekeringen consumenten zijn, heeft de Consumentenbond toegelicht dat zijn vorderingen slechts betrekking hebben op verzekeringnemers die als consument kunnen worden aangemerkt.

De rechtbank zal de vorderingen dienovereenkomstig beperkt lezen. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee sprake van vorderingen die strekken tot bescherming van belangen die de Consumentenbond ingevolge zijn statuten behartigt.

4.6.

Deze belangen kunnen voorts als ‘gelijksoortig’ worden gekwalificeerd. De Consumentenbond vordert immers diverse verklaringen voor recht met betrekking tot door NN verkochte beleggingsverzekeringen over – meer in het bijzonder – door NN ingehouden kosten en de door NN in rekening gebrachte overlijdensrisicopremie. Daarnaast vordert de Consumentenbond (voorwaardelijk) vernietiging van bedingen in de door NN gehanteerde algemene voorwaarden. Deze vorderingen kunnen naar het oordeel van de rechtbank (behoudens na te noemen uitzonderingen; zie onder meer 4.15 en 4.16) beoordeeld worden zonder de omstandigheden van iedere polishouder afzonderlijk in ogenschouw te nemen. Een beslissing over deze punten is vervolgens voor elke individuele polishouder van belang, nu deze dan ziet op algemene kenmerken van de wijze waarop NN haar producten had ingericht, zodat deze in beginsel bij elke beleggingsverzekering van het betreffende type aan de orde zijn.

4.7.

Daarnaast is ook voldaan aan de eis van werkelijke belangenbehartiging, zoals bedoeld in artikel 3:305a BW. De Consumentenbond heeft zich in ieder geval vanaf 2014 gepresenteerd als voorvechter van de belangen van de polishouders. Bij brief van 4 november 2014 heeft hij NN opgeroepen om – kort gezegd – de polishouders meer compensatie aan te bieden dan tot op dat moment het geval was en om maatregelen te nemen om te voorkomen dat de (door de Consumentenbond gestelde) schade verder zou toenemen. Vervolgens heeft de Consumentenbond in samenwerking met de Stichting Wakkerpolis, die zich eveneens inzet voor de belangen van polishouders van beleggingsverzekeringen, NN bij brief van 7 december 2014 uitgenodigd om in overleg te treden over een minnelijke regeling. Daarmee is ook voldaan aan de in artikel 3:305a lid 2 BW bedoelde eis dat gepoogd is buiten rechte tot overeenstemming te komen.

4.8.

Verder zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken waaruit kan worden afgeleid dat met de onderhavige vorderingen de belangen van de consumenten onvoldoende gewaarborgd zijn. De Consumentenbond bestaat sinds de vijftiger jaren van de twintigste eeuw, hij stelt vaker collectieve acties in de zin van artikel 3:305a BW in en er zijn geen aanwijzingen dat de governance structuur van de Consumentenbond niet voldoet aan de eisen die daaraan gesteld mogen worden dan wel dat anderszins reden is voor zorg op dit punt. NN heeft op die punten ook niets aangevoerd.

4.9.

Het verweer van NN dat de vorderingen van de Consumentenbond te ruim zijn geformuleerd en niet door stellingen worden gedragen, is voor de vraag of de Consumentenbond kan worden ontvangen in zijn vorderingen niet relevant. De juistheid van dat standpunt zou hoogstens kunnen leiden tot afwijzing van de vorderingen.

4.10.

Het verweer van NN dat de vorderingen van de Consumentenbond in strijd met artikel 3:305a lid 3 BW in feite strekken tot schadevergoeding te voldoen in geld, treft evenmin doel. De vorderingen van de Consumentenbond strekken er niet toe de omvang van mogelijke betalingsverplichtingen van NN jegens iedere individuele polishouder vast te stellen. Zoals hiervoor reeds is overwogen kan naar het oordeel van de rechtbank op de vorderingen van de Consumentenbond worden beslist zonder de bijzondere omstandigheden van ieder individueel geval in ogenschouw te nemen.

4.11.

De slotsom luidt dat de Consumentenbond ontvankelijk is in zijn collectieve actie.

C) Uitgangspunten

Eiswijziging

4.12.

De Consumentenbond heeft bij conclusie van repliek en de daarop volgende akte van 6 november 2018 zijn eis gewijzigd.

4.13.

Op grond van artikel 130 Rv is de eiser bevoegd zijn eis te wijzigen zolang de rechtbank nog geen eindvonnis heeft gewezen. De eiswijziging is dan ook tijdig gedaan. Nu tegen de eiswijziging geen bezwaar is gemaakt en de rechtbank deze ook niet ambtshalve in strijd met de goede procesorde acht, zal de rechtbank recht doen op de gewijzigde eis, zoals deze hiervoor reeds is weergegeven.

Assurantietussenpersoon

4.14.

Het karakter van de onderhavige procedure op basis van artikel 3:305a BW brengt mee dat met aannames moet worden gewerkt, bijvoorbeeld op het punt van de rol van de assurantietussenpersoon. Partijen verschillen van mening in hoeverre van diens activiteiten, en met name van zijn behoorlijke voorlichting, kan worden geabstraheerd. De Consumentenbond stelt dat er in de onderhavige collectieve actie niet zonder meer van uit kan worden gegaan dat de tussenpersoon naast de polis en de polisvoorwaarden ook alle brochures (afhankelijk van het moment van sluiten van de overeenkomst; zie 2.5) aan alle aspirant-verzekeringnemers heeft verstrekt en dat de tussenpersoon hen allen op de kostenbepalingen in dit materiaal heeft gewezen. De Consumentenbond stelt dat hem bekend is dat in veel gevallen de brochures niet zijn verstrekt.

NN stelt daarentegen dat zij ervan uit gaat dat de tussenpersoon zijn werk naar behoren heeft verricht, maar dat zij daarop geen zicht heeft en daarvoor ook niet verantwoordelijk is, terwijl er tussen het geheel naar behoren en het in het geheel niet voorlichten vele verschillende scenario’s denkbaar zijn. Om die reden moet volgens NN geabstraheerd worden van de rol van de tussenpersoon, in die zin dat in het kader van deze collectieve actie ervan uit moet worden gegaan dat de tussenpersoon zijn rol naar behoren heeft vervuld en alle informatie aan alle aspirant-verzekeringnemers heeft verschaft.

4.15.

De rechtbank neemt als uitgangpunt dat het sluiten van alle NN-beleggingsverzekeringen door tussenkomst van een tussenpersoon is geschied. De positie van de assurantietussenpersoon is en was ook in de relevante periode in het verleden wettelijk geregeld. Aanvankelijk in de, door de Wet assurantie bemiddelingsbedrijf (hierna: Wabb) vervangen, Wet assurantie bemiddeling van 1952 (hierna: Wab), en later (per 1 januari 2006) in de Wfd, en met het vervallen daarvan, per 1 januari 2007 in de Wft (zie 2.19). In de Wabb was bepaald dat de assurantietussenpersonen werden beloond door middel van door verzekeraars uit te betalen provisie. Er bestond een verplichting voor de verzekeraar tot het betalen van provisie. Deze verplichting verviel per 1 april 2002. Tot 1 januari 2013, toen een provisieverbod voor (onder meer) beleggingsverzekeringen werd ingevoerd, bleef de gangbare praktijk dat de assurantietussenpersoon via een door de verzekeraar te betalen provisie werd beloond.

Tegen de achtergrond van het voorgaande en nu het in deze procedure gaat om in de periode 1992 – 2008 afgesloten beleggingsverzekeringen, zal de rechtbank deze (wettelijke verplichting van verzekeraars tot) provisiebetaling als uitgangspunt hanteren. Voorts gaat de rechtbank ervan uit dat NN, vanwege het portefeuillerecht van de assurantietussenpersoon, geen rechtstreekse contacten met diens cliënten/ aspirant-verzekeringnemers had.

Ten aanzien van de taakvervulling van de tussenpersoon ziet de rechtbank zich in het kader van deze collectieve actie genoodzaakt ervan uit te gaan dat de tussenpersoon zijn taak onberispelijk heeft vervuld en in dat kader alle benodigde contractdocumentatie (inclusief de onder 2.5 vermelde documentatie, afhankelijk van de specifieke periode waarin de verzekeringsovereenkomst werd gesloten) heeft verstrekt (zie ook hierna onder 4.94). Immers, in deze collectieve actie kan niet per individuele verzekeringnemer worden vastgesteld welke documentatie is verstrekt en ontvangen. Het door de Consumentenbond ter zitting gedane voorstel om van twee scenario’s uit te gaan biedt evenmin soelaas, omdat er, naar NN terecht stelt, vele verschillende scenario’s denkbaar zijn. Indien de tussenpersoon zijn taak niet (volledig) naar behoren heeft uitgevoerd, hangt het van de omstandigheden van het geval af wat de consequenties daarvan zijn. Voor een beoordeling van de mogelijke varianten is in de onderhavige collectieve actie geen plaats; in individuele gevallen kan, zo nodig, aan de orde komen of en in hoeverre de tussenpersoon zijn taak naar behoren heeft uitgevoerd.

Verzekeringnemer

4.16.

De rechtbank zal bij de beoordeling van de verwijten van de Consumentenbond de gemiddelde verzekeringnemer/consument tot uitgangspunt nemen en daaronder verstaan een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument (zoals bedoeld in de jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie op het gebied van consumentenbescherming) die een beleggingsverzekering afsluit (hiervoor en hierna wordt polishouder ook wel als synoniem van verzekeringnemer gebruikt). Van deze verzekeringnemer mag worden verwacht dat hij bereid is zich te verdiepen in de kenmerken van de beleggingsverzekering en zich af te vragen of die beleggingsverzekering voor hem geschikt is, waarbij denkbaar is dat informatie langs verschillende wegen wordt aangeboden. De verzekeringnemer wordt in beginsel geacht in staat te zijn om verstrekte informatie op waarde te schatten, om zo nodig nadere informatie te zoeken en om vervolgens informatie uit verschillende bronnen met elkaar in verband te brengen.

Niet alle verzekeringnemers voldoen aan dit profiel. In individuele gevallen kunnen afwijkende persoonskenmerken in acht worden genomen; daarvoor is in deze collectieve actie geen plaats.

Onderscheid inhoud overeenkomst en informatieverplichtingen c.a.

4.17.

Zoals hiervoor reeds is overwogen onder 4.1 en 4.3 is het de vraag wat tussen NN enerzijds en de polishouders anderzijds met betrekking tot na te melden kosten en overlijdensrisicopremie is overeengekomen. Daarnaast is het de vraag of NN haar zorg-, waarschuwings- en informatieverplichtingen is nagekomen. Naar de Consumentenbond terecht stelt is de vraag of NN haar informatieverplichtingen is nagekomen een andere dan de vraag wat is overeengekomen. Dat neemt echter niet weg dat de informatie- en waarschuwingsverplichtingen die op NN rustten voornamelijk betrekking hadden op te sluiten overeenkomsten en ten doel hadden de juiste totstandkoming van overeenkomsten zoveel mogelijk te bevorderen.

D) Schending zorgplichten, onrechtmatig handelen (vordering V, W, X, Y)

4.18.

Met betrekking tot zijn vorderingen onder V,W en X stelt de Consumentenbond dat NN stelselmatig haar zorgplichten jegens haar (aspirant-)polishouders heeft geschonden en de polishouders heeft misleid door:

- onjuiste en/of gebrekkige informatie over de beleggingsverzekering te verstrekken, onder meer voor wat betreft in te houden eerste en doorlopende kosten verzekeraar, kosten assurantietussenpersoon, beheerkosten, fondsbeheerkosten en de hoogte van de verschuldigde overlijdensrisicopremie;

- misleidende voorbeeldkapitalen/rendementen te geven.

NN had er als financiële dienstverlener voor moeten zorgen dat de (aspirant-)polishouders goed werden geïnformeerd over inhoud, strekking en risico's van de door haar aangeboden beleggingsverzekeringen.

4.19.

Ter beoordeling van deze vorderingen zal moeten worden beoordeeld welke verplichtingen op NN rustten.

4.20.

Voor beantwoording van die vraag moet in de eerste plaats worden gekeken naar de Derde levensrichtlijn, die in Nederland is geïmplementeerd door het in werking treden van de RIAV 1994 (via artikel 51 Wtv 1993; zie 2.9 en 2.10).

4.21.

In de Derde levensrichtlijn is bepaald welke informatie een verzekeraar ten minste aan de verzekeringnemer moet verstrekken. Artikel 31 lid 1 Derde levensrichtlijn schrijft voor dat vóór sluiting van de verzekeringsovereenkomst aan de verzekeringnemer tenminste de in bijlage II, onder A, vermelde gegevens moeten worden meegedeeld (zie 2.8).

Artikel 31 lid 3 van deze richtlijn bepaalt dat de lidstaten van de verzekeringsondernemingen niet mogen verlangen dat zij aanvullende gegevens naast de in bijlage II vermelde gegevens verstrekken, tenzij deze nodig zijn voor een goed begrip door de verzekeringnemer van de wezenlijke bestanddelen van de verbintenis (zie 2.7). Ten aanzien van artikel 31 lid 3 Derde levensrichtlijn heeft het Europese Hof van Justitie in zijn arrest van 29 april 2015 (NN/Van Leeuwen; ECLI:EU:C:2015:286, hierna: het arrest NN/Van Leeuwen) geoordeeld (onder 34): “… dat dit aldus moet worden uitgelegd dat het niet eraan in de weg staat dat een verzekeraar op grond van algemene beginselen van intern recht, zoals (…) open en/of ongeschreven regels, gehouden is de verzekeringnemer bepaalde informatie te verstrekken in aanvulling op die vermeld in bijlage II bij de richtlijn, mits (…) de verlangde informatie duidelijk en nauwkeurig is en noodzakelijk voor een goed begrip door de verzekeringnemer van de wezenlijke bestanddelen van de verbintenis en zij voldoende rechtszekerheid waarborgt”.

4.22.

De RIAV 1994 gaf nadere invulling aan de (pre)contractuele verhouding tussen verzekeraar en verzekeringnemer. De RIAV 1994 bevatte geen voorschriften ter zake van informatieverstrekking over kosten, risico’s en rendementen. De RIAV 1994 beperkte zich tot regels omtrent vermelding van de bruto premie en een omschrijving van de uitkering of uitkeringen waartoe de verzekeraar zich verplicht (art. 2, lid 2 onderdeel b en h RIAV 1994; zie 2.10). Indien de overeenkomst voorzag in een afkoop- of premievrije waarde, diende de verzekeraar op grond van onderdeel k aan de verzekeringnemer een opgave of indicatie van deze waarden te verstrekken of een opgave van de wijze waarop deze waarden werden berekend. Blijkens de toelichting werd gedoeld op een eventuele gegarandeerde afkoop- of premievrije waarde, dit in tegenstelling tot een ‘indicatie’ van die waarde, of een opgave van de berekeningswijze.

4.23.

De RIAV 1994 is met ingang van 1 januari 1999 vervangen door de RIAV 1998. Ook de RIAV 1998 strekte tot implementatie van (onder meer) artikel 31 van de Derde levensrichtlijn. Ten opzichte van de RIAV 1994 is artikel 2 lid 2 onderdeel b gewijzigd in die zin dat verzekeraars voortaan een omschrijving moesten opnemen van de uitkering(en) waartoe zij zich verplichtten. Alleen als het niet mogelijk was om het bedrag van de uitkering te noemen, diende een nauwkeurige omschrijving te worden gegeven van de uitkering met vermelding van de factoren waarvan de hoogte van de uitkering afhankelijk was. Anders dan de Consumentenbond stelt, blijkt uit de tekst van, noch uit de toelichting bij, onderdeel b dat de verzekeringnemer diende te worden geïnformeerd over de wijze van berekenen van het bedrag van de uitkering.

Daar komt bij dat, anders dan de Consumentenbond stelt, onderdeel b in verband moet worden gezien met de aan het eind van het tweede lid van artikel 2 toegevoegde onderdelen q, r en s. Dat volgt zowel uit de opbouw van de tekst als uit de toelichting en totstandkomingsgeschiedenis. Onderdeel q bepaalde dat een verzekeringnemer diende te worden geïnformeerd over de invloed van kosten en inhoudingen op het rendement en de uitkering. Blijkens de toelichting bij onderdeel q beoogde dit onderdeel de verzekeringnemer inzicht te geven hoe inhoudingen en kosten zijn rendement en de uiteindelijke uitkering zouden kunnen beïnvloeden. Het was volgens de toelichting voldoende om rekenvoorbeelden te verstrekken waarin de kosten en inhoudingen waren verwerkt (Stcrt 1998, 134, p. 8). De woorden “de invloed… op het rendement en de uitkering” uit onderdeel q dienen derhalve aldus te worden begrepen dat de verzekeraar niet gehouden was om een op zichzelf staand overzicht van - of inzicht in - de concrete en/of absolute kosten en de opbouw daarvan te verschaffen. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de RIAV 1998 blijkt dat het systeem van indirecte transparantie uitdrukkelijk is gehandhaafd: de verzekeraars dienden inzicht in de invloed van kosten te verschaffen door het vermelden van netto voorbeeldkapitalen.

Met onderdeel r werd vervolgens de verplichting geregeld om, in gevallen waarin kosten van levensverzekeringen of spaarkasovereenkomsten met een beleggingscomponent naast de bruto premie in rekening werden gebracht, de consument hiervan op de hoogte te brengen. Blijkens de toelichting legde onderdeel r geen extra verplichtingen op ten opzichte van onderdeel q, voor zover alle kosten al waren verwerkt in de bruto premie.

Onderdeel s beoogde tot slot dat de verzekeringnemer duidelijk op de hoogte werd gebracht van het beleggingsrisico dat verbonden is aan levensverzekeringen of spaarkasovereenkomsten met een beleggingscomponent en in hoeverre dat voor zijn rekening komt.

4.24.

Ten aanzien van de vraag of Nederlandse ‘open en/of ongeschreven regels’ meebrachten dat NN gehouden was meer informatie te verschaffen (zie 4.21), overweegt de rechtbank dat het hierbij met name aankomt op de algemene maatschappelijke opvattingen ten tijde van de totstandkoming van de onderhavige overeenkomsten. De omstandigheid dat thans anders wordt gedacht over de wijze van informatieverstrekking is niet van belang; dat is mede het gevolg van inmiddels opgedane maar toen nog niet beschikbare ervaringen met het product, toen niet voorziene ontwikkelingen op de effectenbeurzen en gewijzigde omstandigheden op maatschappelijk en economisch vlak. De aard van de te sluiten overeenkomst – hier: een complex product, de beleggingsverzekering –, de positie van partijen jegens elkaar – hier: een consument (bijgestaan door een tussenpersoon) tegenover een professionele verzekeraar – zijn ook in de Derde levensrichtlijn onder ogen gezien en hebben een rol gespeeld bij de samenstelling van bijlage II bij die richtlijn. De aanvullende rol die de redelijkheid en billijkheid kunnen vervullen is daardoor geringer dan wanneer dergelijke regelgeving had ontbroken.

Tot en met 1996

4.25.

De maatschappelijke opvattingen over dit onderwerp kunnen mede worden afgeleid uit de uitlatingen van regering en parlement. Tot 1997 werd het door de Nederlandse wetgever voldoende bevonden dat informatie werd verstrekt over de bruto premie en de uitkering waartoe de verzekeraar zich verplichtte. Volgens de minister van Financiën waren verzekeraars niet verplicht om inzicht te geven in de kostenstructuur. De consument hoefde slechts op indirecte wijze te worden geïnformeerd over de kosten van het product, namelijk door het verwerken van de kosten in netto voorbeeldkapitalen. NN beroept zich op de volgende mededeling van de minister van Financiën in het parlement:

“De leden van de PvdA-fractie vroegen of verzekeraars op basis van de Regeling Informatieverstrekking aan verzekeringnemers 1994 verplicht zijn inzicht te geven in de kosten die bij de samenstelling van financiële

producten worden gemaakt. (…) De Regeling Informatieverstrekking aan verzekeringnemers 1994 is gebaseerd op artikel 51 van de wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 en vloeit voort uit de derde schadeverzekerings- en de derde Levensverzekeringsrichtlijn. De regeling regelt de (pre)contractuele

verhouding tussen de verzekeraar en de verzekeringnemer. Verzekeraars zijn evenmin als de producenten van andere (financiële) producten, niet verplicht inzicht te geven in de kostenstructuur.” (Kamerstukken II 1995-1996, 24456 nr. 12, p. 16-17).

Het verweer van de Consumentenbond dat dit citaat geen antwoord is op de vraag of verzekeraars, als de uiteindelijke uitkering afhangt van wat door de verzekeraar wordt ingehouden, tenminste in de polisdocumentatie moeten aangeven welke inhoudingen er worden gedaan en hoe die inhoudingen worden berekend, treft geen doel. Uit de betreffende kamerstukken blijkt voldoende duidelijk dat de uitlatingen van de minister betrekking hebben op het verstrekken van inzicht in kosten op grond van de RIAV 1994.

4.26.

De rechtbank ziet die uitlatingen van de minister en de omstandigheid dat daarvan in het parlement geen afstand werd genomen, als neerslag van de destijds heersende opvatting dat indirecte transparantie voldoende was en de consument in staat stelde om de wezenlijke bestanddelen van het product goed te doorgronden. Dat is ook in lijn met het eerdere debat in de kamer zoals dat uit de parlementaire geschiedenis van de Wabb omtrent de provisie voor de tussenpersoon blijkt:

(…) Bovendien is naar onze mening aparte vermelding van de provisie voor het beslissingsproces niet van belang. Voor de consument is uitsluitend interessant wat de hoogte van de te betalen eindprijs is. Alleen door vergelijking van eindprijzen verkrijgt hij inzicht in de markt: «kale» prijzen, na aftrek van provisie, hebben geen zelfstandige betekenis. Op basis van een eindprijsvergelijking kan de consument bepalen in hoeverre de meerprijs hem een betere dienstverlening waard is. De conclusie moet dan ook luiden dat provisievermelding het accent te sterk zal leggen op het prijsaspect in plaats van op de prijs/prestatie-verhouding mede gezien het feit dat het huidige systeem tot op heden weinig reden tot klachten of bezwaren heeft gegeven, geven de ondergetekenden de

voorkeur aan handhaving van het huidige systeem totdat duidelijk is hoe de ontwikkelingen zullen zijn op Europees niveau (…)” (Kamerstukken II 1989/1990, 20 925, nr. 10, p. 10-11 (Nota naar aanleiding van het eindverslag van Wabb).

Het onderwerp is in 1995/1996 nogmaals in de Kamer besproken, waarbij de door verzekeraars opgestelde gedragscode rendementsprognoses aan de orde is geweest, maar

aanwijzingen voor de gedachte dat de algemeen heersende opvatting over de toereikendheid van indirecte transparantie destijds anders luidde, ontbreken. De verwijzing door de Consumentenbond naar het standpunt van de Nederlandse regering in de zaak NN/Van Leeuwen (zie 4.21), is onvoldoende voor een ander oordeel. Het gaat immers om de opvattingen die begin jaren negentig van de vorige eeuw heersten.

In het bijzonder was in die periode, anders dan later (nu, maar ook ten tijde van de procedure voor het HvJEU in de zaak NN/van Leeuwen) het geval was, geen sprake van in het publieke debat (al dan niet via de media) door belangenorganisaties en/of individuele consument-verzekeringnemers ingenomen standpunten in andere zin. Inhoudelijk is de door de minister aangehangen indirecte transparantie op het eerste oog voor een consument die snel een beeld wil hebben van wat hij/zij kan verwachten ook niet een ongeschikt middel om dat te bereiken. De voorbeeldkapitalen geven immers snel en voor de gemiddelde verzekeringnemer inzichtelijk een dergelijk beeld. Dat de minister meende dat daarmee voldoende inzicht werd verschaft is dan ook niet onbegrijpelijk.

4.27.

Dat betekent dat de precontractuele eisen van redelijkheid en billijkheid, in het licht van de wijze waarop de Derde levensrichtlijn in de RIAV 1994 was geïmplementeerd en de maatschappelijke opvattingen van destijds, in het algemeen niet meebrachten dat verzekeraars als NN meer informatie dienden te verschaffen dan de toen geldende wetgeving meebracht. Er zijn geen regels van ongeschreven recht en/of open normen aan te wijzen op grond waarvan de verzekeringnemers meer informatie konden en mochten verwachten.

4.28.

Vaststaat dat de NN-beleggingsverzekeringen vanaf 1992 zijn verkocht. Op dat moment was de Derde levensrichtlijn nog niet geïmplementeerd; deze werd vastgesteld op 10 november 1992. Destijds was er geen specifieke regelgeving betreffende de informatieverstrekking door verzekeraars over beleggingsverzekeringen. In die periode werd volgens NN algemeen onderschreven dat de informatie over beleggingsverzekeringen het beste indirect kon geschieden aan de hand van voorbeeldkapitalen, waarin de factoren waarvan de uitkering afhankelijk was – waaronder de kosten – waren verdisconteerd. De Consumentenbond bestrijdt dat, maar onderbouwt die betwisting niet. De Consumentenbond heeft ook niets aangevoerd waaruit zou blijken dat vóór 1 juli 1994 strengere eisen golden.

Gelet daarop, op de hiervoor beschreven debatten in het parlement, en in aanmerking genomen de naderende implementatie van de Derde levensrichtlijn destijds, ziet de rechtbank geen grond om aan te nemen dat de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrachten dat verzekeraars meer informatie dienden te verschaffen dan in de (ontwerp) Derde levensrichtlijn werd voorzien.

Er is dus geen reden om in de periode van 1992 tot 1 juli 1994 aan de informatieverstrekking door verzekeraars strengere eisen te stellen dan uit de per 1 juli 1994 in werking getreden RIAV 1994 voortvloeiden. Tegen die achtergrond en nu de Derde levensrichtlijn is geïmplementeerd in de RIAV 1994 (die van kracht werd op 1 juli 1994), ziet hetgeen is overwogen over de RIAV 1994 ook op de van 1 januari 1992 tot 1 juli 1994 gesloten beleggingsverzekeringen.

1997-1998

4.29.

De maatschappelijke opvattingen wijzigden vanaf eind 1996. Op initiatief van de bij het Verbond van Verzekeraars aangesloten verzekeraars (onder wie NN) werd per 1 januari 1997 bij wijze van zelfregulering de CRR 1996 ingevoerd. De CRR 1996 bevatte voorschriften over de voorbeeldrendementen die moesten worden gebruikt bij het berekenen van de netto voorbeeldkapitalen en voorschriften over de informatie die verzekeraars dienden te verstrekken over deze voorbeeldrendementen en de (beleggings)risico’s van beleggingsverzekeringen. Met deze zelfregulering liep de branche dus in wezen vooruit op de RIAV 1998, met name ten aanzien van de onder artikel 2 lid 2 sub q, r en s RIAV 1998 bedoelde informatie, die onder de gewijzigde opvattingen over de vereiste informatieverstrekking als “noodzakelijk” in de zin van artikel 31 lid 3 Derde levensrichtlijn werd beschouwd.

4.30.

Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat NN vanaf 1 januari 1997 gehouden was om, vooruitlopend op de inwerkingtreding van de RIAV 1998, vanaf de inwerkingtreding van de CRR 1996 de informatie als bedoeld in artikel 2 lid 2 onder b, q, r en s aan de consumenten te verstrekken. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de verzekeraar als geen ander zijn eigen product kent, zodat de verzekeraar in staat is te beoordelen welke productkenmerken extra informatie rechtvaardigen (vgl NN/Van Leeuwen).

RIAV 1998

4.31.

Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de RIAV 1998 blijkt dat de wetgever uitdrukkelijk het systeem van indirecte transparantie van kosten heeft gehandhaafd. De verzekeraars dienden inzicht in de invloed van kosten en risicopremie te verschaffen door het vermelden van netto eindkapitalen (rekenvoorbeelden). De RIAV 1998 is tot stand gekomen na consultatie van onder meer het Verbond van Verzekeraars, de Consumentenbond, de Pensioen- en Verzekeringskamer (hierna: PVK) en de Ombudsman Levensverzekering, terwijl daarover ook in het parlement is gesproken. De norm die inhoudt dat de verzekeraar met deze indirecte transparantie van kosten voldoende en juiste informatie verstrekt aan de verzekeringnemers, werd destijds dus breed gedragen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de algemene eisen van precontractuele redelijkheid en billijkheid die de verhouding tussen verzekeraar en aspirant-verzekeringnemer beheersen daarmee verdisconteerd in de RIAV 1998 en kunnen uit die algemene eisen geen aanvullende informatieverplichtingen zoals hiervoor bedoeld voortvloeien.

Vanaf 2008 Bgfo

4.32.

Zoals hiervoor reeds is overwogen heeft de wetgever pas in 2008 (toen het Bgfo 2007 in werking trad; zie 2.20) de verplichting geïntroduceerd om opgave te doen van de hoogte en verrekeningswijze van (benoemde) kostensoorten en de hoogte van de risicopremie voor de overlijdensrisicodekking in de eerste maand omdat deze fluctueert. Blijkens de wetsgeschiedenis had de wijziging van het Bgfo 2007 tot doel “(…) ervoor te zorgen dat verzekeraars meer en beter inzicht bieden in de diverse kostensoorten bij beleggingsverzekeringen. Dat inzicht is van belang omdat de kosten die op de premie en op de beleggingen worden ingehouden mede bepalend zijn voor de opbouw van het verzekerd

kapitaal en uiteindelijk voor de hoogte van de uitkering op de einddatum (…)” (Staatsblad 2007, 520).

4.33.

Uit de geschetste geschiedenis blijkt dat de opvattingen omtrent deze verplichtingen een duidelijke ontwikkeling hebben doorgemaakt. De normen van nu kunnen niet retrospectief op het verleden worden toegepast als het gaat om de totstandkoming van de beleggingsverzekeringen.

Over de verplichtingen die op dit moment voor NN uit de nog lopende beleggingsverzekeringen voortvloeien is daarmee overigens niets gezegd.

Handelen NN

4.34.

Vervolgens is aan de orde de vraag of NN heeft gehandeld overeenkomstig bovenvermelde informatieverplichtingen.

1992 - 1996

Artikel 2 lid 2, onderdelen a tot en met p, RIAV 1994 bepaalden welke informatie de verzekeraar aan de verzekeringnemer diende te verstrekken. Zoals hiervoor reeds is overwogen, bevatte de RIAV 1994 geen specifieke voorschriften ter zake van informatieverstrekking over kosten, risico’s en rendementen. De RIAV 1994 beperkte zich tot regels omtrent vermelding van de bruto premie (sub h) en een omschrijving van de uitkering of uitkeringen waartoe de verzekeraar zich verplicht (sub b) (zie 4.22). Er was ook geen sprake van voorschriften ten aanzien van de in de offerte te hanteren voorbeeldrendementen.

4.35.

NN heeft onbetwist gesteld dat zij in deze periode in haar offertes gebruik maakte van veronderstelde voorbeeldrendementen en dat zij daarvan melding maakte in de offerte. Nu, zoals hiervoor reeds overwogen, de RIAV 1994 geen voorschriften bevatte ten aanzien van de te hanteren voorbeeldrendementen, mocht NN gebruik maken van dergelijke veronderstelde voorbeeldrendementen.

Ten aanzien van de kosten en risicopremies heeft NN onbetwist gesteld dat zij in haar offertes in de periode 1994 – 1996 de bruto premie en netto voorbeeldkapitalen bij bepaalde voorbeeldscenario’s opnam. Indien sprake was van aanvullende risicodekkingen, maakte zij hiervan separaat melding overeenkomstig artikel 2 lid 2 sub h RIAV 1994. Naar NN terecht stelt, was zij op grond van die bepaling niet verplicht tot het apart vermelden van de hoogte van de overlijdensrisicopremie. De overlijdensrisicopremie was verwerkt in de bruto premie, en maakte dus deel uit van de premie verschuldigd voor de hoofddekking.

4.36.

Tegen de achtergrond van het voorgaande en nu de Consumentenbond bovenvermelde wijze van handelen van NN op zichzelf niet (voldoende) gemotiveerd heeft weersproken, komt de rechtbank tot de conclusie dat NN heeft voldaan aan haar informatieverplichtingen over de periode 1994 tot 1997.

4.37.

Hiervoor is reeds overwogen dat en waarom ervan uitgegaan wordt dat de normen voor de periode 1992-1994 niet verschilden van die tussen 1994 en 1997.

Over haar eigen handelen in de periode van 1992 tot het inwerking treden van RIAV 1994 op 1 juli 1994 heeft NN uitsluitend gesteld dat de offertes en overige documentatie al voor 1 juli 1994 aan RIAV 1994 voldeden en niet gewijzigd zijn. De Consumentenbond heeft niets aangevoerd waaruit zou volgen dat dat niet het geval was. De rechtbank gaat er daarom van uit dat NN ook in de periode tot 1 juli 1994 heeft voldaan aan haar informatieverplichtingen.

1997 – 1998

4.38.

In deze periode diende NN te voldoen aan de informatieverplichtingen zoals verwoord in de RIAV 1998 (zie 4.30).

4.39.

Zoals hiervoor onder 4.23 en 4.31 reeds is overwogen diende NN de bruto premie bekend te maken en kon zij, voor wat betreft de te verwachten uitkering en de kosten, volstaan met het vermelden van netto voorbeeldkapitalen, waarin de kosten en inhoudingen waren verwerkt. Ten aanzien van het beleggingsrisico diende de verzekeringnemer op grond van artikel 2 lid 2 onder s RIAV 1998 duidelijk op de hoogte te worden gebracht van het beleggingsrisico dat verbonden is aan levensverzekeringen of spaarkasovereenkomsten met een beleggingscomponent en in hoeverre dat voor zijn rekening komt (Stcrt 1998, 134, p. 8).

4.40.

NN stelt dat de invloed van de kosten en inhoudingen op het rendement en de uitkering voldoende bleken uit de door haar gehanteerde voorbeeldkapitalen. Vanaf 1 januari 1997 vermeldde zij in haar offertes netto eindkapitalen op basis van twee, op historische rendementen gebaseerde, voorbeeldrendementen. NN vermeldde verder in haar offertes “in bovengenoemde bedragen zijn alle kosten verrekend. Dit houdt in dat het voorbeeldkapitaal, indien het gestelde percentage wordt

gerealiseerd, op de genoemde datum ook daadwerkelijk beschikbaar komt”.

De Consumentenbond heeft niet betwist dat de offertes van NN in die periode in het algemeen zo luidden.

Naar het oordeel van de rechtbank voldeed NN hiermee voor wat betreft de kosten en inhoudingen aan haar informatieverplichtingen van art. 2 lid 2 onder q zoals deze destijds golden.

4.41.

Voorts is niet in geschil dat NN vanaf de datum van inwerkingtreding van de CRR 1996 in de offertes heeft gewaarschuwd voor het beleggersrisico met de tekst:

Wij willen u erop wijzen dat:

- geen rechten kunnen worden ontleend aan de voorbeeldberekeningen;

- de toekomstige rendementen jaarlijks kunnen fluctueren en kunnen

afwijken van de in de voorbeelden gebruikte rendementen;

- het gebruik van rendementen uit het verleden geen enkele garantie

voor de toekomst inhoudt”.

Daarmee voldeed NN naar het oordeel van de rechtbank jegens de verzekeringnemers aan de verplichting tot het waarschuwen voor en het informeren over het beleggingsrisico, zoals bedoeld in onderdeel s van artikel 2 lid 2 RIAV 1998.

4.42.

NN heeft, naar haar eigen stellingen, geen kosten in rekening gebracht die niet reeds in de bruto premie waren verwerkt. Van schending van de informatieverplichtingen van onderdeel r is dus in zoverre niet gebleken. De Consumentenbond heeft ook niet gemotiveerd gesteld dat dit wel het geval is.

4.43.

Tegen de achtergrond van het voorgaande en nu de Consumentenbond bovenvermelde wijze van handelen van NN op zichzelf niet (voldoende) gemotiveerd heeft weersproken, komt de rechtbank tot de conclusie dat NN heeft voldaan aan haar informatieverplichtingen over de periode 1997 - 1998.

1998 – 2002

4.44.

NN heeft onweersproken gesteld dat zij in deze periode overeenkomstig de RIAV 1998, de CRR 1996/1998 en de op 1 augustus 1999 ingevoerde beleidsregels van de PVK heeft gehandeld. Zo werden in de offertes netto voorbeeldkapitalen getoond op basis van een drietal scenario's uitgaande van:

1) het gemiddeld historisch fondsrendement;

2) het gemiddeld historisch fondsrendement na afslag (inhoudend een correctie

van 20% tot 60% op het gemiddeld historisch fondsrendement); en

3) het standaard fondsrendement, dat door een onafhankelijke instantie voor de

betreffende fondscategorie werd vastgesteld.

Daarnaast vermeldde NN overeenkomstig de CRR 1998 in haar offertes productrendementen, behorende bij de drie opgenomen voorbeeldrendementen.

Voorts werd het percentage van de in rekening te brengen (beheer)kosten van de fondsbeheerder (de TER) expliciet in de offerte opgenomen. Vanaf 1 augustus 1999 verstrekte NN een afkoop- en premievrije waarde-tabel.

Tot slot waarschuwde NN voor beleggingsrisico’s overeenkomstig de CRR 1998 en voornoemde beleidsregels met de tekst:

”LET OP

- Beleggen bij wie en in welke vorm dan ook brengt financiële risico's

met zich mee. Dat geldt ook voor deze levensverzekering met

beleggingsrisico. Beleggen geeft u kans op een hoger, maar ook op

een lager dan gemiddeld rendement. Dit risico is voor u.

- Naarmate wordt belegd in meer risicovolle beleggingsvormen, zullen

de te behalen rendementen onderhevig zijn aan grotere schommelingen

en kan dus ook de eindopbrengst meer afwijken van de in de voorbeelden

gehanteerde bedragen. (Zie hiervoor de brochure Rendement

en Risico.)

- Wij wijzen u erop, dat de gehanteerde rendementen zijn gebaseerd op

behaalde rendementen uit het verleden en daarom geen garantie

bieden voor in de toekomst te behalen rendementen. (Zie hiervoor de

brochure Rendement en Risico.)

- De gepresenteerde bedragen zijn uitsluitend bedoeld als voorbeeld

en niet als garantie of prognose. Deze bedragen zijn nettobedragen,

d.w.z. er is reeds rekening gehouden met premies voor verzekerde

risico's, alsmede met gedurende de looptijd van het contract

ingehouden kosten”.

4.45.

Tegen de achtergrond van het voorgaande en nu de Consumentenbond bovenvermelde wijze van handelen van NN op zichzelf niet (voldoende) gemotiveerd heeft weersproken, komt de rechtbank tot de conclusie dat NN heeft voldaan aan haar informatieverplichtingen over de periode 1998 - 2002.

2002 – 2006

4.46.

Op 1 juli 2002 werden (in aanvulling op de RIAV 1998) het Bfb 2002 (zie 2.13) en de Nrfb 2002 (zie 2.14) van kracht. Op dezelfde datum is de CRR 1998 vervangen door de CRR 2002, die achtereenvolgens vervangen werd door de CRR 2003, 2004 en 2006 (zie 2.11). De CRR 2002 en opvolgende versies, het Bfb 2002 en de Nrfb 2002, bevatten geen (aanvullende) voorschriften ten aanzien van de verstrekking van informatie over beleggingsrisico, voorbeeldrendementen en kosten en inhoudingen.

4.47.

NN heeft onweersproken gesteld dat zij in deze periode handelde overeenkomstig de onder 4.46 vermelde regelgeving. In de offertes in deze periode maakte zij melding van netto voorbeeldkapitalen op basis van een drietal scenario's uitgaande van:

1) een pessimistisch voorbeeldrendement;

2) een door de toezichthouder vastgesteld rendement van 4%; en

3) het historisch fondsrendement.

Hierbij werd ook steeds het bijbehorende productrendement vermeld (onder de naam netto rendement op de premies).

Daarnaast werd in de Financiële Bijsluiter een omschrijving van diverse kostensoorten en een inschatting van die kosten vermeld, zoals de eerste kosten, doorlopende kosten, beheerkosten, beleggingskosten en aan- en verkoopkosten van participaties.

De eerste kosten en de wijze van in rekening brengen daarvan werden ook in de offerte vermeld. Daarnaast vermeldde NN in de offerte:

“Het netto rendement op de premie(s) is het rendement op jaarbasis dat op de bruto betaalde premie wordt behaald op basis van de gehanteerde voorbeeldrendementspercentages. Het verschil tussen het fondsrendement en het netto rendement op de premie (s) is afhankelijk van de verzekerde risico's, de verschuldigde kosten alsmede van eventueel aanvullende dekkingen”.

Ten aanzien van het beleggingsrisico werden de voorgeschreven waarschuwingsteksten in de offertes vermeld (zie 4.44). Daarnaast werd steeds een Financiële Bijsluiter bij de offerte gevoegd. De Financiële Bijsluiter bevatte (overeenkomstig de voorschriften uit bijlage 2 van de Nrfb 2002) onder meer de passage:

“De waarde van beleggingen kan fluctueren. Rendementen vanuit het verleden bieden geen garantie voor de toekomst. Kijk in de risicoparagraaf van deze bijsluiter voor uw financiële risico’s”.

4.48.

Tegen de achtergrond van het voorgaande en nu de Consumentenbond bovenvermelde wijze van handelen van NN op zichzelf niet (voldoende) gemotiveerd heeft weersproken, komt de rechtbank tot de conclusie dat NN heeft voldaan aan haar informatieverplichtingen over de periode 2002 - 2006.

2006 – 2008

4.49.

NN heeft onweersproken gesteld dat zij aan alle uit de in die periode van toepassing zijnde regelgeving (zie 2.16, 2.17 en 2.19) voortvloeiende voorwaarden heeft voldaan. Uit een door NN overgelegde voorbeeldofferte uit deze periode blijkt dat netto voorbeeldkapitalen werden opgenomen, gebaseerd op vier scenario’s:

- een pessimistisch voorbeeldrendement;

- een door de toezichthouder vastgesteld rendement van 4%;

- het historisch fondsrendement; en

- een eigen voorbeeldrendement.

Bij de netto voorbeeldkapitalen werd het netto rendement op de premies vermeld.

Bij de omschrijving van de risicoprofielen van de diverse beleggingsfondsen werd op een schaal van 1 tot 5 aangegeven hoe risicovol het profiel van het beleggingsfonds was.

Ten aanzien van de kosten en inhoudingen vermeldde NN op grond van de Wfd en later de Wft cumulatieve informatie over de omvang van de totale kosten, in absolute getallen dan wel in percentages. In de Financiële Bijsluiter – die in deze periode was gebaseerd op een ‘maatmens’ – werd een opgave van de totale kosten en inhoudingen opgenomen, op basis van een voorbeeldrendement van 4%.

Daarnaast maakte NN in de offerte melding van diverse kostensoorten die aan de beleggingsverzekering waren verbonden.

Voor het beleggingsrisico werd met de volgende tekst gewaarschuwd:

“Aan het sluiten van een beleggingsverzekering zijn financiële risico's verbonden. U moet zich van deze risico's bewust zijn.

De waarde van beleggingen kan fluctueren. Rendementen vanuit het verleden bieden geen garantie voor de toekomst.

De waardeontwikkeling van dit product is afhankelijk van ontwikkelingen op de kapitaal-, effecten-, valuta- en goederenmarkten. Een en ander betekent dat de mogelijkheid bestaat dat:

- dit beleggingsproduct weinig of geen inkomsten zal opleveren;

- bij een ongunstig koersverloop uw inleg geheel of ten dele verloren kan gaan;

- mogelijk aan het einde van de looptijd de waarde van de uitkering niet voldoende is om uw eventuele hypotheek/schuld af te lossen”.

4.50.

Tegen de achtergrond van het voorgaande en nu de Consumentenbond niet heeft betwist dat de offertes van NN in de betreffende periode in het algemeen zo luidden, heeft NN naar het oordeel van de rechtbank in de periode 2006 – 2008 aan de destijds geldende informatieverplichtingen voldaan.

2008

4.51.

Vast staat dat de laatste NN-beleggingsverzekeringen in 2008 zijn verkocht.

In die periode moest naast de daarvoor reeds vereiste informatie over de bruto premie, netto voorbeeldkapitalen, TER en het productrendement – meer gedetailleerd inzicht worden gegeven in alle door de wetgever benoemde kostensoorten en inhoudingen (zie 2.20). De regelgeving omtrent het beleggingsrisico en de voorbeeldrendementen en voorbeeldkapitalen bleef (voor zover relevant) hetzelfde.

4.52.

Blijkens een door NN overgelegde voorbeeldofferte vermeldde NN vanaf 1 januari 2008 netto voorbeeldkapitalen op vier voorbeeldrendementen zoals vermeld onder 4.49. Met betrekking tot de kosten en inhoudingen werd in overeenstemming met de Modellen De Ruiter (zie 2.20), opgave gedaan van de kosten per voorgeschreven soort en uitgesplitst naar kosten verzekeringsmaatschappij en kosten verzekeringsadviseur. Ten aanzien van de inhoudingen voor het overlijdensrisico werd een opgave gedaan van de omvang daarvan in de eerste maand. Voor wat betreft het beleggingsrisico werd op (nagenoeg) dezelfde wijze gewaarschuwd als vermeld onder 4.44.

4.53.

Tegen de achtergrond van het voorgaande en nu de Consumentenbond bovenvermelde wijze van handelen van NN op zichzelf niet (voldoende) gemotiveerd heeft weersproken, heeft NN naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan haar informatieverplichtingen met betrekking tot de in 2008 afgesloten NN-beleggingsverzekeringen.

4.54.

Het bovenstaande neemt niet weg dat, in een bijzonder, individueel geval en mogelijk mede afhankelijk van de (door de assurantietussenpersoon) verstrekte contractdocumentatie, het oordeel kan zijn dat NN niet heeft voldaan aan haar informatieverplichtingen. Voor de beoordeling in de onderhavige collectieve actie is dat echter niet van belang.

4.55.

Het verwijt van de Consumentenbond dat NN haar zorgplicht heeft geschonden doordat zij onjuiste berekeningen heeft gebruikt als gevolg van ‘softwarefouten’, treft geen doel. NN heeft toegelicht dat zij had ontdekt dat er een afwijking was tussen de door de tussenpersoon gehanteerde offertesoftware en de door NN gebruikte verzekeringstechnische administratie. NN heeft dit probleem opgelost en de polishouders daarvoor begin 2006 gecompenseerd. De Consumentenbond heeft dit niet nader weersproken. Voor zover sprake is geweest van onjuiste berekeningen heeft NN de gevolgen daarvan dus hersteld, zodat aan de eventuele zorgplichtschending daarna in beginsel geen betekenis meer toekomt.

4.56.

Tegen de achtergrond van het voorgaande treffen de verwijten van de Consumentenbond als bedoeld in 4.18 geen doel. Er kan dus ook niet vastgesteld worden dat NN zich schuldig heeft gemaakt aan misleiding. De vorderingen onder V, W, X en Y liggen daarom voor afwijzing gereed.

Hefboom/inteereffect (vordering P)

4.57.

Voorts is het de vraag of NN gehouden was om de aspirant-polishouders, voorafgaand aan het sluiten van de NN-beleggingsverzekeringen te waarschuwen voor het zogenaamde hefboom- en inteereffect.

4.58.

Het (negatieve) hefboom- en/of inteereffect houdt verband met de wijze waarop bij de NN-beleggingsverzekeringen de overlijdensrisicodekking is ingebouwd. Door deze constructie is, zoals reeds eerder vermeld, uitsluitend het verschil tussen de verzekerde uitkering bij overlijden en de in de beleggingsverzekering opgebouwde waarde verzekerd. De overlijdensrisicopremie die verschuldigd is, wordt alleen over dit verschil berekend (zie 2.2). Als de poliswaarde achterblijft, is meer overlijdensrisicopremie verschuldigd, hetgeen in mindering komt op de opgebouwde waarde waardoor deze verder achterblijft. Het inteereffect kan optreden wanneer sprake is van een overlijdensrisicodekking die (in verhouding tot de bruto premie) dusdanig hoog is dat meer participaties moeten worden onttrokken dan waarvan sprake zou zijn geweest zonder hefboomeffect, zodat uiteindelijk per saldo van de premie niet of nauwelijks inleg resteert.

Het omgekeerde kan zich ook voordoen: bij goede beleggingsresultaten daalt de premie, waardoor een groter deel van de inleg kan worden belegd en het positieve effect toeneemt.

4.59.

Nu het hefboom- en/of inteereffect – waarvan NN stelt dat dit zeer beperkt in omvang was – een gevolg was van de constructie van de NN-beleggingsverzekeringen, is dit effect aan te merken als een (gewoon) beleggingsrisico. Het moet voor de verzekeringnemers voldoende duidelijk zijn geweest dat de waarde van de beleggingen zou kunnen dalen als gevolg van voor NN niet te beïnvloeden effecten op de beurzen, zoals bijvoorbeeld die tijdens de financiële crisis in 2008. NN kan daar niet verantwoordelijk voor worden gehouden. Logisch gevolg van tegenvallende beleggingsresultaten is dat de premie voor het overlijdensrisico in dat geval zou stijgen. Dat behoefde geen aparte toelichting.

Naar het oordeel van de rechtbank is het hefboom- en/of inteereffect aldus geen bijzonder risico waar NN haar verzekeringnemers specifiek over/voor had moeten informeren/waarschuwen. Dat betekent dat NN haar waarschuwingsplicht op dit punt niet heeft geschonden en dat de vordering onder P voor afwijzing gereed ligt.

E) Kosten

Grondslag (vorderingen A, B,)

4.60.

Het uitgangspunt dient, naar tussen partijen ook niet in geschil is, te zijn dat voor het verschuldigd zijn van kosten vereist is dat daarover wilsovereenstemming is bereikt. De vraag ligt voor of de verschuldigdheid van de eerste kosten verzekeraar, eerste kosten assurantietussenpersoon en doorlopende kosten assurantietussenpersoon (zie 2.3 onder b, c en e) tussen NN en de polishouders zijn overeengekomen. Voor zover het overige onder 2.3 vermelde kosten betreft, is tussen partijen niet in geschil dat er een contractuele grondslag voor het in rekening brengen van deze kosten is.

4.61.

De Consumentenbond stelt dat een contractuele grondslag voor het in rekening brengen van de eerste kosten verzekeraar, eerste kosten assurantietussenpersoon en doorlopende kosten assurantietussenpersoon ontbreekt. Deze kosten zijn niet vermeld in de verstrekte polisdocumentatie en kunnen ook niet worden aangemerkt als administratie- en beheerkosten als bedoeld in artikel 3D lid 1 VvV. Ook in de Verbondsprospectus of enige andere brochure zijn deze kosten niet terug te vinden. De grondslag voor bovenvermelde kosten kan niet in de voorbeeldkapitalen worden gevonden. Deze voorbeeldkapitalen waren gebaseerd op bepaalde rendementen van de betreffende beleggingsfondsen, maar de in dat verband gebruikte rendementen waren veel hoger dan de rendementen die daadwerkelijk werden gerealiseerd. Bovendien werd er met netto rendementen gerekend. De polishouders wisten niet dat in werkelijkheid een hoger rendement moest worden gemaakt om de voorbeeldkapitalen te behalen. De gemiddelde, oplettende consument/verzekeringnemer hoefde daar niet op bedacht te zijn en kan dus ook niet geacht worden daarmee te hebben ingestemd.

4.62.

NN voert aan dat de contractuele grondslag voor het verrekenen van kosten en inhoudingen (waaronder deze kosten) ligt besloten in de wilsovereenstemming tussen verzekeringnemer en verzekeraar over de bruto premie en de netto uitkering, waarin alle kosten en inhoudingen zijn verwerkt. Uit de destijds geldende regelgeving vloeide voort dat NN kon volstaan met het vermelden van de bruto premie en (ten aanzien van de uitkering) netto voorbeeldkapitalen, waarin alle kosten en inhoudingen waren verwerkt. Op die wijze werd volgens de wetgever en de destijds geldende maatschappelijke opvattingen aan de verzekeringnemer voldoende inzicht geboden in de invloed van de kosten en inhoudingen op de uitkering, waarbij de exacte aard en omvang van de verwerkte kosten verder niet van betekenis werden geacht voor het besluitvormingsproces van de verzekeringnemer. Daarnaast werd inzicht in de economische werking van de beleggingsverzekering verschaft via de VvV. Zowel de eerste en doorlopende kosten verzekeraar als eerste kosten en doorlopende kosten assurantietussenpersoon zijn begrepen onder ‘administratiekosten’ als bedoeld in artikel 3D VvV. Ook konden deze kosten worden afgeleid uit de prospectussen en brochures die aan de verzekeringnemers zijn verstrekt. Tegen die achtergrond moet het sluiten van de beleggingsverzekering worden opgevat als instemming met het in rekening brengen van deze kosten.

4.63.

De rechtbank stelt voorop dat de vraag wat partijen zijn overeengekomen niet alleen kan worden beantwoord op grond van een (zuiver) taalkundige uitleg van de bewoordingen van de overeenkomst. De taalkundige betekenis van de bewoordingen van de overeenkomst kan van groot belang zijn, maar is niet doorslaggevend. Steeds komt het aan op de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en van wat zij in dat verband redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang, in hun onderlinge samenhang bezien. Gelet op het collectieve karakter van de onderhavige procedure gaat het hier niet om de omstandigheden van het individuele geval, maar alleen om omstandigheden die voor alle verzekeringnemers golden.

Een overeenkomst heeft verder niet alleen de door partijen overeengekomen gevolgen, maar ook die welke, naar de aard der overeenkomst, uit de wet, de gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien.

Gemengde overeenkomst?

4.64.

Nu daarover geschil bestaat dient eerst de aard van de overeenkomst nader te worden vastgesteld.

In de onderhavige zaak gaat het om beleggingsverzekeringen op universal life basis (zie 2.2), waarbij de verzekeringnemer aan de verzekeraar een bedrag betaalt (de bruto premie) in ruil voor een toekomstige uitkering bij overlijden van de verzekerde vóór een bepaalde datum of in leven zijn van de verzekerde op een bepaalde datum, afhankelijk van welke gebeurtenis het eerste intreedt. De NN-beleggingsverzekeringen bevatten daarmee alle kenmerken van een levensverzekeringsovereenkomst, zoals bedoeld in artikel 7:975 jo. 7:964 jo. 7:925 BW. Dat is tussen partijen op zich ook niet in geschil.

4.65.

De vraag is of, zoals de Consumentenbond stelt, daarnaast steeds “een niet benoemde overeenkomst strekkende tot opbouw van vermogen door verwerving van participaties” tussen NN en de polishouders tot stand is gekomen, zodat de NN-beleggingsverzekeringen als gemengde overeenkomsten moeten worden gekwalificeerd. De rechtbank oordeelt als volgt.

4.66.

Volgens het door NN zelf verstrekte schema (cva, p. 33) en de bijbehorende uitleg werkt het systeem van deze beleggingsverzekeringen aldus. De verzekeringnemer betaalt een bruto premie aan de verzekeraar NN voor de verzekerde hoofddekking, te weten de dekking bij overlijden of in leven zijn van de verzekerde. NN wendt de ontvangen premie aan voor de aankoop van participaties op haar eigen naam, waarna de kosten worden verrekend en inhoudingen voor het overlijdensrisico worden gedaan. Vervolgens wordt het na aftrek van die inhoudingen en kosten resterende bedrag aan participaties aangehouden door NN, ten behoeve van de verzekeringnemer, met het doel om - op ieder moment - aan haar uitkeringsverplichtingen jegens de verzekeringnemer en/of de begunstigde te kunnen voldoen. De verzekeringnemer neemt niet zelf rechtstreeks deel in de beleggingsfondsen. Ter uitvoering van haar uitkeringsverplichting keert NN de tegenwaarde van de participaties in guldens/euro's uit aan de begunstigde op de in de polis genoemde datum. NN handelt bij de uitvoering van voormelde werkzaamheden volledig zelfstandig. Dit systeem en de werking daarvan zijn door de Consumentenbond niet (gemotiveerd) betwist.

Gelet daarop en tegen de achtergrond van de overweging van het Europese Hof van Justitie in het arrest Länsförsäkringar Sak Försäkringsaktiebolag (zie HvJ EU 31 mei 2018, C-542/16, ECLI:EU:C:2018:369; r.o. 54; hierna Länsförsäkringar): “The referring court states that the financial advice at issue in the main proceedings related to the placement of capital in an investment certificate in the context of insurance mediation. Furthermore, it is apparent from the written observations of the Swedish Government that that capital consisted of insurance premiums paid in the product in question. Accordingly, the view must be taken that that placement forms an integral part of the insurance contract and that, consequently, the investment advice relating to that placement constitutes work preparatory to the conclusion of that insurance contract”, is de omzetting van de bruto premie in participaties in beleggingsfondsen naar het oordeel van de rechtbank onderdeel van de verzekeringsovereenkomst. Immers, ook hier vormt die een integraal onderdeel van de verzekeringsovereenkomst. Dat het, in de geciteerde zaak, anders dan bij de NN-producten ging om advies doet niet af aan het oordeel van het HvJEU dat de wijze waarop de investering wordt vormgegeven een integraal deel van de verzekeringsovereenkomst uitmaakt, en dus niet een eigen, onbenoemde nevenovereenkomst vormt.

4.67.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat met een NN-beleggingsverzekering alleen een levensverzekeringsovereenkomst tot stand is gekomen en niet tevens een andere overeenkomst, zoals de door de Consumentenbond gestelde overeenkomst strekkende tot opbouw van vermogen door verwerving van participaties. Van een gemengde overeenkomst is geen sprake.

4.68.

De levensverzekeringsovereenkomst is een benoemde overeenkomst in de zin van artikel 7:964 e.v. BW, waarbij – zoals hiervoor reeds is overwogen – een verzekeraar zich tegen betaling van de premie verbindt tot het doen van een uitkering (artikel 7:925 BW). De kenmerkende elementen zijn de (hoogte van de) premie (de prijs) en de (te verwachten) uitkering bij leven of overlijden (de prestatie) (vgl. HvJ EU Länsförsäkringar, punt 50).

Wilsovereenstemming?

4.69.

Vaststaat dat NN voorafgaand aan de totstandkoming van de NN-beleggingsverzekeringen een offerte verstrekte. Gelet op de zojuist vastgestelde aard van de in het geding zijnde levensverzekeringsovereenkomsten, was NN – naar zij terecht stelt – gehouden deze offerte op te stellen overeenkomstig de uit de Derde levensrichtlijn voortvloeiende regelgeving. Volgens de preambule van de Derde levensrichtlijn moet de consument immers beschikken over “de nodige inlichtingen om de overeenkomst te kunnen kiezen die het beste bij zijn behoeften past; dat deze behoefte aan inlichtingen nog sterker is omdat de looptijd van de verbintenissen zeer lang kan zijn; dat het dientengevolge wenselijk is de minimumvoorschriften te coördineren opdat de consument een duidelijke en nauwkeurige informatie zou ontvangen over de wezenlijke kenmerken van de hem aangeboden produkten” (zie 2.7) en blijkens de toelichtingen op de RIAV 1994 en de RIAV 1998 betreffen deze regelingen “de (pre)contractuele verhouding tussen verzekeraar en verzekeringnemer” en “wordt de toepassing van deze regeling(en) beheerst door het burgerlijk recht, waarbij bijvoorbeeld ook de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 2 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek) gelden”.

De stelling van de Consumentenbond dat de Derde levensrichtlijn en de daaruit voortvloeiende regelgeving louter een toezichthoudend karakter hadden, treft tegen die achtergrond geen doel. Naar Europees recht wordt geen onderscheid gemaakt tussen publiek- en privaatrecht. Op grond van artikel 288 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is een richtlijn slechts verbindend ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke lidstaat waarvoor zij is bestemd; aan de nationale instanties wordt de bevoegdheid gelaten vorm en middelen te kiezen. Nederland heeft gekozen voor een publiekrechtelijke implementatie door opname van de normen in de RIAV 1994 (en de verdere/latere regelgeving, zoals hiervoor besproken). Voor het overige geldt contractsvrijheid en is het aan de verzekeraar en de consument/verzekeringnemer overgelaten welke levensverzekeringsovereenkomst zij wensen te sluiten. Daaromtrent dient, volgens de normale privaatrechtelijke regels te beoordelen, wilsovereenstemming te bestaan.

4.70.

Wilsovereenstemming veronderstelt dat de verzekeringnemer beschikt over voldoende informatie. De precontractuele informatieverstrekking op grond van de Derde levensrichtlijn en de daaruit voortvloeiende regelgeving is dan ook een omstandigheid die in ogenschouw moeten worden genomen in het kader van de vraag wat is overeengekomen tussen NN en de verzekeringnemers. Over die informatieverstrekking is hiervoor reeds een oordeel gegeven.

4.71.

Daarmee is nog niet gezegd waarover wilsovereenstemming bestaat. De contractsvrijheid tussen partijen staat voorop. In het kader van deze collectieve actie leidt dat tot het volgende toetsingskader.

Essentieel is of de gemiddelde consument/verzekeringnemer, gegeven de verstrekte informatie, de universal life systematiek en de (veronderstellenderwijs door de assurantietussenpersoon verstrekte) complete documentatie, in redelijkheid moet hebben begrepen dat hij, door in te stemmen met de bruto premie en het verwachte eindkapitaal, ook instemde met de door de Consumentenbond aan de orde gestelde kosten (zie 4.61), NN ervan uit mocht gaan dat hij daarmee instemde en er dus per saldo wilsovereenstemming is bereikt. Als algemeen uitgangspunt kan daarbij gelden dat een gemiddelde verzekeringnemer/consument in redelijkheid ervan uit moest gaan dat sprake zou zijn van het berekenen van enige kosten. Naar het oordeel van de rechtbank bleek uit de offertes dat er kosten en risicopremies in rekening zouden worden gebracht. In de diverse offertes zijn verwijzingen naar kosten vermeld.

Voor het overige zal per kostensoort worden beschouwd of, uitgaande van voormelde toets, wilsovereenstemming bereikt is.

Eerste kosten NN

4.72.

Vaststaat dat de eerste kosten verzekeraar van NN kosten zijn voor marketing, productontwikkeling en verkoop, en voor het opstellen van de verzekeringsovereenkomst en opname van de verzekeringsovereenkomst in de administratie. Deze kosten werden alleen gedurende het eerste deel van de looptijd van de verzekering maandelijks in rekening werden gebracht.

Eerste en doorlopende kosten assurantietussenpersoon

4.73.

Tussen partijen is niet in geschil dat het bij deze kosten gaat om de aan de tussenpersoon te betalen afsluitprovisie (eerste kosten assurantietussenpersoon) en doorlopende provisie, die NN op grond van een wettelijke verplichting aan de tussenpersonen diende te voldoen (zie 4.15).

4.74.

De eerste kosten verzekeraar, eerste kosten assurantietussenpersoon en doorlopende kosten assurantietussenpersoon zijn, gelet op de werking van de universal life polis, geen kosten die volgens artikel 2 lid 2 onder r RIAV 1998 ‘naast’ de bruto premie in rekening worden gebracht, zodat daarvan in beginsel geen aparte kwantitatieve weergave diende te worden gegeven. Niet in geschil is voorts dat voormelde kosten geen kosten van nevendekkingen zijn of kosten die andere aanbieders van beleggingsverzekeringen helemaal niet in rekening brachten. Het betreft kosten die in de bruto premie verdisconteerd zijn en die, zoals hiervoor reeds overwogen, vanwege de universal life-systematiek, pas na de omzetting in participaties op naam van verzekeraar werden verrekend. De wetgever heeft de universal life-systematiek niet in de beschouwingen betrokken, zodat daaraan ook geen aandacht is besteed in het kader van de vraag welke kosten kwantitatief moesten worden weergegeven.

4.75.

Uit het voorgaande blijkt dat het hier in beginsel kosten betreft die onder art. 2 lid 2 sub b jo. q RIAV 1998 vallen. Het zijn immers ontegenzeggelijk kosten die invloed hebben op het rendement, omdat het in rekening daarvan brengen gelet op voormeld systeem meebracht, dat een geringer bedrag ten behoeve van de verzekeringnemer werd belegd dan zonder die kosten het geval zou zijn geweest.

Dat deze kosten waren verdisconteerd in het netto voorbeeldkapitaal brengt niet zonder meer mee dat de gemiddelde verzekeringnemer/consument erop bedacht diende te zijn dat deze ten laste van zijn polis zouden worden gebracht (en niet, zoals de Consumentenbond stelt, voor rekening van NN zouden blijven en dus ten laste van de winst van NN op het product zouden komen). In dat verband is mede van belang dat de Consumentenbond, door NN niet behoorlijk gemotiveerd betwist, heeft gesteld dat de eerste kosten verzekeringsmaatschappij en de eerste kosten verzekeringsadviseur samen circa 12% van de totale periodiek betaalde premie (ingehouden in de eerste jaren van de looptijd) en de doorlopende kosten verzekeringsadviseur circa 7% van de maandelijks verschuldigde premie bedroegen. Het gaat dus om aanzienlijke kosten.

Als deze kosten geen basis vinden in de polisdocumentatie op grond van artikel 2 lid 2 sub b jo. q RIAV 1998, is tegen die achtergrond in beginsel van wilsovereenstemming geen sprake.

Het gaat hierbij om de polisdocumentatie in ruime zin (zie 4.15, 4.71 en hierna 4.94). Er is geen rechtsregel die NN verplichtte de diverse kosten en inhoudingen juist in de polis of juist in de door haar gehanteerde algemene voorwaarden te vermelden.

4.76.

NN stelt dat de basis in de polisdocumentatie gevonden kan worden in de VvV, nu het hier administratie- en beheerkosten in de zin van artikel 3D van de VvV betreft. Zij stelt dat hierbij geen onderverdeling is gemaakt tussen eerste en doorlopende kosten, omdat het inhoudelijk gezien administratiekosten zijn en de benaming ‘eerste’ en ‘doorlopende’ kosten slechts iets zegt over het moment waarop deze administratiekosten werden verrekend. Omdat beide kostensoorten als administratiekosten gelden, is bovendien geen onderscheid gemaakt tussen kosten verzekeraar en kosten assurantietussenpersoon.

NN stelt dat daarnaast in de prospectus melding werd gemaakt van de eerste en doorlopende kosten en vanaf 1 oktober 1998 (althans vanaf 1 januari 1999) in de ‘Algemene voorlichtingsbrochure over levensverzekeringen met beleggingsrisico’ (zie 2.5).

4.77.

Dat genoemde kosten administratie(- of beheer)kosten in de zin van art. 3D van de VvV betreffen ligt, gelet op de aard ervan (zie 4.72 en 4.73) en de hiervoor genoemde omvang, niet onmiddellijk in de rede, ook niet als rekening gehouden wordt met de hogere administratie- en beheerkosten in de minder geautomatiseerde periode in het verleden. Deze uitleg volstaat dus niet zonder meer.

NN diende de verzekeringnemers nadere informatie te verstrekken indien en voor zover deze kosten niet vallen onder de kosten als bedoeld in artikel 2 lid 2 sub b jo. q RIAV 1998.

De omstandigheden dat NN, ingevolge de Derde levensrichtlijn niet meer informatie hoefde te verstrekken dan zij heeft gedaan door versleuteling in de bruto premie, dat er bedrijfsvertrouwelijke informatie mee gemoeid kan zijn en dat de iustum pretium leer in de weg staat aan een inhoudelijke toetsing doen daaraan niet af.

Het argument aangaande de nadere informatie vindt in zijn meer algemene vorm zijn weerlegging in hetgeen hiervoor werd overwogen. Voor deze specifieke kosten wordt daarop hierna onder 4.79 e.v. nader in gegaan. Ter zitting is aan de orde geweest dat NN in individuele gevallen, desverzocht, via zogenaamde kostenbrieven inzicht heeft gegeven in de kosten. Dat betekent dat kennelijk van hoogst vertrouwelijke informatie geen sprake is. Op het iustum pretium argument wordt hierna onder 4.93 teruggekomen. Daaromtrent wordt nu reeds opgemerkt dat het juiste ingangspunt dat de rechter zich in beginsel niet dient in te laten met de vraag of de afgesproken prijs redelijk is ten opzichte van de waarde van het product los staat van de vraag of die prijs inderdaad is afgesproken; die laatste vraag wordt nu behandeld.

4.78.

Nu uit de polisdocumentatie niet blijkt dat bovenvermelde kosten, die naar normaal spraakgebruik niet (allemaal) en zonder meer, te rekenen zijn tot maandelijks in rekening te brengen administratie- en beheerkosten als bedoeld in artikel 2 lid 2 sub b jo. q RIAV1998, daaronder zouden vallen, rust op NN als degene die zich op de wilsovereenstemming beroept de bewijslast om haar stellingen nader aannemelijk te maken (zie hierna 4.95).

4.79.

Met betrekking tot de eerste kosten verzekeraar is ook nog het volgende van belang.

Zoals hiervoor reeds is overwogen werden de eerste kosten verzekeraar gedurende het eerste deel van de looptijd van de verzekering maandelijks in rekening gebracht

Als gevolg van deze wijze van in rekening brengen werden in het begin van de looptijd dus relatief veel kosten betaald, zodat uiteindelijk een relatief klein deel van de bruto premie overbleef voor de opbouw van vermogen. Tussentijdse beëindiging van de polis (afkoop), zou daarom (zeer) nadelig kunnen zijn voor de opbouw van vermogen, omdat de eerste kosten over de dan kortere looptijd veel zwaarder drukken op de inleg zodat het netto productrendement sterk afneemt.

Naar het oordeel van de rechtbank konden de verzekeringnemers/consumenten niet uit de voorbeeldkapitalen afleiden dat de kosten in het begin van de looptijd veel zwaarder drukten op het aantal daadwerkelijk te zijnen behoeve te administreren aantal participaties dan daarna. De voorbeeldkapitalen waren immers berekend op basis van de volledige looptijd en uitgaande van een vaststaande bruto premie. Weliswaar moesten de verzekeringnemers er dus rekening mee houden dat in de overeengekomen (maandelijkse) premiebetalingen kosten waren verwerkt, maar de voorbeeldkapitalen vermeldden de te verwachten uitkering waarin de kosten die ten laste van de verzekeringnemers werden gebracht zonder dat daaruit kon worden afgeleid welke kosten daarin waren verwerkt, op welke wijze en wat de omvang van die kosten was. Vaststaat wel dat de kosten hoofdzakelijk werden verdeeld over de gehele – in beginsel 20 tot 30 jaar, in elk geval aanzienlijke – looptijd van de overeenkomst. Dat blijkt bijvoorbeeld uit artikel 3D lid 1 VvV .

Onder die omstandigheden mochten de verzekeringnemers naar het oordeel van de rechtbank in beginsel redelijkerwijs verwachten dat kosten gelijkmatig zouden worden verdeeld over de looptijd van de verzekeringsovereenkomst en diende NN, indien zij de kosten op een andere wijze in rekening bracht, daarvan expliciet melding te maken. De offerte noch de polisdocumentatie en het foldermateriaal bevatte immers gegevens waaruit de polishouder het effect van de wijze van in rekening brengen van de eerste kosten bij tussentijdse beëindiging of premievrijmaking kon afleiden. De omstandigheid dat in de prospectus onder “afkoop” was vermeld “deze eerste kosten worden, verdeeld over (een deel van) de verzekeringsduur, door de maatschappij terugontvangen”, maakt het bovenstaande niet anders. Uit deze (enkele) mededeling kan bovenvermeld effect niet voldoende duidelijk worden afgeleid. Ook de omstandigheid dat NN vanaf 1 augustus 1999 een afkoop- en premievrije waardetabel in de offertes opnam, leidt niet tot een ander oordeel. Uit deze tabellen kon het effect van de wijze van in rekening brengen van de eerste kosten ook niet voldoende duidelijk worden afgeleid.

NN zal ook op dit punt meer duidelijkheid dienen te verschaffen, met name over de vraag waaruit de verzekeringnemer/consument de gehanteerde werkwijze kon opmaken en waarom NN ervan uit mocht gaan dat zij daaromtrent met haar verzekeringnemer/consument wilsovereenstemming had bereikt (zie hierna 4.95).

4.80.

Uit het voorgaande volgt dat ten aanzien van de eerste kosten verzekeraar mogelijk is sprake van een leemte in de verzekeringsovereenkomsten. Die leemte dient in beginsel te worden ingevuld aan de hand van het bepaalde in artikel 6:248 lid 1 BW. Over de vraag hoe deze specifieke leemte in de overeenkomst tussen NN en de polishouders moet worden ingevuld, heeft tussen partijen nog geen debat plaatsgevonden. NN zal in de gelegenheid worden gesteld zich daarover uit te laten waarna de Consumentenbond kan reageren (zie hierna 4.95).

4.81.

Hetgeen onder 4.79 en 4.80 is overwogen geldt niet voor de eerste en doorlopende kosten assurantietussenpersoon. Vaststaat dat deze kosten integraal werden doorberekend aan de polishouder, maar verdeeld over de maanden van de gehele looptijd van het contract en verhoogd met een rentevergoeding van 8% per jaar in verband met de gespreide inhouding. Een dergelijke rentevergoeding komt de rechtbank, gelet op de lange looptijd van de beleggingsverzekeringen en de rentestand destijds, op zichzelf niet zonder meer onredelijk voor.

4.82.

Op de eventueel nader te trekken conclusies loopt de rechtbank niet vooruit.

F) Overlijdensrisicopremie

4.83.

Voorts is het de vraag of de (hoogte van de) overlijdensrisicopremie is overeengekomen.

4.84.

Zoals hiervoor reeds overwogen gaat het in deze procedure om beleggingsverzekeringen op universal life basis. Dat betekent dat de overlijdensrisicodekking is ingebouwd en is afgestemd op de waarde die is opgebouwd in de beleggingsverzekering. Slechts het verschil tussen deze uitkering en de waarde die is opgebouwd in de beleggingsverzekering is verzekerd. De overlijdensrisicopremie wordt daarom (maandelijks) alleen over dit verschil berekend (zie 2.2). De hoogte van de overlijdensrisicopremie wisselt dus steeds. Het was daarom niet mogelijk, en ook niet vereist, dat de exacte hoogte van de overlijdensrisicopremie werd genoemd in de contractdocumentatie. De overlijdensrisicopremie was verwerkt in de bruto premie, en maakte dus deel uit van de premie verschuldigd voor de hoofddekking. Op grond van artikel 2 lid 2 onderdeel h e.v. RIAV 1994 moest NN informatie verschaffen over de premie verschuldigd voor de hoofddekking en, indien de overeenkomst voorziet in een of meer nevenuitkeringen, de premies die voor ieder van de nevenuitkeringen verschuldigd zijn. Blijkens de toelichting bij onderdeel h worden onder nevenuitkeringen separate dekkingen voor andere risico’s verstaan, bijvoorbeeld een aanvullende ongevallendekking of een dekking van premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid (Stcrt. 1994, 97); de overlijdensrisicopremie is geen premie voor een nevenuitkering.

4.85.

Gelet op de universal life systematiek van de NN-beleggingsverzekeringen, waarmee de polishouders bekend waren, moesten de polishouders redelijkerwijs begrijpen dat de hoogte van de overlijdensrisicopremie – die artikel 3D VvV expliciet noemt – wisselde (zie 2.2), zodat in deze situatie NN ervan mocht uitgaan dat wilsovereenstemming is bereikt over de hoogte van de overlijdensrisicopremie, althans de wijze van berekenen daarvan. Het beroep van de Consumentenbond op het arrest van de gerechtshof Amsterdam in de collectieve actie van Stichting Koersplandewegkwijt van 26 juni 2011 (ECLI:NL:GHAMS:2011:BR2836), en het daarna in die zaak gewezen arrest van 14 juni 2013 van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2013:BZ3749) treft geen doel. Naar NN terecht stelt, ging het in die zaak om een spaarkasovereenkomst, gecombineerd met een losse overlijdensrisicoverzekering, waarbij het (in elk geval in theorie) mogelijk was deze verzekering tussentijds te beëindigen en een andere overlijdensrisicoverzekering af te sluiten Bij de NN-beleggingsverzekeringen was dat in verband met de universal life systematiek (zie 4.84) niet mogelijk. Dat is een wezenlijk verschil.

Tegen de achtergrond van het voorgaande is de contractuele grondslag van (de omvang van) de premie voor het overlijdensrisico gelegen in de in de diverse offertes vermelde voorbeeldkapitalen. NN mocht er daarom ook vanuit gaan dat daarover wilsovereenstemming bestond.

oneerlijk beding (vorderingen J, K,L)

4.86.

Voorts is het de vraag of, zoals de Consumentenbond stelt, art. 3 D VvV en de bepalingen omtrent de gehanteerde voorbeeldkapitalen/rendementen ‘oneerlijk’ zijn in de zin van richtlijn 93/13 en daarom vernietigd moeten worden (vordering onder J).

4.87.

De rechtbank stelt voorop dat Richtlijn 93/13 in de Nederlandse rechtsorde niet rechtstreeks van toepassing is op de horizontale verhouding tussen private partijen als hier aan de orde. Een richtlijnconforme uitleg van het Nederlandse recht brengt echter mee dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 6:233 BW gehouden is een beding te vernietigen indien hij vaststelt dat een beding oneerlijk is in de zin van Richtlijn 93/13 (HR 13 september 2013 ECLI:NL:HR:2013:691).

4.88.

Op grond van art. 3 lid 1 Richtlijn 93/13 wordt een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.

Art. 4 lid 2 Richtlijn 93/13 bepaalt dat de beoordeling van het oneerlijke karakter van bedingen geen betrekking heeft op de bepaling van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, noch op de gelijkwaardigheid van enerzijds de prijs of vergoeding en anderzijds de als tegenprestatie te leveren goederen of te verrichten diensten (ook wel iustum pretium genoemd; zie hierna 4.93), voor zover die bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd. Art. 6:231, onder a, BW definieert dergelijke bepalingen als bedingen die de kern van de prestaties aangeven, voor zover deze laatstgenoemde bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd (‘kernbedingen’).

Het begrip kernbeding moet blijkens de parlementaire geschiedenis van art. 6:231 BW zo beperkt mogelijk worden opgevat, waarbij als vuistregel kan worden gesteld dat kernbedingen veelal zullen samenvallen met de essentialia zonder welke een overeenkomst, bij gebreke van voldoende bepaalbaarheid van de verbintenissen, niet tot stand komt (zie onder meer HR 21 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF1563, NJ 2004/567, rov. 3.4.2).

4.89.

Naar het oordeel van de rechtbank gaat het beroep op artikel 3 lid 1 Richtlijn 93/13 wat betreft de premie voor het overlijdensrisico niet op. De voorbeeldkapitalen omschrijven een kernverplichting – de door NN te verrichten prestatie – en kunnen daarmee, gelet op hetgeen onder 4.88 is overwogen, niet als (oneerlijk) beding in de zin van richtlijn 93/13 worden aangemerkt.

Voor wat betreft artikel 3D VvV geldt, dat dit evenzeer een kernbeding is; de overlijdensrisicopremie is immers de door de verzekeringnemer/consument te betalen prijs voor de overlijdensrisicodekking.

Op grond van het voorgaande liggen vorderingen onder J, K en L voor afwijzing gereed.

Leemte (vorderingen M, N, O)

4.90.

Zoals hiervoor reeds is overwogen is over de overlijdensrisicopremie wilsovereenstemming bereikt en mocht NN daarvan uitgaan. Voor wat betreft de overlijdensrisicopremie bevatten de verzekeringsovereenkomst dus geen leemte. Het gevorderde onder M, N en O ligt daarom voor afwijzing gereed.

Hefboom/inteereffect (vordering Q)

4.91.

Zoals hiervoor reeds is overwogen onder 4.57 tot en met 4.59 is het hefboom- en/of inteereffect geen bijzonder risico waar NN haar verzekeringnemers specifiek over/voor had moeten informeren/waarschuwen. Er is dus ook geen grond om, zoals door de Consumentenbond gevorderd, het hefboom/inteereffect te ecarteren. De vordering onder Q ligt daarom voor afwijzing gereed.

Maximering (vordering R)

4.92.

Ten aanzien van de overlijdensrisicopremie is het tot slot de vraag of, zoals de Consumentenbond onder R kort gezegd vordert, de overlijdensrisicopremie gemaximeerd moet worden.

4.93.

Zoals hiervoor reeds is overwogen is de contractuele grondslag voor de inhouding van de overlijdensrisicopremie gelegen in de wilsovereenstemming over de bruto premie en de, door middel van voorbeeldkapitalen inzichtelijk gemaakte, verwachte einduitkering. Naar NN terecht stelt, komen in de netto voorbeeldkapitalen de invloed en gevolgen van de systematiek en de werking van de ingebouwde overlijdensrisicodekking tot uitdrukking. Aan die voorbeeldkapitalen konden de verzekeringnemers verwachtingen ontlenen. Onder die omstandigheden is er naar het oordeel van de rechtbank geen ruimte voor de door de Consumentenbond gevorderde verklaring voor recht dat de overlijdensrisicopremie steeds in evenwicht dient te zijn met de maandelijks te betalen premie en dat de overlijdensrisicopremie gemaximeerd moet worden. Dit zou leiden tot een toepassing van de ‘iustum pretium’-leer, die erop neerkomt dat alleen inhoudelijk evenwichtige overeenkomsten, in die zin dat de prijs een redelijke en niet te hoge vergoeding voor het product vormt, rechtens aanvaardbaar zijn. Daarvoor is in het Nederlandse recht geen plaats. Naar Nederlands recht geldt het beginsel van contractsvrijheid: partijen zijn in beginsel vrij om zelf een prijs overeen te komen. Dat is, zoals blijkt uit artikel 4 lid 2 van richtlijn 93/13, ook Europeesrechtelijk het uitgangspunt en dus op zichzelf niet strijdig met adequate consumentenbescherming(zie 4.88). De vordering onder R ligt derhalve voor afwijzing gereed.

G) Tot slot

4.94.

Hetgeen hiervoor is overwogen heeft, in verband met het collectieve karakter van deze procedure, betrekking op de situatie uitgaande van de gemiddelde verzekeringnemer (zie 4.16) en de assurantietussenpersoon die zijn taak naar behoren heeft vervuld en in dat kader de benodigde contractdocumentatie heeft verstrekt (zie 4.15). In verband met het mogelijke vervolg op de uitkomst van deze procedure en ter voorkoming van (talrijke) individuele procedures, heeft de Consumentenbond ter zitting aangegeven dat hij, in het licht van zijn vorderingen, behoefte heeft aan duidelijkheid over de contractdocumentatie die minimaal verstrekt moest worden.

In het kader van de verdere beoordeling van de vorderingen van de Consumentenbond en gelet op de onwenselijkheid van talrijke individuele procedures, ziet de rechtbank aanleiding om, voor zover mogelijk, te oordelen over de vraag welke informatie in ieder geval door de verzekeraar (al dan niet via de assurantietussenpersoon) verstrekt diende te worden. De rechtbank zal partijen daarom in de gelegenheid stellen zich behoorlijk gemotiveerd (en onderbouwd) uit te laten over de vraag welke contractdocumentatie noodzakelijkerwijs verstrekt moest worden.

4.95.

De zaak zal dus naar de rol worden verwezen voor uitlatingen van partijen aangaande:

- de eerste en doorlopende kosten NN, de eerste en doorlopende kosten assurantietussenpersoon (zie 4.78);

- de wijze waarop deze kosten in de tijd werden verdeeld en de gevolgen daarvan voor tussentijdse beëindiging (zie 4.79);

- de invulling van een mogelijke leemte (zie 4.80);

- de minimaal te verstrekken contractsdocumentatie (zie 4.94).

4.96.

In het licht van het bovenstaande zal de beslissing op het verzoek van de Consumentenbond ex artikel 22 Rv voor het overige en iedere verdere beslissing worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 19 juni 2019 voor het nemen van een conclusie door beide partijen over hetgeen is vermeld onder 4.78, 4.79, 4.80 en 4.94, waarna beide partijen op de rol van twaalf weken daarna (kruislings) een antwoordconclusie kunnen nemen,

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, mr. J.C.A.T. Frima en mr. P. Volker en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2019.

2083/106/1659/2221