Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:2229

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-02-2019
Datum publicatie
05-04-2019
Zaaknummer
7367300 CV EXPL 18-50159
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verzet - huur woonruimte - ontvangst aanmaning betwist - bik afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 7367300 CV EXPL 18-50159

uitspraak: 1 februari 2019

vonnis in verzet van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de stichting

Stichting Woonbron,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

gedaagde in verzet,

gemachtigde: H.A.M. Over de Vest,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te Rotterdam,

gedaagde,

eiseres in verzet,

gemachtigde: S. Schellekens.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘Woonbron’ en ‘ [gedaagde] ’.

1 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  1. de inleidende dagvaarding van 8 oktober 2018, met producties;

  2. het verstekvonnis van 1 november 2018;

  3. de verzetdagvaarding van 20 november 2018;

  4. de conclusie van antwoord in verzet;

  5. het tussenvonnis van 10 december 2018 waarin een comparitie van partijen is bepaald;

  6. het proces-verbaal van de op 15 januari 2019 gehouden comparitie van partijen.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken, staat het volgende tussen partijen vast.

2.1

[gedaagde] huurt van Woonbron de woning aan het adres [adres] te Rotterdam, tegen een huurprijs van laatstelijk € 621,33 per maand, welk bedrag bij vooruitbetaling dient te worden voldaan. In de betaling van de huurpenningen is een achterstand ontstaan.

2.2

Bij onder zaaknummer 7272220 CV EXPL 18-43273 gewezen verstekvonnis van 1 november 2018 is [gedaagde] veroordeeld tot betaling aan Woonbron van € 1.976,76 aan achterstallige huur berekend tot en met de maand oktober 2018 en buitenrechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over € 621,33 vanaf 1 augustus 2018 tot de dag van algehele voldoening. Tevens heeft de kantonrechter in dit verstekvonnis de huurovereenkomst tussen partijen ontbonden, [gedaagde] veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde binnen 14 dagen na betekening van het vonnis en [gedaagde] veroordeeld om aan Woonbron een bedrag van € 621,33 per maand te betalen met ingang van de maand november 2018 tot en met de maand waarin de ontruiming plaatsvindt, ook die laatste maand voor een gehele te rekenen. [gedaagde] is veroordeeld in de proceskosten van het geding. Het verstekvonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3 De vordering

3.1

Woonbron heeft bij inleidende dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde met nevenvorderingen;

  2. betaling van een bedrag van € 1.976,76, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 621,33 vanaf 1 augustus 2018 tot aan de dag van algehele voldoening;

  3. betaling van een bedrag van € 621,33 per maand als schadevergoeding vanaf 1 november 2018 tot aan de dag van daadwerkelijke ontruiming;

  4. betaling van de kosten van deze procedure.

3.1

Het door Woonbron gevorderde bedrag van € 1.976,76 bestaat uit:

  • -

    € 1.863,99 aan achterstallige huurpenningen tot en met oktober 2018;

  • -

    € 112,77 aan buitengerechtelijke incassokosten.

3.2

Woonbron vordert nakoming van de betalingsverplichting die voortvloeit uit de tussen partijen gesloten huurovereenkomst. De tekortkoming in de nakoming rechtvaardigt naar de mening van Woonbron ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. Woonbron vordert daarbij tevens het overeengekomen huurbedrag per maand als schadevergoeding vanaf de dag van de ontbinding tot aan de dag van de ontruiming en zij maakt aanspraak op vergoeding van wettelijke rente.

4 De vordering in verzet

4.1

[eiseres] vordert in verzet haar te ontheffen van de bij voormeld verstekvonnis tegen haar uitgesproken veroordeling, dat verstekvonnis te vernietigen, met veroordeling van Woonbron in de kosten van het geding.

4.2

Daartoe heeft [eiseres] het volgende aangevoerd. [eiseres] stelt dat door het kwijtraken van inkomen en het aflossen van schulden tijdelijk financiële problemen waren ontstaan. Nu heeft zij echter een vast inkomen en is zij thans in staat om de lopende huurtermijnen te betalen plus een bedrag van € 100,00 per maand om de huurachterstand af te lossen. [eiseres] betwist de hoogte van de huurachterstand. Zij heeft gesteld dat zij nog een betaling heeft gedaan.

4.3

[eiseres] heeft verder aangevoerd dat haar huidige financiële situatie geen reden geeft voor ontbinding van de huurovereenkomst met ontruiming van het gehuurde. Zij is in staat om de achterstand in redelijke termijnen te betalen naast de lopende huur en is bezig met een minnelijk schuldhulpverleningstraject via de Kredietbank Rotterdam. Verder miskent Woonbron haar maatschappelijke en sociale verantwoordelijkheid als ‘sociale’ woningbouwvereniging. Het belang van [eiseres] bij een veilig huis weegt zwaarder dan het financiële belang van Woonbron. [eiseres] beroept zich op artikel 8 EVRM, artikel 12 van het Besluit Beheer Sociale-Huursector en artikel 22 lid 2 van de Grondwet.

4.4

[eiseres] verzoekt subsidiair om haar een terme de grâce te verlenen om alsnog de huurachterstand binnen redelijke termijn in zijn geheel aan Woonbron te voldoen.

4.5

[eiseres] betwist aan Woonbron buitengerechtelijke kosten verschuldigd te zijn. Zij heeft geen aanmaningen of betalingsherinneringen van Woonbron ontvangen. [eiseres] is niet bekend met de inleidende dagvaarding waarop het verstekvonnis is gewezen en zij is dan ook rauwelijks met het verstekvonnis geconfronteerd. [eiseres] betwist de wettelijke rente verschuldigd te zijn, omdat zij niet in verzuim verkeert. Op hetgeen [eiseres] verder heeft aangevoerd zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.

5 De beoordeling

5.1

Woonbron heeft ter zitting gesteld dat zij op 31 december 2018 ook nog een betaling van [gedaagde] van € 100,00 heeft ontvangen (welk bedrag niet in het overgelegde overzicht is vermeld) en zij vermindert daarom de hoofdsom met dit bedrag. Uit de door Woonbron overgelegde specificatie van de huurachterstand blijkt dat de huurachterstand tot en met de maand januari 2019 inclusief de bij dagvaarding gevorderde buitengerechtelijke incassokosten € 1.913,75 bedraagt. Een en ander betekent dat de huurachterstand tot en met januari 2019 thans € 1.800,98 bedraagt. De gestelde huurachterstand is ter zitting door [gedaagde] niet langer betwist. De hoogte van de huurachterstand is dan ook vast komen te staan. Voor zover [gedaagde] een beroep doet op haar tijdelijke financiële problemen kan dit niet aan toewijzing van de vordering in de weg staan. Hoe moeilijk deze omstandigheden ook voor [gedaagde] waren, zij ontslaan haar niet van haar betalingsverplichting jegens Woonbron. De vordering tot betaling van de reeds opeisbaar geworden huurpenningen zal daarom worden toegewezen.

5.2

Het uitgangspunt is dat ingevolge artikel 6:265 lid 1 BW iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van zijn verbintenissen, aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Bij de beoordeling of ontbinding naar de aard en betekenis van de tekortkoming gerechtvaardigd is, dient rekening gehouden te worden met alle omstandigheden van het geval, waaronder de omstandigheden die na de gestelde tekortkoming hebben plaatsgevonden.

5.3

Vast staat dat [gedaagde] is tekortgeschoten in haar betalingsverplichting jegens Woonbron. De huurachterstand van drie maanden ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding rechtvaardigt in beginsel de ontbinding van de huurovereenkomst. In de omstandigheden dat de huurachterstand inmiddels is ingelopen tot een bedrag van minder dan drie maanden huur, dat [gedaagde] nu een vast inkomen heeft en in staat is om de achterstand in redelijke termijnen te betalen en dat zij zich heeft aangemeld voor schuldhulpverlening, ziet de kantonrechter aanleiding de gevorderde ontbinding en ontruiming af te wijzen.

5.4

Uit hoofde van de huurovereenkomst is [gedaagde] bij vooruitbetaling huur verschuldigd. [gedaagde] heeft niet tijdig aan haar betalingsverplichting voldaan, zodat zij in verzuim is. De gevorderde wettelijke rente zal dan ook worden toegewezen.

5.5

Woonbron maakt ook aanspraak op buitengerechtelijke incassokosten. Zij stelt dat zij [gedaagde] heeft aangemaand en verwijst daarbij naar de door haar als productie 1 bij inleidende dagvaarding in het geding gebrachte aanmaning van 14 augustus 2018. Die aanmaning is gericht aan het adres [adres] te Rotterdam. [gedaagde] heeft de ontvangst van deze aanmaning betwist.

5.6

Voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten wordt door de wet vereist dat aanmaning van [gedaagde] heeft plaatsgevonden conform de vereisten van artikel 6:96 lid 6 BW. Daarbij moet de aanmaning ook door [gedaagde] zijn ontvangen. Het is bij deze stand van zaken aan Woonbron om te stellen en zo nodig te bewijzen dat de door haar verzonden aanmaning door [gedaagde] is ontvangen. Een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring moet op grond van artikel 3:37 BW, om haar werking te hebben, deze persoon immers hebben bereikt. Woonbron heeft onvoldoende gesteld om tot de conclusie te kunnen komen dat de aanmaning waarin de buitengerechtelijke incassokosten werd aangezegd, door [gedaagde] is ontvangen. Nu niet is komen vast te staan dat [gedaagde] kosteloos is aangemaand als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW komen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten niet voor vergoeding in aanmerking. De vordering ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten wordt dan ook afgewezen.

5.7

[gedaagde] wordt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. [gedaagde] wordt ook veroordeeld tot betaling van de kosten van de verzetprocedure. De inleidende dagvaarding van 8 oktober 2018 is door de deurwaarder door de brievenbus gedaan van de woning waar [gedaagde] volgens de gemeentelijke basisadministratie op dat moment woonde. De enkele stelling dat zij niet bekend is met de inleidende dagvaarding, volstaat niet om de verklaring hierover van de deurwaarder te weerleggen. Als [gedaagde] naar aanleiding van de inleidende dagvaarding in het geding verschenen zou zijn, zouden de kosten voor de verzetprocedure niet nodig zijn geweest. De proceskosten van het oorspronkelijke geding worden toegewezen conform het verstekvonnis. Daarnaast wordt een bedrag van € 360,00 toegewezen voor salaris van de gemachtigde in de verzetprocedure.

5.8

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de kantonrechter opnieuw recht doen.

6 De beslissing

vernietigt het op 1 november 2018 tussen partijen gewezen verstekvonnis;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [gedaagde] om aan Woonbron te betalen een bedrag van € 1.800,98 aan achterstallige huur berekend tot en met de maand januari 2019, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 621,33 vanaf 1 augustus 2018 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten tot aan deze uitspraak aan de zijde van Woonbron vastgesteld op € 99,91 aan dagvaardingskosten, € 476,00 aan griffierecht en € 510,00 aan salaris voor de gemachtigde;

wijst af het meer of anders gevorderde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.M. van de Ven en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

26975