Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:2191

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-03-2019
Datum publicatie
21-03-2019
Zaaknummer
16.437-438 ea
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voordracht tot tussentijdse beëindiging op grond van artikel 350 lid 3 sub f Fw afgewezen. Groot deel van de schulden buiten de vijfjaarstermijn ontstaan. Daarnaast hebben schuldenaren na toelating tot de schuldsaneringsregeling beschermingsbewind aangevraagd. Aannemelijk is dat zij dit ten tijde van de toelating ook nodig hadden. Als ten tijde van de toelating al sprake was geweest van beschermingsbewind, dan zou dit naar het oordeel van de rechtbank in de gegeven omstandigheden in een voor verzoekers positieve zin hebben meegewogen bij de beantwoording van de vraag of schuldenaren de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van hun schulden onder controle hebben gekregen. Schuldenaren hadden dan dus (naar verwachting met succes) een beroep kunnen doen op de hardheidsclausule.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 350
Faillissementswet 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

weigering tussentijdse beëindiging en wijziging termijn

insolventienummer: [nummer]

uitspraakdatum: 14 maart 2019

Bij vonnis van deze rechtbank van 25 april 2016 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van:

[schuldenaar] en [schuldenares],

[adres]

[woonplaats] ,

Schuldenaren,

bewindvoerder: M. Klarenbeek.

1 De procedure

De voormalige rechter-commissaris heeft op 17 december 2018 een voordracht gedaan om de toepassing van de schuldsaneringsregeling te beëindigen.

De bewindvoerder heeft op 25 februari 2019 aan de rechtbank de laatste stand van zaken gestuurd.

De waarnemend bewindvoerder mevrouw H.J.E. Schoonbrood en schuldenaren, in het bijzijn van hun advocaat mevrouw mr. H. Devkinandan en hun beschermingsbewindvoerder de heer T. Dreessen, zijn gehoord ter terechtzitting van 7 maart 2019.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De standpunten

Volgens de voordracht is sprake van feiten of omstandigheden die op het tijdstip van de indiening van het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest om het verzoek af te wijzen. Gebleken is dat sprake is van een toeslagenschuld aan de Belastingdienst van € 9.359,-- (in plaats van € 1.907,-- zoals op de schuldenlijst stond) en een schuld aan Woonbron van € 7.694,-- (in plaats van € 3.090,--). Bovendien is gebleken dat schuldenaren kort voor toelating nog een fraudevordering van € 2.605,-- hebben laten ontstaan, terwijl zij ook al in 2011 een fraudevordering hadden laten ontstaan. Volgens de rechter-commissaris zouden schuldenaren niet zijn toegelaten tot de schuldsaneringsregeling als deze schulden ten tijde van de toelating bekend waren geweest.

De bewindvoerder heeft in zijn brief van 25 februari 2019 gesteld dat hij zich kan verenigen met de voordracht en zich daarbij aansluit. Verder heeft hij aangegeven dat de inlichtingen-verplichting inmiddels beter wordt nagekomen en dat er geen nieuwe schulden zijn ontstaan. Schuldenaar werkt fulltime en voldoet daarmee aan de inspanningsverplichting. Ten aanzien van schuldenares, die parttime werkt, geldt dat de sollicitatieverplichting thans naar behoren wordt nagekomen, maar dat eerder een tekortkoming van negen maanden is geconstateerd. Tot slot geldt dat sprake is van een boelachterstand van € 2.099,86 tot en met december 2018, aldus de bewindvoerder.

Ter terechtzitting is door en namens schuldenaren gesteld dat zij zich er niet van bewust waren dat ten tijde van de toelating schulden ontbraken op de schuldenlijst dan wel dat sommige bedragen niet klopten. Er heeft geen minnelijk traject plaatsgevonden omdat sprake was van een fraudevordering. De schuldeisers zijn destijds niet aangeschreven voor een opgave van de hoogte van de schulden. Schuldenaren hadden ten tijde van de toelating zelf geen overzicht over hun schulden. Dat is dan ook de reden dat zij per 11 april 2017 beschermingsbewind hebben laten instellen. Het was vermoedelijk beter geweest als het beschermingsbewind voor toelating was ingesteld, maar schuldenaren wisten toen niet dat dit kon. De belastingschulden die nu boven water zijn gekomen zijn grotendeels buiten de vijfjaarsperiode ontstaan. Er is inderdaad een maand teveel uitkering ontvangen kort voor toelating. Er lag beslag op het inkomen en daardoor konden de vaste lasten, waaronder de huur, niet betaald worden. Met de onterecht ontvangen uitkering zijn de vaste lasten betaald. Als ten tijde van de toelating sprake was geweest van beschermingsbewind en alle schulden toen bekend zouden geweest, zou er geen reden zijn geweest voor afwijzing van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Schuldenares heeft ter terechtzitting verklaard dat zij inmiddels een 0-uren contract heeft en doorgaans fulltime werkt. Zij heeft erkend dat zij in het verleden gedurende negen maanden niet naar behoren (aanvullend) gesolliciteerd heeft.

3 De beoordeling

De rechtbank kan de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigen op voordracht van de rechter-commissaris indien feiten en omstandigheden bekend worden die op het tijdstip van de indiening van het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen overeenkomstig artikel 288, eerste en tweede lid van de Faillissementswet (Fw).

Nu namens schuldenaren onbetwist is gesteld dat de belastingschulden (voor zover niet op de schuldenlijst bij toelating vermeld) grotendeels buiten de vijf jaarstermijn zijn ontstaan, zouden deze in zoverre niet aan toelating in de weg hebben gestaan. De ten tijde van de toelating niet genoemde fraudeschuld van € 2.605,-- is in 2016 en daarmee binnen de vijf jaarstermijn ontstaan. Daar komt bij dat dit de tweede fraudeschuld is die schuldenaren hebben laten ontstaan; in 2011 is immers ook een fraudeschuld ontstaan. De vraag is of de omstandigheid dat schuldenaren wederom, vlak voor toelating, weer in de fout zijn gegaan, tezamen met de hogere schuld aan Woonbron (€ 7.694,-- in plaats van € 3.090,--) tot afwijzing van het toelatingsverzoek had geleid. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Duidelijk is dat schuldenaren niet zelfstandig in staat zijn om hun financiën te beheren. Sinds 11 april 2017 is sprake van beschermingsbewind. Aannemelijk is dat schuldenaren ook voordien, meer in het bijzonder ten tijde van de indiening van het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, niet in staat waren om zelfstandig hun financiën te beheren. Als dit toen was onderkend, dan had het in de rede gelegen dat schuldenaren reeds voor de toelating beschermingsbewind hadden laten instellen, althans pas waren toegelaten nadat zij dat hadden geregeld. Zij hebben echter onbetwist gesteld dat zij toen niet op de hoogte waren van die mogelijkheid.

Als ten tijde van de toelating sprake was geweest van beschermingsbewind, dan zou dit naar het oordeel van de rechtbank in de gegeven omstandigheden in een voor verzoekers positieve zin hebben meegewogen bij de beantwoording van de vraag of schuldenaren de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van hun schulden onder controle hebben gekregen. Met andere woorden: dan hadden schuldenaren naar verwachting met succes een beroep kunnen doen op de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 288 lid 3 Fw. Dat het beschermingsbewind mogelijk kort voor toelating zou zijn ingesteld, doet daaraan niet af; anders dan de bewindvoerder voorstaat, is niet steeds vereist dat de financiën minimaal driekwart jaar voor toelating onder controle zijn om een beroep te kunnen doen op de hardheidsclausule.

De beschermingsbewindvoerder heeft ter terechtzitting nog verklaard dat er voldoende saldo op de beheerrekening staat om de boedelachterstand volledig in te lopen. De achterstand zal dan ook per omgaande worden ingelost. Daarnaast heeft de beschermingsbewindvoerder toegezegd ervoor te kunnen en zullen zorgdragen dat maandelijks een dusdanig bedrag zal worden afgedragen aan de boedelrekening dat er geen substantiële achterstand meer ontstaat. Tot slot heeft hij toegezegd de nog ontbrekende stukken aan de bewindvoerder te zullen verstrekken.

De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen.

De tekortkoming in de nakoming van de sollicitatieplicht van schuldenares kan echter niet zonder consequenties blijven. De rechtbank zal daarom, ter compensatie, de termijn van de schuldsaneringsregeling van schuldenares verlengen met een periode van negen maanden. Ter terechtzitting heeft schuldenares met deze verlenging ingestemd. Voor een verlenging van de regeling van schuldenaar, zoals door de bewindvoerder verzocht, ziet de rechtbank geen aanleiding. Er is immers geen sprake van een tekortkoming van schuldenaar in de nakoming van de verplichtingen die daartoe noopt.

Door de rechtbank wordt aan schuldenaren thans een laatste kans geboden om de schuldsaneringsregeling tot een goed einde te brengen. Alle uit de regeling voortvloeiende verplichtingen moeten in het vervolg door schuldenaren stipt worden nagekomen, om een (tussentijdse) beëindiging van de schuldsaneringsregeling zonder schone lei te voorkomen.

4 De beslissing

De rechtbank:

- weigert de toepassing van de schuldsaneringsregelingen van schuldenaren tussentijds te beëindigen;

- wijzigt de termijn van de schuldsaneringsregeling van mevrouw [schuldenares] ( [nummer] ), in die zin dat deze drie jaar en negen maanden bedraagt en daarmee eindigt op 25 januari 2020;

- bepaalt dat gedurende de verlenging van de schuldsaneringsregeling van

mevrouw [schuldenares] (vanaf 25 april 2019) alle verplichtingen onverkort van kracht zullen zijn.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Kalmthout, rechter, en in aanwezigheid van

J. Hillen-Huizer, griffier, uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 maart 2019.1

1 Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.