Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:2145

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-03-2019
Datum publicatie
28-03-2019
Zaaknummer
7415434 VZ VERZ 18-25381
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst op de g-grond, ernstig verwijtbaar handelen werkgever, billijke vergoeding € 200.000,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0338
Prg. 2019/155
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 7415434 VZ VERZ 18-25381

uitspraak: 4 maart 2019

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de vennootschap naar Zweeds recht

[verzoekster] ,

gevestigd te Stockholm (Zweden),

verzoekster,

tevens verweerster ingevolge de tegenverzoeken,

gemachtigde: mr. E.P. Keuvelaar te Utrecht,

tegen

[verweerder] ,

wonende te Barendrecht,

verweerder,

tevens verzoeker ingevolge de tegenverzoeken,

gemachtigde: mr. S.N. Meijers te Utrecht.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [verzoekster] ” en “ [verweerder] ”.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Van de volgende processtukken is kennisgenomen:

  • -

    het verzoekschrift ex artikel 7:671b BW, met producties, ontvangen op 18 december 2018;

  • -

    het verweerschrift, tevens houdende nevenverzoeken, met producties, ontvangen op
    31 januari 2019;

  • -

    de voorafgaande aan de mondelinge behandeling aan de zijde van [verzoekster] overgelegde brieven van 7 februari en 8 februari 2019, met producties;

  • -

    de voorafgaande aan de mondelinge behandeling aan de zijde van [verweerder] overgelegde (fax)brief van 11 februari 2019, met producties;

  • -

    de bij gelegenheid van de mondelinge behandeling aan de zijde van [verzoekster] overgelegde pleitnota.

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 februari 2019. Namens [verzoekster] waren daarbij aanwezig de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ), CEO, en mevrouw [naam 2] (hierna: [naam 2] ), directeur HR, bijgestaan door de gemachtigde voornoemd. [verweerder] is in persoon verschenen, eveneens bijgestaan door zijn gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten (nader) doen toelichten door hun respectieve gemachtigden, [verzoekster] aan de hand van een pleitnota, die zij heeft overgelegd. Van hetgeen ter mondelinge behandeling is verhandeld heeft de griffier aantekening gehouden.

1.3

De kantonrechter heeft de uitspraak van deze beschikking bepaald op heden.

2 De feiten

In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende feiten:

2.1

[verzoekster] beschikt in Nederland over 30 kantoren, waaronder een kantoor in Rotterdam.

2.2

[verweerder] , geboren op [geboortedatum] , is op 1 oktober 2013 voor onbepaalde tijd bij [verzoekster] in dienst getreden in de functie van kantoordirecteur Barendrecht. Sinds
16 november 2015 is [verweerder] directeur van kantoor Rotterdam. Het salaris van [verweerder] bedroeg laatstelijk € 8.538,13 bruto per maand, exclusief emolumenten.

2.3

In het najaar van 2015 heeft kantoor Rotterdam een (lage) audit 3-rating gekregen.

2.4

In de periode van 22 februari tot 8 juni 2017 was [verweerder] al dan niet volledig arbeidsongeschikt wegens een combinatie van werk- en privéomstandigheden.

2.5

Bij e-mail van 29 augustus 2017 heeft [naam 1] het volgende - voor zover thans van belang - aan [verweerder] meegedeeld:

“(…) Great news, well done!

Really great job from you and your team, congrats to all of you for returning to an audit rating 2! (…)”

2.6

In november 2017 heeft [verweerder] op anonieme wijze feedback gevraagd aan zijn teamleden.

2.7

Bij e-mail van 21 december 2017 heeft [naam 1] het volgende - voor zover thans van belang - aan [verweerder] meegedeeld:

“(…) Thank you for your dedication and hard work contributing to a successful year for us in the Netherlands. I’m looking forward to a continued good cooperation in 2018 (…)”.

2.8

In de periode van 26 januari tot 14 juni 2018 was [verweerder] al dan niet volledig arbeids-ongeschikt wegens een combinatie van werk- en privéomstandigheden. Met ingang van
14 juni 2018 is [verweerder] volledig hersteld.

2.9

In juni 2018 heeft [verzoekster] aan [verweerder] meegedeeld dat er geen draagvlak meer voor hem bestond in Rotterdam, dat hij niet als kantoordirecteur Rotterdam kon terugkeren en dat hij eventueel directeur van het (kleinere) kantoor Tilburg kon worden. Vanaf 18 juli 2018 is [verweerder] vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden.

2.10

De heer [naam 3] (hierna: [naam 3] ), voormalig plaatsvervangend kantoordirecteur van Rotterdam, is per 1 januari 2019 benoemd tot kantoordirecteur op die locatie.

3 Het verzoek en de grondslag daarvan

3.1

Het verzoek strekt tot ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst op een zo kort mogelijke termijn, primair wegens verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] , subsidiair wegens een verstoorde arbeidsverhouding en meer subsidiair wegens andere redelijke gronden, een en ander als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub e respectievelijk sub g en h BW, onder toekenning aan [verweerder] van een transitievergoeding van € 18.318,00 bruto.

3.2

Aan dit verzoek heeft [verzoekster] - zakelijk weergegeven en voor zover van belang - het volgende ten grondslag gelegd:

3.2.1

[verweerder] heeft verwijtbaar gehandeld jegens [verzoekster] , aangezien hij ten onrechte heeft geweigerd om als kantoordirecteur Tilburg aan de slag te gaan. Het handelen van [verweerder] rechtvaardigt ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:669 lid 3 sub e BW.

3.2.2

Indien moet worden aangenomen dat van verwijtbaar handelen geen sprake is, dan betoogt [verzoekster] dat als gevolg van de wijze waarop [verweerder] de arbeidsovereenkomst heeft vervuld en nu hij weigert in te zien dat een terugkeer naar de vestiging in Rotterdam zowel voor [verzoekster] als voor hemzelf onverantwoord is, de arbeidsverhoudingen in ernstige mate en op een duurzame wijze zijn verstoord en [verzoekster] het vertrouwen in [verweerder] volledig heeft verloren. Het draagvlak voor [verweerder] , zowel vanuit de directie als vanuit leidinggevenden en collega’s, is volledig verdwenen. Gelet hierop kan van [verzoekster] redelijkerwijs niet gevergd worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De arbeidsovereenkomst dient daarom op grond van artikel 7:669 lid 3 sub g BW te worden ontbonden.

3.2.3

Indien moet worden aangenomen dat ook van een verstoorde arbeidsverhouding geen sprake is, dan betoogt [verzoekster] dat [verweerder] met zijn onwrikbare opstelling niet past bij de cultuur van de bank, dat hij de ernst van de jegens hem geuite kritiek miskent en dat er een verschil van inzicht bestaat tussen partijen over de wijze waarop de functie van kantoordirecteur moet worden vervuld. Ook gelet hierop kan niet van [verzoekster] worden verwacht dat de arbeidsovereenkomst met [verweerder] blijft bestaan.

3.2.4

Herplaatsing van [verweerder] in een andere passende functie is niet mogelijk en ligt ook niet in de rede. Voor toekenning van een billijke vergoeding aan [verweerder] bestaat geen aanleiding. [verzoekster] heeft niet ernstig verwijtbaar gehandeld jegens [verweerder] .

4 Het verweer en de nevenverzoeken

4.1

Het verweer strekt primair tot afwijzing van het ontbindingsverzoek van [verzoekster] en tot het in de gelegenheid stellen van [verweerder] om de overeengekomen werkzaamheden te verrichten, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag dat [verzoekster] daarmee in gebreke blijft.

Subsidiair - in het geval van toewijzing van het ontbindingsverzoek - heeft [verweerder] verzocht om toekenning bij, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking van een transitievergoeding van € 18.797,17 bruto en een billijke vergoeding van € 479.472,00 bruto aan [verweerder] ten laste van [verzoekster] , en om rekening te houden met de geldende opzegtermijn, zonder dat daarop de periode die is gelegen tussen de ontvangst van het verzoekschrift en de datum van de beschikking in mindering strekt.

Zowel primair als subsidiair heeft [verweerder] verzocht om [verzoekster] te veroordelen tot betaling aan [verweerder] van de bovenwettelijke vakantiedagen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente, en een deugdelijke bruto-netto specificatie van die uitbetaling te verstrekken, en om [verzoekster] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over alle gevorderde bedragen, met veroordeling van [verzoekster] in de proceskosten.

4.2

Hiertoe heeft [verweerder] - zakelijk weergegeven en voor zover van belang - het volgende aangevoerd:

4.2.1

Van verwijtbaar handelen is geen enkele sprake. [verweerder] had goede redenen om af te zien van een gedwongen overplaatsing naar Tilburg. [verweerder] valt niets te verwijten.

4.2.2

In het verweerschrift heeft [verweerder] aangevoerd dat er geen sprake van kan zijn dat het vertrouwen van [verzoekster] in [verweerder] ernstig en duurzaam is geschonden en voortzetting van de arbeidsovereenkomst niet meer van [verzoekster] kan worden gevergd. [verweerder] betwist dat er geen enkel draagvlak meer is voor zijn aanwezigheid. Het is een onjuiste voorstelling van zaken dat [verweerder] onvoldoende functioneert en [verzoekster] heeft het verzoek ook niet op die grond gebaseerd. [verweerder] was tot het verzoekschrift niet bekend met klachten van directieleden en collega’s over zijn werkzaamheden. Direct voorafgaand aan de tweede ziekteperiode van [verweerder] was er nog niets aan de hand. [verzoekster] heeft moedwillig aangestuurd op het ontstaan van een verstoorde arbeidsverhouding en zij is dan ook zelf verantwoordelijk voor de escalatie van de situatie. Een andere grond die ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt is evenmin aanwezig. [verweerder] past wel degelijk bij de cultuur van de bank en miskende de jegens hem geuite kritiek niet, maar vroeg tevergeefs om een onderbouwing daarvan.

4.2.3

Zowel de e-grond, de g-grond als de h-grond zijn onvoldoende onderbouwd. Er is dan ook geen sprake van voldragen ontslaggronden. Herplaatsing in een passende functie is mogelijk, gezien het grote aantal vestigingen waarover [verzoekster] in Nederland beschikt. Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van verwijtbaar handelen, een verstoorde arbeidsverhouding dan wel andere omstandigheden moet gelet op het voorgaande worden afgewezen. Ter zitting heeft [verweerder] meegedeeld dat hij inmiddels anders denkt over een ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Op hetgeen bij die gelegenheid in dit kader door [verweerder] is aangevoerd wordt in de beoordeling ingegaan.

4.2.4

Indien de arbeidsovereenkomst toch zal worden ontbonden, dient rekening te worden gehouden met de geldende opzegtermijn zoals bedoeld in artikel 7:671b lid 8, onderdeel a BW, zonder dat daarop de periode die is gelegen tussen de ontvangst van het verzoekschrift en de datum van de beschikking in mindering strekt. Voorts dient in geval van ontbinding aan [verweerder] een transitievergoeding van € 18.797,17 bruto en een billijke vergoeding van
€ 479.472,00 bruto te worden toegekend wegens ernstig verwijtbaar handelen door [verzoekster] . [verzoekster] heeft bewust aangestuurd op een verstoorde arbeidsverhouding. [verweerder] werd direct na zijn tweede ziekteperiode voor het voldongen feit geplaatst dat [verzoekster] hem niet meer wilde laten terugkeren in Rotterdam en [verweerder] werd tevens geconfronteerd met het verwijt dat er opeens geen draagvlak meer voor hem zou bestaan. Van hoor en wederhoor was geen sprake. Ook maakt [verweerder] in geval van ontbinding aanspraak op uitbetaling van zijn bovenwettelijke vakantiedagen.

5 De beoordeling

5.1

Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden op grond van artikel 7:671b lid 1 BW. Ingevolge artikel 7:671b
lid 1, aanhef en onder a, BW gelezen in samenhang met artikel 7:669 lid 1 BW kan de kantonrechter op verzoek van de werkgever de arbeidsovereenkomst ontbinden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Vaststaat dat geen sprake is van strijd met enig opzegverbod zoals bedoeld in artikel 7:671b lid 2 BW.

5.2

De wetgever heeft verwijtbaar handelen van de werknemer en een verstoorde arbeidsverhouding als redelijke gronden voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst aangemerkt. Dat is bepaald in artikel 7:669 lid 3, aanhef en onder e en g, BW. In artikel 7:669 lid 3, aanhef en onder h, BW is bovendien bepaald dat er ook overigens sprake kan zijn van omstandigheden die zodanig zijn dat van de werkgever in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Het verzoek van [verzoekster] strekt tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op die gronden. Van de door [verzoekster] aangevoerde gronden moet tenminste één voldoende voldragen zijn.

5.3

Hoewel [verzoekster] in het verzoekschrift primair aan haar verzoek ten grondslag heeft gelegd dat sprake is van verwijtbaar handelen van [verweerder] , heeft zij ter zitting meegedeeld dat zij het (toch) niet zo hard wil stellen en dat haar verzoek met name is gebaseerd op de subsidiaire en meer subsidiaire gronden. Reeds gelet op dit gewijzigde standpunt van [verzoekster] , nog afgezien van het gemotiveerde verweer van [verweerder] tegen de primaire grondslag, moet het verzoek op die grond worden afgewezen.

5.4

Subsidiair heeft [verzoekster] aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat sprake is van een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. [verzoekster] heeft gesteld dat het draagvlak voor [verweerder] , zowel vanuit de directie (CEO, regiodirecteur en directeur HR), als vanuit collega’s en de huidige kantoordirecteur in Rotterdam, volledig is verdwenen. [verweerder] heeft in zijn verweerschrift weliswaar uitvoerig verweer gevoerd, maar ter zitting heeft hij verklaard dat hij de (inhoud van de) schriftelijke verklaringen van [naam 1] en [naam 2] die door [verzoekster] bij voormelde brief van 8 februari 2019 zijn overgelegd als de genadeklap ervaart en dat hij thans niet langer meer kan zeggen dat hij kan en wil terugkeren bij [verzoekster] . Gelet hierop, de omstandigheid dat [verweerder] inmiddels al acht maanden thuis zit, en hetgeen partijen in de processtukken en over en weer ter zitting hebben aangevoerd, is naar het oordeel van de kantonrechter voldoende aannemelijk dat als gevolg van hetgeen tussen hen is voorgevallen thans sprake is van een onwerkbare situatie en dat een vruchtbare samenwerking tussen partijen in de toekomst niet meer tot de mogelijkheden behoort. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat sprake is van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding, dat van [verzoekster] redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Wie van partijen verantwoordelijk is voor de ontstane situatie komt hierna aan de orde. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ligt herplaatsing van [verweerder] bij [verzoekster] niet in de rede.

5.5

De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van [verzoekster] tot ontbinding op de subsidiaire grondslag zal toewijzen. De einddatum van de arbeidsovereenkomst wordt bepaald op de hierna te melden datum. Gelet hierop komt de kantonrechter niet toe aan de beoordeling van de meer subsidiaire grondslag die [verzoekster] aan haar ontbindings-verzoek ten grondslag heeft gelegd en de daartegen door [verweerder] aangevoerde verweren. De ontbinding van de arbeidsovereenkomst leidt er tevens toe dat het primaire verzoek van [verweerder] niet toewijsbaar is en dat de kantonrechter toekomt aan zijn subsidiaire verzoek, strekkende tot toekenning van (onder andere) een transitievergoeding en een billijke vergoeding. De kantonrechter oordeelt daarover als volgt.

5.6

Uit artikel 7:673 lid 1 BW volgt dat de werkgever aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd is indien - kort gezegd - de arbeidsovereenkomst ten minste vierentwintig maanden heeft geduurd en de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever is ontbonden. Ingevolge het bepaalde onder lid 7 sub c van dit artikel is geen transitievergoeding verschuldigd indien het eindigen of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. Gelet op hetgeen hiervoor en ook hierna nog is overwogen is daarvan (zeker) geen sprake. Dit houdt in dat [verweerder] recht heeft op een transitievergoeding. [verzoekster] heeft een dergelijke vergoeding overigens ook aangeboden. Hoewel [verzoekster] heeft gesteld dat die vergoeding € 18.318,00 bruto bedraagt, heeft zij ter zitting meegedeeld dat het verschil met de door [verweerder] gevorderde vergoeding van slechts € 321,14 bruto, welk bedrag betrekking heeft op de waarde van aan [verweerder] toegekende aandelen van [verzoekster] (zogeheten Oktogonen), voor [verzoekster] niet relevant is. Gelet hierop en de door [verweerder] gegeven toelichting dat de Oktogonen als een (vaste) bonus moeten worden aangemerkt, bestaat voldoende grond om het bedrag van € 18.797,17 bruto toe te wijzen.

5.7

Gelet op artikel 7:671b lid 8 sub c BW is voor toekenning van een billijke vergoeding alleen plaats indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. De kantonrechter oordeelt daarover als volgt.

5.7.1

Allereerst wordt overwogen dat niet kan worden gezegd dat [verweerder] op het kantoor Rotterdam in een “gespreid bedje” terecht zou komen, zoals door hem is gesteld. Niet alleen heeft [verzoekster] uitdrukkelijk betwist dat hem zo’n ideale werkomgeving in het vooruitzicht is gesteld, maar gelet op de omstandigheid dat kantoor Rotterdam kort voor de aanstelling van [verweerder] als directeur in november 2015 over een (zeer) lage 3-rating beschikte, [verweerder] ook zelf heeft gesteld dat één van zijn belangrijkste taken was om die rating te verhogen en Rotterdam bovendien één van de grootste kantoren en marktgebieden van [verzoekster] in Nederland is, kon [verweerder] ook zelf begrijpen dat er veel van hem werd verwacht en dat hij de nodige uren diende te maken. [verweerder] heeft er ook uitdrukkelijk niet voor gekozen om naar een (kleiner) kantoor van [verzoekster] over te stappen waar wellicht wat minder van hem werd verwacht. Aan de in dit kader door [verweerder] gemaakte verwijten jegens [verzoekster] wordt dan ook voorbij gegaan.

5.7.2

Direct nadat [verweerder] hersteld was in juni 2018 en de bedrijfsarts hem weer volledig in staat achtte om zijn werkzaamheden als kantoordirecteur in Rotterdam te hervatten, werd [verweerder] geconfronteerd met de mededeling van [verzoekster] dat er forse kritiek op hem bestond vanuit het team, dat er geen draagvlak meer voor hem bestond in Rotterdam en dat een terugkeer in Rotterdam volgens [verzoekster] hoe dan ook niet aan de orde was. [verweerder] werd voor het voldongen feit geplaatst dat hij zijn (hooggeplaatste) functie in Rotterdam met onmiddellijke ingang diende op te geven. Dat is volstrekt onbegrijpelijk.

Vastgesteld moet worden dat uit de in het geding gebrachte stukken niet kan worden opgemaakt dat tot februari 2018 sprake was van zodanige opmerkingen over het functioneren van [verweerder] dat hij tijdens zijn daarop volgende arbeidsongeschiktheid diende te begrijpen dat zijn “tijd” in Rotterdam er op zat. Integendeel. [verzoekster] heeft dat ter zitting ook erkend. [verweerder] heeft in november 2017, derhalve kort voor zijn tweede arbeidsongeschiktheidsperiode, uit eigen initiatief en op anonieme wijze, feedback over hemzelf en zijn functioneren gevraagd aan zijn teamleden. Daaruit zijn weliswaar wat aandachts- en verbeterpunten naar voren gekomen, maar dat is inherent aan het vragen van feedback. In ieder geval kan niet worden gezegd dat die feedback niet in overwegende mate positief was. [verweerder] heeft bovendien gemotiveerd toegelicht wat de reden is dat een tweetal collega’s wat minder positief waren. Dat [verweerder] onvoldoende zou hebben gefunctioneerd valt ook niet te rijmen met de jaarlijks aan hem toegekende (aanzienlijke) salarisverhogingen, met het gegeven dat het kantoor Rotterdam onder leiding van [verweerder] een audit-rating 2 heeft behaald en met de door [verweerder] overgelegde e-mails, zelfs nog van december 2017 en derhalve van vlak voor zijn uitval in januari 2018, waaruit blijkt dat [naam 1] zeer tevreden was over het functioneren van [verweerder] . Gesteld noch gebleken is voorts dat [verweerder] bepaalde targets niet zou hebben gehaald. Bij dit alles komt nog dat [verzoekster] [verweerder] zelf heeft gevraagd om directeur te worden van het kantoor in Rotterdam. Indien er enige twijfel over zijn functioneren zou bestaan, valt niet in te zien dat [verzoekster] dat verzoek aan [verweerder] heeft gedaan. Ter zitting heeft [verzoekster] ook erkend dat zij lange tijd vertrouwen had in [verweerder] .

5.7.3

[verzoekster] heeft gesteld dat de kritiek vanuit collega’s in Rotterdam op het functioneren van [verweerder] eerst tijdens zijn afwezigheid in de eerste helft van 2018 aan het licht is gekomen, dat [verzoekster] vervolgens met die medewerkers heeft gesproken en dat [verzoekster] uit die gesprekken de conclusie heeft getrokken dat [verweerder] geen draagvlak meer had als kantoordirecteur op die locatie en dat hij daar niet meer kon terugkeren. Nu dit alles zich heeft afgespeeld in de periode dat [verweerder] arbeidsongeschikt was, was hij in het geheel niet op de hoogte van wat er zich achter zijn rug allemaal afspeelde en welke gevolgen dat voor zijn loopbaan binnen [verzoekster] zou kunnen hebben. [verweerder] heeft diverse keren tevergeefs aan [verzoekster] gevraagd waaruit de kritiek jegens hem dan precies zou bestaan. [verzoekster] heeft geweigerd om [verweerder] daarin inzicht te verschaffen en hem zelfs kwalijk genomen dat hij daarom vroeg. Een en ander valt [verzoekster] ernstig te verwijten. [verweerder] was dan ook niet in staat om zich daarover een oordeel te vormen en om zijn visie daarop te geven. De verklaringen van onder andere collega’s die [verzoekster] in het geding heeft gebracht, zijn pas in het kader van de onderhavige procedure opgesteld en niet eerder aan [verweerder] ter kennis gesteld. [verweerder] is door die verklaringen en de inhoud daarvan volkomen verrast. [verzoekster] maakt dan ook volstrekt ten onrechte het verwijt aan [verweerder] dat hij niet wil inzien wat hij fout heeft gedaan. Hij heeft die kans helemaal niet gekregen.

5.7.4

Dat (het beeld is ontstaan dat) [verweerder] in de periode van acht maanden tussen zijn twee ziekteperioden in wellicht minder werkzaamheden heeft verricht dan daarvoor en dat [naam 3] als plaatsvervangend kantoordirecteur bepaalde taken van [verweerder] bleef uitvoeren, kan [verweerder] niet worden verweten. Hij was toen niet alleen net teruggekeerd op het kantoor, maar ook is het inherent aan zijn functie als directeur dat wellicht niet iedereen op kantoor wist waar [verweerder] zich telkens mee bezig hield. Mede gelet op de behaalde resultaten kan niet worden gezegd dat hij zich niet voldoende heeft ingespannen.

5.7.5

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, kan niet aan de indruk worden ontkomen dat uit de omstandigheid dat [verweerder] in een relatief korte periode twee keer en gedurende relatief lange perioden wegens een burn-out is uitgevallen, [verzoekster] heeft afgeleid dat de functie te hoog gegrepen was voor [verweerder] en dat zij daaruit vervolgens de conclusie heeft getrokken dat zij niet (op de huidige wijze en in Rotterdam) verder wenste te gaan met [verweerder] . [verzoekster] heeft ter zitting ook verklaard dat na de tweede ziekmelding op 26 januari 2018 bij haar de twijfel groeide of [verweerder] de functie wel aankon en dat zij het risico van [verweerder] als directeur op een groot kantoor als Rotterdam vanaf dat moment te groot vond. De wijze waarop [verzoekster] vervolgens heeft gehandeld en [verweerder] voor het blok heeft gezet, is niet wat van een goed werkgever verwacht mag worden.

5.7.6

De kantonrechter kan goed begrijpen dat [verweerder] bezwaar had tegen een gedwongen overplaatsing naar kantoor Tilburg, niet alleen gezien de onheuse wijze waarop [verzoekster] met [verweerder] is omgegaan, maar ook gelet op de door hem overigens genoemde omstandigheden. Uit de ter onderbouwing daarvan door [verweerder] overgelegde stukken, waaronder een vacaturetekst van de functie van kantoordirecteur en “Our Way”, waarin de speerpunten van [verzoekster] zijn neergelegd, blijkt ook uitdrukkelijk dat een kantoordirecteur standplaats dient te hebben in de regio waar hij woont en werkt en daar een netwerk heeft en dat het ook in het kader van een goede “worklifebalance” van belang wordt geacht dat de reisafstand beperkt is. In het geval van [verweerder] , die al zijn hele leven woont en werkt in (de omgeving van) Rotterdam, en niet bekend is in Tilburg, ligt het niet voor de hand dat hij in deze plaats tewerk gesteld zou worden, laat staan gedwongen.

5.7.7

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [verzoekster] zodanig heeft gehandeld dat zij moedwillig heeft aangestuurd op een verstoorde arbeidsverhouding en daarmee een ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft nagestreefd. Dit betekent dat

[verzoekster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld jegens [verweerder] . Er is dan ook aanleiding om aan [verweerder] een billijke vergoeding toe te kennen.

5.8

Bij het bepalen van de omvang van de billijke vergoeding komt het aan op een beoordeling van alle omstandigheden van het geval en de rechter dient in de motivering van haar oordeel inzicht te geven in de omstandigheden die tot de beslissing over de hoogte van de vergoeding hebben geleid (HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187, New Hairstyle). Hoewel de billijke vergoeding een additioneel karakter draagt en slechts toewijsbaar is onder bijzondere omstandigheden naast het wettelijk recht op een transitievergoeding, dat dient ter compensatie van de gevolgen van het ontslag, "verzet het stelsel van de WWZ zich niet ertegen dat met de gevolgen van het ontslag rekening wordt gehouden bij het bepalen van de omvang van de billijke vergoeding waarop de wet een werknemer aanspraak geeft omdat de werkgever van het ontslag als zodanig een ernstig verwijt kan worden gemaakt, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het de werkgever te maken verwijt", aldus de Hoge Raad in voormeld arrest. Immers, de bedoeling van de billijke vergoeding is nu juist dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Gelet op het voorgaande dient in de hoogte van de billijke vergoeding dan ook de waarde van de arbeidsovereenkomst te worden bepaald aan de hand van alle omstandigheden van het geval, waarbij een vergelijking wordt gemaakt tussen de situatie zonder ontbinding van de arbeidsovereenkomst en de situatie waarin de werknemer zich thans bevindt.

5.9

[verweerder] heeft zijn (nog te lijden) inkomensschade becijferd op een bedrag van

€ 958.944,00 bruto, waarbij hij is uitgegaan van een periode van 96 maanden waarin hij zonder de ontbinding nog in dienst had kunnen zijn bij [verzoekster] . [verweerder] heeft gesteld dat het redelijk is om 50% van dit bedrag, derhalve € 479.472,00 bruto, aan hem toe te kennen.

De kantonrechter overweegt in dit verband dat de positie van [verweerder] op de arbeidsmarkt, gelet op zijn leeftijd en ervaring, niet zo kwetsbaar voor komt als door [verweerder] is geschetst. [verzoekster] heeft onweersproken aangevoerd dat twee collega kantoordirecteuren waarvan [verzoekster] in de afgelopen vier jaar afscheid heeft genomen, ruim binnen een jaar elders een nieuwe dienstbetrekking zijn aangegaan. Dat neemt echter niet weg dat het zeker niet gemakkelijk zal zijn voor [verweerder] om een nieuwe functie op hetzelfde niveau en met een gelijkwaardig salaris in de financiële sector te vinden. Het moet reëel worden geacht dat hij in een lagere functie terecht zal komen en dus ook een lager salaris zal ontvangen. Dit betekent dat [verweerder] hoogstwaarschijnlijk geconfronteerd wordt met een inkomensdaling, ook omdat denkbaar is dat hij niet aansluitend aan de ontbindingsdatum een nieuwe werkkring zal vinden. In dit geval is enerzijds redengevend dat [verzoekster] zich gelet op de voornoemde feiten en omstandigheden als een slecht werkgever heeft gedragen en ten onrechte heeft aangestuurd op een ontbinding van de arbeidsovereenkomst, maar anderzijds acht de kantonrechter het, gelet op de stellingen die door partijen zijn ingenomen, ook niet reëel dat de arbeidsovereenkomst, zeker niet op de huidige wijze, tot in lengte van dagen zou hebben voortgeduurd, mede gelet op de omstandigheid dat [verweerder] in korte tijd al twee keer langdurig wegens een burn-out is uitgevallen. Niet ondenkbaar is dat [verweerder] onder die omstandigheden zelf zou hebben uitgekeken naar een minder belastende functie elders. Zoals hiervoor is gebleken heeft [verweerder] bovendien recht op een transitievergoeding. Bij de vergelijking tussen de situatie zonder de ontbinding van de arbeidsovereenkomst en de situatie waarin [verweerder] zich thans bevindt, wordt ook deze vergoeding betrokken. Gelet op de hiervoor genoemde gezichtspunten komt het de kantonrechter al met al redelijk voor dat aan [verweerder] een billijke vergoeding van € 200.000,00 bruto wordt toegekend. Andere omstandigheden die zouden moeten leiden tot een hogere dan wel lagere billijke vergoeding zijn niet gesteld of gebleken.

5.10

Nu de arbeidsovereenkomst tussen partijen weliswaar wordt ontbonden wegens een verstoorde arbeidsverhouding, maar wel sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van [verzoekster] , wordt het einde van de arbeidsovereenkomst, met inachtneming van het bepaalde in artikel 7:671b lid 8 sub a juncto artikel 7:672 lid 2 BW, bepaald op 1 juni 2019.

5.11

Gezien het feit dat aan de ontbinding een billijke vergoeding wordt verbonden die door [verzoekster] niet is aangeboden, zal [verzoekster] gelet op artikel 7:686a lid 6 BW en het arrest van de Hoge Raad van 28 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1812) in de gelegenheid worden gesteld om binnen een week na de datum van deze uitspraak het verzoek in te trekken.

5.12

De wettelijke rente over de transitievergoeding is op grond van artikel 7:686a lid 1 BW toewijsbaar vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst zal eindigen. De wettelijke rente over de billijke vergoeding is toewijsbaar vanaf twee weken na de datum van deze beschikking.

5.13

Voor wat betreft de gevorderde vergoeding van de bovenwettelijke vakantiedagen, ten aanzien waarvan [verweerder] ter zitting heeft gesteld dat deze vordering betrekking heeft op het jaar 2017, oordeelt de kantonrechter als volgt. [verzoekster] heeft bij die gelegenheid weliswaar aangevoerd dat deze kwestie na verzoek daartoe van [verweerder] “netjes” wordt opgelost, maar vastgesteld moet worden dat [verzoekster] niets heeft aangevoerd op grond waarvan deze vordering niet toewijsbaar zou zijn. Dit betekent dat deze vordering op zich toewijsbaar is. Nu [verweerder] echter geen concreet bedrag heeft genoemd, zal hij nog in de gelegenheid worden gesteld om zich daarover uit te laten. [verzoekster] wordt vervolgens nog in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren.

5.14

Hetgeen verder nog door partijen is aangevoerd, kan tot geen ander oordeel leiden en behoeft daarom geen (nadere) bespreking.

5.15

[verzoekster] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

6 De beslissing

De kantonrechter:

bepaalt dat [verzoekster] het verzoek tot en met 10 maart 2019 kan intrekken, door schriftelijke mededeling aan de griffier onder toezending van een afschrift daarvan aan de wederpartij;

verwijst de zaak naar de (beraad)zitting van maandag 18 maart 2019 om 08.00 uur teneinde [verweerder] in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten over hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 5.13 is vermeld;

in het geval [verzoekster] van voormelde bevoegdheid gebruik maakt:

veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] vastgesteld op € 961,00 aan salaris voor de gemachtigde;

in het geval [verzoekster] van voormelde bevoegdheid geen gebruik maakt:

ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 juni 2019;

veroordeelt [verzoekster] tot betaling aan [verweerder] van een bedrag van € 18.797,17 bruto aan transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf

een maand na de ontbindingsdatum tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [verzoekster] tot betaling aan [verweerder] van een bedrag van € 200.000,00 bruto aan billijke vergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf twee weken na de datum van deze beschikking tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] vastgesteld op € 961,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart deze beschikking voor zover het de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.H. Kemp-Randewijk en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

764