Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:2134

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-03-2019
Datum publicatie
17-02-2021
Zaaknummer
ROT 18/3207
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2021:314, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WW - priester/predikant - gezagsverhouding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummer: ROT 18/3207

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2019 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser,

gemachtigde: mr. A. Rhijnsburger,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,

gemachtigde: mr. T. Rook.

Procesverloop

Bij besluit van 27 februari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder bepaald dat eiser met ingang van 1 februari 2018 niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).

Bij besluit van 7 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 7 februari 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

Eiser is op 13 februari 2004 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in dienst getreden als priester voor 40 uur per week bij de [Stichting]. De arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is op 2 januari 2006 omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Bij brief van 29 november 2016 heeft de gemachtigde van de Stichting de arbeidsovereenkomst tussen eiser en de Stichting opgezegd per 28 februari 2017.

1.2.

Eiser heeft verweerder op 8 maart 2017 verzocht om een WW-uitkering per 28 februari 2017. In verband hiermee heeft verweerder eiser bij brief van 13 maart 2017 verzocht om een kopie van de arbeidsovereenkomst, een kopie van een loonstrook van de periode van 1 december 2016 tot en met 31 december 2016 en een kopie van de ontslagbrief.

1.3.

Bij besluit van 21 maart 2017 heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen. Bij besluit van 2 juni 2017 heeft verweerder het besluit van 21 maart 2017 gehandhaafd. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat uit de door eiser verstrekte stukken niet kan worden afgeleid dat sprake was van een gezagsverhouding tussen eiser en de Stichting. Verweerder heeft daarbij toegelicht dat in de overgelegde arbeidsovereenkomsten een taakomschrijving ontbreekt. Verder zijn er geen bepalingen opgenomen waaruit volgt dat de Stichting bevoegd is aanwijzingen of opdrachten en instructies te geven en om controle uit te oefenen op de voortgang en resultaten van het werk. Eiser heeft dat ook overigens niet aannemelijk gemaakt. Daarbij heeft verweerder er nog op gewezen dat in de arbeidsovereenkomsten is opgenomen dat er geen CAO van toepassing is, maar dat eiser en de Stichting slechts aansluiting zoeken bij de regeling arbeidsvoorwaarden SOW-kerken, later de arbeidsvoorwaardenregeling Protestantse Kerk in Nederland (PKN). Verder is er geen sprake geweest van afdracht van SV-premies, aldus verweerder. Eiser heeft tegen het besluit van 2 juni 2017 beroep ingesteld.

1.4.

Bij beschikking van de kantonrechter van deze rechtbank van 22 mei 2017 is de opzegging van de arbeidsovereenkomst van eiser door de Stichting, vernietigd. Bij beschikking van 16 januari 2018 heeft het gerechtshof Den Haag de beschikking van de kantonrechter vernietigd en bepaald dat de arbeidsovereenkomst tussen eiser en de Stichting zal eindigen op 1 februari 2018.

1.5.

Eiser heeft hierna bij formulier van 31 januari 2018 opnieuw een WW-uitkering aangevraagd, ditmaal per 1 februari 2018. Bij brief van 16 februari 2018 heeft eiser het beroep tegen het besluit van 2 juni 2017 ingetrokken.

2. Verweerder heeft hierna het primaire besluit genomen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft hieraan dezelfde argumenten ten grondslag gelegd als in het besluit van 2 juni 2017.

3. Eiser stelt in beroep dat verweerder ten onrechte in de eerste plaats heeft geoordeeld of sprake was van een gezagsverhouding. Eiser meent dat eerst dient te worden beoordeeld of sprake was van een arbeidsovereenkomst. Daarvan was volgens eiser, mede gelet op het verhandelde bij de civiele rechter, sprake. De gezagsverhouding is volgens eiser onderdeel van de arbeidsovereenkomst. Eiser meent dat zowel de kantonrechter als het gerechtshof heeft aangenomen dat sprake was van een gezagsverhouding. Eiser stelt dat van een gezagsverhouding ook sprake was, omdat hij zijn werkzaamheden geheel volgens aanwijzingen van de Stichting uitvoerde. Dat er geen bepalingen waren opgenomen in de arbeidsovereenkomsten over de bevoegdheden van de Stichting acht eiser niet relevant, omdat vanzelfsprekend van het gezag van de Stichting kan worden uitgegaan. Eiser wijst er daarbij nog op dat de Stichting bij het ontstaan van het conflict ook van zijn bevoegdheden gebruik heeft gemaakt door eiser onder andere de toegang te ontzeggen.

4. Het geschil betreft de vraag of eiser werknemer was in de zin van artikel 3, eerste lid, van de WW.

4.1.

Naar vaste rechtspraak (onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4913) moet voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake zijn van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding, en een verplichting tot het betalen van loon. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien, en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die eiser en de Stichting bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop zij uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel element beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die eiser en de Stichting aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien.

4.2.

Hierbij ligt het, aldus ook de Raad in genoemde uitspraak, in beginsel op de weg van de aanvrager van een de WW-uitkering om aan de hand van objectieve en controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat hij recht heeft op deze uitkering. Dit betekent dat het in dit geval aan eiser is om aannemelijk te maken dat hij in privaatrechtelijke dienstbetrekking stond tot de Stichting. Omdat verweerder niet heeft betwist dat arbeid is verricht en loon is betaald, is alleen in geschil of er sprake was van een gezagsverhouding tussen eiser en de Stichting. Daarbij geldt in principe als maatstaf of gezegd kan worden dat degene die arbeid verricht aan een zeker gezag is onderworpen van de wederpartij en dat laatstgenoemde bevoegd is om opdrachten en instructies te geven en om controle uit te oefenen op de voortgang en resultaten van het werk.

5.1.

De rechtbank stelt, gelet op het hiervoor gegeven kader, voorop dat uit de enkele omstandigheid dat eiser en de Stichting een als arbeidsovereenkomst geduide overeenkomst hebben gesloten niet zonder meer volgt dat daarmee sprake was van een gezagsverhouding. Van belang hiervoor is immers de rechten en verplichtingen die eiser en de Stichting bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden en de wijze waarop zij uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven.

5.2.

Partijen zijn in verband met het voorgaande allereerst verdeeld over de vraag wat eiser en de Stichting bij het aangaan van de arbeidsovereenkomsten precies voor ogen heeft gestaan. De rechtbank leidt in dit verband uit de onder rechtsoverweging 1.1. vermelde arbeidsovereenkomsten af dat eiser en de Stichting overeen zijn gekomen dat eiser werkzaam zal zijn in de functie van priester en dat hij zijn werkzaamheden verricht binnen het organisatorisch verband van de kerkgemeenschap. Uit artikel 2 van beide overeenkomsten volgt dat er geen CAO van toepassing is, maar dat eiser en de Stichting aansluiting zoeken bij de regeling arbeidsvoorwaarden SOW-kerken. Behoudens de verplichting tot het betalen van loon wordt in beide overeenkomsten verder geen melding gemaakt van overige rechten en verplichtingen.

5.3.

De rechtbank is van oordeel dat uit de beschikbare arbeidsovereenkomsten aldus slechts kan worden afgeleid dat eiser in dienst van de Stichting werkzaamheden als priester verricht en dat de Stichting eiser hiervoor loon betaalt. De arbeidsovereenkomsten vermelden weliswaar dat aansluiting wordt gezocht bij de regeling arbeidsvoorwaarden SOW-kerken, maar uit de arbeidsovereenkomsten noch uit de overige gedingstukken blijkt in welke zin. Evenmin blijkt of, en zo ja, in welke zin eiser en de Stichting aansluiting hebben gezocht bij de arbeidsvoorwaardenregelingen van de Protestantse Kerk in Nederland (PKN), die sinds het samengaan van de SOW-kerken in 2004 door de PKN worden gehanteerd. In zoverre is dus ook niet gebleken of eiser en de Stichting specifiek voor ogen heeft gestaan de rechtspositie van eiser te regelen conform de arbeidsvoorwaarden die gelden voor kerkelijke medewerkers of de arbeidsvoorwaarden die gelden voor predikanten, waarbij in het laatste geval in de voorwaarden expliciet is bepaald dat de predikant geen werknemer is in eerder genoemde zin. Eiser heeft dit ook ter zitting niet nader toegelicht.

5.4.

Wat er van het voorgaande echter ook zij, het laat onverlet dat uit rechtspraak van de Raad (onder meer de uitspraken van 20 januari 2000, ECLI:NL:CRVB:2000:AE8532, en 11 januari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7058) volgt dat een geestelijk ambt, bijvoorbeeld dat van imam, in beginsel wel kan worden uitgeoefend in het kader van een arbeidsovereenkomst, zij het dat dan wel feitelijk voldoende duidelijke en controleerbare aanknopingspunten moeten bestaan voor het aannemen van een reële gezagsverhouding, omdat in verband met het bijzondere karakter van het geestelijk ambt voor het uitoefenen van werkgeversgezag slechts geringe ruimte bestaat.

5.5.

De rechtbank ziet in het licht van het voorgaande in de gedingstukken en het verhandelde ter zitting onvoldoende duidelijke en controleerbare aanknopingspunten om eiser te volgen in zijn zienswijze. Eiser stelt in dit verband weliswaar dat de Stichting aanwijzingen gaf over de aard en omvang van zijn werkzaamheden, over de wijze waarop hij zijn werkzaamheden verrichtte en over de feitelijke inrichting van de diensten, maar hij heeft dit op geen enkele wijze onderbouwd. Eisers standpunt dat hij ook aanwijzingen ontving over de tijdstippen van diensten, maakt het voorgaande niet anders. Dat eiser organisatorisch niet geheel vrij was in zijn doen en laten, geeft de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de Stichting ook inhoudelijk zoveel zeggenschap kon uitoefenen over de wijze waarop eiser uitvoering gaf aan zijn functie als priester dat gesproken moet worden van een reële gezagsverhouding. Ook de door eiser aangevoerde omstandigheid dat het ontslag het gevolg is van de wens van de Stichting om te komen tot een andere inrichting van de diensten is als zodanig daarvoor ontoereikend.

5.6.

De rechtbank ziet in eisers verwijzing naar de beschikkingen van de kantonrechter van deze rechtbank en het gerechtshof Den Haag evenmin aanknopingspunten voor een ander oordeel. In dit verband acht de rechtbank van belang dat in die procedures, anders dan eiser kennelijk betoogt, geen oordeel is gegeven over de vraag of aan de vereisten voor het aannemen van een arbeidsovereenkomst was voldaan (vgl. bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 24 februari 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AS8389).

5.7.

Het voorgaande leidt daarom tot de conclusie dat eiser geen werknemer is geweest in de zin van artikel 3, eerste lid, van de WW. Verweerder heeft eiser daarom terecht niet in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.C. Prins, rechter, in aanwezigheid van mr. M.W.J. Rijk, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 20 maart 2019.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.