Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:2128

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-03-2019
Datum publicatie
21-03-2019
Zaaknummer
ROT 18/3875
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie
-
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 18/3875

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 maart 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , te Barendrecht, eiseres,

gemachtigde: mr. J.J.E. Stout,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barendrecht, verweerder,

gemachtigde: mr. S.M.P. Geers.

Procesverloop

Bij besluit van 16 februari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres een vervoersvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) toegekend.

Bij besluit van 12 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is bekend met klachten op lichamelijk en psychisch gebied en ondervindt als gevolg van haar lichamelijke klachten beperkingen bij het zich lokaal verplaatsen. Eiseres heeft de beschikking over een driewielfiets met elektrische trapondersteuning en een taxipas voor het collectief vraagafhankelijk vervoer. Bij het primaire besluit heeft verweerder het budget voor de taxipas voor het jaar 2018 bepaald op 8.000 kilometer.

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat met de toegekende taxipas een passende bijdrage wordt geleverd aan de zelfredzaamheid en de participatie van eiseres door haar in staat te stellen zich lokaal te verplaatsen.

3. Eiseres stelt dat het door verweerder vastgestelde kilometerbudget geen recht doet aan haar feitelijke vervoersbehoefte. Als gevolg van de haars inziens noodzakelijke bezoeken aan haar kinderen, houdt zij onvoldoende kilometers over voor vervoer naar haar medische afspraken en het vervoer in het kader van haar deelname aan het maatschappelijk verkeer. Eiseres stelt verder dat haar situatie niet te vergelijken is met de situatie van een gemiddeld persoon die een vervoersvoorziening ontvangt van verweerder. Eiseres voert hiertoe aan dat zij een alleenstaande moeder is van twee zorgbehoevende kinderen die in verschillende instellingen verblijven en dat zij de enige is die hen kan begeleiden bij afspraken.

4. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiseres voldoende procesbelang heeft bij een beoordeling van het bestreden besluit, nu de periode waarvoor de vervoersvoorziening is verstrekt inmiddels is verstreken. Eiseres heeft in bezwaar gevraagd om vergoeding van de kosten die zij in verband met het indienen van het bezwaar heeft moeten maken. Het is vaste rechtspraak dat in een verzoek om vergoeding van de kosten van bezwaar voldoende procesbelang is gelegen, omdat voor toewijzing van dat verzoek is vereist dat het in bezwaar bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 18 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1146). Eiseres heeft gelet hierop voldoende belang bij een inhoudelijke behandeling van het beroep.

5. Niet in geschil is dat eiseres duurzame beperkingen ondervindt in haar mobiliteit en dat zij daarom in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening. Wel is in geschil of de toekenning van een taxipas, waarbij is uitgegaan van een lokale vervoersbehoefte van 8.000 kilometer per jaar, een passende bijdrage levert aan een situatie waarin eiseres in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid en participatie.

6.1

Artikel 1.1.1, onder 2, van de Wmo 2015, voor zover hier van belang, definieert maatschappelijke ondersteuning als het ondersteunen van de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving. Een maatwerkvoorziening wordt, voor zover hier van belang, op grond van artikel 1.1.1, onder 1, van de Wmo 2015 gedefinieerd als een op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen. Participatie wordt ingevolge dezelfde bepaling in de Wmo 2015 gedefinieerd als het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer.

6.2

Artikel 2.1.3 van de Wmo 2015 bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels vaststelt die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het in artikel 2.1.2 bedoelde plan met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning en de door het college ter uitvoering daarvan te nemen besluiten of te verrichten handelingen. In de verordening wordt in ieder geval bepaald op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt.

6.3

Artikel 2.3.1 van de Wmo 2015 bepaalt dat het college ervoor zorgdraagt dat aan personen die daarvoor in aanmerking komen een maatwerkvoorziening wordt verstrekt.

6.4

Artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 bepaalt, voor zover hier van belang, dat het college in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger, onderzoek doet naar de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Het college betrekt daarbij – onder meer – de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt.

6.5

Artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 bepaalt dat het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

7.1

De gemeenteraad van Barendrecht heeft uitvoering gegeven aan artikel 2.1.3 van de Wmo 2015 door vaststelling van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Barendrecht 2018 (Verordening).

7.2

Artikel 14, tweede lid, onder b, van de Verordening bepaalt dat een taxipas de cliënt de mogelijkheid geeft om maximaal 2.000 kilometer per jaar gebruik te kunnen maken van de regiotaxi voor regulier vervoer of rolstoeltaxivervoer.

7.3

Artikel 14, tweede lid, onder c, van de Verordening bepaalt dat als aan de cliënt naast de taxipas voor collectief vervoer ook vanuit de Wmo 2015 een maatwerkvoorziening in natura of pgb is verstrekt, ten behoeve van de verplaatsingen in de direct woonomgeving, de cliënt in staat wordt gesteld om maximaal 1.000 kilometer te reizen met de taxipas.

7.4

Artikel 14, tweede lid, onder d, van de Verordening bepaalt dat indien de cliënt gemotiveerd aangeeft dat het aantal kilometers zoals bedoeld onder b en c van dit artikellid niet volstaat, de cliënt in staat kan worden gesteld om meer kilometers met de taxipas te reizen.

8.1

Verweerder heeft in artikel 14, tweede lid, van de Verordening bepaald dat een taxipas een cliënt in beginsel in staat dient te stellen maximaal 2.000 kilometer per jaar per regiotaxi te reizen. Dit uitgangspunt acht de rechtbank niet onredelijk. Uit vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 29 februari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV7463), volgt dat de toekenning van een vervoersvoorziening of een combinatie van vervoersvoorzieningen die neerkomt op een aflegbare afstand in de bandbreedte van ongeveer 1.500 tot 2.000 kilometer per jaar, in beginsel toereikend wordt geacht om de betrokkene in staat te stellen sociale contacten te onderhouden en deel te nemen aan het leven van alledag. Deze uitspraak dateert weliswaar van voor de inwerkingtreding van de Wmo 2015, maar er is geen reden om aan te nemen dat deze rechtspraak onder de Wmo 2015 niet meer van betekenis is.

8.2.

Verweerder heeft in de persoonlijke omstandigheden van eiseres, te weten de hogere vervoersbehoefte als gevolg van het frequent bezoeken van haar in instellingen verblijvende kinderen, aanleiding gezien ten gunste van haar van het in de verordening opgenomen uitgangpunt van een vervoersbehoefte van maximaal 2.000 kilometer per jaar af te wijken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op goede gronden vastgesteld dat er bij eiseres sprake is van een noodzakelijke vervoersbehoefte van maximaal 8.000 kilometer per jaar. Verweerder heeft in zijn onderzoek de vervoersbehoefte van eiseres op zorgvuldige wijze in kaart gebracht. Verweerder heeft rekening gehouden met de frequente bezoeken die eiseres aan haar kinderen brengt en de medische afspraken van eiseres. Verweerder heeft bij zijn onderzoek de daadwerkelijk door eiseres verbruikte kilometers in het jaar 2017 betrokken en hieruit volgt dat het toegekende aantal kilometers voldoende geacht wordt te zijn om in de vervoersbehoefte te voorzien. Dat eiseres, zo zij stelt, het aantal bezoeken aan haar kinderen en artsen heeft afgestemd op het aantal toegekende kilometers doet hieraan niet af, nu eiseres deze stelling niet met concrete en verifieerbare stukken, noch anderszins, voldoende heeft onderbouwd.

8.3

Eiseres heeft evenmin met concrete en verifieerbare gegevens onderbouwd dat haar lokale vervoersbehoefte hoger is dan de toegekende 8.000 kilometer per jaar. De door eiseres overgelegde verklaringen van de behandelaren van haar kinderen zijn hiertoe onvoldoende. Uit deze verklaringen blijkt uitsluitend dat het van belang wordt geacht dat eiseres haar kinderen bezoekt en aanwezig kan zijn bij afspraken. Hiermee is door verweerder bij de inventarisatie van de vervoersbehoefte van eisers echter rekening gehouden en niet gebleken is dat eiseres als gevolg van een ontoereikend kilometerbudget niet op afspraken heeft kunnen verschijnen of haar kinderen onvoldoende heeft kunnen bezoeken. Daarbij is nog van belang dat de kinderen in de gelegenheid zijn eiseres te bezoeken en de kinderen hiervoor over een eigen voorziening beschikken dan wel deze kunnen aanvragen. Door eiseres is voorts niet aannemelijk gemaakt dat zij met het toegekende aantal kilometers niet in voldoende mate in de gelegenheid wordt gesteld maatschappelijk te participeren. De rechtbank neemt hierbij mede in aanmerking dat eiseres naast de taxipas de beschikking heeft over een driewielfiets met elektrische trapondersteuning waarvan zij gebruik kan maken voor het afleggen van korte afstanden.

9. Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat de eiseres ter beschikking staande vervoersvoorzieningen een passende bijdrage leveren als bedoeld in artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015. Met het toegekende kilometerbudget in combinatie met de driewielfiets kan eiseres in staat worden geacht om op aanvaardbare wijze deel te nemen aan het leven van alledag.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bedee, voorzitter, en mr. M.G.L. de Vette en

prof. mr. A.C. Hendriks, leden, in aanwezigheid van mr. E. Huis-Grondman, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 20 maart 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.