Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:2106

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-02-2019
Datum publicatie
19-03-2019
Zaaknummer
10/218077-18 ter zitting gevoegd met10/209134-18/ TUL VV 22/004394-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van poging tot moord, bedreiging, het handelen in strijd met een gedragsaanwijzing en mishandeling. Oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummers: 10/218077-18 ter zitting gevoegd met parketnummer 10/209134-18

Parketnummer vordering TUL VV: 22/004394-18

Datum uitspraak: 22 februari 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te Paramaribo (Suriname) op [geboorteplaats verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief in de PI Rotterdam, locatie De Schie,

raadsman, mr. E.G.S. Roethof, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 8 februari 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. E.M. Harbers heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde in de dagvaarding horende bij parketnummer 10/209134-18 en van het ten laste gelegde in de dagvaarding onder 1, 2 en 3 horende bij parketnummer 10/218077-18;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar met aftrek van voorarrest;

  • -

    oplegging van een maatregel strekkende tot een contactverbod van 5 jaar met de aangeefster met 2 weken vervangende hechtenis per overtreding met het verzoek de maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren;

  • -

    tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde strafdeel in de zaak met parketnummer 22/004394-18.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft in de zaak met parketnummer 10/218077-18 partiële vrijspraak bepleit voor de onder 1 ten laste gelegde ‘voorbedachten rade’. De verdachte had geen vooropgezet plan om zijn ex-vriendin [naam slachtoffer] (hierna: [naam slachtoffer] ) van het leven te beroven. Hij ging naar haar toe om met haar te praten en pas ter plaatse is het conflict uit de hand gelopen. Het mes had hij al langere tijd bij zich omdat hij zich bedreigd voelt. Voor het onder 2 ten laste gelegde vraagt de verdediging volledige vrijspraak omdat niet is bewezen dat de verdachte (voorwaardelijke) opzet had om het tegen de politie geuite dreigement ook over te brengen op [naam slachtoffer] . De bedreiging is uitgesproken tegen agenten na zijn arrestatie en de verdachte hoefde er geen rekening mee te houden dat deze agenten het dreigement aan [naam slachtoffer] zouden doorgeven. Voor het overige refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.2.

Beoordeling

Parketnummer 10/218077-18

Verdachte wordt ervan verdacht dat hij op 1 november 2018 een poging heeft gedaan [naam slachtoffer] te vermoorden. Dat hij die dag met een mes het café is binnengelopen waar zij werkt en haar vervolgens met dat mes in de buurt van haar borstbeen heeft verwond, kan op grond van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Dat geldt ook voor de (in ieder geval voorwaardelijke) opzet om haar te doden. Ook het feit dat verdachte tegen de agenten na zijn arrestatie heeft gezegd ‘ik ga haar sowieso doodsteken’ is op grond van de bewijsmiddelen komen vast te staan. Bovendien kan als vaststaand worden aangenomen dat verdachte op 1 november 2018 een gedragsaanwijzing had in de vorm van een contactverbod met [naam slachtoffer] en dat hij van dit verbod op de hoogte was. Dit alles heeft op de terechtzitting ook niet ter discussie gestaan en kan dienen als vertrekpunt voor de bewijsvraag.

De rechtbank is anders dan de verdediging van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld bij het verwonden (steken) van [naam slachtoffer] . Verdachte heeft, voor dat hij, in het bezit van een mes, naar het café ging, zich er van vergewist dat [naam slachtoffer] aldaar aan het werk was. De rechtbank heeft de camerabeelden van die avond ter terechtzitting bekeken. Uit deze beelden blijkt dat de verdachte het café komt binnenlopen en meteen vastberaden en zonder enige zichtbare twijfel doorloopt naar de keuken waar [naam slachtoffer] is. Hiermee negeert de verdachte het aan hem recent opgelegde contactverbod met betrekking tot [naam slachtoffer] . Bovendien is op de beelden te zien dat tussen het moment waarop de verdachte [naam slachtoffer] bereikt en het moment waarop hij een aanvallende beweging maakt met zijn rechterhand in haar richting, slechts enkele seconden zit. Dat betekent dat de verdachte toen hij aan kwam lopen het mes al in zijn hand moet hebben gehad, omdat het niet mogelijk is om in enkele seconden een mes te zoeken in een jaszak en het daar ook uit te halen. Dit komt overeen met de camerabeelden waarop te zien is dat de verdachte bij binnenkomst zijn rechterhand in zijn zak heeft en die hand daar ook houdt tot het moment van de aanval. Deze korte tijdspanne voor de aanval past ook niet bij de verklaring van verdachte dat hij eerst met [naam slachtoffer] wilde praten en pas daarna- als gevolg van iets wat zij zou hebben gezegd - besloot om haar aan te vallen en te verwonden. Kort samengevat acht de rechtbank bewezen dat verdachte al een voorgenomen besluit had om mevrouw [naam slachtoffer] te (proberen te) doden vanwege de korte periode (enkele seconden) tussen de aankomst van de verdachte en de aanval, in combinatie met de vastberaden tred zoals de rechtbank die heeft waargenomen en het feit dat de verdachte een mes had meegenomen en ook al in zijn hand had. Daarbij heeft verdachte voldoende tijd gehad om zich te beraden, in ieder geval gedurende de tijd dat hij in het café aanwezig was en naar achter liep maar ook gedurende de rit op de scooter op weg naar [naam slachtoffer] .

Bij de overtuiging dat sprake was van voorbedachte raad speelt voor de rechtbank ook een belangrijke rol dat er aanwijzingen zijn dat de verdachte [naam slachtoffer] al eerder met de dood heeft bedreigd. [naam slachtoffer] heeft hierover bij de politie een verklaring afgelegd. Bovendien heeft verdachte na afloop tegen de politie verklaard dat hij haar een ‘volgende keer sowieso doodsteekt’. Een dreigement en een dergelijke uitspraak past niet bij een daad gedaan in een gemoedsopwelling, maar getuigt juist van een voornemen tot doden van [naam slachtoffer] .

Verder acht de rechtbank, anders dan de verdediging, ook bewezen dat verdachte met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde de (voorwaardelijke) opzet had om [naam slachtoffer] te bedreigen op 1 november 2018. Verdachte had immers kunnen en ook moeten weten dat er een aanmerkelijke kans bestond dat een dreigement geuit tegen betrokken politieagenten direct nadat hij een poging tot moord heeft ondernomen, terecht zou komen bij [naam slachtoffer] . Het ligt zeer voor de hand dat politieagenten een dergelijk dreigement aan [naam slachtoffer] overbrengen, bijvoorbeeld om haar te waarschuwen of als onderdeel van het politieonderzoek. Die aanmerkelijke kans heeft verdachte vervolgens bewust aanvaard door deze dreigende woorden toch te uiten.

Parketnummer 10/209134-18

Het ten laste gelegde is door de verdachte bekend en verdachte heeft nadien ook geen vrijspraak bepleit. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.3.

Conclusie

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten op de volgende wijze heeft gedaan:

1

hij op 1 november 2018 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [naam slachtoffer] opzettelijk, en met voorbedachten rade,

van het leven te beroven met dat opzet, en na kalm beraad en rustig overleg,

-een mes met zich heeft meegenomen en

- voornoemde [naam slachtoffer] heeft opgezocht in het café waar zij aan het werk was en

- ( vervolgens) met een mes naar voornoemde [naam slachtoffer] is toegelopen en

- vervolgens meermalen met voornoemd mes in de borst, van die [naam slachtoffer] , heeft gestoken terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 1 november 2018 te Rotterdam of Capelle aan den IJssel [naam slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door politieambtenaren [naam 1] en [naam 2] dreigend de woorden

toe te voegen:

- " Ik ga haar sowieso dood steken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.

hij op 1 november 2018 te Rotterdam opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 23 oktober 2018 gegeven door de officier van justitie te Rotterdam kort weergegeven inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode van 23 oktober 2018 t/m 21 januari 2019 moet onthouden van ieder contact met [naam slachtoffer] ;

4.

hij op 20 oktober 2018 te Rotterdam zijn levensgezel, [naam slachtoffer] , heeft mishandeld door deze tegen het gezicht te slaan, waardoor die [naam slachtoffer] (vervolgens) ten val is gekomen.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.

poging moord,

2.

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht,

3.

in strijd handelen met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering,

4.

mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Alle feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Overwegingen waarop de straf is gebaseerd

Verdachte is schuldig bevonden aan een poging tot moord op zijn ex-vriendin. Hij heeft haar in de borst gestoken. Toen hij daarna werd aangehouden en naar het politiebureau gebracht heeft hij de agenten laten weten haar ‘sowieso’ te gaan dood steken. Bovendien heeft verdachte zijn ex-vriendin eerder mishandeld. Om die reden had hij op dat moment een contactverbod, dat hij heeft overtreden.

Dit zijn ernstige feiten. Het is puur geluk en niet aan de verdachte te danken dat [naam slachtoffer] het heeft overleefd. Dit moet voor haar zeer ingrijpend zijn geweest, zoals ook blijkt uit de ter terechtzitting voorgelezen verklaring. Bovendien is het incident ingrijpend geweest voor de in het café aanwezigen. Tot slot heeft een geweldsdelict in een voor het publiek toegankelijke ruimte ook veel maatschappelijke onrust tot gevolg.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 24 januari 2019 waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor poging tot zware mishandeling.

7.3.2.

Rapportages

Psychiater dr. D.J. Vinkers heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 21 januari 2019. In dit rapport staat dat bij verdachte sprake is van een matig ernstige stoornis in het gebruik van alcohol en afhankelijke en antisociale persoonlijkheidstrekken. Daarom bleef hij ook contact zoeken met zijn ex-vriendin. Bovendien heeft verdachte beperkte ‘copingsmechanismen’ wat wil zeggen dat hij niet goed om kan gaan met negatieve emoties. Tot slot is sprake van laagbegaafd intellectueel functioneren. Er wordt geadviseerd om verdachte de feiten verminderd toe te rekenen vanwege de afhankelijke persoonlijkheidstrekken.

De verdachte heeft niet willen meewerken aan het onderzoek door psycholoog drs. T. ’t Hoen.

Ook de reclassering heeft een rapport opgesteld, gedateerd 31 januari 2019. In dit rapport staat dat verdachte sinds 15 jaar een bijstandsuitkering heeft en forse schulden. Hij staat sinds 3 jaar onder bewind. Positief is dat verdachte tot dusver aan hulpverlening (waaronder hulp bij zijn alcoholverslaving) heeft meegewerkt.

De rechtbank heeft acht geslagen op deze rapporten.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies. Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

In het voordeel van verdachte laat de rechtbank meewegen dat de (fysieke) gevolgen voor het slachtoffer beperkt zijn gebleven en dat geen sprake is van blijvend letsel. Verder laat de rechtbank in het voordeel van verdachte meewegen dat hij verminderd toerekeningsvatbaar is. De verdachte beschikt gezien het rapport van de psychiater niet over voldoende mogelijkheden om te gaan met negatieve emoties en met stressvolle situaties en dat maakt dat de feiten hem volgens de rechtbank minder zwaar zijn aan te rekenen. Verdachte heeft voorts laten zien bereid te zijn met zijn problemen, waaronder zijn alcoholprobleem, aan de slag te willen gaan.

De straf komt gezien bovenstaande dan ook lager uit dan de eis van de officier van justitie die deze strafverminderende aspecten op andere wijze heeft laten meewegen.

De door de officier van justitie gevraagde maatregel van een contactverbod van 5 jaar zal de rechtbank niet opleggen. De verdachte zal nog geruime tijd in detentie zitten en een contactverbod zal gedurende deze periode weinig toegevoegde waarde hebben. Na afloop van de detentie zal de situatie opnieuw moeten worden beoordeeld. Als het dan nog nodig is om een contactverbod in te stellen, dan kan dit verbod worden opgelegd als voorwaarde voor een eventuele voorwaardelijke invrijheidstelling. Voorts kan dan ook beoordeeld worden of aan verdachte reclasseringstoezicht en eventuele andere bijzondere voorwaarden opgelegd moeten worden.

8 Vordering tenuitvoerlegging

8.1.

Arrest waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij arrest van het Gerechtshof Den Haag van 16 mei 2018 is de verdachte ter zake van poging mishandeling veroordeeld voor zover van belang tot een gevangenisstraf van 61 dagen, waarvan een gedeelte groot 60 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

De proeftijd is ingegaan op 31 mei 2018.

8.2.

Beoordeling

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit arrest en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van het voorwaardelijk gedeelte van de bij dat arrest aan de verdachte opgelegde straf .

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 45, 55, 57, 184a, 285, 289 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten onder parketnummers 10/218077-18 en 10/209134-18, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaar;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

gelast de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte, groot 60 (zestig) dagen, van de bij het arrest van het gerechtshof Den Haag van 16 mei 2018 aan de veroordeelde opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M.G. van de Kragt, voorzitter,

en mrs. G.P. van de Beek en B. Krijnen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.M. van Herwijnen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Parketnummer 10/218077-18

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 1 november 2018 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [naam slachtoffer] opzettelijk, en met voorbedachten rade,

van het leven te beroven met dat opzet, en al dan niet na kalm beraad

en rustig overleg,

-een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, met zich heeft meegenomen en/of

- voornoemde [naam slachtoffer] heeft opgezocht in het café waar zij aan het werk was en/of

- ( vervolgens) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, naar voornoemde [naam slachtoffer] is toegelopen en/of

- ( vervolgens), één of meermalen met voornoemd mes, althans het scherpe en/of puntige voorwerp, in de hartstreek en/of de borst, althans het (boven)lichaam van die [naam slachtoffer] , heeft gestoken, althans stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van de hartstreek en/of de borst, althans het (boven)lichaam van die [naam slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 1 november 2018 te Rotterdam en/of Capelle aan den IJssel, althans in Nederland [naam slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door politieambtenaren [naam 1] en/of [naam 2] dreigend de woorden

toe te voegen:

- " Ik ga haar sowieso dood steken",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.

hij op of omstreeks 1 november 2018 te Rotterdam opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 23 oktober 2018 gegeven door de officier van justitie te Rotterdam kort weergegeven inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode van 23 oktober 2018 t/m 21 januari 2019 moet onthouden van ieder contact met [naam slachtoffer] ;

Parketnummer 10/209134-18

hij op of omstreeks 20 oktober 2018 te Rotterdam zijn levensgezel, [naam slachtoffer] , heeft mishandeld door deze in/tegen het gezicht te slaan, waardoor die [naam slachtoffer] (vervolgens) ten val is gekomen;