Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:2039

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-03-2019
Datum publicatie
26-07-2019
Zaaknummer
ROT 18/2735
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijk strafontslag op grond van de artikelen 8:13 en 16:1:2, derde lid, van de CAR-UWO. Ernstig plichtsverzuim. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 18/2735

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 maart 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats eiser] , eiser,

gemachtigde: mr. J.C.A. Keulers,

en

het dagelijks bestuur van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (OZHZ), verweerder,

gemachtigde: mr. A. Brugman.

Procesverloop

Bij besluit van 2 november 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser op grond van de artikelen 8:13 en 16:1:2, derde lid, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst (CAR-UWO) met ingang van 6 november 2017 de straf van voorwaardelijk ontslag met een proeftijd van drie jaar opgelegd wegens zeer ernstig plichtsverzuim. Daarnaast heeft verweerder eiser geschorst voor wachtdiensten.

Bij besluit van 11 april 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] .

Overwegingen

1.1

Eiser was sinds 1 januari 2011 werkzaam als senior inspecteur bij de [bedrijf 1] van de OZHZ. Van 1987 tot 2011 was hij werkzaam bij de rechtsvoorganger van de OZHZ, de [bedrijf 2] .

1.2

Bij besluit van 19 oktober 2015 heeft verweerder eiser disciplinair gestraft met een berisping in verband met het sturen van ongepaste, beledigende en onacceptabele whatsappberichten aan een teamleider van zijn afdeling. Bij besluit van 20 december 2016 heeft verweerder eiser disciplinair gestraft met ontneming van 32 verlofuren in verband met onder meer het sturen van niet-zakelijke en vreemde whatsappberichten aan enkele collega’s en het bejegenen van een collega op een niet correcte wijze. Eiser heeft tegen deze besluiten geen bezwaar gemaakt.

1.3

Op 8 juli 2017 heeft een burger gebeld naar de meldkamer van de Dienst Centraal Milieubeheer Rijnmond (DCMR). Eiser had op dat moment wachtdienst en heeft in dat verband de burger te woord gestaan. Na dit contact heeft de burger opnieuw de meldkamer gebeld. Het was toen ongeveer 23:34 uur. Volgens de woordelijke weergave van dit tweede gesprek heeft de burger daarin onder meer het volgende gezegd:

“(...) lk heb zojuist een melding gemaakt bij u. (...) Een collega van u heeft mij zojuist teruggebeld. Ja, die lag al op bed. Dus die kan niet gaan kijken en die kan ook niet gaan luisteren. Ik heb daar heel veel problemen mee. Bovendien kwam die meneer mij over alsof hij nogal wat gedronken had vanavond. Dus ik vind dat ik daar even over moet reclameren en dat doe ik nu bij u. (...). Ja, ik bel vanuit Dordrecht. Want het gaat hier om een evenement op de Stadswerven. Een muziekevenement. (...) Die (wachtdienstmedewerker) kan niet meer daar naar toe want hij heeft een ruime aanrijtijd van meer dan een half uur en het evenement moet om twaalf uur zijn afgelopen dus hij gaat niet meer kijken. En ik heb het idee dat hij ook niet zou kunnen gaan kijken want dan maakt hij waarschijnlijk wel een verkeersovertreding ten opzichte van de Wegenverkeerswet en alcoholprobleem. Dus ik heb dat nu bij u gemeld en u moet maar kijken wat u daarmee doet (...)”

1.4

Op 13 juli 2017 heeft eiser een e-mail gestuurd aan [naam 1] , Manager Unit Integraal Toezicht B van de OZHZ, en [vertegenwoordiger 1] , Manager [bedrijf 1] van de OZHZ (leidinggevende van eiser), in kopie aan de gemachtigde van eiser, met de volgende inhoud:

“Heren ik wordt niet evenredig ingedeeld in overwerk, ondanks dat ik mij vrijwillig aanmeld voor horeca controles. Ik wil ook deelnemen gezien mijn kennis en ervaring aan vuurwerkevenementen en controles consumenten vuurwerk eind dit jaar. Ik ervaar een onevenredige verdeling op de afdeling. Dit gaat om geld.

Ik ben benieuwd naar uw besluiten. Ik ben in afwachting . Wordt ik nog steeds afgerekend op iets wat ik niet heb gedaan . Als uw stappen niet overeenkomen met mijn verwachtingen dan onderneem ik ook actie .”

1.5

Op 14 en 16 juli 2017 heeft eiser whatsappberichten gestuurd aan [naam 1] met de volgende inhoud:

“Vond het fijn dat je reageerde. We zullen een open en eerlijk gesprek hebben. Zodat ik geen nadere stappen zal zetten met mijn advocate. Ik laat nu eenmaal niet met mij sollen. Prettige weekend met gezin...”

en

“Zie je mail en adp. Verzoek dinsdag vrij. Ik maak mijn keuze nu. Zodra ik een aanbieding dan ben ik weg. Gezien huidige situatie onacceptabel voor mij.”

1.6

Tijdens een bespreking op 4 september 2017 heeft [vertegenwoordiger 1] eiser aangesproken op het versturen van ongepaste berichten en gezegd dat eiser dergelijke berichten niet meer moet versturen. [vertegenwoordiger 1] heeft gememoreerd dat eiser al twee keer eerder voor dergelijke gedragingen disciplinair is gestraft. Ook heeft [vertegenwoordiger 1] tijdens deze bespreking gezegd dat hij vermoedt dat eiser een drankprobleem heeft en hem dringend geadviseerd de al eerder aangeboden hulp voor dit probleem te accepteren.

1.7

Op 4 september 2017 heeft eiser een whatsappbericht gestuurd aan [vertegenwoordiger 1] met de volgende inhoud:

“Maak je woord waar. Kom helpen 16-09 of de 17-09. Dan ben ik blij mate. Ik zorg voor de mens. Daar heb je ook ervaren maar mij ook verraden.”

1.8

Op 11 september 2017 heeft eiser [vertegenwoordiger 1] per e-mail laten weten dat hij de aangeboden hulp voor zijn drankprobleem niet accepteert. [vertegenwoordiger 1] heeft daarop geantwoord dat hij dit jammer vindt en dat eiser van hem zal horen over het vervolg. Op 15 september 2017 heeft eiser een e-mail gestuurd aan [vertegenwoordiger 1] , in kopie aan de gemachtigde van eiser, met de volgende inhoud:

“ [vertegenwoordiger 1] prettig weekend, ik al mee bezig met een mediator tussen ons, Mijn vroegere coach die ik vertrouw. Nu aan jou. Ik ben niet dom maar vervolg stappen zonder bewijs vrees ik ook niet. Mijn adviseurs op de hoogte. Daar verloor [vertegenwoordiger 2] het ook van. Dus overspeel je kaart niet.”

1.9

Op 17 september 2017 heeft een ondernemer bij OZHZ een melding gedaan met de volgende inhoud:

“Aanleiding melding

Ik maak melding van ongepast gedrag van een medewerker van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid; [eiser] . Er hebben zich meerdere gebeurtenissen voorgedaan de laatste jaren die storend zijn voor mij als ondernemer en voor mijn gezin.

De reden dat ik niet eerder een melding heb gedaan is omdat de medewerker een ambtenaar is met als taak inspecties bij ondernemers te verrichten. Hij heeft mij meerdere keren duidelijk gemaakt dat hij bevoegd is om beslissingen te nemen over zaken die mij aangaan. Dit is tevens de reden dat ik de melding anoniem behandeld wil hebben.

Situatie

Ik merk aan [eiser] dat hij veel alcohol drinkt. Als hij mij ‘s avonds belt is hij moeilijk te verstaan en te volgen. Hij klinkt als iemand die praat met een dubbele tong en het is onsamenhangend. Volgens mij heeft hij een alcoholprobleem en heeft hij hulp nodig. Ik begrijp dat hij niet alleen mij belt, maar ook andere ondernemers. De redenen zijn elke keer anders, maar hierbij enkele die mij bij zijn gebleven.

1. Hij wilde zijn nieuwe partner komen voorstellen aan mij;

2. Hij nodigde mij uit voor een benefietdiner dat hij organiseerde ten behoeve van zijn nieuwe partner. Omdat zij uit het buitenland komt was dit nodig zei hij;

3. Hij belde mij op om een telefoonnummer te vragen van een andere ondernemer.

Verschillende keren dat [eiser] mij belde heb ik gezegd dat hij mij niet meer mag bellen en toch blijft hij hiermee doorgaan. Mijn gezin ervaart hier last van en ik ook. Niet alleen door het late tijdstip, bijvoorbeeld om 23.00 uur ‘s avonds maar ook omdat we geen privécontact met deze man hebben en ook niet willen hebben. Het enige contact dat wij met hem wilden hebben is vanuit zijn functie als inspecteur. Dit heb ik hem nadrukkelijk meerdere malen verteld. Toch stopt het niet.

Doel

Het doel van deze melding is dat [eiser] hulp krijgt voor zijn alcoholprobleem. Ik hoop dat daarmee zijn gedrag zal veranderen.”

2. Na een voornemen daartoe, waarover eiser zijn zienswijze heeft gegeven, heeft verweerder het primaire besluit genomen. Daaraan heeft hij de volgende gedragingen ten grondslag gelegd:

  • -

    Eiser heeft op 13, 14 en 16 juli 2017 en op 4 en 15 september 2017 ongepaste, bedreigende, niet zakelijke dan wel vreemde berichten gestuurd aan collega’s en/of leidinggevenden. Aan eiser zijn al twee disciplinaire straffen opgelegd voor soortgelijk plichtsverzuim, maar hij gaat door met dit gedrag.

  • -

    Eiser heeft op 8 juli 2017 tijdens een wachtdienst een burger op ongepaste wijze en onder invloed van alcohol telefonisch te woord gestaan. Ook als eiser wordt gevolgd in zijn standpunt dat hij geen alcohol maar zware slaapmedicatie had gebruikt, levert dit volgens verweerder ernstig plichtsverzuim op.

  • -

    Eiser heeft meermalen (’s avonds) en vermoedelijk onder invloed van alcohol een ondernemer, met wie hij uit hoofde van zijn functie een zakelijke relatie heeft, benaderd over privézaken, terwijl deze ondernemer aan eiser heeft laten blijken hiervan niet gediend te zijn.

Verweerder heeft in dit besluit overwogen dat hij onvoorwaardelijk strafontslag evenredig acht aan de aard en ernst van de gedragingen. Vanwege de aankondiging van eiser dat hij hulp gaat zoeken voor zijn drankprobleem heeft verweerder echter besloten eiser een laatste kans te bieden. Verweerder heeft daarom bepaald dat het strafontslag niet ten uitvoer zal worden gelegd als eiser zich gedurende een periode van drie jaar niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor de bestraffing plaatsvindt of aan enig ander ernstig plichtsverzuim. Daarnaast moet eiser zich houden aan enkele bijzondere voorwaarden die betrekking hebben op de behandeling voor zijn drankprobleem.

3. Verweerder heeft in bezwaar, onder verwijzing naar het advies van de bezwaaradviescommissie, het primaire besluit gehandhaafd, met dien verstande dat hij één van de bijzondere voorwaarden heeft laten vervallen.

4. Eiser voert aan dat de door hem verstuurde berichten niet strafwaardig zijn, dat niet bewezen is dat hij onder invloed van alcohol of medicatie een burger te woord heeft gestaan en dat hij geen ondernemer heeft lastiggevallen. Eiser voert daarnaast aan dat, voor zover sprake is van plichtsverzuim, dit hem niet is toe te rekenen. Eiser vindt daarnaast de straf van het voorwaardelijke strafontslag te zwaar en hij is het ook niet eens met de schorsing voor de wachtdiensten.

5. Op grond van artikel 16:1:1, eerste lid, van de CAR-UWO kan de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege disciplinair worden gestraft. Op grond van het tweede lid van dit artikel omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Op grond van artikel 16:1:2, derde lid, van de CAR-UWO kan bij het opleggen van een straf worden bepaald, dat zij niet ten uitvoer zal worden gelegd indien de betrokken ambtenaar zich gedurende de bij het opleggen van de straf te bepalen termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor de bestraffing plaatsvindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim en zich houdt aan bij het opleggen van de straf eventueel te stellen bijzondere voorwaarden.

Op grond van artikel 8:13 van de CAR-UWO kan als disciplinaire straf aan de ambtenaar ongevraagd ontslag verleend worden.

6.1.1

Eiser vindt de berichten, zoals hiervoor weergegeven onder 1.4-1.5 en 1.7-1.8, niet strafwaardig vanwege de context waarin hij deze heeft verzonden, te weten de moeilijke periode die eiser achter de rug heeft na het eerdere onvoorwaardelijke strafontslag in 2012. Dat ontslag is weliswaar teruggedraaid na de uitspraak van deze rechtbank van 13 maart 2014 (ECLI:NL:RBROT:2014:1804), maar heeft eiser wel in financiële moeilijkheden gebracht. Eiser is hierdoor bovendien achterdochtig geworden richting zijn werkgever en heeft de indruk dat het ontslag nog steeds boven zijn hoofd hangt. In de beleving van eiser zit verweerder hem sindsdien “voortdurend op de huid”. Eiser verzet zich daarnaast in het bijzonder tegen de stelling van verweerder dat de betreffende berichten een bedreigend karakter hebben.

6.1.2

Eiser heeft in een bijlage bij het beroepschrift toegelicht hoe deze berichten volgens hem moeten worden gezien. Met “ik laat niet met mij sollen” in het bericht van 14 juli 2017 heeft eiser naar eigen zeggen geprobeerd zijn rechtspositie te behouden. Met “huidige situatie is onacceptabel” in het bericht van 16 juli 2017 heeft eiser gerefereerd aan het jarenlange ontslagproces. Met “verraden” in het bericht van 4 september 2017 heeft eiser gerefereerd aan een door hem gestelde gebeurtenis tijdens een barbecue in het kader van teambuilding, waarbij eisers leidinggevende hem softdrugs zou hebben aangeboden zonder dat eiser daarvan op de hoogte was. Eiser voelde zich hierdoor verraden. Met het bericht van 15 september 2017 heeft eiser naar eigen zeggen geprobeerd zich te verdedigen tegen naderend ontslag.

6.1.3

Eiser heeft op de zitting desgevraagd verklaard dat hij vanwege zijn werkzaamheden maar zelden op kantoor was en er daarom maar weinig gelegenheden waren om zijn leidinggevende persoonlijk te spreken. Om die reden zag hij zich soms genoodzaakt om via whatsapp en e-mail contact met zijn leidinggevende op te nemen.

6.2

Volgens verweerder hebben de berichten een zeer informele toon en een nare en bedreigende ondertoon en is de inhoud van deze berichten in geen enkele context gepast. Volgens verweerder is whatsapp ook niet het juiste middel om dit soort boodschappen te communiceren. Eiser had in plaats daarvan zijn verwachtingen en bedenkingen op een gepaste manier kunnen delen in een persoonlijk gesprek, aldus verweerder. Voor een dergelijk gesprek was volgens verweerder ook alle gelegenheid.

6.3.1

Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat de berichten van eiser ongepast, niet zakelijk en/of vreemd zijn. Dat eiser heeft ervaren dat hij onder druk stond omdat in zijn beleving ontslag nog boven zijn hoofd hing, vormt geen rechtvaardiging voor het versturen van dergelijke berichten. Die beleving had juist voor eiser aanleiding moeten zijn om extra voorzichtig te zijn in de communicatie met zijn leidinggevenden. Eiser is bovendien twee keer eerder disciplinair gestraft voor soortgelijk gedrag en had dus beter moeten weten. Eiser is er op 4 september 2017 door zijn werkgever nog eens op gewezen dat deze manier van communiceren niet gepast is. Dit heeft eiser er echter niet van weerhouden om na dit gesprek tot twee keer toe nogmaals een ongepast bericht aan zijn leidinggevende te versturen.

6.3.2

In het zienswijzegesprek van 17 oktober 2017 heeft eiser laten blijken dat hij zelf ook vindt dat de berichten ongepast waren. Eiser heeft in dat gesprek verklaard dat hij de berichten door stress heeft verstuurd en dat hij hoopt door hulp te zoeken voor zijn drankprobleem op een betere manier te kunnen vragen om een gesprek in plaats van dergelijke berichten te versturen. Ook heeft hij in dat gesprek erkend dat het versturen van het bericht op 4 september 2017 zeer onhandig is geweest, omdat hij eerder die dag was aangesproken op het verzenden van ongepaste berichten. Op de zitting heeft eiser verklaard dat hij achteraf gezien de berichten niet had moeten versturen, maar in plaats daarvan een afspraak voor een persoonlijk gesprek had moeten maken.

6.3.3

De rechtbank is het met eiser eens dat de berichten geen bedreigend karakter hebben, in de zin van dreigen met (fysiek) geweld. De rechtbank ziet ook niet in op welke grond verweerder de berichten als bedreigend kan hebben ervaren. Voor zover in de berichten al ergens mee wordt gedreigd, gaat het om het ondernemen van juridische actie. Het aankondigen van juridische stappen levert naar het oordeel van de rechtbank echter geen bedreiging op. Omdat de berichten wel ongepast en niet-zakelijk zijn en daarom ook zonder het predicaat “bedreigend” plichtsverzuim opleveren, ziet de rechtbank hierin geen reden om het beroep gegrond te verklaren.

6.4

Deze beroepsgrond slaagt niet.

7.1

Eiser stelt dat hij tijdens de wachtdienst op 8 juli 2017 de betreffende burger netjes te woord heeft gestaan. Eiser weerspreekt niet dat hij een drankprobleem heeft, maar wel dat hij tijdens deze wachtdienst onder invloed van alcohol was. Eiser stelt in het zienswijzegesprek dat hij tijdens deze wachtdienst zware slaapmedicatie had gebruikt, waardoor hij dizzy was.

7.2

Verweerder stelt dat ook het zonder toestemming tijdens de wachtdienst gebruiken van slaapmedicatie plichtsverzuim oplevert. Volgens verweerder kan dergelijke medicatie immers de rijvaardigheid en de wijze waarop eiser zich extern presenteert nadelig beïnvloeden, terwijl eiser tijdens de wachtdienst snel en adequaat moet kunnen optreden naar aanleiding van meldingen, burgers telefonisch te woord moet kunnen staan en eventueel met de dienstauto ter plaatse moet kunnen gaan.

7.3.1

Eiser heeft op de zitting aangevoerd dat hij in het zienswijzegesprek heeft verklaard dat hij slaapmedicatie had gebruikt en niet dat hij zware slaapmedicatie had gebruikt en ook niet dat hij daardoor dizzy was. Het verslag van dit gesprek is volgens eiser daarom in zoverre onjuist. De rechtbank acht dit niet aannemelijk, te meer nu eiser dit pas op de zitting – meer dan een jaar na het zienswijzegesprek – naar voren heeft gebracht. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de verklaring van eiser in het zienswijzegesprek met betrekking tot het gebruik van zware slaapmedicatie buiten beschouwing te laten.

7.3.2

Eiser heeft op de zitting aangevoerd dat de betreffende slaapmedicatie geen nadelig effect heeft op de rijvaardigheid en dat een dergelijk effect ook niet stond vermeld in de bijsluiter. Eiser weet niet meer om welke medicatie het ging. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat de betreffende medicatie geen nadelig effect op de rijvaardigheid heeft. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat dergelijke medicatie is bedoeld om de gebruiker daarvan (beter) te laten slapen en dat doel valt naar zijn aard niet te rijmen met het besturen van (motor)voertuigen. De rechtbank acht het ook niet aannemelijk dat in de bijsluiter niets over het mogelijke effect op de rijvaardigheid stond vermeld. Het is immers eveneens een feit van algemene bekendheid dat bijsluiters van medicijnen zeer uitvoerig zijn in het vermelden van mogelijke bijwerkingen. Dat eiser niet meer weet om welk medicijn het ging en (ook) daarom zijn stelling niet kan onderbouwen, komt voor zover dit al aannemelijk zou zijn voor zijn rekening en risico.

7.3.3

Eiser heeft in beroep nog aangevoerd dat niet het gebruik van de slaapmedicatie er de oorzaak van is geweest dat bij de betreffende burger de indruk is ontstaan dat eiser had gedronken. Eiser praat naar eigen zeggen namelijk in het algemeen langzaam en bedachtzaam. Bij iemand die eiser niet kent, zou dat kunnen overkomen alsof hij onder invloed van alcohol is. Deze stelling valt naar het oordeel van de rechtbank moeilijk te rijmen met eisers stelling in bezwaar dat hij door het gebruik van medicatie op dat moment mogelijk minder goed uit zijn woorden kwam. De rechtbank acht daarom niet aannemelijk dat de indruk die de burger tijdens het telefoongesprek op 8 juli 2017 van eiser had, is veroorzaakt door eisers manier van praten in het algemeen.

7.4.1

Voor de rechtbank is niet komen vast te staan dat eiser tijdens zijn wachtdienst op 8 juli 2017 onder invloed was van alcohol. Eiser zal daarom worden gevolgd in zijn stelling dat hij onder invloed was van zware slaapmedicatie.

7.4.2

Gelet op het voorgaande mocht verweerder aannemen dat eiser tijdens de betreffende wachtdienst onder invloed van zware slaapmedicatie verkeerde, waardoor hij dizzy was en waardoor hij tijdens een telefoongesprek met een burger de indruk heeft gewekt dat hij “nogal wat gedronken had”. Te meer nu eiser niet heeft weersproken dat hij voor het gebruik van slaapmedicatie geen toestemming van zijn leidinggevende had, is de rechtbank van oordeel dat eiser zich door zo te handelen niet heeft gedragen zoals een goed ambtenaar zich behoort te gedragen.

7.4.3

Verweerder verwijt eiser dat hij de betreffende burger ook los van het gebruik van slaapmedicatie op ongepaste wijze te woord heeft gestaan. De rechtbank is van oordeel dat voor dit verwijt de feitelijke onderbouwing ontbreekt. Eiser heeft gesteld dat hij de burger heeft uitgelegd dat hij naar aanleiding van de melding van geluidsoverlast niet ter plaatse kon gaan omdat tegen de tijd dat eiser daar zou zijn aangekomen, het evenement waarop de melding betrekking had al zou moeten zijn afgelopen. Verweerder heeft niet gemotiveerd op welke grond dit handelen van eiser als ongepast moet worden aangemerkt. De rechtbank ziet hierin geen reden om het beroep gegrond te verklaren. Verweerder beschouwt het zonder overleg gebruiken van een slaapmiddel tijdens een wachtdienst immers op zichzelf terecht als plichtsverzuim.

7.5

De rechtbank blijft bij haar afwijzing van eisers verzoek om de burger als getuige te horen. Eiser betwist niet dat het door de burger vermelde gesprek heeft plaatsgevonden en dat eiser weigerde op verzoek van de burger naar een evenement te gaan waar sprake zou zijn van geluidsoverlast. De rechtbank wil aannemen dat eiser die avond geen alcohol maar slaapmedicatie heeft gebruikt en zij volgt eiser voorts in zijn standpunt dat hij de burger niet ongepast heeft bejegend. Onder deze omstandigheden kan het horen van de burger redelijkerwijs niet bijdragen aan de zaak.

7.6

Ook deze beroepsgrond slaagt niet.

8.1

Eiser heeft erkend dat hij meermalen over een privéaangelegenheid heeft gebeld met de ondernemer die de melding heeft gedaan die hiervoor is weergegeven onder 1.9. Eiser heeft ook erkend dat hij deze ondernemer soms op ongebruikelijke tijdstippen zoals 23:00 uur heeft gebeld en dat hij dan soms onder invloed van alcohol verkeerde. Eiser heeft niet weersproken dat dergelijk gedrag niet past bij zijn functie en in strijd is met de Gedragscode Integriteit Drechtsteden/Zuid-Holland Zuid 2015. Eiser stelt echter dat dit contact enkel plaatsvond in de periode van 2012 tot 2014, waarin eiser wegens ontslag niet in dienst was bij verweerder. De rechtbank is het met verweerder eens dat deze stelling niet aannemelijk is. Uit de melding van de ondernemer uit najaar 2017 blijkt onmiskenbaar dat deze betrekking heeft op actuele gedragingen van eiser en niet op gedragingen van drie jaar of langer geleden. Verweerder heeft op de zitting overigens verklaard dat de ondernemer dit later in een gesprek nog heeft bevestigd. Verweerder heeft dan ook mogen aannemen dat het onder invloed en op ongebruikelijke tijdstippen benaderen van de ondernemer ook is gebeurd in de periode dat eiser bij verweerder in dienst was.

8.2

De rechtbank blijft bij haar afwijzing van eisers verzoek de ondernemer als getuige te horen. Eiser betwist niet dat de door de ondernemer gedane melding feitelijk juist is. Mede gelet op het gestelde doel van de melding kan er redelijkerwijs geen twijfel over bestaan dat de melding niet (alleen) betrekking heeft op gebeurtenissen uit een verder verleden, zoals eiser ongemotiveerd stelt. Ook het horen van de ondernemer kan dus redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

8.3

Ook deze beroepsgrond slaagt niet.

9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de hiervoor beschreven gedragingen, in samenhang bezien, mede vanwege het doorlopende karakter van het versturen van de whatsapp- en e-mailberichten terecht heeft aangemerkt als ernstig plichtsverzuim.

10. Eiser stelt dat het plichtsverzuim hem niet kan worden toegerekend wegens zijn drankprobleem. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad), bijvoorbeeld de uitspraak van 11 december 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:4172), is bij de beantwoording van de vraag of het plichtsverzuim aan eiser kan worden toegerekend van belang of hij de ontoelaatbaarheid van het verweten gedrag heeft kunnen inzien en naar dat inzicht heeft kunnen handelen. Daarnaast is volgens vaste rechtspraak van de Raad, bijvoorbeeld de uitspraak van 15 september 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BT2637), een alcoholverslaving op zichzelf geen verontschuldigende factor bij de beoordeling van onder invloed daarvan gepleegd plichtsverzuim. Dit zou slechts anders zijn indien die verslaving moet worden toegeschreven aan een zodanig, niet door die verslaving veroorzaakt, psychisch defect dat eiser niet meer in staat kan worden geacht zijn wil ten aanzien van zijn drinkgedrag in vrijheid te bepalen. Van een dergelijke uitzonderlijke situatie is in deze zaak geen sprake en dit heeft eiser desgevraagd op de zitting ook bevestigd. Nu niet aannemelijk is geworden dat eiser de ontoelaatbaarheid van het verweten gedrag niet heeft kunnen inzien en niet naar dat inzicht heeft kunnen handelen, slaagt ook deze beroepsgrond niet.

11. Eiser vindt de opgelegde straf te zwaar en de proeftijd van drie jaar te lang omdat het zo lang onder een vergrootglas liggen stress oplevert. Een dergelijke periode is volgens eiser ook niet nodig, omdat hij de afgelopen periode (de periode voorafgaand aan de indiening van het aanvullend beroepschrift op 20 juni 2018) al een positieve verandering heeft laten zien. De rechtbank is het met eiser eens dat een proeftijd van drie jaar lang is en de rechtbank kan zich voorstellen dat dit bij eiser stress kan veroorzaken. Aan de andere kant begrijpt de rechtbank ook dat verweerder er zeker van wil zijn dat eiser een structurele gedragsverandering laat zien en dat hiervoor een lange proeftijd nodig is. De rechtbank is van oordeel dat, mede gelet op eisers drankprobleem en het feit dat de eerdere disciplinaire straffen niet het gewenste effect hebben gehad, het belang van verweerder bij het waarborgen van een structurele gedragsverandering bij eiser zwaarder mag wegen dan het belang van eiser om niet gedurende een lange periode onder een vergrootglas te liggen. Hierbij vindt de rechtbank van belang dat eiser niet met controleerbare gegevens heeft onderbouwd dat een proeftijd van drie jaar vanwege zijn persoonlijke situatie onredelijk lang is. Ook deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.

12. Verweerder vindt het niet verantwoord om eiser wachtdiensten te laten draaien zolang eiser niet is behandeld voor zijn drankprobleem. Eiser is het niet eens met de schorsing voor wachtdiensten omdat deze schorsing hem financieel nadeel toebrengt, nu hij hierdoor geen overuren meer kon maken. Eiser heeft op de zitting verklaard dat hij het wel verantwoord vindt om wachtdiensten te draaien, omdat hij de discipline heeft om geen druppel te drinken wanneer hij aan het werk is. Eiser heeft naar eigen zeggen één keer tijdens een wachtdienst in maart 2017 alcohol gedronken. Dat eiser hier eerlijk over is geweest, mag hem naar eigen zeggen niet worden tegengeworpen. De rechtbank is van oordeel dat het belang van verweerder dat eiser (succesvol) voor zijn drankprobleem wordt behandeld voordat hij weer wachtdiensten gaat draaien, zwaarder mag wegen dan het financiële belang van eiser om overuren te kunnen maken. Voor de schorsing voor wachtdiensten bestaat dan ook voldoende reden. Ook deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.

13. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim, dat verweerder bevoegd was hiervoor een disciplinaire straf op te leggen, dat het opgelegde voorwaardelijke strafontslag met de daaraan gekoppelde proeftijd en bijzondere voorwaarden evenredig is aan de aard en ernst van het plichtsverzuim en dat ook voor de schorsing voor wachtdiensten voldoende reden bestaat.

14. Het beroep is ongegrond.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Kroon, voorzitter, en mr. B. van Velzen en mr. M.C. Snel-van den Hout, leden, in aanwezigheid van M.H.A. Bakkum, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 18 maart 2019.

De griffier is verhinderd

deze uitspraak te ondertekenen.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.