Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:2026

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-01-2019
Datum publicatie
14-03-2019
Zaaknummer
10/993004-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen van onjuiste aangiften omzetbelasting en witwassen van het daarmee verkregen bedrag (ruim € 210.000). Verweer dat verdachte op zijn boekhouder mocht vertrouwen verworpen..

Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 10-04-2019
FutD 2019-1056
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/993004-15

Datum uitspraak: 24 januari 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsvrouw mr. N. Roos, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 10 januari 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. B.J. Schmitz heeft gevorderd:

  • -

    partiële vrijspraak ter zake van de onder 1 primair tenlastegelegde digitale aangifte voor de omzetbelasting over de maand december 2011;

  • -

    ontslag van alle rechtsvervolging van de onder 2 primair tenlastegelegde bestanddelen verwerven en voorhanden hebben;

  • -

    bewezenverklaring van het overig primair tenlastegelegde onder 1 en 2;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden en tot een taakstraf voor de duur van 180 uur, subsidiair te vervangen door 90 dagen vervangende hechtenis in het geval de taakstraf niet naar behoren wordt uitgevoerd, met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Partiële vrijspraak zonder nadere motivering

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat het onder 1 primair tenlastegelegde onjuist en onvolledig doen van digitale aangifte omzetbelasting over de maand december 2011 terwijl dat ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

4.2.

Bewijswaardering

4.2.1.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 en 2 tenlastegelegde wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. De verdachte heeft geen (voorwaardelijk) opzet gehad op het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting. Verder is geen sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachte, zoals is vereist voor bewezenverklaring van het tenlastegelegde medeplegen. Tevens blijkt niet uit het dossier dat de verdachte wist of behoorde te weten dat het onder 2 tenlastegelegde benadelingsbedrag van € 217.155,- door het doen van onjuiste belastingaangiften was verkregen.

De verdachte heeft maandelijks tijdig de administratie van zijn onderneming ingeleverd bij zijn boekhouder, te weten de medeverdachte [naam medeverdachte] , voor het indienen van aangiften omzetbelasting. Maandelijks kreeg hij van [naam medeverdachte] een kopie van de aangifte omzetbelasting waarop het te betalen bedrag aan omzetbelasting stond vermeld. Hij mocht op de expertise van een professional als [naam medeverdachte] vertrouwen. Daarom mocht hij ervan uitgaan dat de aangiften omzetbelasting juist waren. De verklaring van [naam medeverdachte] dat de verdachte hem maandelijks telefonisch doorgaf hoeveel belasting de verdachte maandelijks wenste te betalen en dat de administratie pas veel later werd aangeleverd, is onjuist. Die verklaring is ongeloofwaardig en wordt niet door enig bewijsmateriaal ondersteund. Uit de e-mail van 29 juli 2014 (document 116) waarin [naam bedrijf] opgeeft aan [naam medeverdachte] hoeveel de omzetbelasting over de maand juni 2014 bedraagt, volgt het opzet ook niet, omdat deze e-mail betrekking heeft op een niet-tenlastegelegde periode.

4.2.2.

Beoordeling

De rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.

Over de periode van 26 februari 2011 tot en met 22 mei 2014 zijn door [naam medeverdachte] namens verdachte onjuiste digitale aangiften omzetbelasting ingediend bij de Belastingdienst. Uit het dossier blijkt dat de aangegeven omzet met de daarbij behorende af te dragen omzetbelasting structureel (behoudens de omzet(belasting) over de maand december 2011) aanzienlijk te laag was ten opzichte van de daadwerkelijk gefactureerde omzet en omzetbelasting.

De verdachte is in zijn hoedanigheid van ondernemer de normadressaat van de in de Algemene wet inzake rijksbelastingen opgenomen bepalingen over het doen van aangifte omzetbelasting en verantwoordelijk voor het juist en volledig indienen van deze aangiften bij de Belastingdienst. Indien hij het opstellen van de aangiften uitbesteedt aan een ander, rust op hem de verplichting om de in te dienen aangiften vooraf op juistheid en volledigheid te controleren. De rechtbank volgt de verdachte niet in zijn standpunt dat hij mocht vertrouwen op zijn boekhouder. Daar komt bij dat uit zijn eerste verhoor blijkt dat hij wist dat het tussen 2008 en 2010 ook al fout was gegaan omdat [naam medeverdachte] toen lagere bedragen had opgegeven dan dat verdachte in werkelijkheid aan de Belastingdienst moest betalen en dat dit tot nabetalingen aan de Belastingdienst had geleid.

De verdachte hield zelf de urenregistratie van zijn personeel bij en hij maakte de facturen. De betaling van de facturen werd door hem gecontroleerd. De verdachte heeft verklaard dat hij op basis van de facturen wist wat in de jaren 2011, 2012, 2013 en 2014 de maandelijkse gefactureerde omzet was.

De verdachte had dus inzicht in de maandelijkse omzet, de af te dragen omzetbelasting en de voorbelasting die leveranciers hem in rekening brachten. Gelet op de grote verschillen tussen enerzijds de aangegeven en anderzijds de gefactureerde omzet(belasting) had de verdachte telkens direct kunnen en moeten constateren dat de aangiften omzetbelasting niet klopten met de gefactureerde omzet en af te dragen omzetbelasting.

Bovendien wist de verdachte dat de maandelijkse aangiften die door [naam medeverdachte] waren opgesteld niet waren gebaseerd op omzetgegevens, omdat hijzelf maandelijks aan [naam medeverdachte] doorgaf hoeveel er aan omzetbelasting kon worden betaald. [naam medeverdachte] nam vervolgens een bedrag in die orde van grootte op in de aangifte. Dat dit de werkwijze was volgt niet alleen uit de verklaring van [naam medeverdachte] maar ook uit de aan [naam medeverdachte] gezonden e-mail van 21 juli 2014 van [naam bedrijf] met de facturen van de laatste week van juni 2014 als bijlagen. In deze e-mail staat immers € 600,- als het te betalen bedrag aan omzetbelasting over juni 2014, terwijl uit de onderliggende facturen blijkt dat de af te dragen omzetbelasting over deze periode € 1.995,75 zou hebben moeten bedragen. Deze e-mail past naadloos in de door medeverdachte [naam medeverdachte] geschetste modus operandi en de rechtbank ziet mede daarom geen reden aan de verklaring van [naam medeverdachte] te twijfelen. De omstandigheid dat deze e-mail betrekking heeft op een aangifte die buiten de tenlastegelegde periode valt, doet hieraan niets af. De hiervoor weergegeven werkwijze behelst verder een zodanig nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [naam medeverdachte] dat gesproken kan worden van medeplegen.

De rechtbank komt op grond van wat hiervoor is overwogen tot het oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor het medeplegen van het opzettelijk en onjuist doen van de tenlastegelegde aangiften omzetbelasting.

De verdachte heeft in totaal € 217.155,- van andere ondernemers ontvangen omzetbelasting, opzettelijk niet afgedragen aan de Belastingdienst en heeft dit bedrag hierdoor verworven en voorhanden gehad, terwijl hij wist dat dit geldbedrag van enig misdrijf afkomstig was. De verdachte heeft dit geldbedrag in de jaren 2011 tot en met 2014 onttrokken aan zijn onderneming voor het aflossen van privéschulden en de aanschaf van privégoederen. De verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan het een gewoonte maken van witwassen van voornoemd geldbedrag.

Het verweer wordt in al zijn onderdelen verworpen.

4.2.3.

Conclusie

Het primair tenlastegelegde onder 1 en 2 is aldus bewezen.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 telkens primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op tijdstippen in de periode van 26 februari 2011 tot en met 22 mei 2014 te Gouda en Apeldoorn en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, meermalen telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten digitale aangiften voor de omzetbelasting ten name van [naam verdachte] (Fiscaalnummer [nummer] )

betreffende de aangiftetijdvakken januari 2011 en februari 2011 en maart 2011 en april 2011 en mei 2011 en juni 2011 en juli 2011 en augustus 2011 en

september 2011 en oktober 2011 en november 2011en januari 2012 en februari 2012 en maart 2012 en april 2012 en mei 2012 en juni 2012 en juli 2012 en augustus 2012 en september 2012 en oktober 2012 en november 2012 en december 2012 en januari 2013 en februari 2013 en maart 2013 en april 2013 en mei 2013 en juni 2013 en juli 2013 en augustus 2013 en september 2013 en oktober 2013 en november 2013 en december 2013

en januari 2014 en februari 2014 en maart 2014 en april 2014 telkens onjuist en onvolledig heeft gedaan,

immers hebben hij, verdachte, en zijn, verdachtes, mededader telkens opzettelijk in dienaar de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst

te Apeldoorn gezonden aangiften voor de omzetbelasting telkens een te laag bedrag aan omzet en te laag bedrag aan totaal te betalen/verschuldigde omzetbelasting vermeld terwijl die feiten er telkens toe hebben gestrekt, dat te weinig belasting werd geheven;

2.

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2011 tot en met 17 februari 2015 te Gouda en elders in Nederland, telkens voorwerpen,

te weten een geldbedrag (totaal euro 217.155) heeft verworven en voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen en heeft omgezet, en telkens van voorwerpen, te weten een geldbedrag (totaal euro 217.155) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist dat bovenomschreven geldbedragen geheel of gedeeltelijk

- onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, hebbende hij, verdachtegelet op het vorenstaande

van het plegen van witwassen een gewoonte gemaakt.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

5.1.

Kwalificatie

Ten aanzien van feit 2:

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat ten aanzien van het benadelingsbedrag van € 217.155,- sprake is van het verwerven en voorhanden hebben van een onmiddellijk uit eigen misdrijf van de verdachte verkregen geldbedrag. Het enkele verwerven en voorhanden hebben van uit eigen misdrijf afkomstig geld valt volgens vaste jurisprudentie niet onder de strafbepaling van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht. De verdachte zal voor deze onderdelen worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De bewezen feiten leveren op:

1.

medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;

2.

van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Strafmotivering

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich over een periode van ruim drie jaar schuldig gemaakt aan het medeplegen van belastingfraude door opzettelijk en stelselmatig te weinig omzetbelasting aan te geven en te betalen. De Belastingdienst is hierdoor in totaal voor € 217.155,- benadeeld. De verdachte heeft puur uit eigen gewin gehandeld en heeft zich hierdoor ten koste van de samenleving verrijkt. De verdachte heeft daarnaast als ondernemer ernstig misbruik gemaakt van het belastingsysteem. De goede werking van het omzetbelastingsysteem is gebaseerd op het vertrouwen dat de ondernemer een juiste aangifte doet.

De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen van voornoemd geldbedrag door dit door middel van contante opnames en girale overboekingen aan zijn onderneming te onttrekken en te besteden aan het aflossen van privéschulden en het aanschaffen van privégoederen. Het witwassen van een dergelijk geldbedrag tast de integriteit aan van het financiële en economisch verkeer, kan een ontwrichtende werking hebben op de samenleving en vormt daarmee een ernstige bedreiging voor de legale economie.

7.2.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.2.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 10 december 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.

Strafmodaliteit

Gelet op de ernst van de feiten is het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur passend. Bij de bepaling van de duur hiervan heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken doorgaans plegen te worden opgelegd en de Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken voor fraude en een dergelijk fraudebedrag.

De rechtbank weegt de bewezenverklaarde feiten zwaarder dan de officier van justitie in zijn strafeis tot uitdrukking heeft gebracht en is van oordeel dat diens strafeis geen recht doet aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten enerzijds en de houding van de verdachte ter terechtzitting anderzijds. De verdachte heeft, anders dan medeverdachte [naam medeverdachte] , het benadelingsbedrag van € 217.155,- geheel ‘in eigen zak gestoken’. De verdachte heeft aldus financieel voordeel gehad van de belastingfraude en hij heeft het verkregen geldbedrag ook witgewassen. Verder heeft de verdachte er ter zitting geen enkel blijk van gegeven zijn verantwoordelijkheid te nemen en de laakbaarheid van zijn handelen in te zien, maar is hij blijven wijzen naar [naam medeverdachte] , terwijl hij wist dat [naam medeverdachte] eerder onjuiste aangiften had opgesteld. De rechtbank acht daarom de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één jaar in beginsel passend en geboden.

De rechtbank zal echter in het voordeel van de verdachte rekening houden met de ouderdom van de feiten en met de overschrijding van de redelijke termijn.

7.4.

Overschrijding van de redelijke termijn

Bij de berechting van een zaak waarbij geen sprake is van bijzondere omstandigheden, heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat een verdachte in redelijkheid de verwachting kan hebben dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie strafvervolging zal worden ingesteld. De inverzekeringstelling van een verdachte kan als een zodanige handeling worden aangemerkt. De verdachte is in de onderhavige zaak op 17 februari 2015 in verzekering gesteld. Op deze datum is de redelijke termijn aangevangen. Er is in deze zaak geen sprake is van bijzondere omstandigheden. Dit betekent dat in de onderhavige zaak uiterlijk op 16 februari 2017 eindvonnis in eerste aanleg gewezen had dienen te worden.

Tussen 17 februari 2015 en de datum van het eindvonnis ligt echter een periode van 47 maanden. Nu in deze zaak, zoals hiervoor is overwogen, wordt uitgegaan van een redelijke termijn van 24 maanden, is er in de onderhavige zaak sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) van 23 maanden. Nu deze overschrijding niet is toe te rekenen aan de verdachte, dient dit gecompenseerd te worden door vermindering van de op te leggen straf met drie maanden. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de verdachte een gevangenisstraf van negen maanden opleggen.

De rechtbank zal een deel van deze gevangenisstraf, te weten drie maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren opleggen. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde onder 2 ten aanzien van het verwerven en voorhanden hebben van het geldbedrag van € 217.155,- geen strafbaar feit oplevert en ontslaat de verdachte ten aanzien daarvan van alle rechtsvervolging;

stelt vast dat het overigens bewezenverklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 3 (drie) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, de algemene voorwaarde

overtreedt dat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd zich niet aan een strafbaar feit schuldig zal maken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E. Rabbie, voorzitter,

en mrs. G.A. Bouter-Rijksen en P.M. van Russen Groen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R. van Puffelen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij

op een of meer tijdstip(pen)

in of omstreeks de periode van 26 februari 2011 tot en met 22 mei 2014

te 's-Gravenhage en/of Gouda en/of Apeldoorn en/of Heerlen en/of elders in

Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) opzettelijk

(een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene

wet inzake rijksbelastingen,

te weten (een) (digitale) aangifte(n) voor de omzetbelasting

ten name van [naam verdachte] (Fiscaalnummer [nummer] )

betreffende het/de aangiftetijdvak(ken)

januari 2011 en/of februari 2011 en/of maart 2011 en/of april 2011 en/of

mei 2011 en/of juni 2011 en/of juli 2011 en/of augustus 2011 en/of

september 2011 en/of oktober 2011 en/of november 2011 en/of december 2011

en/of

januari 2012 en/of februari 2012 en/of maart 2012 en/of april 2012 en/of

mei 2012 en/of juni 2012 en/of juli 2012 en/of augustus 2012 en/of

september 2012 en/of oktober 2012 en/of november 2012 en/of december 2012

en/of

januari 2013 en/of februari 2013 en/of maart 2013 en/of april 2013 en/of

mei 2013 en/of juni 2013 en/of juli 2013 en/of augustus 2013 en/of

september 2013 en/of oktober 2013 en/of november 2013 en/of december 2013

en/of

januari 2014 en/of februari 2014 en/of maart 2014 en/of april 2014

(telkens) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, en/althans heeft doen of

laten doen door (een) ander(en),

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn, verdachtes, mededader(s)

(telkens) opzettelijk

op/in die/dat bij/naar de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst

te 's-Gravenhage en/of Apeldoorn en/of Heerlen en/of elders in Nederland

ingeleverde / gezonden aangifte(n) / aangiftebiljet(ten) voor de

omzetbelasting

(telkens) (een) te la(a)g(e) bedrag(en) aan omzet en/of te la(a)g(e)

bedrag(en) aan (Totaal) (te betalen/verschuldigde) omzetbelasting en/of (een)

te ho(o)g(e) bedrag(en) aan terug te vragen omzetbelasting en/of een te laag

belastbaar bedrag, althans (telkens) een te laag bedrag aan belasting,

opgegeven en/of vermeld, en/althans door die/een ander(en) doen of laten

opgeven en/of vermelden,

terwijl die/dat feit(en) er (telkens) toe heeft/hebben gestrekt, dat te weinig

belasting werd geheven;

Subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij

op een of meer tijdstip(pen)

in of omstreeks de periode van 26 februari 2011 tot en met 22 mei 2014

te 's-Gravenhage en/of Gouda en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(een) (digitale) aangifte(n) voor de omzetbelasting

ten name van [naam verdachte] (Fiscaalnummer [nummer] )

betreffende het/de aangiftetijdvak(ken)

januari 2011 en/of februari 2011 en/of maart 2011 en/of april 2011 en/of

mei 2011 en/of juni 2011 en/of juli 2011 en/of augustus 2011 en/of

september 2011 en/of oktober 2011 en/of november 2011 en/of december 2011

en/of

januari 2012 en/of februari 2012 en/of maart 2012 en/of april 2012 en/of

mei 2012 en/of juni 2012 en/of juli 2012 en/of augustus 2012 en/of

september 2012 en/of oktober 2012 en/of november 2012 en/of december 2012

en/of

januari 2013 en/of februari 2013 en/of maart 2013 en/of april 2013 en/of

mei 2013 en/of juni 2013 en/of juli 2013 en/of augustus 2013 en/of

september 2013 en/of oktober 2013 en/of november 2013 en/of december 2013

en/of

januari 2014 en/of februari 2014 en/of maart 2014 en/of april 2014,

zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig

feit te dienen,

valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of vervalst, en/althans valselijk

heeft/hebben doen en/of laten opmaken en/of vervalsen door (een) ander(en),

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn, verdachtes, mededader(s)

toen en daar (telkens) valselijk in strijd met de waarheid

-zakelijk weergegeven-

op/in dat/die (digitale) aangifte(n) voor de omzetbelasting

(telkens) (een) te la(a)g(e) bedrag(en) aan omzet en/of te la(a)g(e)

bedrag(en) aan (Totaal) (te betalen/verschuldigde) omzetbelasting en/of (een)

te ho(o)g(e) bedrag(en) aan terug te vragen omzetbelasting en/of een te laag

belastbaar bedrag, althans (telkens) een te laag bedrag aan belasting,

geschreven en/of opgegeven en/of vermeld, en/althans door die/een ander(en)

doen of laten schrijven en/of opgeven en/of vermelden,

zulks met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te

gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

2.

hij

op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

1 januari 2011 tot en met 17 februari 2015

te Gouda en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) (een) voorwerp(en),

te weten een of meer geldbedrag(en)

(totaal) euro 217.155 of daaromtrent, in elk geval een of meer geldbedrag(en),

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of

heeft omgezet,

en/althans

(telkens) van (een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en)

(totaal) euro 217.155 of daaromtrent, in elk geval een of meer geldbedrag(en),

gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn, verdachtes, mededader(s)

wist(en) dat bovenomschreven geldbedrag(en) geheel of gedeeltelijk

- onmiddellijk of middellijk -

afkomstig was/waren uit enig(e) misdrijf/misdrijven,

hebbende hij, verdachte, en/of zijn, verdachtes, mededader(s)

(gelet op het vorenstaande)

van het plegen van witwassen een gewoonte gemaakt;

Subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij

op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

1 januari 2011 tot en met 17 februari 2015

te Gouda en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) (een) voorwerp(en),

te weten een of meer geldbedrag(en)

(totaal) euro 217.155 of daaromtrent, in elk geval een of meer geldbedrag(en),

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of

heeft omgezet,

en/althans

(telkens) van (een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en)

(totaal) euro 217.155 of daaromtrent, in elk geval een of meer geldbedrag(en),

gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn, verdachtes, mededader(s)

redelijkerwijs moest(en) vermoeden,

dat bovenomschreven geldbedrag(en) geheel of gedeeltelijk

- onmiddellijk of middellijk -

afkomstig was/waren uit enig(e) misdrijf/misdrijven;