Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:2011

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-03-2019
Datum publicatie
14-03-2019
Zaaknummer
10/228439-18 + 10/186337-18 + 10/153544-18 / TUL VV: 10/700193-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor voorhanden hebben vuurwapen met munitie, opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, mishandeling met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge en bedreiging. Vrijspraak huisvredebreuk. Gevangenisstraf 8 maanden met bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummers: 10/228439-18 + 10/186337-18 + 10/153544-18

Parketnummer vordering TUL VV: 10/700193-17

Datum uitspraak: 8 maart 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Krimpen aan den IJssel,

raadsman mr. J.P.M. Denissen, advocaat te Bergeijk.

Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 22 februari 2019.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. B.A.S.E. Maandag heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering;

  • -

    oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr voor de duur van één jaar, inhoudende een contactverbod met aangeefster [naam slachtoffer 1] en een locatieverbod voor haar woonadres, met toepassing van (telkens) één week vervangende hechtenis voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan, waarbij de totale duur van de vervangende hechtenis ten hoogste zes maanden bedraagt;

  • -

    de dadelijke uitvoerbaarheid van voornoemde maatregel;

  • -

    tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde strafdeel in de zaak met parketnummer 10/700193-17.

Waardering van het bewijs

Feit 2: parketnummer 10/153544-18

De rechtbank is er in onvoldoende mate van overtuigd dat de verdachte de woning van aangeefster [naam slachtoffer 1] wederrechtelijk is binnengedrongen, zodat hij van het onder 2 te laste gelegde feit bij parketnummer 10/153544-18 zal worden vrijgesproken.

Feit 3: parketnummer 10/153544-18

Standpunt verdediging

De raadsman van de verdachte heeft voor dit feit vrijspraak bepleit, nu de verklaring van aangeefster [naam slachtoffer 1] eenzijdig is en geen steun vindt in andere bewijsmiddelen.

Beoordeling

De verklaring van aangeefster [naam slachtoffer 1] over de door de verdachte toegezonden Whatsapp berichten vindt steun in de verklaring van haar moeder. De rechtbank ziet in hetgeen de verdachte hierover heeft aangevoerd geen aanleiding om de betrouwbaarheid van deze verklaringen in twijfel te trekken. Gelet op de bewoordingen van de Whatsapp- berichten en de omstandigheden - zoals die blijken uit de bewijsmiddelen - waaronder deze bedreigingen zijn gedaan, kon bij aangeefster de redelijke vrees ontstaan voor het gebruik van levensbedreigend fysiek geweld door de verdachte.

Conclusie

Het verweer wordt dan ook verworpen.

Bewezenverklaring

Parketnummers 10/186337-18 en 10/153544-18

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring van het onder parketnummer 10/186337-18 en onder 1 en 3 van parketnummer 10/153544-18 ten laste gelegde redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan en op grond van het voorgaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 10/186337-18 en onder 1 en 3 van parketnummer 10/153544-18 ten laste gelegde heeft begaan.

Parketnummer 10/228439-18

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring van het onder parketnummer 10/228439-18 ten laste gelegde redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 10/228439-18 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

Parketnummer 10/228439-18

hij op 14 november 2018 te Rotterdam

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III, onder 1 van de

Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistool, van het merk Star S, type 9mm Corto, kaliber

9mm br. c en de daarbij behorende munitie voorhanden heeft gehad;

Parketnummer 10/186337-18

hij op 17 september 2018 te

Vlaardingen opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van

strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 03 augustus 2018

gegeven door de officier van justitie te Rotterdam kort weergegeven

inhoudende dat hij, verdachte,

- zich zal onthouden van ieder contact met [naam slachtoffer 1] en/of

- zich niet mag ophouden op/in/rond de van [adres slachtoffer] te Vlaardingen;

Parketnummer 10/153544-18

1.

hij op 10 juni 2018 te Vlaardingen,

[naam slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [naam slachtoffer 2] ,

tegen het hoofd te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten

- een scheur in de lip en

- tweebreuken in de bijholtes en

- een gebroken neus en

- een loszittende kaak ten gevolge heeft gehad;

3.

hij, op of omstreeks 10 juni 2018 te Zoetermeer

[naam slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

door die [naam slachtoffer 1] dreigend (via WhatsApp) de woorden toe te voegen

- " Ik maak je dood" en

- " Ik ga je doodschieten" en

- " Ik duw een mes in je strot" en

- " Ik neem die mensen mee, ik ga mijn matties bellen en ervoor zorgen

dat er twintig man op jullie wachten",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

Parketnummer 10/228439-18

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

Parketnummer 10/186337-18

opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering

Parketnummer 10/153544-18, feit 1:

mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft

Parketnummer 10/153544-18, feit 3:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich aan meerdere strafbare feiten schuldig gemaakt. Ten eerste heeft hij op de openbare weg een vuurwapen met bijbehorende munitie voorhanden gehad. Het is algemeen bekend dat het voorhanden hebben van vuurwapens vaak het gebruik ervan met zich brengt. Wat er zij van de door verdachte ter zitting aangevoerde motieven bij de aanschaf van het vuurwapen, met zijn handelen heeft hij onaanvaardbare risico’s voor de veiligheid van personen in het leven geroepen. Het bekend worden van dergelijke feiten doet bovendien afbreuk aan het algemene veiligheidsgevoel.

Daarnaast heeft de verdachte een buurtgenoot, die tussenbeide wilde komen toen de verdachte zijn ex-partner achterna zat, ernstig mishandeld. Het slachtoffer heeft daarbij onder meer een gebroken neus en een loszittende kaak opgelopen. Naast de lange nasleep van dit fysieke letsel heeft het slachtoffer naar aanleiding van deze mishandeling ook psychische klachten ondervonden. Ten slotte heeft de verdachte aangeefster [naam slachtoffer 1] , de moeder van zijn kind, met de dood bedreigd en heeft hij een gedragsaanwijzing overtreden die inhield dat hij zich niet mocht ophouden bij het adres van die [naam slachtoffer 1] . Hij heeft hierdoor angst veroorzaakt bij de aangeefster en bovendien een ambtelijk bevel overtreden, dat juist bedoeld was om de veiligheid van de aangeefster te waarborgen.

Uit een uittreksel uit de justitiële documentatie van 8 februari 2019 blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor zowel gewelds- als vuurwapenfeiten. De bij deze veroordelingen opgelegde deels voorwaardelijke gevangenisstraffen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te plegen.

In het dossier bevinden zich reclasseringsrapporten over de verdachte van 25 september 2018 van Reclassering Nederland en van 20 november 2018 van het Leger des Heils. Uit die rapporten volgt – kort gezegd – dat sprake is van verschillende risicofactoren en problematische leefgebieden die, in combinatie met de delictgeschiedenis van de verdachte, maken dat het recidiverisico hoog wordt ingeschat. Eerdere trajecten binnen het kader van reclasseringstoezicht zijn niet van de grond gekomen omdat de verdachte zich onttrekt aan zijn meldplicht en zich niet aan de afspraken houdt. In de rapporten worden in grote lijnen dezelfde bijzondere voorwaarden geadviseerd. Deze voorwaarden houden in: een contact- en locatieverbod met aangeefster [naam slachtoffer 1] , het meewerken aan onderzoek en behandeling en het verblijven in een instelling voor begeleid wonen.

Op de zitting heeft de verdachte verklaard dat hij behoefte heeft aan begeleiding door de reclassering en dat hij hier ook aan mee wil werken.

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. In strafverzwarende zin is rekening gehouden met het strafrechtelijke verleden van de verdachte.

Daarnaast acht de rechtbank, met de reclassering, begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk. Deze bijzondere voorwaarden zullen echter niet gekoppeld worden aan een in deze strafzaak op te leggen voorwaardelijk strafdeel, maar aan het voorwaardelijk strafdeel dat eerder aan de verdachte is opgelegd en waarvan de officier van justitie in deze zaak de tenuitvoerlegging heeft gevorderd.

De rechtbank ziet naast de genoemde bijzondere voorwaarden geen aanleiding tot het opleggen van een contact- of locatieverbod ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

Vorderingen benadeelde partijen/ schadevergoedingsmaatregelen

[naam benadeelde 1]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 1] . De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 1.735,- aan materiële schade en een vergoeding van € 5.000,- aan immateriële schade.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schade kan worden toegewezen, met uitzondering van de medische kosten ter hoogte van € 385,-, en dat de immateriële schade kan worden toegewezen tot een bedrag van € 500,-. Zij heeft daarnaast gevorderd aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen ter hoogte van het toe te wijzen bedrag.

Beoordeling

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat onvoldoende is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met de bewezen verklaarde feiten. De vordering is immers gebaseerd op (een) door de verdachte gepleegde vernieling en mishandeling(en). Dit zijn feiten die in deze procedure, in relatie tot deze benadeelde partij niet aan de verdachte ten laste zijn gelegd en waarvan dus ook niet is vast komen te staan dat zij door de verdachte zijn gepleegd.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

Conclusie

In deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding dus geen inhoudelijke beslissing genomen.

[naam benadeelde 2]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 2] , ter zake van het onder 1 van parketnummer 10/153544-18 ten laste gelegde. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 567,30 aan materiële schade en een vergoeding van € 1.000,- aan immateriële schade.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de immateriële schade ernstig dient te worden gematigd.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks (materiële) schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding de rechtbank ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt en bovendien door de verdachte niet is weersproken, zal de vordering worden toegewezen.

Daarnaast is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 1.000,-, zodat de vordering zal worden toegewezen.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 10 juni 2018.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil,

en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 1.567,30, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 20 juli 2017 van de meervoudige kamer van deze rechtbank is de verdachte ter zake van - kort gezegd - vuurwapenbezit veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan een gedeelte groot 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. De proeftijd is ingegaan op 4 augustus 2017.

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. Er worden echter termen aanwezig geacht die last niet te geven, maar in plaats daarvan de proeftijd te verlengen met één jaar. De rechtbank acht het namelijk (zoals hiervoor overwogen) van belang dat de verdachte onder toezicht blijft staan van de reclassering en dat hij zich in dat kader houdt aan de bijzondere voorwaarden zoals hierna genoemd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Behalve op de reeds genoemde artikelen, is gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 57, 184a, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 55 van de Wet wapens en munitie.

Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 2 van parketnummer 10/153544-18 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte (ook) daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij [naam benadeelde 1] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] te betalen een bedrag van € 1.567,30 (zegge: duizendvijfhonderdzevenenzestig euro en dertig eurocent), bestaande uit € 567,30 aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 10 juni 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [naam benadeelde 2] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 2] te betalen € 1,567,30 (hoofdsom, zegge: duizendvijfhonderdzevenenzestig euro en dertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 juni 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 1.567,30 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 25 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

verlengt de proeftijd van de bij vonnis van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 20 juli 2017 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf met 1 jaar;

wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging;

wijzigt de voorwaarden verbonden aan het voorwaardelijk gedeelte, groot 4 maanden, van de bij voornoemd vonnis aan de veroordeelde opgelegde gevangenisstraf, zodat zij komen te luiden als volgt:

  • -

    de veroordeelde zal zich melden bij Reclassering Nederland, zo lang en frequent als die reclasseringsinstelling dat noodzakelijk vindt;

  • -

    de veroordeelde zal zich inspannen tot het verkrijgen en behouden van een zinvolle dagbesteding en een inkomen en tot het regelen van een zorgverzekering;

  • -

    de veroordeelde zal meewerken aan intake/onderzoek bij een forensisch (psychiatrische) polikliniek en - indien dit noodzakelijk wordt geacht - ambulante behandeling, zulks ter beoordeling van de reclassering, gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering in overleg met de behandelaar/instelling verantwoord vindt;

  • -

    de veroordeelde zal verblijven in de instelling voor begeleid wonen en zal zich houden aan de aanwijzingen die door of namens de directeur van die instelling worden gegeven, gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de directeur van die instelling verantwoord vindt;

  • -

    de veroordeelde zal op geen enkele wijze contact (laten) opnemen, zoeken of hebben met [naam benadeelde 1] , gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering verantwoord vindt;

  • -

    de veroordeelde zal zich niet bevinden in/op/rond het adres [adres slachtoffer] Vlaardingen, gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering verantwoord vindt.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H. Janssen, voorzitter,

en mrs. E.M. Havik en J.M.L. van Mulbregt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.M.H. van Mullekom, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 maart 2019.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:

Parketnummer 10/228439-18

hij op of omstreeks 14 november 2018 te Rotterdam

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III, onder 1 van de

Wet wapens en munitie, te

weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de

vorm van een pistool, van het merk Star S, type 9mm Corto, kaliber

9mm br.c en/of de daarbij behorende munitie voorhanden heeft gehad;

Parketnummer 10/186337-18

hij op één of meerdere tijdstip(pen) of omstreeks 17 september 2018 te

Vlaardingen

opzettelijk

heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens

artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van

strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 03 augustus 2018

gegeven door de officier van justitie te Rotterdam kort weergegeven

inhoudende dat hij, verdachte,

- zich zal onthouden van ieder contact met [naam slachtoffer 1] en/of

- zich niet mag ophouden op/in/rond de van [adres slachtoffer] te

Vlaardingen;

Parketnummer 10/153544-18

1.

hij, op of omstreeks 10 juni 2018 te Vlaardingen,

[naam slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [naam slachtoffer 2] ,

op/tegen het hoofd, althans het lichaam, te slaan en/of te stompen,

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten

- een scheur in de lip en/of

- twee, althans een of meer breuk(en) in de bijholtes en/of

- een gebroken neus en/of

- een loszittende kaak

ten gevolge heeft gehad;

2.

hij, op of omstreeks 10 juni 2018 te Vlaardingen,

in de woning, het besloten lokaal en/of het erf, [adres slachtoffer]

bij een ander, te weten bij [naam slachtoffer 1] , althans bij een ander of

anderen dan bij verdachte, in gebruik

wederrechtelijk is binnengedrongen en/of zich niet op de vordering van

of vanwege de rechthebbende aanstonds heeft verwijderd;

3.

hij, op of omstreeks 10 juni 2018 te Zoetermeer, althans in Nederland,

[naam slachtoffer 1] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

door die [naam slachtoffer 1] dreigend (via WhatsApp) de woorden toe te voegen

- " Ik maak je dood" en/of

- " Ik ga je doodschieten" en/of

- " Ik duw een mes in je strot" en/of

- " Ik neem die mensen mee, ik ga mijn matties bellen en ervoor zorgen

dat er twintig man op jullie wachten",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.