Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:1956

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-03-2019
Datum publicatie
15-04-2019
Zaaknummer
C/10/560973 / HA ZA 18-1002
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

IPR. Huwelijksvermogensrecht. Toepasselijk recht. Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978. Geen gemeenschappelijke nationaliteit. Overschrijding van maximale duur periode tussen huwelijkssluitng en vestiging eerste huwelijksdomicilie. Nauwste verbondenheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/560973 / HA ZA 18-1002

Vonnis van 27 maart 2019

in de zaak van

[naam eiseres] ,

wonende te Zuid-Beijerland (gemeente Hoeksche Waard),

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. P.A. den Hollander te Barendrecht,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te Piershil (gemeente Korendijk),

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. J.M. Wigman te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 27 september 2018, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie;

  • -

    de brief van 9 januari 2019 waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    het faxbericht van de advocaat van de vrouw van 18 februari 2019, met bijlage;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 6 maart 2019.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

in conventie

2.1.

De vrouw vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

  1. de verdeling van de tussen partijen bestaande ontbonden doch niet verdeelde gemeenschap als volgt vaststelt: (a) de gezamenlijke koopwoning te Piershil aan de [adres] met de daarop rustende hypothecaire lening en de daaraan gekoppelde levensverzekering toescheidt aan de man onder vergoeding, na verrekening van de door de man betaalde premies levensverzekering, van de helft van de overwaarde met de vrouw en (b) een taxateur benoemt ter bepaling van de meest recente waarde van de woning;

  2. primair: de man veroordeelt om de Fortis Hypotheek Bank binnen veertien dagen na de datum van het in dezen te wijzen vonnis schriftelijk te verzoeken de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de schuld aan de Fortis Hypotheek Bank te ontslaan en om de vrouw binnen 21 dagen na de datum van het in dezen te wijzen vonnis een kopie van de desbetreffende e-mail of brief te overhandigen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat hij hiermee in gebreke blijft;

subsidiair: (a) indien mocht blijken dat de man financieel niet in staat is de op de woning rustende hypotheek over te nemen met een gelijktijdig ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de vrouw: bepaalt dat de woning dient te worden verkocht en dat de verkoopopbrengst na aftrek van de hypothecaire lening en de levensverzekering, en na verrekening van de door de man betaalde premies levensverzekering, tussen partijen bij helfte dient te worden verdeeld; (b) aan de vrouw machtiging verleent tot het te gelde maken van de onroerende zaak aan de [adres] te Piershil door deze te verkopen en te leveren en voor het overige al hetgeen te doen wat zij dienaangaande nuttig of noodzakelijk acht, alsmede bepaalt dat, indien de man zijn medewerking weigert aan het ondertekenen van een verkoopopdracht, koopovereenkomst of akte van levering, de in dezen te wijzen beschikking van de rechtbank dezelfde kracht heeft als de ondertekening door de man, althans dat de in dezen te geven beschikking in plaats van de handtekening van de man zal treden;

3. de man veroordeelt in de proceskosten.

2.2.

De man voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis.

2.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

2.4.

De man vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis bepaalt dat het Duitse huwelijksvermogensrecht van toepassing is en dat de woning en de daarop rustende hypotheek zonder verdere verrekening uitsluitend aan hem toebehoren, althans aan hem worden toegescheiden.

2.5.

De vrouw voert verweer.

2.6.

Op de stellingen van partijen wordt bij beoordeling, voor zover zij daarvoor van belang zijn, nader ingegaan.

3 De beoordeling

in conventie en in reconventie

inleiding

3.1.

Hier is sprake van een internationale zaak op het gebied van huwelijksgoederenrecht.

3.2.

Vanaf 29 januari 2019 geldt voor Nederland de Verordening (EU) 2016/1103 van de Raad van 24 juni 2016 tot uitvoering van de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van huwelijksvermogensstelsels. Aangezien de vordering in deze zaak vóór 29 januari 2019 is ingesteld, mist deze verordening ingevolge artikel 69 toepassing.

bevoegdheid

3.3.

Ook voor het overige missen internationale bevoegdheidsregelingen als bedoeld in artikel 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) toepassing. Omdat gedaagde, de man, in Nederland woonplaats heeft, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 2 Rv internationaal bevoegd kennis te nemen van de vorderingen in conventie van de vrouw. De relatieve bevoegdheid van deze rechtbank in conventie volgt uit artikel 99 lid 1 Rv. Ook wat betreft de reconventionele vorderingen van de man heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht en is deze rechtbank relatief bevoegd. Zie artikel 7 lid 2 in verbinding met artikel 136 Rv en artikel 99 lid 1 Rv.

toepasselijk recht op het huwelijksgoederenregime van partijen

3.4.

Ter zitting hebben partijen de rechtbank verzocht een beslissing te geven over het toepasselijke recht op het huwelijksgoederenregime van partijen.

3.5.

Partijen zijn op 25 juli 2003 in Duitsland getrouwd. (Dit huwelijk is geëindigd door inschrijving op 9 februari 2015 in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van 23 januari 2015.) Dit betekent dat de vraag naar het toepasselijke huwelijksgoederenrecht beantwoord moet worden aan de hand van het voor Nederland op 1 september 1992 van kracht geworden Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van 14 maart 1978 (Trb. 1988, nr. 130; hierna: het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978). Het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978, dat blijkens artikel 2 een universeel formeel toepassingsgebied heeft, is namelijk van toepassing op huwelijken die zijn gesloten op of na 1 september 1992 (art. 21).

3.6.

Het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 voorziet onder voorwaarden zowel in de mogelijkheid van een rechtskeuze vóór het huwelijk (art. 3) als een rechtskeuze staande huwelijk (art. 6). Een rechtskeuze is in de onderhavige zaak echter gesteld noch gebleken. Dit betekent dat het toepasselijke recht moet worden bepaald aan de hand van de in artikel 4 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 neergelegde objectieve verwijzingsregeling. Partijen hebben geen gemeenschappelijke nationaliteit (gehad). Voor zover partijen een eerste huwelijksdomicilie hebben gehad, dat wil zeggen: een eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk, wordt hun huwelijksgoederenregime dan ook beheerst door het interne recht van dat land (art. 4 lid 1). Is van een eerste huwelijksdomicilie geen sprake geweest, dan wordt hun huwelijksgoederenregime beheerst door het interne recht van de Staat waarmee het, alle omstandigheden in aanmerking genomen, het nauwste verbonden is (art. 4 lid 3).

3.7.

In het tussen partijen gerezen geschil over het recht dat toepasselijk is op hun huwelijksgoederenregime ziet de rechtbank aanleiding allereerst op zoek te gaan naar het antwoord op de vraag of partijen (in een bepaald land) een eerste huwelijksdomicilie hebben gehad in de zin artikel 4 lid 1 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978.

3.8.

Voor het bestaan van een eerste huwelijksdomicilie in de zin van artikel 4 lid 1 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 is niet van belang of de echtgenoten samenwonen. Beslissend is slechts of zij in hetzelfde land hun gewone verblijfplaats hebben, ongeacht of zij samenwonen (zie bijv. Hof ’s-Hertogenbosch 16 juli 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:BK5364). Niet noodzakelijk is dat de echtgenoten onmiddellijk na de huwelijkssluiting in dezelfde staat gaan wonen. De rechtspraak neemt aan dat hier enige speelruimte bestaat. In de rechtspraak wordt, afhankelijk van de omstandigheden, een marge aangehouden van rond de zes maanden (zie bijv. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10 maart 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:1836, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 6 maart 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:2345, Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 12 juli 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2900, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16 augustus 2018, ECLI:NL:GHARL:2018,7410, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27 september 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:8667, Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 4 oktober 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:4070).

3.9.

Gesteld noch gebleken is dat de man en de vrouw op enig moment na de huwelijkssluiting weliswaar in hetzelfde land gewoonlijk verbleven maar in dat land niet samenwoonden. In de onderhavige zaak is dus slechts aan de orde of de man en de vrouw zodanig tijdig na de huwelijkssluiting zijn gaan samenwonen dat dat samenwonen beschouwd mag worden als een eerste huwelijksdomicilie in de zin van artikel 4 lid 1 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978.

3.10.

De vrouw beschikte over een zelfstandige huurwoning in het huis van haar moeder in Duitsland. Deze woning heeft zij verlaten op 18 oktober 2004, toen zij zich in heeft laten schrijven in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) van de toenmalige gemeente Korendijk en zij is ingetrokken in de woning van haar man in Piershil in deze gemeente. Ten tijde van de huwelijkssluiting – en ook al daarvóór – had de man een eigen woning in Nederland (namelijk bovengenoemde woning in Piershil), waar hij woonde met zijn zoon uit een eerder huwelijk, die toen omstreeks twintig jaar was. De man werkte in Nederland. Het eerste kind van partijen, een dochter, is op 26 september 2003 in Duitsland geboren. Tot 18 oktober 2004 verbleef dit kind – vanzelfsprekend – in genoemde woning van haar moeder in Duitsland. Wanneer hij niet werkte, namelijk zowel in het weekeinde, tijdens vakanties als tijdens vrije dagen of soms zelfs vrije weken die hij van zijn werk had opgenomen, vertrok de man heel vaak naar zijn vrouw en zijn dochter in Duitsland om pas betrekkelijk kort vóór aanvang van zijn werk weer naar Nederland terug te keren. De man is van mening dat het huwelijksgoederenregime wordt beheerst door Duits recht. Voor zover de man deze opvatting is toegedaan omdat het eerste huwelijksdomicilie in de zin van artikel 4 lid 1 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 in Duitsland zou zijn gelegen, kan de rechtbank hem daarin niet volgen. Het mag dan zo zijn dat de man zeer vaak en met grote regelmaat in de huwelijkse periode voorafgaande aan 18 oktober 2004 bij zijn vrouw (en hun eerste dochter) in haar woning in Duitsland verbleef, dat neemt niet weg dat de man na afloop van deze betrekkelijk korte verblijven (van meestal slechts vier dagen en uitsluitend in vakantieperiodes van een aantal weken) steeds weer moest terugkeren naar Nederland om daar weer aan het werk te gaan, terwijl hij in Nederland over een eigen woning beschikte om aldaar de tijd door te brengen na afloop van de ene werkdag en voorafgaande aan zijn volgende werkdag. Deze periodes van gelijktijdige aanwezigheid van beide echtelieden in Duitsland missen derhalve het duurzame karakter dat nodig is voor een eerste huwelijksdomicilie in de zin van artikel 4 lid 1 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978. Van een eerste huwelijksdomicilie in Duitsland is derhalve geen sprake geweest. Dat de man en de vrouw “bewust”(?) in Duitsland zijn getrouwd, zoals zij beiden stellen, kan hieraan niets afdoen.

3.11.

Volgens de vrouw is het eerste huwelijksdomicilie in Nederland gelegen. Naar haar zeggen is zij in de periode vóór 18 oktober 2004 vaak heen en weer gereden met de eerste dochter van haar en haar man en verbleef zij daar dan een aantal weken. Wat er ook verder zij van deze betrekkelijk korte verblijfperiodes van de man, de vrouw en hun eerste dochter (in de woning van de man) in Nederland voorafgaande aan 18 oktober 2004, noch de man noch de vrouw beschouwt deze verblijfperiodes (tezamen) als een vorm van samenwonen, waar de rechtbank zich bij aansluit. Partijen beschikten dus in ieder geval vóór 18 oktober 2004 niet over een eerste huwelijksdomicilie in Nederland.

3.12.

Vanaf 18 oktober 2004 bevond zich de gewone verblijfplaats van zowel de man als de vrouw in Nederland, zo is niet in geschil tussen partijen. Op dat moment waren echter al – afgerond – vijftien maanden verstreken sinds de huwelijkssluiting op 25 juli 2003. Gelet op de hiervoor in r.o. 3.8 genoemde rechtspraak is deze periode (veel) te lang om deze op 18 oktober 2004 aangevangen gewone verblijfplaats van partijen aan te mogen merken als een eerste huwelijksdomicilie in de zin van artikel 4 lid 1 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978, in ieder geval omdat het de rechtbank niet in voldoende mate is gebleken dat partijen weliswaar veel eerder dan eerst op 18 oktober 2004 wilden gaan samenwonen in Nederland maar deze wens van hen beiden uitsluitend werd gedwarsboomd door omstandigheden die buiten hun wil waren gelegen.

3.13.

Partijen hebben derhalve geen eerste huwelijksdomicilie gehad in de zin van artikel 4 lid 1 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978, zodat nu de vraag moet worden beantwoord met welk land hun huwelijksgoederenregime het nauwste verbonden is geweest in de zin van artikel 4 lid 3 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag. In dit verband overweegt de rechtbank als volgt.

3.14.

Bij de beantwoording van de vraag met welk land het huwelijksgoederenregime van partijen het nauwste verbonden is geweest in de zin van artikel 4 lid 3 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 kan in ieder geval geen rol spelen de omstandigheid dat partijen zijn gehuwd in Duitsland, aangezien gesteld noch gebleken is dat partijen vanwege hun huwelijkssluiting in Duitsland hun huwelijksgoederenregime hebben geregeld naar Duits recht, althans rechtens gehouden waren hun huwelijksgoederenregime naar dat recht te regelen.

3.15.

Gedurende hun huwelijkse periode van 11,5 jaar bevond zich de gewone verblijfplaats van partijen vanaf 18 oktober 2004 meer dan 10 jaar lang in Nederland, nu gesteld noch gebleken is dat van deze periode van ruim 10 jaar een betrekkelijk lange periode deel uitmaakte gedurende welke partijen hun gewone verblijfplaats hebben gehad in een ander land dan Nederland. Zo is gesteld noch gebleken dat partijen langdurig tijdens deze ‘Nederlandse’ periode van ruim 10 jaar buiten Nederland hebben gewerkt. Hun huwelijksgoederenregime is dan ook het nauwste verbonden geweest met Nederland in de zin van artikel 4 lid 3 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978, zodat hierop Nederlands recht van toepassing is.

3.16.

De zaak zal naar de rol worden verwezen voor conclusie na tussenvonnis.

3.17.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 De beslissing

De rechtbank

verwijst de zaak naar de rol van 24 april 2019 voor het nemen van een conclusie na tussenvonnis door de vrouw waarna de man binnen vier weken dient te concluderen voor antwoord;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. van den Bergh en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2019.

901/2504