Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:1954

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-03-2019
Datum publicatie
21-03-2019
Zaaknummer
C/10/526581 / HA ZA 17-451
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Erkenning Russisch vonnis ex art. 431 lid 2 Rv, in welke vonnis deze rechter zich onbevoegd verklaart. Deze onbevoegdverklaring wordt gebaseerd op het ontbreken van een overeenkomst tussen partijen.(vgl. art. 7 sub 1 Brussel Ibis-Vo). Gezag van gewijsde?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2019/66
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/526581 / HA ZA 17-451

Vonnis van 13 maart 2019

in de zaak van

de vennootschap naar buitenlands recht

[eiseres] ,

gevestigd te Sint Petersburg, Russische Federatie,

eiseres,

advocaat mr. R. Sinke te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LODI TRADING COMPANY B.V.,

gevestigd te Vierpolders (gemeente Brielle),

gedaagde,

advocaat mr. K.A. van Voorst te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Lodi genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 14 maart 2017, met producties 1-9;

  • -

    het anticipatie-exploot van Lodi van 1 mei 2017;

  • -

    de beslagstukken van [eiseres] ;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties 1-3;

  • -

    de brief van de rechtbank van 9 augustus 2017 waarbij een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    de zittingsagenda van 22 november 2017;

  • -

    de brief van de advocaat van [eiseres] van 29 november 2017, met producties 10-20 van [eiseres] en pagina’s 3, 4 en 11 van de dagvaarding;

  • -

    de akte overlegging producties van Lodi, met producties 4-6;

  • -

    de brief van de advocaat van [eiseres] van 6 december 2017, met producties 21-24;

  • -

    de brief van de advocaat van [eiseres] van 12 december 2017, met producties 25-26;

  • -

    de comparitieaantekeningen van Lodi;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 14 december 2017;

  • -

    de brief van de advocaat van Lodi van 8 januari 2018 met opmerkingen over het proces-verbaal;

  • -

    de brief van de advocaat van [eiseres] van 23 januari 2018;

  • -

    de akte uitlating toepasselijk recht van Lodi;

  • -

    de namens de behandelend rechter door de roladministratie van de rechtbank verstuurde e-mail van 26 januari 2018 aan de advocaten van partijen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3.

De rechter die de comparitiezitting heeft geleid is buiten staat dit vonnis te wijzen, zodat dit vonnis door een andere rechter is gewezen.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Partijen handelen in voertuigen, [eiseres] vanuit Rusland en Lodi vanuit Nederland.

2.2.

In een door [eiseres] als productie 3 in het geding gebrachte kopie koopovereenkomst getiteld “Contract No. 11-01”, die is gedateerd 1 november 2016 te Sint Petersburg en ondertekend namens [eiseres] als “Supplier” (vertegenwoordigd door “its Director” [naam 1] ) en namens Lodi als “Buyer” (vertegenwoordigd door “its Director” [naam 2] ) is neergelegd dat [eiseres] aan Lodi in drie zendingen (zoals gespecificeerd in de bijlagen) in totaal 100 voertuigen zal leveren voor een totaalbedrag van € 900.000,--. Dit stuk voorziet erin dat volledige betaling dient plaats te vinden niet later dan de dag nadat de goederen scheep gaan nadat de koper een cognossement of een ander transportdocument per fax of e-mail heeft ontvangen. Dit stuk bevat adres- en bankgegevens van zowel [eiseres] als Lodi.

2.3.

In een door Lodi als productie 6 in het geding gebrachte koopovereenkomst getiteld “Contract No. 11-01”, gedateerd 1 november 2016 en ondertekend door [naam 3] namens Areontrade als “Supplier” (in de aanhef staat: vertegenwoordigd door “its Director [naam 1] .) en Lodi als “Buyer” (vertegenwoordigd door “its Director” [naam 4] ) is neergelegd dat Areontrade aan Lodi 30 voertuigen zal leveren. “in three batches according the Specifications”. Deze koopovereenkomst voorziet erin dat betaling van de prijs, die niet vermeld lijkt te zijn in deze koopovereenkomst, plaatsvindt “after placing the goods on the warehouse buyer”.

2.4.

[eiseres] heeft na daartoe op 15 februari 2017 verkregen verlof conservatoir verhaalsbeslag en beslag tot afgifte doen leggen op een aantal Iveco bedrijfswagens die zich bevonden op het bedrijfsterrein van Lodi. Het beslag is later opgeheven na het stellen van zekerheid door Lodi.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis Lodi veroordeelt:

primair

tot betaling aan [eiseres] van € 270.000,--, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf 1 december 2016, met de buitengerechtelijke kosten ad € 3.125,-- en met de kosten van beslaglegging,

subsidiair

tot betaling aan [eiseres] van de schade die laatstgenoemde lijdt als gevolg van de onrechtmatige daad of -daden van Lodi ten bedrage van € 270.000,--, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag (desnoods door middel van schattting), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf 1 december 2016, met de buitengerechtelijke kosten ad € 3.125,-- en met de kosten van beslaglegging,

en

voorwaardelijk

tot teruglevering en afgifte (feitelijke en juridische overdracht) aan [eiseres] , indien en voor zover Lodi niet binnen zeven dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis voldoet aan de veroordeling tot betaling van de koopprijs of de schadevergoeding inclusief de bijbehorende veroordelingen, van de voertuigen die door [eiseres] aan Lodi zijn geleverd en nog in bezit zijn van Lodi,

primair en subsidiair

tot betaling van de proceskosten.

3.2.

Aan haar vorderingen legt [eiseres] de volgende stellingen – samengevat – ten grondslag ten aanzien van de primaire grondslag, nakoming van de koopovereenkomst en betaling van de koopprijs:

  1. [eiseres] heeft op of omstreeks 1 november 2016 een koopovereenkomst met Lodi gesloten inzake de verkoop en levering door [eiseres] aan Lodi van 100 bedrijfsbusjes van het merk Iveco (prod. 3 [eiseres] ); de voertuigen zouden in drie tranches worden geleverd, namelijk 2 x 30 en 1 x 40, voor een totale koopprijs van € 900.000,--, oftewel € 9.000,-- per stuk;

  2. Er is geen rechtskeuze gemaakt; op de koopovereenkomst is dan ook het Weens Koopverdrag (hierna: de CISG) van toepassing;

  3. De eerste lading van 30 voertuigen is op of omstreeks 30 november 2016 geladen en was op 20 december 2016 in het bezit van Lodi, aangezien een vertegenwoordiger van [eiseres] deze 30 voertuigen toen heeft zien staan op het terrein van Lodi te Vierpolders;

  4. Ondanks dat [eiseres] deze 30 voertuigen conform de koopovereenkomst aan Lodi heeft verkocht en geleverd, heeft Lodi de voor deze 30 voertuigen op grond van de koopovereenkomst verschuldigde koopprijs van € 270.000,-- tot op heden niet betaald;

  5. De verplichting tot betaling van de koopprijs is neergelegd in art. 1.1 van de koopovereenkomst (“buyer is obliged to accept and pay for the Goods to the full extent under the conditions of the present Contract”) en het tijdstip van betaling van de koopprijs in art. 3.4 van deze koopovereenkomst ( “Payment under this Contract is made by the Buyer in the following order: - full payment of the Goods is carried out not later the day after the day of loading the Goods on the carrier ship after receiving by Buyer Bill of Lading or another transport document, transmitted by fax of e-mail.”).

Ten aanzien van de subsidiaire grondslag van haar vordering tot betaling van een bedrag van
€ 270.000,-- aan schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad en ongerechtvaardigde verrijking stelt [eiseres] dat zij deze vordering instelt voor het geval vast komt te staan dat Lodi geen koopovereenkomst heeft gesloten met [eiseres] ; in dat subsidiaire geval heeft Lodi namelijk inbreuk gemaakt op een recht, althans gehandeld in strijd met een wettelijke plicht dan wel met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt;

Om de volgende redenen heeft Lodi onrechtmatig gehandeld jegens [eiseres] :

 (A) Lodi heeft steeds geweigerd informatie te verstrekken die [eiseres] verder zou kunnen helpen, zoals onder meer is bedoeld in artikel 3:87 BW; uiteindelijk werden slechts de naam en het adres genoemd van de door Lodi genoemde verkoper, Areontrade LP te Edingburgh (Schotland), die aan Lodi zou hebben verkocht, alsmede de naam van de contactpersoon; ondanks de verzoeken van [eiseres] werd er geen kopie van het contract met Areontrade overgelegd; evenmin heeft Lodi openheid gegeven over de vraag of zij de koopprijs voor de voertuigen aan Areontrade of een derde heeft betaald, laat staan dat een kopie van de factuur en het betalingsbewijs zijn overgelegd; indien de stelling van Lodi juist is dat zij te goeder trouw heeft gehandeld, had zij in ieder geval behulpzaam moeten zijn ten opzichte van [eiseres] , opdat laatstgenoemde haar schade zo veel mogelijk had kunnen beperken;

 Door deze weigerachtigheid van Lodi om [eiseres] van deze informatie te voorzien beschikt [eiseres] niet over voldoende informatie om haar schade te kunnen verhalen op Areontrade en/of de heer [naam 5] , de vertegenwoordiger van Areontrade, en/of derden;

 (B) Daarnaast heeft Lodi onrechtmatig gehandeld door te profiteren en misbruik te maken van de onrechtmatige daad of het strafbaar handelen van Areontrade; van dat laatste is sprake, omdat (i) Areontrade strafbaar heeft gehandeld omdat zij in ieder geval valsheid in geschrifte heeft gepleegd, (ii) Areontrade nog geen jaar bestond toen de beweerdelijke transactie met Lodi plaatsvond, hetgeen blijkt uit - via internet - toegankelijke documenten, en (iii) uit diezelfde documenten niet blijkt dat de beweerdelijke vertegenwoordiger van Areontrade, [naam 5] , iets met Areontrade te maken heeft;

Tevens is Lodi ongerechtvaardigd verrijkt, omdat een contractuele of andere grondslag ontbreekt op grond waarvan Lodi het bezit heeft gekregen van de voertuigen waarvoor zij kennelijk niet heeft betaald, althans niet de volle prijs; [eiseres] is daardoor verarmd;

Hoewel [eiseres] primair nakoming in de vorm van de betaling van de koopprijs vordert en subsidiair vervangende schadevergoeding, behoudt zij zich het recht voor om afgifte van de voertuigen te eisen, bijvoorbeeld wanneer Lodi niet in staat is om aan haar financiële verplichtingen te voldoen; de voertuigen zijn namelijk geleverd onder eigendomsvoorbehoud (art. 3:92 BW en art. 491 Russisch Burgerlijk Wetboek (RBW)); zie ook art. 2.4 koopovereenkomst: “The ownerschip for the Goods is kept by the Supplier until the full payment performance.”; voor zover de overeenkomst tussen Aerontrade en Lodi, waarop Lodi zich beroept, vervalst is, heeft Lodi van een beschikkingsonbevoegde, namelijk Aerontrade, verkregen; Lodi geniet geen bescherming hiertegen omdat betwist wordt dat Lodi voor de auto’s heeft betaald dan wel wordt gesteld dat Lodi wist althans behoorde te weten dat Aerontrade niet beschikkingsbevoegd was.

3.3.

Lodi voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten en de nakosten bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis.

3.4.

Hiertoe voert Lodi de volgende argumenten – samengevat – aan:

primair:

  1. De voertuigen zijn nooit eigendom geweest van [eiseres] ;

  2. Lodi heeft geen koopovereenkomst met [eiseres] gesloten; het stuk dat door [eiseres] als productie 3 in het geding is gebracht is namens Lodi door [naam 2] ondertekend; Lodi kent geen [naam 2] ; [naam 2] is niet bevoegd om Lodi te vertegenwoordigen, zo blijkt uit de KvK-uittreksels van Lodi en haar (in)directe bestuurders/vertegenwoordigers (prod. 2 Lodi); [eiseres] stelt ook niet dat of hoe Lodi het vertrouwen heeft gewekt dat [naam 2] bevoegd was haar te vertegenwoordigen;

  3. Lodi heeft geen betaling aan [eiseres] gedaan of een afschrift van betaling aan [eiseres] gezonden; het gaat hier – kort gezegd – om een vervalsing;

  4. De aanwezigheid van Iveco-busjes op het terrein van Lodi geeft geen blijk van uitvoering door Lodi van een overeenkomst met [eiseres] ; Lodi heeft deze busjes namelijk gekocht van een derde via haar vaste tussenpersoon voor transacties in Rusland, [naam 5] ;

subsidiair:

Voor het geval [eiseres] bewijst dat Lodi de busjes geleverd heeft gekregen van een daartoe onbevoegde partij, doet zich de situatie voor dat Lodi de busjes, die nieuw waren, anders dan om niet te goeder trouw heeft gekocht en geleverd heeft gekregen van Aerontrade (art. 3:86 BW), zodat zij daarvan eigenaar is en de onbevoegdheid van de vertegenwoordiger haar niet regardeert;

primair en subsidiair:

Omdat het door [eiseres] overgelegde stuk niet een geldige koopovereenkomst tussen partijen inhoudt, volgt de daarin vervatte rechts- en forumkeuzebepaling hetzelfde lot (art. 10:10 BW); omdat Lodi is gevestigd in het rechtsgebied van deze rechtbank en [eiseres] in dit rechtsgebied beslag onder Lodi heeft gelegd, is deze rechtbank bevoegd om over de vorderingen van Lodi te oordelen.

4 De beoordeling

4.1.

Nu [eiseres] in Rusland en Lodi in Nederland is gevestigd, gaat het om een internationale zaak. Tussen partijen is niet in geschil dat aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt op grond van artikel 7 van de Brussel Ibis-Verordening (Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken van 12 december 2012) en dat deze rechtbank relatief bevoegd is op grond van artikel 99 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

4.2.

De vraag rijst naar welk recht de vorderingen op de onderscheiden grondslagen dienen te worden beoordeeld. In dat verband oordeelt de rechtbank als volgt.

4.2.1.

De primaire grondslag van de vorderingen van [eiseres] betreft een koopovereenkomst inzake roerende zaken tussen zakelijk opererende partijen in de zin van het Weens Koopverdrag van 11 april 1980 (hierna: CISG). Wat betreft het op deze koopovereenkomst toepasselijke recht, is in deze zaak geen beroep gedaan op een door partijen uitgebrachte rechtskeuze, nog daargelaten of van deze koopovereenkomst een (rechtsgeldige) rechtskeuze deel uitmaakt. Van een rechtskeuze is derhalve geen sprake. Rusland en Nederland, waar de verkoper respectievelijk de koper gevestigd is, zijn beide partij bij dit verdrag, zodat dit verdrag op grond van artikel 1 lid 1, aanhef en onder a, CISG van toepassing is. Voor onderwerpen die niet door de CISG worden geregeld volgt het toepasselijk recht uit de Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (hierna: Rome I-Vo). Op grond van artikel 4 lid 1 sub a Rome I-Vo wordt de koopovereenkomst beheerst door het recht van het land waar de verkoper zijn gewone verblijfplaats heeft. Dit is slechts anders, indien sprake is van een andersluidende rechtskeuze dan wel de koopovereenkomst nauwer is verbonden met het recht van een ander land (art. 4 lid 3 Rome I-Vo). Deze uitzonderingssituaties doen zich in de onderhavige zaak niet voor. Contractuele onderwerpen die niet zijn geregeld in de CISG worden derhalve op grond van artikel 4 lid 1 sub a Rome I-Vo beheerst door Russisch recht.

4.2.2.

De subsidiaire grondslagen van de vorderingen van [eiseres] , onrechtmatige daad en ongerechtvaardigde verrijking, zijn buitencontractueel van aard. In zoverre volgt het toepasselijk recht op de vorderingen van [eiseres] uit Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (hierna: Rome II-Vo). Gesteld noch gebleken is dat partijen een rechtskeuze hebben uitgebracht voor het recht aan de hand waarvan de vorderingen van [eiseres] moeten worden beoordeeld, nog daargelaten of zo’n rechtskeuze wordt toegelaten door Rome II-Vo. Van een rechtskeuze is derhalve geen sprake. Het toepasselijk recht op vorderingen uit onrechtmatige daad is geregeld in artikel 4 Rome II-Vo en het toepasselijk recht op vorderingen uit ongerechtvaardigde verrijking in artikel 10 Rome II-Vo. In het gegeven dat [eiseres] deze buitencontractuele vorderingen instelt voor het geval komt vast te staan dat zij geen koopovereenkomst heeft gesloten met Lodi ziet de rechtbank voldoende aanleiding om voor het toepasselijk recht op deze vorderingen niet accessoir aan te knopen bij een overeenkomst in de zin van lid 3 van artikel 4 Rome II-Vo respectievelijk 10 lid 1 Rome II-Vo. Voor zover de vorderingen zijn gebaseerd op een onrechtmatige daad, worden zij op grond van artikel 4 lid 1 Rome II-Vo beheerst door Nederlands recht, aangezien [eiseres] haar directe schade als gevolg van de hiervoor in 3.2 onder genoemde onrechtmatige gedragingen van [eiseres] heeft geleden in Nederland. Immers, als gevolg van deze gedragingen was [eiseres] naar haar zeggen niet in staat om te achterhalen hoe Lodi de 30 vrachtwagens heeft verworven die zijn aangetroffen in Nederland op het bedrijfsterrein van Lodi. Ook voor zover de vorderingen zijn gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking, worden zij op grond van artikel 10 lid 3 Rome II-Vo beheerst door Nederlands recht, aangezien de feiten die volgens [eiseres] ongerechtvaardigde verrijking opleveren zich hebben voorgedaan in Nederland. Lodi heeft immers in Nederland in feitelijke zin de beschikking gekregen over de hier aan de orde zijnde 30 voertuigen.

4.2.3.

Tijdens de comparitiezitting zijn partijen in de gelegenheid gesteld om bij akte ter rolle een rechtskeuze voor Nederlands recht uit te brengen ten aanzien van de vertegenwoordigingsvraagstukken die in deze zaak (mogelijk) spelen. Dat hebben partijen vervolgens gedaan. Deze vertegenwoordigingsvraagstukken worden derhalve beheerst door Nederlands recht.

4.3.

Voor zover de vorderingen van [eiseres] zijn gebaseerd op bovengenoemde primaire grondslag, worden zij verder als volgt beoordeeld.

4.4.

De kern van het in dit verband gevoerde primaire verweer van Lodi is dat [eiseres] nooit eigenaar is geweest van de 30 vrachtwagens en dat Lodi ter zake van deze vrachtwagens nooit een koopovereenkomst heeft gesloten met [eiseres] . De hiervoor in 2.2 en 3.2 onder a aangeduide stukken van 1 november 2016, waarop, als gezegd, [eiseres] haar contractuele vorderingen baseert, worden betwist, omdat er geen dienovereenkomstige koopovereenkomst tussen partijen is gesloten.

4.5.

Kennelijk bij wijze van verweer tegen de vorderingen van [eiseres] heeft Lodi tijdens de comparitiezitting (aan de hand van haar zittingsaantekeningen) een beroep gedaan op de beslissing en overwegingen van het door haar als productie 4 in het gebrachte vonnis van 25 augustus 2017 van de Russische “Arbitrazh” rechtbank, inclusief een Nederlandse vertaling daarvan. Dit is een Russische ‘staatsrechtbank’ die commerciële geschillen beoordeelt. Naar niet in geschil is in de onderhavige zaak, is dit Russische vonnis gewezen in een zaak die [eiseres] had aangespannen tegen Lodi. Terecht merkt Lodi op dat tussen Nederland en Rusland geen verdragen van kracht zijn op grond waarvan dit vonnis in Nederland ten uitvoer gelegd kan worden. Primair verzoekt Lodi deze rechtbank om dit vonnis te erkennen, subsidiair om te oordelen dat een behandeling ten gronde achterwege kan blijven van het volgens Lodi in het Russische vonnis beoordeelde/besliste punt of er sprake is geweest van een contractuele relatie tussen partijen op basis van een overeenkomst, van correspondentie dan wel van vervoersdocumenten. Lodi stelt verder dat dit Russische vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Volgens haar voldoet dit vonnis aan alle thans geldende vereisten om het op grond van artikel 431 lid 2 Rv in Nederland te kunnen erkennen.

4.6.

De vraag is nu of en, zo ja, in hoeverre aanleiding bestaat voor erkenning van dit Russische vonnis in Nederland op de voet van artikel 431 lid 2 Rv. Die vraag beantwoordt de rechtbank als volgt.

4.7.

In een geding op de voet van artikel 431 lid 2 Rv dient bij de beantwoording van de vraag of een buitenlandse beslissing voor erkenning vatbaar is tot uitgangspunt dat een buitenlandse beslissing in Nederland in beginsel wordt erkend indien (i) de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is, (ii) de buitenlandse beslissing is tot stand gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging, (iii) de erkenning van de buitenlandse beslissing niet in strijd is met de Nederlandse openbare orde, en (iv) de buitenlandse beslissing niet onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning in Nederland vatbaar is. Zie Hoge Raad 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838 (Gazprombank).

4.8.

In de tekst van de Nederlandse vertaling van het Russische vonnis en in de op dit punt eensluidende standpunten van eerst Lodi en vervolgens [eiseres] ziet de rechtbank voldoende aanleiding om aan te nemen dat de rechter in het Russische vonnis zich inderdaad onbevoegd heeft verklaard om van de door [eiseres] tegen Lodi ingestelde vorderingen kennis te nemen. Zo maakt volgens genoemde Nederlandse vertaling van dit vonnis daarvan de volgende overweging deel uit:

“Zodoende zijn de in artikel 247 Wetboek van Arbitrage Rechtsvordering van de Russische Federatie genoemde gronden om de Arbitrage Rechtbank van Sint-Petersburg en de Leningradskaya regio voor dit verschil bevoegd te verklaren, afwezig hetgeen tot de beëindiging van de procedure in deze zaak leidt in overeenstemming met artikel 150 lid 1 sub 1 van Wetboek van Arbitrage Rechtsvordering van de Russische Federatie.”

en is aan het eind van dit vonnis beslist “om de procedure in de zaak te beëindigen” en om – zakelijk weergegeven – [eiseres] in de proceskosten te veroordelen.

Dat de Russische rechter zich onbevoegd heeft verklaard neemt niet weg dat zijn ‘bevoegdheid’ tot het nemen van die beslissing vaststaat. Dat in een buitenlands vonnis de rechter zich onbevoegd heeft verklaard, staat op zichzelf genomen niet in de weg aan de erkenning van de overwegingen en beslissingen in dit vonnis. Vergelijk HvJ EU 15 november 2012, C-456/11, ECLI:EU:C:2012:719 (Gothaer-ERGO/Samskip).

4.9.

Ook de overige drie (ii-iv) van de hiervoor in r.o. 4.7 genoemde erkenningsvereisten staan niet in de weg aan de erkenning in Nederland van (hetgeen is geoordeeld in de overwegingen van) het Russische vonnis. Gesteld noch gebleken is dat dit vonnis niet tot stand is gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van een behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging en evenmin dat de erkenning van dit vonnis strijdigheid oplevert met de Nederlands openbare orde. Evenmin gesteld dan wel gebleken is dat dit vonnis onverenigbaar is met een tussen [eiseres] en Lodi gegeven beslissing van de Nederlandse rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen deze partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust als het Russische vonnis. Als onbetwist staat ten slotte vast dat het hier een in kracht van gewijsde gegaan vonnis betreft.

4.10.

Het Russische vonnis is derhalve voor erkenning in Nederland vatbaar op de voet van artikel 431 lid 2 Rv.

4.11.

De beslissing is gebaseerd op het oordeel van de Russische rechter over de contractuele relatie tussen partijen. Uit het vonnis blijkt dat de Russische rechter zijn bevoegdheid heeft beoordeeld aan de hand van de geldende Russische regels, waarbij hij zich heeft geconcentreerd op één daarvan, het bestaan van een overeenkomst, nu die regel kennelijk als enige relevant geacht werd. Hetgeen in het Russische vonnis is overwogen over (het bestaan van) een overeenkomst is dus dragend voor de beslissing van de Russische rechter om zich onbevoegd te verklaren. Vervolgens rijst de vraag – zie r.o. 4.5 hiervoor – of en, zo ja, in hoeverre de Nederlandse rechter, in casu deze rechtbank, gebonden is aan hetgeen de rechter in het Russische vonnis heeft overwogen over de vraag of er sprake is geweest van een contractuele relatie tussen [eiseres] en Lodi op basis van een overeenkomst, van correspondentie dan wel van vervoersdocumenten.

4.12.

In het derde lid van artikel 236 Rv, welk artikel in een internationale zaak van toepassing is op grond van artikel 10:3 BW, is bepaald dat het gezag van gewijsde niet ambtshalve wordt toegepast; een partij moet hier dus een beroep op doen. Nu er geen beroep is gedaan op het gezag van gewijsde, slaat de rechtbank daarop geen acht. Daarbij komt dat de feiten die in de Russische procedure voorlagen niet gelijk zijn aan de feiten in de onderhavige procedure. Dat betekent dat over het al dan niet bestaan (en de inhoud) van de gestelde overeenkomst in de onderhavige procedure moet worden beslist. Gelet op de onderbouwde stellingen van [eiseres] en de gemotiveerde betwisting van Lodi zal daartoe bewijslevering noodzakelijk zijn.

4.13.

Ten behoeve van de beoordeling van de vordering van [eiseres] voor zover deze is gebaseerd op de primaire grondslag, zal de rechtbank [eiseres] het bewijs opdragen dat:

  1. dat zij eigenaar was van de busjes, én

  2. dat zij de koopovereenkomst met (iemand die zij mocht houden voor een bevoegde vertegenwoordiger van) Lodi heeft gesloten.

Indien [eiseres] in dit bewijs slaagt, dient Lodi in beginsel te betalen. Met het oog op dat geval zal Lodi om proceseconomische redenen reeds thans tot het bewijs worden toegelaten dat zij heeft betaald (zie art. 3:86 en 3:87 BW). Indien [eiseres] alleen slaagt in bewijsopdracht 1) en niet in bewijsopdracht 2), faalt haar vordering voor zover deze is gebaseerd op de primaire grondslag en is voor de beoordeling van de vordering van [eiseres] voor zover deze is gebaseerd op de subsidiaire grondslag ongerechtvaardigde verrijking het door Lodi te leveren bewijs eveneens relevant. Voor haar subsidiaire grondslag onrechtmatige daad heeft [eiseres] te weinig gesteld, zodat haar op deze grondslag gebaseerde vordering om die reden reeds faalt.

4.14.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

draagt [eiseres] op te bewijzen:

  1. dat zij eigenaar was van de busjes, én

  2. dat zij de koopovereenkomst met (iemand die zij mocht houden voor een bevoegde vertegenwoordiger van) Lodi heeft gesloten.

5.2.

draagt Lodi op te bewijzen dat zij heeft betaald;

5.3.

bepaalt dat [eiseres] respectievelijk Lodi, indien zij getuigen wil laten horen ter uitvoering van het aan haar opgedragen bewijs, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank - Administratie handel en haven, afdeling planningsadministratie, kamer E13.31, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam, faxnummer 088-3610555 - de te horen getuigen en de verhinderdagen van de getuigen, alle partijen en hun advocaten in de maanden april tot en met juni 2019 moet opgeven, waarna dag/dagen en uur van het getuigenverhoor zal worden bepaald;

5.4.

bepaalt dat Lodi respectievelijk [eiseres] , indien zij getuigen in contra-enquête wil voorbrengen, bij de opgave van verhinderdata rekening moet houden met de in dat kader (vermoedelijk) te horen getuigen; voor contra-enquête zal een dag/dagen en uur worden gereserveerd na de voor het getuigenverhoor bepaalde dag/dagen;

5.5.

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten in het gebouw van de rechtbank Rotterdam in Rotterdam aan het Wilhelminaplein 100-125;

5.6.

bepaalt dat [eiseres] respectievelijk Lodi, indien zij het aan haar opgedragen (tegen)bewijs niet door getuigen wil leveren maar door overlegging van bewijsstukken en/of door een ander bewijsmiddel, het voornemen hiertoe binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank - Administratie handel en haven, afdeling roladministratie, kamer E13.31, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam, faxnummer 088-3610554 - en aan Lodi respectievelijk [eiseres] moet opgeven, waarna de verdere procesvoering zal worden bepaald;

5.7.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken, voor zover nog niet in het geding gebracht, aan de rechtbank

- Administratie handel en haven, afdeling planningsadministratie, kamer E13.31, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam, faxnummer 088-3610555 - en de wederpartij moeten toesturen;

5.8.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2019.

901/106