Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:1945

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-03-2019
Datum publicatie
26-03-2019
Zaaknummer
C/10/532451 / HA ZA 17-757
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2020:1575, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Samenwerking tussen logistieke ondrnemingen. Exclusiviteits-overeenkomst. Uitleg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/532451 / HA ZA 17-757

Vonnis van 13 maart 2019

in de zaak van

de vennootschap naar buitenlands recht

TALE LUXEMBOURG S.A.R.L.,

gevestigd te Luxemburg, Luxemburg,

eiseres,

advocaat mr. M.W.J. Jongmans te ’s-Hertogenbosch,

tegen

de vennootschap naar buitenlands recht

BUBBLE N.V.,

gevestigd te Gent, België,

gedaagde,

advocaat mr. V. van Druenen te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Tale en Bubble genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Tale heeft Bubble bij exploot van 5 juli 2017 gedagvaard voor deze rechtbank en gevorderde zoals in dat exploot beschreven onder overlegging van zeven producties.

1.2.

Bubble heeft een conclusie van antwoord genomen en daarbij veertien producties overgelegd.

1.3.

De rechtbank heeft een comparitie van partijen bepaald en aan partijen een agenda voor die comparitie toegezonden.

1.4.

Op de comparitie heeft Tale tevoren toegezonden aktes houdende vermindering van eis en houdende samenvatting standpunten genomen en daarbij haar producties 8 tot en met 12 overgelegd.

Partijen hebben ter comparitie hun standpunten toegelicht aan de hand van pleitnotities die zij hebben overgelegd.

Van de comparitie is proces-verbaal opgemaakt.

1.5.

Ter comparitie hebben partijen vonnis gevraagd.

2 De vorderingen en het verweer

2.1.

Na eisvermindering en eiswijziging bij akte, vordert Tale dat de rechtbank Bubble bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis zal veroordelen:

  1. tot betaling van € 1.504.802 als contractuele schade, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente daarover als bedoeld in artikel 6:119a BW, subsidiair die bedoeld in artikel 6:119 BW, te berekenen vanaf 1 juni 2016, subsidiair een door de rechtbank te bepalen datum, althans vanaf de datum, van dagvaarding, tot aan de dag der algehele betaling;

  2. tot betaling van € 3.600 ter zake van buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover als bedoeld in artikel 6:119 BW te berekenen vanaf de dag van dagvaarding, tot aan de dag der algehele betaling;

  3. tot vergoeding van de proceskosten met inbegrip van de nakosten, te voldoen binnen veertien dagen na het te wijzen vonnis en - voor het geval deze niet binnen de gestelde termijn zijn voldaan - te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:199 BW over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

2.2.

Daartoe stelt Tale – samengevat weergegeven – het volgende.

2.2.1.

Tale grondt haar vorderingen (uitsluitend) op toerekenbare tekortkomingen door Bubble van haar verbintenissen onder de op 1/18 maart 2016 gedateerde Exclusivity Agreement tussen partijen (hierna: Exclusivity Agreement).

2.2.2.

In artikel 1 van de Exclusivity Agreement is Bubble de onmiddellijk opeisbare verbintenis aangegaan om op haar vervoermiddelen en de bedrijfskleding van haar koeriers de afgesproken reclame-uitingen ten behoeve van Tale te maken. Die verbintenis had Bubble in ieder geval vanaf 1 juni 2016 moeten nakomen. Bubble is die verbintenis niet nagekomen en heeft medegedeeld dat ook niet te zullen doen. Uitgaande van beëindiging van de Exclusivity Agreement per 28 juni 2017, heeft Tale daardoor gedurende twaalf maanden (extra) merkwaarde en naamsbekendheid misgelopen. Gelet op de ten minste 150 vervoermiddelen van Bubble en de prijs van € 675 per maand die Bubble aan derden rekent om op haar vervoermiddelen (bakfiets of stint) reclame te maken, beloopt de schade van Tale (150 maal 12 maal € 675, derhalve) € 1.215.000. Bubble is aansprakelijk voor die schade en verplicht die schade te vergoeden.

2.2.3.

In artikel 2 van de Exclusivity Agreement is Bubble de onmiddellijk opeisbare verbintenis aangegaan om exclusief aan Tale opdracht te verstrekken voor de uitvoering van alle bezorgopdrachten op de plaatsen waar Bubble zelf niet actief is.

Die verbintenis had Bubble vanaf 18 maart 2016 moeten nakomen. Bubble is die verbintenis niet nagekomen en heeft medegedeeld dat ook niet te zullen doen. Daardoor is Tale € 619 per dag aan winst misgelopen die zij met de uitvoering van die opdrachten zou maken. Uitgaande van beëindiging van de Exclusivity Agreement per 28 juni 2017, heeft Tale (€ 619 maal 469 dagen, derhalve) € 289.842 aan winst misgelopen.

2.2.4.

Daarom dient Bubble € 1.504.842 aan schadevergoeding aan Tale te betalen, te vermeerderen met rente.

2.2.5.

Tale vordert vergoeding van buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 3.600 wegens de tijd die haar medewerkers hebben moeten besteden aan de vaststelling van aansprakelijkheid van Bubble en van de ten gevolge daarvan door Tale geleden schade.

2.3.

De conclusie van Bubble strekt tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van Tale in “de volledige kosten van het geding aan de zijde van” Bubble.

2.3.1.

Bubble betwist dat zij is tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenissen onder de Exclusivity Agreement.

Partijen hadden de bedoeling om een strategische samenwerking aan te gaan. De Exclusivity Agreement is in het kader van overleg over zodanige samenwerking tot stand gekomen. De Exclusivity Agreement regelt maar een klein gedeelte van de beoogde samenwerking. Daarbij zouden partijen elkaar inschakelen, zou Tale het interlokale en internationale vervoer verrichten en Bubble de lokale ophaal- en distributiediensten (“first-and-last-mile”). Verder zou Tale investeren in Bubble. Echter, zodanige samenwerking is er niet van gekomen. Tale heeft niet de beoogde opdrachten aan Bubble gegeven en evenmin haar tarieven ten opzichte van Bubble aangepast, zoals in het kader van de samenwerking was voorzien. Zodoende kon Tale evenmin van Bubble onvoorwaardelijke nakoming van de Exclusivity Agreement verwachten. In dat licht dienen de afspraken en toezeggingen in de Exclusivity Agreement te worden gezien en uitgelegd.

2.3.2.

Bubble betwist dat zij in verzuim is komen te verkeren ten aanzien van haar verbintenissen onder de Exclusivity Agreement. Voorts voert Bubble aan dat zij gerechtvaardigd de nakoming van haar verbintenissen heeft opgeschort, omdat Tale haar verbintenissen niet nakwam.

2.3.3.

Omdat Tale niet heeft voldaan aan haar stelplicht en haar substantiëringsplicht, heeft Bubble bij het opstellen van haar verweer in veel gevallen moeten gissen wat Tale bedoelde, hetgeen voor Bubble hogere kosten van verweer heeft meegebracht. Daarom dient Tale de volledige kosten van het voeren van verweer aan Bubble te vergoeden, in ieder geval dient de rechtbank bij de kostenveroordeling met deze omstandigheid rekening te houden.

3 De beoordeling

internationaal geval; bevoegdheid; toepasselijk recht

3.1.

Deze zaak betreft een internationaal geval, aangezien Tale in Luxemburg en Bubble in België is gevestigd en partijen voor de rechter in Nederland procederen. Daarom dient de rechtbank eerst haar (internationale) bevoegdheid en het toepasselijk recht te bepalen.

3.2.

Ter comparitie hebben partijen eenstemmig het volgende verklaard:

  • -

    i) rechtsmacht en bevoegdheid van deze rechtbank zijn gegrond op het forumkeuzebeding in artikel 5.2 van de Exclusivity Agreement;

  • -

    ii) de rechtsverhouding tussen partijen wordt beheerst door Nederlands recht.

Ten gronde

3.3.

De hoofdvordering van Tale vormt een vordering tot schadevergoeding wegens gestelde toerekenbare tekortkoming in de nakoming onder de Exclusivity Agreement. De bij dagvaarding ingestelde vorderingen tot nakoming en de andere gronden voor aansprakelijkheid heeft Tale later teruggenomen.

Tale baseert haar vorderingen (uitsluitend) op gestelde tekortkomingen in de contractuele verbintenissen van Bubble onder artikel 1 en 2 van de Exclusivity Agreement.

3.4.

Bubble betwist zodanige verbintenissen te hebben en in verzuim te verkeren ten aanzien van de nakoming van die verbintenissen. Verder voert Bubble aan gerechtvaardigd de nakoming van haar verbintenissen te hebben opgeschort.

3.5.

Omdat Tale stelt dat Bubble in artikel 1 en 2 van de Exclusivity Agreement zelfstandige verbintenissen op zich heeft genomen tot het maken van (een nader overeengekomen vorm van) reclame voor Tale op alle vervoermiddelen en op de bedrijfskleding van de medewerkers van Bubble, respectievelijk tot het geven van opdrachten voor het ophalen en bezorgen van zaken, en omdat Bubble betwist zodanige zelfstandige verbintenissen te hebben c.q. dat zij die niet behoorlijk is nagekomen, dient de rechtbank de (betreffende bepalingen van de) Exclusivity Agreement uit te leggen.

Komen zodanige verbintenissen van Bubble vast te staan, dan dient de rechtbank vervolgens te onderzoeken of Bubble in verzuim is geraakt in de nakoming van die verbintenissen. Voor aansprakelijkheid tot schadevergoeding wegens niet-nakoming van verbintenissen, zoals door Tale gevorderd, is immers vereist dat de schuldenaar (hier: Bubble) in verzuim verkeert (artikel 6:74 BW). In bevestigend geval dient de rechtbank vast te stellen welke schade aan zodanige wanprestatie van Bubble valt toe te rekenen.

3.6.

De Exclusivity Agreement luidt als volgt – voor zover voor de verdere beoordeling van belang :

“AGREED TERMS

1. Advertisement

1.1

Bubble hereby grants exclusivity to Tale of advertising with regard to or related to logistic (services) on all means of transport, all in the broadest sense, besides advertisement for Bubble Post.

1.2

The exclusivity to advertise entails the use and expression of the brand 'Parcel International’ in such form and with such content as provided by Tale and in accordance with the drawings attached as Appendix 1.

1.3

The exclusivity is granted for an indefinite period of time as from the date of its signing.

1.4

Bubble shall charge Tale EUR 1,- (including VAT) per annum for each means of transport deployed that bears the brand name "Parcel International”, in accordance with the instructions of Tale.

2. Engagement

2.1

Bubble shall – with the exclusion of other parties – engage Tale when providing its services if either the pick-up or the delivery must be carried out in the cities (which includes towns and villages) in which Bubble does not have a registered office.

2.2

For the benefit of customers of Tale and on market terms, Bubble is obliged to pick-up and deliver parcels, documents, pallets or otherwise in the cities (which includes towns and villages) in which Bubble does have a registered office, if requested by Tale to do so.

3. Change of Control

3.1

In the event of a change of control at the side of Tale, Tale has the right to either:

3.1.1

assign this agreement and any of its rights and obligations thereunder without the prior written consent of Bubble. In such an event, Bubble undertakes to cooperate to the extent necessary to effect such assignment expeditiously; or

3.1.2

terminate this agreement with immediate effect by given written notice.

3.2

For the purpose of Article 3.1 of this agreement, change of control means the sale of all or substantially all the assets of Tale; any merger, consolidation or acquisition of Tale with, by or into another corporation, entity or person; or any change in ownership of more than fifty percent (50%) of the voting capital stock of Tale in one or more related transactions.

3.3

Tale has the right to terminate this agreement with immediate effect by given written notice in the event of a change in control within Bubble NV of more than 75% of the shares. In such an event, Bubble will incur a lump-sum payment of 10 times the turnover of Tale with Bubble Post or one of its subsidiaries in the last three months, which lump sum payment will be due and payable immediately.

3.4

Bubble Post NV has the right to terminate this agreement with a 3 months period notice effect by given written notice in the event of a change in control within Bubble NV of more than 75% of the shares. This termination should be done within 3 months time of such an event taking place. In such an event, Bubble will incur a lump-sum payment of 10 times the turnover of Tale with Bubble Post or one of its subsidiaries in the last three months, which lump sum payment will be due and payable immediately.

4. Cooperation agreement

4.1

This agreement does not sets forth the entire agreement and understanding between Parties. Parties reserve the right to work out in further detail their (future) cooperation by entering into a cooperation agreement.

[..]”.

Bij de Exclusivity Agreement behoort een door partijen geparafeerde bijlage (“Appendix 1”). In Appendix 1 staan de volgende teksten, boven en naast drie foto’s waarop een bakfiets van Bubble en personen in bedrijfskleding van Bubble staan afgebeeld:

“Drawings with regard to the positioning of the advertisement/logo of the brand Parcel International on the means of transport of Bubble.”

en

“Reclame parcel international op kleding borst bezorgers zelfde format als Bubble post aan andere kant.”.

Op die foto’s staat een bakfiets van Bubble met onder meer de tekst “Co-delivering the world with” gevolgd door het logo en de naam “Parcel International”, de merk- of handelsnaam van Tale. Op die foto’s staan ook personen in bedrijfskleding van Bubble met daarop reclame-uitingen waarbij “Parcel International” wordt vermeld.

3.7.

Het gaat hier om uitleg van een geschrift waarin de verhouding tussen partijen is geregeld. Die uitleg kan niet worden gegeven op grond van alleen een taalkundige uitleg van de bepalingen ervan, maar daarbij is beslissend de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkanders verklaringen en gedragingen en aan de bepalingen van dat geschrift mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (vgl. HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 – Haviltex; HR 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8101 – Lundiform / Mexx).

3.8.

Ten behoeve van die uitleg en de verdere beoordeling stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast, als enerzijds gesteld en anderzijds niet voldoende betwist, respectievelijk als blijkende uit niet voldoende betwiste producties waarop beroep is gedaan.

3.8.1.

Partijen hebben vanaf december 2015 met elkaar overlegd over (vormen van) samenwerking. In maart 2016 hebben partijen een overeenkomst gesloten en die vastgelegd in de genoemde Exclusivity Agreement. Andere in die periode tussen partijen besproken vormen van samenwerking, zoals financiering door Tale ten behoeve van Bubble of deelname door Tale in het aandelenkapitaal van Bubble en verdere vormen van opdrachten over en weer, hebben niet tot afspraken geleid.

3.8.2.

Een advocaat van het kantoor [naam 2] , dat voor Tale optreedt, heeft het concept voor de Exclusivity Agreement opgesteld. Voor zover van belang voor deze beoordeling, had dat concept dezelfde tekst als de door partijen later ondertekende versie, met dien verstande:

- dat artikel 1.1 luidde: Bubble hereby grants exclusivity to Tale of advertising on all (motor/electric) bicycles, in the broadest sense, used by Bubble in the course of its business;

  • -

    dat artikel 1.2 luidde: The exclusivity to advertise entails the use and expression of the brand 'Parcel International’, in such form and with such content as provided by Tale;

  • -

    dat artikel 1.4 nog niet was opgenomen;

  • -

    dat in artikel 2.1 na “cities” nog niet stond: (which includes towns and villages);

  • -

    dat artikel 2.2 luidde: On market terms, Bubble is obliged to pick-up and deliver parcels, documents, pallets or otherwise for the benefit of customers of Tale if requested by Tale to do so.

Die advocaat heeft dat concept bij e-mail van 22 januari 2016 aan Tale toegezonden en schreef daarbij onder meer:

“Bijgaand tref je aan een eerste ruwe versie van de exclusiviteitsovereenkomst. Op jouw verzoek heb ik deze overeenkomst zeer eenvoudig gelaten en slechts beperkt tot de afspraken omtrent (i) reclame en (ii) de levering van diensten door Tale indien Bubble niet is gevestigd in de betreffende stad van pick-up of afgifte. Afspraken omtrent bijvoorbeeld aansprakelijkheid, geheimhouding, de beëindiging van de overeenkomst en/of een schending van de verplichtingen heb ik buiten beschouwing gelaten. Ik heb er echter wel aan toegevoegd dat partijen zich de mogelijk[heid; rechtbank] voorbehouden om de samenwerking nader uit te werken in een nog op te stellen samenwerkingsovereenkomst”.

Tale heeft die mededelingen doorgestuurd aan Bubble.

Later die dag schreef Tale aan Bubble bij e-mail van 22 januari 2016:

“[..] Heb net gesproken met onze advocaat, zij gaat de aanpassing maken. Advies vanuit haar was om een bijlage toe te voegen met de setup van een lay-out zodat er geen misverstand gaat ontstaan.

Heb even wat geknipt en geplakt op basis vd nieuwe fiets zoals wij er tegen aan kijken. Denk voor de electrische auto’s en de drone’s in de toekomst aan net zoiets.

Mee eens, dan laat ik deze ook toevoegen?”.

Bij e-mail van 22 januari 2016 reageerde Bubble daarop met onder meer:

“Bijlage toevoegen is perfect!

Ik vraag even aan iemand bij ons om iets duidelijkere tekening te maken [..]”.

Bij e-mail van 9 februari 2016 schreef Bubble onder meer het volgende aan Tale:

“In bijlage de aanpassingen op jullie voorstel voor exclusiviteitscontract…

Voor ons is belangrijk om dit te beperken in de tijd, omdat we toch ook willen afwachten wat dit alles gaat meebrengen. Een tweede opmerking was dat de blanco cheque die we tekenen bij eventuele change of control toch te overzien is en dus hebben we die beperkt per voertuig per jaar dat contract nog bezig is...”.

Na enige verdere e-mailwisseling en gesprekken, was op 29 februari 2016 min of meer de versie bereikt zoals die door partijen is ondertekend en gedateerd op 18 maart 2016.

Bij e-mail van 7 maart 2016 schreef Bubble aan Tale onder meer:

“Ik nemen even contact met jou op ivm de stickers van Parcel International op onze fietsen. Kan jij ons een vectoriel bestand van jouw logo bezorgen? Dan kunnen wij de rest doen.

Nadien vragen wij een offerte aan bij onze partner en stuur ik deze door naar jou, indien je liever met een eigen partner print dan sturen we de drukklare bestanden door met de juiste afmetingen.”

Bij e-mail van 8 maart 2016 reageerde Tale met:

“Kun je hier iets mee?

Ben benieuwd naar de lay-out”.

Bij e-mail van 10 maart 2016 reageerde Bubble met:

“Thanks! Heb je ook een langwerpig logo (horizontaal)”.

Daarna werd de Exclusivity Agreement met Appendix 1 (op 18 maart 2016) door partijen ondertekend.

De bewoordingen van de artikelen 1 en 2 Exclusivity Agreement zijn derhalve niet wezenlijk gewijzigd in de loop van de onderhandelingen.

3.8.3.

In de periode april tot en met september 2016 is tussen partijen gecommuniceerd over de reclame-uitingen bedoeld in artikel 1 van de Exclusivity Agreement, waarbij Tale informeerde naar de stand van zaken en Bubble aangaf dat zij ermee doende was.

Vanaf de zomer van 2016 heeft Bubble aan Tale opdrachten gegeven voor het uitvoeren van ophaal- of besteldiensten van pakketten in steden waar Bubble zelf niet actief was, vooral in Nederland, zoals bedoeld in artikel 2.1 van de Exclusivity Agreement. Tale heeft die diensten uitgevoerd en aan Bubble in rekening gebracht.

Tale heeft (praktisch) geen opdrachten aan Bubble gegeven (voor het uitvoeren van het eerste of laatste deel van het vervoerstraject).

Bij e-mail van 30 november 2016 schreef Tale aan Bubble onder meer:

“Inmiddels versturen jullie zendingen met ons, echter wanneer kunnen wij echt starten met onze samenwerking zoals afgesproken eerder dit jaar. Waarbij jullie ook zendingen voor ons doen.

Tevens hebben wij nog geen fiets gezien met ons logo erop conform afspraak, dit duurt wel erg lang.”

In januari 2017 ontstond een discussie over de door Tale voor pakketvervoer in opdracht van Bubble in rekening gebrachte tarieven. Tale had € 5,93 per pakket in rekening gebracht. Bubble stelde zich op het standpunt dat een tarief van € 4,28 per pakket was afgesproken. Bij e-mail van 3 februari 2017 reageerde Tale met onder meer het volgende:

“Ik heb begrepen dat het tarief dat jij aangeeft, van kracht zou gaan als de samenwerking tussen Bubblepost en Parcel International zou starten.

Dit betreft reclameweergeving van Parcel International op de bakfietsen van Bubblepost.

Aangezien dit nog een open einde is, blijft het huidige gefactureerde tarief van kracht.

[..]

Daarnaast moet de samenwerking nog verder uitgerold worden, zoals besproken met [naam 1] vorig jaar.”

De reclame-uitingen zijn niet op vervoermiddelen of bedrijfskleding van Bubble aangebracht.

3.8.4.

Enige nadere vorm van samenwerking tussen partijen, zoals bedoeld in artikel 4 van de Exclusivity Agreement, is niet tot stand gekomen.

3.8.5.

Partijen zijn beide actief in de branche van de logistiek. Enige bepalingen van de Exclusivity Agreement, waaronder de litigieuze artikelen 1 en 2, betreffen logistieke aangelegenheden.

3.9.

Omdat partijen in verschillende staten zijn gevestigd, in de branche van de logistiek werkzaam zijn en Tale zich bij de contractonderhandelingen heeft laten bijstaan door een jurist, terwijl de overeenkomst onder meer logistieke aangelegenheden regelt, ligt het voor de hand de uitleg te geven aan de hand van de taalkundige betekenis van de bewoordingen van de Exclusivity Agreement die deze in de kring van de logistiek en het overige maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, zonder af te doen aan de onder 3.7 genoemde maatstaf.

3.10.

In artikel 1 van de Exclusivity Agreement verleent Bubble (“Bubble hereby grants”) aan Tale het exclusieve recht om op haar vervoermiddelen reclame-uitingen te plaatsen naast de reclame voor Bubble zelf, op de wijze als nader bepaald in dat artikel en is aangeduid in Appendix 1.

3.10.1.

In artikel 1 staat niet met zoveel woorden dat die reclame-uitingen ook op de bedrijfskleding van Bubble zouden komen. Maar artikel 1.2 verwijst naar Appendix 1. Appendix 1 bevat geschreven voorschriften over het op vervoermiddelen en bedrijfskleding van Bubble aan te brengen logo en de naam “Parcel International”. Op twee foto’s van Appendix 1 staan vervoermiddelen van Bubble met daarop de tekst “Co-delivering the world with Parcel International”, gevolgd door een logo van Tale. Op de derde foto van Appendix 1 staan medewerkers van Bubble met op de bedrijfskleding een logo van Tale en “Parcel International”, met daarnaast de aan het slot van 3.6 genoemde tekst.

Uit deze vermeldingen leidt de rechtbank af dat Tale inderdaad redelijkerwijs heeft mogen verwachten dat artikel 1 ook op de bedrijfskleding van Bubble betrekking heeft.

3.10.2.

Zoals gezegd, luidt de tussen partijen in Appendix 1 (en latere correspondentie) afgesproken tekst van de reclame-uiting op vervoermiddelen van Bubble “Co-delivering the world with Parcel International”, een van de merk- of handelsnamen van Tale. Zoals hiervoor uitgelegd, verschafte Bubble in artikel 1 aan Tale het exclusieve recht om reclame-uitingen te plaatsen op haar vervoermiddelen naast de reclame voor Bubble zelf.

In artikel 1 staat niet met zoveel woorden dat Bubble jegens Tale verplicht is om er (zonder nader verzoek) voor zorg te dragen dat de reclame-uitingen daadwerkelijk op de vervoermiddelen en de bedrijfskleding van Bubble zouden worden aangebracht. In artikel 1 staat evenmin met zoveel woorden dat Bubble jegens Tale verplicht is om ervoor zorg te dragen dat de reclame-uitingen vanaf een bepaalde datum op de vervoermiddelen en de bedrijfskleding zullen zijn aangebracht. Dat staat ook niet in Appendix 1 of de hiervoor genoemde correspondentie tussen partijen.

Weliswaar is in artikel 1.3 bepaald dat het recht van exclusiviteit dadelijk geldt (“The exclusivity is granted … as from the date of its signing”), maar daarmee is nog geen datum gegeven voor het aanbrengen van de reclame-uitingen. Waar artikel 1.3 een op zichzelf staande bepaling vormt, naast die van artikelen 1.1, 1.2 en 1.4, te weten de duur van het recht van exclusiviteit, kan daaruit niet zonder meer een tijdsbepaling ten aanzien van de verbintenissen van Bubble onder de artikelen 1.1 en 1.2 worden gelezen.

Weliswaar had Bubble in de correspondentie van april tot en met september 2016 laten blijken – en heeft zij ook ter comparitie verklaard – dat zij de partij was die zorg diende te dragen voor het plaatsen van de reclame-uitingen op haar vervoermiddelen en bedrijfskleding, maar daarmee is nog niet gezegd dat Bubble ook de (juridische) verbintenis had om (dadelijk na het sluiten van de Exclusivity Agreement of op een later tijdstip) zodanige reclame-uitingen aan te brengen.

Waar de overeengekomen reclame-uiting luidt “co-delivering the world with Parcel International” mag verwacht worden dat die uiting de tussen partijen bestaande toestand weergeeft. Er zou dus een zodanig hechte samenwerking tussen Bubble en Tale moeten zijn ontstaan dat sprake is van het gezamenlijk verrichten van afleveringen (“co-delivering”). Zodanige samenwerking zou bijvoorbeeld kunnen bestaan wanneer op vennootschappelijk niveau een verbinding tussen partijen zou zijn ontstaan (zoals tot in maart 2016 tussen partijen was besproken), of wanneer partijen elkander steeds zouden betrekken bij de uitvoering van transporten en afleveringen. Maar van een zodanig hechte samenwerking was een jaar later nog geen sprake; enige vennootschappelijke verbinding was niet tot stand gekomen; weliswaar gaf Bubble opdrachten aan Tale, maar laatstgenoemde gaf praktisch geen opdrachten aan Bubble. Kennelijk zag ook Tale verband tussen een verdergaande vorm van samenwerking en het aanbrengen van de reclame-uitingen en ging ook zij er in februari 2017 vanuit dat voor Bubble nog geen verplichting was ontstaan om de reclame-uitingen op haar vervoermiddelen en bedrijfskleding aan te brengen, getuige de onder 3.8.3 aangehaalde e-mails van Tale.

Mede gelet op de omstandigheid dat het voornamelijk Tale was die de tekst van de Exclusivity Agreement concipieerde, concludeert de rechtbank daarom dat Tale onder de gegeven omstandigheden uit artikel 1.1 en 1.2 in onderling verband met Appendix 1 pas een verplichting van Bubble om zorg te dragen voor de reclame-uitingen op haar vervoermiddelen en bedrijfskleding mocht verwachten wanneer tussen partijen een zodanig hechte samenwerking zou zijn ontstaan dat inderdaad sprake zou zijn van “co-delivering”. Derhalve had Bubble tot in maart 2017 nog geen rechtens afdwingbare verbintenis onder artikel 1.1 en 1.2.

3.11.

In artikel 2 van de Exclusivity Agreement verbindt Bubble zich (“Bubble shall”; “Bubble is obliged to”) ten opzichte van Tale om bepaalde logistieke diensten te verrichten.

3.11.1.

In artikel 2.1 verbindt Bubble zich ertoe om geen ander dan Tale opdracht te geven om lokale ophaal- en distributiediensten te verrichten in de plaatsen waar Bubble zelf niet actief is. Die verbintenis is daarin niet nader gespecificeerd en betreft dus alle desbetreffende lokale ophaal- en distributiediensten.

Het hangt van de desbetreffende opdrachten van de klanten van Bubble af of Bubble enige zodanige lokale ophaal- of distributiedienst te verrichten zou krijgen, respectievelijk hoeveel van zodanige diensten. De omvang van de desbetreffende verbintenissen van Bubble valt dan ook niet te kwantificeren aan de hand van deze bepaling. In de hiervoor genoemde correspondentie tussen partijen valt evenmin een aanwijzing te vinden voor de omvang van de desbetreffende verbintenissen van Bubble.

3.11.2.

In artikel 2.1 is niet gespecificeerd op welke datum de desbetreffende verbintenissen van Bubble van kracht worden. Derhalve werden deze ingevolge artikel 6:38 BW in beginsel meteen van kracht.

3.11.3.

In artikel 2.2 verbindt Bubble zich ertoe om op verzoek van Tale (“if requested by Tale to do so”) lokale ophaal- en distributiediensten te verrichten in de plaatsen waar Bubble zelf actief is. Die verbintenis is daarin niet anders gespecificeerd dan als “if requested by Tale to do so”. Voor de beoordeling van de vraag of Bubble is tekortgeschoten zal derhalve moeten komen vast te staan dat Tale een zodanig verzoek aan Bubble heeft gedaan en dat Bubble daaraan geen behoorlijk gevolg heeft gegeven.

3.12.

Tussen partijen staat vast dat Bubble de Exclusivity Agreement rechtsgeldig heeft beëindigd per 28 juni 2017.

3.13.

Gesteld noch gebleken is dat Bubble haar hiervoor uitgelegde verbintenis tot het verlenen van exclusiviteit onder artikel 1 van de Exclusivity Agreement niet behoorlijk is nagekomen (bijvoorbeeld door reclame voor een ander dan Tale te maken op haar vervoermiddelen of haar bedrijfskleding). Weliswaar stelt Tale in de brief van haar advocaat van 10 maart 2017 (productie 7 van Tale) dat Bubble toen de mogelijkheid bood aan derden om reclame te maken op haar vervoermiddelen, maar in de procedure neemt Tale dat standpunt niet in; dat Bubble enige derde op haar vervoermiddelen heeft laten adverteren is niet gesteld of gebleken.

Gezien de uitleg die de rechtbank aan artikel 1.1 en 1.2 van de Exclusivity Agreement heeft gegeven, had Bubble tot in maart 2017 nog geen verbintenis ter zake van reclame-uitingen op haar vervoermiddelen en bedrijfskleding.

Evenmin is gesteld of gebleken dat Bubble haar hiervoor uitgelegde verbintenis onder artikel 2.2 van de Exclusivity Agreement niet behoorlijk is nagekomen (bijvoorbeeld door enig verzoek van Tale niet uit te voeren).

Het gaat dus slechts om de vraag of Bubble haar hiervoor uitgelegde verbintenis onder artikel 2.1 van de Exclusivity Agreement behoorlijk is nagekomen.

3.14.

Die verbintenis van Bubble onder artikel 2.1 van de Exclusivity Agreement, zoals hiervoor uitgelegd, houdt een verbintenis in om iets te doen. Omdat in dat artikel geen termijn voor de nakoming van die verbintenis is bepaald en omdat de nakoming van die verbintenis niet onmogelijk was geworden (waarover nader onder 3.17), zou Bubble in beginsel niet eerder in verzuim geraken dan wanneer Tale haar in gebreke zou hebben gesteld op de wijze als bedoeld in artikel 6:82 BW. Ten aanzien van die verbintenis staat bovendien vast dat Bubble diverse zodanige opdrachten aan Tale heeft gegeven (Bubble heeft als productie 5 talrijke facturen van Tale voor de uitvoering van zodanige opdrachten van Bubble overgelegd). Voor de gestelde niet-(behoorlijke)-nakoming van die verbintenis van Bubble was daarom tevens vereist dat Tale zou mededelen dat en waarom Bubble ondanks die opdrachten haar verbintenis niet behoorlijk was nagekomen.

3.15.

De rechtbank overweegt het volgende over het betoog van Tale dat zij Bubble in gebreke heeft gesteld in de e-mailcorrespondentie van 30 november 2016 tot en met 12 januari 2017 (productie 7 van Tale) en die van haar producties 8 en 9.

3.15.1.

Voor een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 6:82 BW is vereist, maar ook voldoende, dat de schuldeiser in een schriftelijke verklaring een aanmaning aan de schuldenaar geeft en het tijdstip aanwijst waarop deze de prestatie uiterlijk (alsnog) moet leveren en waardoor hij de schuldenaar voor de nadelige gevolgen van verder uitstel aansprakelijk stelt; voldoet de schuldenaar niet aan de aanmaning, dan treedt het verzuim in op het aangegeven tijdstip (vgl. HR 20 september 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2140).

3.15.2.

In de correspondentie van 14 april 2016 tot en met 3 mei 2016 (productie 8 van Tale) overlegden partijen over de uitvoering van de reclame-uitingen. Die correspondentie vormt een uitwerking van de afspraken gemaakt in de Exclusivity Agreement. De rechtbank verwijst voorts naar hetgeen zij heeft overwogen onder 3.8.3.

Geen van de berichten in die correspondentie voldoet aan de vereisten van een ingebrekestelling, laat staan ten aanzien van de verbintenis van Bubble onder artikel 2.1 van de Exclusivity Agreement

3.15.3.

De als productie 9 door Tale overgelegde correspondentie bestaat voor een deel uit dezelfde berichten als die van haar productie 8, die de rechtbank hiervoor heeft behandeld.

Over de overige correspondentie van productie 9 overweegt de rechtbank het volgende. De correspondentie van 4 en 11 mei 2016 bevat slechts uitwerking van de afspraken gemaakt in de Exclusivity Agreement. De e-mails van Tale aan Bubble van 29 juni 2016 en van 21 september 2016 bevatten algemene verzoeken van Tale over de voortgang van de uitvoering van de reclame-uitingen op de vervoermiddelen van Bubble. Geen van deze berichten bevat een termijn of tijdstip voor nakoming door Bubble, laat staan een aanmaning ten aanzien van de verbintenis van Bubble onder artikel 2.1 van de Exclusivity Agreement, en voldoet daarom niet aan de vereisten van een ingebrekestelling.

3.15.4.

Productie 7 van Tale bestaat – voor zover hier van belang – uit e-mailberichten van Tale aan Bubble van 30 november 2016 (zie onder 3.8.3), 29 december 2016, 12, 16 en 28 januari 2017.

In de genoemde e-mailberichten vraagt Tale om inlichtingen en contact, maar in geen daarvan heeft Tale Bubble aangemaand of een tijdstip genoemd waarop Bubble alsnog haar verbintenis onder artikel 2.1 van de Exclusivity Agreement zou dienen na te komen. Ook die correspondentie voldoet daarom niet aan de vereisten van een ingebrekestelling.

3.16.

De brief van de advocaat van Bubble van 10 maart 2017 (ook onderdeel van productie 7 van Tale) bevat wel een aanmaning aan Bubble ten aanzien van de verbintenis onder artikel 2.1 van de Exclusivity Agreement met een termijnstelling tot 17 maart 2017. Daarover overweegt de rechtbank het volgende.

3.16.1.

In de brief van 10 maart 2017 wordt Bubble – voor zover voor deze beoordeling van belang – aangemaand om onder meer:

  • -

    “Tale conform de afspraken in de Exclusivity Agreement in de gelegenheid te stellen om met haar merknaam ‘Parcel International’ te adverteren op Bubble-voertuigen;

  • -

    Tale in [te] schakelen voor al haar pick-up en delivery diensten in alle steden waar Bubble geen eigen geregistreerde vestiging heeft”.

3.16.2.

In de brief van 10 maart 2017 heeft Tale niet gesteld dat en waarom de voorwaarde voor de verbintenis tot het aanbrengen van de reclame-uitingen, te weten de hechte samenwerking tussen partijen, was vervuld.

Zoals hiervoor overwogen en uit de onder 3.8.3 aangehaalde correspondentie blijkt, was in het voorjaar 2017 de beoogde samenwerking tussen partijen nog niet van de grond gekomen. Daarom bestond voor Bubble toen nog geen verplichting tot het aanbrengen van de reclame-uitingen. Daarom had de brief van 10 maart 2017 wat betreft de verplichting van Bubble tot het aanbrengen van reclame-uitingen niet het effect dat Bubble daaraan alsnog diende te voldoen.

3.16.3.

De aanmaning om Tale in te schakelen voor ophaal- en distributiediensten in alle steden waar Bubble zelf niet actief was, zoals bedoeld in artikel 2.1 van de Exclusivity Agreement, is niet gespecificeerd in de aanmaning van 10 maart 2017.

Omdat Bubble aan Tale al diverse van zodanige opdrachten had gegeven, diende de betreffende sommatie aan Bubble precies aan te geven in welk opzicht Bubble naar de mening van Tale niet (behoorlijk) aan haar verbintenis voldeed. Dat geldt eens te meer nu Tale niet stelt dat Bubble de beweerdelijk aan haar niet-gegeven opdrachten aan een derde heeft gegeven of dat Bubble aan haar heeft medegedeeld zodanige opdrachten niet meer te zullen geven. Omdat Tale in de brief van 10 maart 2017 niet heeft aangegeven in welk opzicht Bubble tekortschoot ten aanzien van haar verbintenis onder artikel 2.1 van de Exclusivity Agreement, heeft de ingebrekestelling ook voor wat betreft die verbintenis daarom geen werking gehad.

3.17.

De rechtbank verwerpt het betoog van Tale dat geen (eerdere) ingebrekestelling nodig was, omdat de relevante verbintenissen van Bubble onder artikel 1 en 2.1 van de Exclusivity Agreement zouden kunnen worden aangemerkt als voortdurende verbintenissen en omdat wegens de niet-nakoming daarvan in het verleden sprake is van (blijvende) onmogelijkheid tot nakoming. Anders dan Tale lijkt te betogen met haar verwijzing naar HR 11 januari 2002, NJ 2003/255, is hier geen sprake van een verbintenis van Bubble om iets niet te doen. Anders dan Tale lijkt te betogen met haar verwijzing naar genoemd arrest, HR 20 januari 2006, NJ 2006/80 en HR 22 juni 2007, NJ 2007/343, is hier geen sprake van de daar bedoelde voortdurende verbintenissen van Bubble.

3.18.

Voor zover Tale betoogt dat geen ingebrekestelling nodig was omdat Bubble zou hebben medegedeeld dat zij nakoming zou weigeren of daarin zou tekortschieten, verwerpt de rechtbank zodanig betoog om de volgende redenen.

Ingevolge artikel 6:80 lid 1, aanhef en onder b BW treden de gevolgen van niet-nakoming, zoals verzuim, in wanneer de schuldeiser uit een mededeling van de schuldenaar moet afleiden dat deze in de nakoming zal tekortschieten. Wil een mededeling (of gedraging) van de schuldenaar de werking hebben als bedoeld in artikel 6:80 lid 1, aanhef en onder b BW, dan dient zodanige mededeling of gedraging ondubbelzinnig die strekking te hebben.

Tale heeft weliswaar gesteld dat Bubble heeft medegedeeld dat zij nakoming weigert, maar zij heeft daarover geen andere feiten of omstandigheden aangevoerd dan een serie verzoeken van haar om contact (de e-mailcorrespondentie van productie 7 van Tale; zie ook onder 3.15.4) en een telefonische mededeling van de toen nieuwe bestuurder van Bubble van 7 maart 2017, inhoudende dat Bubble een andere koers was ingeslagen waarin de samenwerking met Tale niet meer paste, alsmede mededelingen van Bubble die erop neerkomen dat zij betwistte de door Tale gestelde verbintenissen te hebben. Zodanige mededelingen merkt de rechtbank niet aan als een mededeling als bedoeld in artikel 6:80 lid 1, aanhef en onder b BW.

Zoals eerder overwogen, was de beoogde samenwerking in maart 2017 nog niet van de grond gekomen en was ten aanzien van de verbintenis van Bubble onder artikel 2.1 van de Exclusivity Agreement zonder meer een ingebrekestelling vereist. Voorts volgt uit de hiervoor gegeven uitleg van de betreffende bepalingen van de Exclusivity Agreement dat het standpunt van Bubble, dat zij zich niet verplicht voelde om bepaalde door Tale gestelde verbintenissen na te komen, niet onjuist is. Een mededeling van die strekking kan daarom niet als een mededeling als bedoeld in artikel 6:80 lid 1, aanhef en onder b BW worden aangemerkt.

3.19.

Derhalve komt de rechtbank tot de conclusie dat niet aannemelijk is geworden dat Bubble is tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenissen onder de Exclusivity Agreement, laat staan dat Bubble daarvan in verzuim is geraakt. Daarop stuit de vordering van Tale tot schadevergoeding wegens wanprestatie af.

3.20.

Ingevolge artikel 237 Rv zal de rechtbank Tale als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten veroordelen.

Bubble verlangt, zoals onder 2.3 gezegd, veroordeling van Tale in “de volledige kosten van het geding aan de zijde van” Bubble. Bubble heeft geen onderbouwing of uitwerking van dat verlangen gegeven.

Ingevolge vast gebruik worden de (proces)kosten begroot op de voor de procedure betaalde verschotten en een forfaitair bedrag ter zake van salaris voor de advocaat. Dat forfaitaire bedrag wordt bepaald aan de hand van het in overleg tussen de Nederlandse Orde van Advocaten en vertegenwoordigers van de rechterlijke macht van tijd tot tijd vastgestelde Liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven.

Nu Bubble de door haar verlangde “volledige” kostenveroordeling niet heeft onderbouwd, zal de rechtbank de aan de zijde van Bubble tot dit vonnis gevallen kosten begroten met forfaitaire begroting van het salaris voor de advocaat, en wel als volgt:

  • -

    griffierecht € 3.894,-

  • -

    salaris advocaat € 7.712,- (2 punten volgens Liquidatietarief VIII)

totaal: € 11.606,-.

Als gevorderd en niet zelfstandig bestreden, zal de rechtbank de proceskostenveroordeling bij voorraad uitvoerbaar verklaren.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

wijst de vorderingen af;

4.2.

veroordeelt Tale in de proceskosten;

begroot de aan de zijde van Bubble tot dit vonnis gevallen proceskosten op € 11.606,-;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs. W.P. Sprenger, P.C. Santema en C. Sikkel en uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2019.

1928/32/1573