Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:1910

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-02-2019
Datum publicatie
21-03-2019
Zaaknummer
7380760 VZ VERZ 18-24640
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens verstoorde arbeidsverhouding. Hoewel escalatie binnen korte tijd, toch duurzame verstoring wegens opstelling werknemer

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0312
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 7380760 VZ VERZ 18-24640

uitspraak: 26 februari 2019

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Dagelijks Leven Zorg B.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

verzoekster,

gemachtigde: mr. drs. Y.M. Nijhuis te Enschede,

tegen

[verweerder] ,

wonende te Berkel en Rodenrijs,

verweerder,

gemachtigde: mr. F. van Schaik te Berkel en Rodenrijs.

Partijen worden hierna aangeduid als “Dagelijks Leven” en “ [verweerder] ”.

1 Het verloop van de procedure

1.1

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:

  • -

    het verzoekschrift met producties, ter griffie ontvangen op 27 november 2018;

  • -

    het verweerschrift;

  • -

    de brief namens Dagelijks Leven van 21 januari 2019, met aanvullende producties.

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 januari 2019. Namens Dagelijks Leven zijn mevrouw [naam 1] (HR adviseur) en mevrouw [naam 2] (locatiecoach, hierna: [naam 2] ) verschenen, bijgestaan door mr. M.L.C.M. van Kalmthout namens de gemachtigde. [verweerder] is in persoon verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Door de gemachtigden van partijen zijn pleitnotities (zijdens Dagelijks Leven) respectievelijk pleitaantekeningen (zijdens [verweerder] ) overgelegd en voorgedragen. Van het overigens ter zitting verhandelde heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

1.3

De kantonrechter heeft de uitspraak van de beschikking nader bepaald op heden.

2 De feiten

In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende vaststaande feiten.

2.1

Dagelijks Leven is gespecialiseerd in de zorg voor mensen met dementie, alzheimer en andere vormen van geheugenverlies. Zij exploiteert daartoe op verschillende plaatsen in Nederland kleinschalige woonzorglocaties.

2.2

[verweerder] , geboren op [geboortedatum] , is op 22 mei 2017 bij Dagelijks Leven in dienst getreden in de functie van zelfstandig werkend kok voor de woonzorglocatie [naam woonzorglocatie] . Uit hoofde van zijn functie is [verweerder] onder meer verantwoordelijk voor het samenstellen van het weekmenu, het volgens recept (voor)bereiden van de maaltijden voor de bewoners, het bestellen van dranken, versnaperingen en voedings-benodigdheden voor de maaltijden, het controleren van de inkoop en de voorraad, het volgen van de HACCP regels en het onderhouden en schoonmaken van de keuken.

2.3

Tussen partijen bestaat sinds 22 augustus 2018 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

2.4

Mevrouw [naam 3] , een directe collega van [verweerder] , heeft op 7 september 2018 onder meer de volgende schriftelijke verklaring opgesteld:

“Vanavond gewerkt met [voornaam verweerder] [ktr: [verweerder] ].

[…]

Het eeuwige klagen en de negativiteit wordt soms te veel. Ik heb me helaas laten verleiden door in de verdediging te gaan en te benoemen dat hij eens naar zichzelf moest kijken i.p.v. naar anderen. Dit omdat er in zijn koelkast onafgedekte maaltijden staan. […] 3 min. later stond hij stond heel dreigend als een briesende leeuw in de deuropening. Hierbij gebruik makend van een behoorlijke stemverheffing. Dit kwam zeer intimiderend over. […] Ook hier hebben onze bewoners van mee kunnen genieten want alle deuren stonden open en het ging er flink aan toe.

De reden waarom ik dit schrijf is niet de gebeurtenis op zich. Waar ik wel tegen wil strijden is dat hij constant negatief is, klaagt en discussies uit lokt in bijzijn van onze bewoners. Ik heb al eerder ingegrepen op het moment dat hij een hoopoplopende ruzie probeerde uit te vechten waar alle bewoners bij waren. […]

Hij snapt totaal onze doelgroep niet. Hij doet uitspraken als “die oude mensen moeten niet zeuren” “ze weten morgen toch niet meer wat ze gegeten hebben” […]”

2.5

Mevrouw [naam 4] , locatiemanager van [naam woonzorglocatie] (hierna: [naam 4] ), heeft eveneens een schriftelijke verklaring opgesteld over haar werkdag op 7 september 2018. In deze verklaring staat onder meer het volgende:

“Op vrijdag 7 september 2018 rond half 2 liep ik de keuken in om iets aan [voornaam verweerder] te vragen. [voornaam verweerder] kwam wat bozig op mij over […]. Ook gaf [voornaam verweerder] sneren naar de directeuren, hierbij gebruikte hij geen hele nette woorden gericht op directielid [naam 5] en dat hij hem al een keer de keuken heeft uitgetrapt. Waarop ik aangegeven heb dat ik dit niet fijn vind dat hij zo praat. De toon van [voornaam verweerder] werd steeds bozer en dreigender en hij ging voor de keukendeur staan waardoor ik de keuken niet kon verlaten. […]

Ik voelde me tijdens het gesprek in de keuken niet op mijn gemak, en voelde me hierin bedreigd […].”

2.6

Op 9 oktober 2018, na een vakantie van [verweerder] , heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [naam 4] , mevrouw [naam 6] (tweede locatiemanager van [naam woonzorglocatie] , hierna: [naam 6] ) en [verweerder] . [naam 4] heeft van dit gesprek een verslag opgemaakt waarin, voor zover thans van belang, het volgende is opgenomen:

“Gesprek i.v.m. bevindingen keuken:

[…]

N.a.v. bezoek [naam 7] zijn we bezig geweest met het schoonmaak van de keuken. [naam 7] heeft een aantal zaken geconstateerd die niet in orde waren:

- De koelkasten waren vuil: veel vet erbovenop;

- Onder de plank bij de vaatwasser zaten paddenstoelen;

- De vloer leek niet een maal per week geschrobd;

- De oven was zeer vuil;

- Het rooster in de deur van de keuken was vuil;

- De ruiten waren vuil en vet;

- De tegels van de keuken waren zeer vuil.

De dag ervoor hebben [naam 4] [ktr: [naam 4] ] en [naam 6] [ktr: [naam 6] ] de afzuigkap al schoongemaakt, omdat hier vet uit droop.

Deze punten zijn onderdeel van de aftekenlijst grootkeuken. [voornaam verweerder] gebruikt deze lijst niet, omdat hier naar zijn zeggen zaken op staan die niet voorkomen in de keuken. [naam 4] geeft aan te verwachten dat deze lijst vanaf heden wel gebruikt gaat worden. [naam 4] zal van de lijst een aftekenlijst maken, zodat goed inzichtelijk wordt wanneer, welke zaken zijn opgepakt.

[voornaam verweerder] geeft aan geen tijd te hebben voor de schoonmaakwerkzaamheden naast de bereiding van verse maaltijden en zijn bestellingen. Hij geeft aan dat al meerdere keren te hebben aangegeven, maar dat er niet naar hem wordt geluisterd. [naam 4] geeft aan dat deze 20 uur in alle huizen voor de koks wordt ingepland en dat hieraan niet te tornen valt. Verschillende koks geven aan het wel te redden met de tijd, geeft [naam 4] aan. [voornaam verweerder] geeft aan dat hij niet ziet hoe hij al deze taken moet gaan redden en het idee te hebben dat we, als we dit van hem verwachten, na twee weken een andere kok kunnen gaan zoeken.

[…]

Tevens wordt er met [voornaam verweerder] besproken dat er in drie/vier weken tijd 22 flessen wijn op zijn gegaan. Het is niet duidelijk waar deze voor zijn gebruikt. [naam 4] en [naam 6] geven aan zich hier zorgen om te maken. Zijn al deze flessen opgeschonken aan de bewoners? [voornaam verweerder] vraagt of hij verdacht wordt van het consumeren van wijn. [naam 4] geeft aan wel eens een drankadem bij hem te hebben geroken. Hij geeft aan niet te drinken tijdens werktijd, behalve wanneer hij dat uitdrukkelijk heeft overlegd met de LM. Hij geeft aan niet te weten wat er met de wijn is gebeurd. [voornaam verweerder] biedt zelfs aan een bloedtest te laten doen, mochten we dit willen. […] [naam 4] en [naam 6] geven aan dit toch te moeten vragen, omdat het om erg veel drank gaat en hij toch degene is die hier het makkelijkst bij komt. Ze zullen nu verder bekijken wat er met de drank gebeurd kan zijn.”

2.7

Bij emailbericht van 9 oktober 2018 heeft [verweerder] [naam 6] en [naam 4] , voor zover thans van belang, als volgt bericht:

“Onderwerp: gespreksverslag drankmisbruik juridische stappen

[…]

Heb het stuk over wijnmisbruik nog enige malen goed gelezen en hier goed over nagedacht. Zoals het in het gespreksverslag staat is het een keiharde valse beschuldiging, roddel en insinuatie. 22 flessen wijn in drie weken is 9 glazen per 4 urige werkdag. Knap dat jullie hier mij van verdenken. […] Het staat er niet letterlijk maar het is een en al insinuatie. Ik ben degene die er het makkelijkste bij kan. Lees maar na. Lees meerdere malen goed wat er staat.

[…] Ik wens dat dit van tafel gaat voor a.s. vrijdag 24.00. Ik laat me niet door jullie op deze schandelijke wijze behandelen. […]

Als jullie dit zo opschrijven dienen jullie met namen en bewijzen te komen. Ik weet dat deze mail in mijn dossier in Apeldoorn terecht komt. Maar ook ik heb een dossier.

Als dit niet a.s. vrijdag 24.00 van tafel is ga ik juridische stappen ondernemen om mijn goede naam te zuiveren. […]”

2.8

Op 10 oktober 2018 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [naam 2] , [naam 6] en [verweerder] . Van dit gesprek is zijdens Dagelijks Leven een gespreksverslag opgemaakt waarin het volgende is opgenomen:

“[…] Op 9 oktober jl. heeft er een gesprek plaatsgevonden over het functioneren van [voornaam verweerder] . Nadien is hem het verslag van het gesprek gemaild. [voornaam verweerder] heeft vervolgens 2 mails naar de locatiemanagers gestuurd met zijn reactie op het verslag. Hieruit bleek dat hij zeer ontstemd was over de inhoud van het verslag. [naam 2] [ktr: [naam 2] ] heeft tevens vernomen dat [voornaam verweerder] vanochtend zijn frustraties toonde naar collega’s, in het bijzijn van bewoners.

[…] [voornaam verweerder] voelt het als een keiharde aanval op zijn persoon, vooral over het punt van de hygiëne. [voornaam verweerder] geeft aan minstens 6 weken na de opening al te hebben aangegeven dat de locatie in de problemen zou komen wat betreft de hygiëne in verhouding met de uren die er staan voor de koksdiensten. Dit heeft hij ook meerdere keren aangegeven bij de locatie-managers en directie. Volgens hem is daar niets mee gedaan. [voornaam verweerder] geeft aan zo niet verder te willen werken, hij gaat het ook niet doen. Ook spreekt [voornaam verweerder] zich in erg ongepaste bewoordingen erg negatief uit over de directie en over Dagelijks Leven.

[…] Hij vindt dat er een heel duidelijke verdenking naar hem in staat over alcoholmisbruik op locatie. […] [voornaam verweerder] zegt dat collega’s een verdenking op hem gelegd kunnen hebben door elke avond 2 flessen weg te gooien. […] [naam 2] geeft aan geen duidelijke verdenking te zien over alcoholmisbruik in het gespreksverslag. […] Zij wil nogmaals aan [voornaam verweerder] uitleggen dat hij verantwoordelijk is voor de keuken en de bestellingen en dat het logisch is dat de locatiemanagers [voornaam verweerder] laten mee laten denken maar hij schiet continu in de verdediging, is boos en geeft aan dat het gedeelte over de verdenking van alcoholmisbruik geschrapt dient te worden. Ook is hij boos op de directie en op Dagelijks Leven.

[…] Alle punten die maandag tijdens het gesprek zijn benoemd over de schoonmaak van de keuken, behoren bij het takenpakket van [voornaam verweerder] . […] [voornaam verweerder] geeft aan dat hij inderdaad daarvoor verantwoordelijk is maar dat ze het niet van hem kunnen verwachten als hij niet gefaciliteerd wordt. [naam 2] mag het van [voornaam verweerder] ook zelf een paar maanden proberen. Hij geeft aan dat hij [naam 2] wel eens wil zien in dat strakke jurkje plat op de grond in de keuken of ze erbij kan komen om schoon te maken. [naam 2] geeft daarop aan dat ze niet wil dat [voornaam verweerder] zo tegen haar spreekt omdat ze zo’n opmerking heel vervelend vindt.

[…] [voornaam verweerder] geeft aan dat hij vanaf maart niet in het kwaliteitshandboek kan en dat hij niet verder geholpen wordt. Laat maar zitten dat handboek, wat er in staat interesseert me toch geen ene reet, zo geeft [voornaam verweerder] aan. Ook meldt [voornaam verweerder] dat hij niet in Nedap gaat werken want hij wordt niet geholpen en hij heeft er ook geen tijd voor. Hij rapporteert mondeling of achterop een sigarendoosje, verder boeit het hem niet. […]

[naam 2] geeft aan dat [voornaam verweerder] nu uitwijkt naar andere onderwerpen, maar dat ze terug wil gaan naar de reden van dit gesprek. [voornaam verweerder] wordt hier boos van. Hij geeft aan dat hij weet hoe het werkt als je op non-actief gezet wordt en dat hij verwacht dat het vandaag gaat gebeuren. “Het boeit me geen reet” zegt hij. [naam 2] geeft nogmaals aan terug te willen naar het doel van dit gesprek. Hij mag een eigen verslag maken van het gesprek van 9 oktober jl. zodat dat eraan toegevoegd kan worden. [voornaam verweerder] geeft aan dat dat niet gaat gebeuren dat er alleen zaken worden geschrapt en dat zijn eis in de mail staat over het schrappen en dat er anders gaat gebeuren waar hij mee dreigt.

[naam 2] houdt [voornaam verweerder] voor dat hij maar door blijft praten en dat ze zo niet met hem in gesprek kan omdat ze er niet tussen komt. [voornaam verweerder] geeft aan dat dat het ook de bedoeling is dat [naam 2] er niet tussen komt. De brief moet kapot gescheurd worden en “weggeflikkerd” worden volgens hem. […]

[voornaam verweerder] geeft aan dat het 14.00 uur is en dat hij naar huis gaat en stapt op. [naam 2] geeft aan dat ze nog niet alles heeft kunnen zeggen, ook niet wat betreft de mails die [voornaam verweerder] na het gesprek heeft verstuurd. [voornaam verweerder] praat echter verder en [naam 2] geeft aan dat ze het echt over het vervolg na dit gesprek wil hebben. Ze geeft aan dat [voornaam verweerder] een pauze van enkele dagen krijgt omdat ze merkt dat hij heel boos is. Hij krijgt een paar dagen betaald vrij t/m zondag om tot rust te komen. […] Vervolgens loopt [voornaam verweerder] boos de gespreks-ruimte uit en geeft aan dat Dagelijks Leven tot vrijdagavond twaalf uur de tijd heeft om het verslag aan te passen en dat hij anders juridische stappen onderneemt. [naam 2] geeft aan dat er maandag verder wordt gesproken.”

2.9

Op 11 oktober 2018 heeft [verweerder] [naam 2] een persoonlijke LinkedIn-uitnodiging gestuurd met het volgende bericht:

“Hoi [naam 2] ,

Ik kan niet in nedap en/of je telefoonnr. vinden. Ik stel voor om morgen 10.00 bij elkaar te komen bij mij thuis en dit conflict uit de wereld te helpen. Nu kan het nog, anders volgt een rechtzaak, die wij allemaal niet wensen, en die heel veel mensen schade gaat berokkenen.

[voornaam verweerder] ”

2.10

Ook op 11 oktober 2018 heeft [verweerder] [naam 6] het volgende emailbericht gestuurd (weergegeven voor zover thans van belang):

“Reageer svp op mijn mails. Deze manier van handelen maakt een passend vervolg van ons gesprek alleen maar moeizamer.

Reageer snel op […] tot 14.00.

Denk ook aan jezelf, je mooie locaties en je mooie gezin. Empatisch vermogen voorop stellen.”

2.11

Bij brief van 12 oktober 2018 heeft de directeur van Dagelijks Leven [verweerder] , voor zover thans van belang, als volgt bericht:

“Ik heb kennis genomen van de mail die u gisteren heeft verstuurd aan [naam 6] met onderstaande tekst:

[…]

De dreiging die van de laatste zin uitgaat vind ik absoluut onacceptabel. Ook mondeling heeft u zich de laatste dagen meermaals dreigend geuit richting medewerkers van Dagelijks Leven.

Indien u zich in de toekomst weer dreigend uitlaat richting een van onze medewerkers zullen wij overwegen om hiervan aangifte te doen bij de politie.”

2.12

Bij emailbericht van 12 oktober 2018 heeft [verweerder] als volgt gereageerd:

“[…] Ik ben eerlijk en oprecht in alle gevoerde gesprekken en wens na een constructief gesprek, maandag 15-10-2018, mijn werkzaamheden bij onze fantastische locatie [naam woonzorglocatie] te hervatten. De enige in deze die dreigend en intimiderend is, bent u zelf. Werknemers hebben het recht om eerlijk en open discussie te voeren over te nemen verantwoordelijkheden. Ik overweeg evenals u aangifte te doen van smaad en laster inzake de gevoerde gesprekken met locatie-manager [naam 4] , [naam 6] en Locatiecoach [naam 2] .”

2.13

Op 15 oktober 2018 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [naam 6] , [naam 2] en [verweerder] . Aan het begin van het gesprek heeft [verweerder] een door hem opgestelde brief voorgelezen waarin het volgende is opgenomen:

“Mijn terechte teleurgesteldheid (jullie noemen het boosheid) komt door jullie intimiderende en dreigende houding in de genoemde gesprekken. Het is juridisch smaad en laster. Ik ben door meerdere personen geadviseerd hiervan aangifte te doen.

[…] Jullie laten je oren hangen naar roddels van 2 collega’s. Dit is infaam en niet chique. […]

Mijns inziens kunnen we beter werken naar een constructieve oplossing en energie en vooral geld stoppen in de verbetering van de hygiënespiegel. Er volgt een excuus van jullie over de ontstane situatie. Jullie nemen de verantwoordelijkheid voor de lage hygiënespiegel.”

2.14

In het gespreksverslag van 15 oktober 2018 dat zijdens Dagelijks Leven is opgemaakt staat onder meer het volgende:

“ [naam 2] maakt [voornaam verweerder] kenbaar dat hij in het gesprek van 10 oktober 2018 erg negatief was over Dagelijks Leven, directie, en collega’s. We zijn het gesprek open met hem aangegaan, maar [voornaam verweerder] stond niet open voor feedback. De punten van kritiek legde [voornaam verweerder] structureel buiten zichzelf, [voornaam verweerder] luisterde niet naar ons, maar gaf af op zijn collega’s, locatiemanagers en directie. […] Er was geen enkele vorm van zelfreflectie. […] De dreigende en intimiderende houding en het ongehoorde taalgebruik die tijdens het gesprek van 10 oktober 2018 aanwezig was, is na het gesprek door middel van privé berichten via social media en mails steeds heftiger geworden. De dwingende toon, dreigementen en gestelde eisen door [voornaam verweerder] hebben impact gehad op de betrokken collega’s.

[naam 2] geeft aan dat dit alles maakt dat wij geen grond meer zien voor een vruchtbare samenwerking. De arbeidsrelatie is inmiddels ernstig verstoord, met als hoofdzaak het bedreigende, intimiderende en dwingende gedrag van [voornaam verweerder] .

[…]

[naam 2] geeft aan zijn dienstverband in goed overleg af te willen sluiten en dat een beëindigingsovereenkomst dan een goede optie zou kunnen zijn.

[…]

[voornaam verweerder] geeft op dat moment aan weg te willen uit het gesprek en [naam 2] bespreekt het vervolg. [voornaam verweerder] ontvangt schriftelijk een voorstel voor de beëindiging. [voornaam verweerder] wordt per vandaag vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden en wordt niet meer op de locatie verwacht.

[…]

[voornaam verweerder] maakt nog een aantal denigrerende opmerkingen terwijl hij het kantoor verlaat.”

2.15

Op 13 november 2018 heeft [naam 2] een schriftelijke verklaring opgesteld waarin, voor zover thans van belang, het volgende is opgenomen:

“[…] Om collega’s, maar vooral bewoners te beschermen tegen het intimiderende gedrag van [voornaam verweerder] zijn de locatiemanagers met hem in gesprek gegaan op 9 oktober 2018.

[voornaam verweerder] heeft na het ontvangen van het gespreksverslag zodanig bedreigend en dwingend gereageerd via de mail dat locatiemanager [naam 6] en ik als locatiecoach op 10 oktober 2018 wederom met [voornaam verweerder] in gesprek zijn gegaan.

Bij binnenkomst op locatie trof ik [voornaam verweerder] aan in de keuken, ik heb de reden aangegeven waarom ik op locatie was en voelde me door zijn verbale en non-verbale agressie (zijn arm op een snelle en harde manier uitstekend voor mijn gezicht om aan te tonen waar hij geprikt wilde worden voor een bloedonderzoek inzake de verdenking van alcoholmisbruik) enorm geïntimideerd. De mate van zijn dreigende houding was zo hoog dat ik HR heb ingeschakeld om paraat te zijn voor het geval het zou escaleren en er een noodnummer gebeld moest worden.

Ondanks mijn open en rustige houding en hanteren van gesprekstechnieken was het niet mogelijk om een gesprek met [voornaam verweerder] te voeren. Hij was erg ontstemd en gefrustreerd, verbale agressie voerde de boventoon. [voornaam verweerder] was naar mij toe zeer brutaal, onverschillig, cynisch en ongeremd in zijn uitspraken. […]

Toen [voornaam verweerder] het kantoor uit ging ben ik meegelopen naar beneden om hem te begeleiden naar buiten omdat ik bang was dat hij mogelijk collega’s iets aan zou kunnen doen. Ik was op dat moment niet erg bang […], maar zag dat mijn collega (locatiemanager) heel bang was, ze beefde en huilde.

Ondanks zijn time-out heeft [voornaam verweerder] tijdens de time-out intimiderende berichten gestuurd naar mij en locatiemanager [naam 6] . Mijn bericht ontving ik via LinkedIn en ik werd geacht de volgende dag bij hem thuis te komen. Hier ben ik niet op ingegaan, mede door de afspraak van de time-out, maar ook omdat ik verwachtte dat hij tot alles in staat zou zijn.

Op 15 oktober 2018 wederom een gesprek gevoerd met [voornaam verweerder] . Ik zag tegen dit gesprek op door de bedreigingen aan ons adres. We hebben een collega gepositioneerd naast het kantoor waar we het gesprek met hem voerden omdat ik onze veiligheid niet kon garanderen. […]

[voornaam verweerder] bekijkt nog regelmatig mijn LinkedIn profiel, en dat voelt vervelend.

Ik zie geen enkele mogelijkheid tot het terugkeren van [voornaam verweerder] op locatie. De 2 locatie-managers […] zijn bang voor [voornaam verweerder] , dit spreken zij ook uit. Een gesprek voeren en feedback geven behoort niet tot de mogelijkheden, [voornaam verweerder] kan niets incasseren, feedback aan hem geven mondt uit in bedreigingen ontvangen. […]”

2.16

Eveneens op 13 november 2018 heeft [naam 6] een schriftelijke verklaring opgesteld waarin, voor zover thans van belang, het volgende is opgenomen:

“[…] Ik ben nog steeds verbaasd hoe dit alles zo heeft kunnen escaleren. De insteek van het eerste gesprek was zeker niet om [voornaam verweerder] in een zwart daglicht te zetten. […]

Toen ik 10 oktober 2018 met [naam 2] op locatie kwam, schrok ik erg van de toestand waarin [voornaam verweerder] zich verkeerde. Het was ook voelbaar in het gehele huis. Bewoners waren onrustig, medewerkers liepen in een boog om [voornaam verweerder] heen. […]

Er is te veel gebeurd op [naam woonzorglocatie] in Berkel en Rodenrijs. De terugkeer van

[voornaam verweerder] op deze locatie zou heel veel onrust teweeg brengen bij medewerkers en bewoners, die hebben gezien en gehoord hoe [voornaam verweerder] zich gedroeg. Als ik kijk naar een terugkeer binnen Dagelijks leven, locatie Delft: ook dit lijkt mij onmogelijk. Ik zou [voornaam verweerder] nooit meer kunnen aanspreken op functioneren, aangezien hij dan escaleert. Het vertrouwen dat dit zal veranderen heb ik niet. […]”

3 Het verzoek en de grondslag daarvan

3.1

Dagelijks Leven heeft verzocht voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden, primair op grond van verwijtbaar handelen en/of nalaten van [verweerder] en subsidiair op grond van een verstoorde arbeidsrelatie;

II. bij het bepalen van de einddatum geen rekening te houden met de opzegtermijn, nu de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen en/of nalaten van [verweerder] ;

III. te bepalen dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten en dientengevolge geen aanspraak kan maken op enige vergoeding (bijvoorbeeld maar niet beperkt tot een transitievergoeding of billijke vergoeding);

met veroordeling van [verweerder] in de proceskosten.

3.2

Aan haar verzoek heeft Dagelijks Leven naast de hiervoor vermelde vaststaande feiten

- zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag gelegd.

[verweerder] vertoont (vooral) sinds september 2018 (be)dreigend, dwingend en intimiderend gedrag. Ook laat hij zich erg negatief uit over Dagelijks Leven, de directie en zijn collega’s. [verweerder] is niet aanspreekbaar op zijn gedrag en geeft geen enkele blijk van zelfreflectie ten aanzien van zijn handelen. Tijdens de time-out die werd gegeven zodat [verweerder] even afstand kon nemen van de situatie, zocht [verweerder] juist op zeer destructieve wijze contact met zijn collega’s, leidinggevenden en de directie van Dagelijks Leven. Het gedrag van [verweerder] heeft veel impact op de betrokken collega’s. Zij wensen niet langer met hem samen te werken en voelen zich door hem bedreigd. De handelswijze van [verweerder] is voor Dagelijks Leven volstrekt ontoelaatbaar. Dagelijks Leven is hierdoor alle vertrouwen in [verweerder] verloren. Dagelijks Leven heeft zich ingespannen om de verstoring van de arbeidsverhouding te herstellen, maar dit heeft geen resultaat gehad. Herplaatsing ligt niet in de rede. Nu het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] , maakt [verweerder] ter zake van de beëindiging geen aanspraak op enige vergoeding. In het verlengde daarvan verzoekt Dagelijks Leven de arbeidsovereenkomst overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:671b lid 8 sub b BW met onmiddellijke ingang te ontbinden.

4 Het verweer

4.1

Het verweer strekt primair tot afwijzing van het verzoek en subsidiair, zo de arbeids-overeenkomst wordt ontbonden, tot toekenning aan [verweerder] van een billijke vergoeding ad € 20.000,00 alsmede, bij ontbinding op of na 22 mei 2019, een transitievergoeding en bij het bepalen van de einddatum rekening te houden met de opzegtermijn zonder aftrek van de proceduretijd.

4.2

[verweerder] heeft daartoe - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd.

[verweerder] ontkent dat hij verwijtbaar heeft gehandeld in de zin van artikel 7:669 lid 3 sub e BW, noch is sprake van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat in redelijkheid niet van Dagelijks Leven kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te laten voorduren. [verweerder] ziet de onderhavige procedure als een vergeldingsactie voor zijn kritische opstelling tegenover de leidinggevenden. [verweerder] heeft zijn leiding-gevenden namelijk herhaalde malen aangesproken op het feit dat de HACCP-standaard in [naam woonzorglocatie] , vanwege de suboptimale keukeninrichting alsmede de aan hem ter beschikking gestelde formatie-uren, niet kon worden gehaald. Dit heeft veel kwaad bloed gezet. [verweerder] heeft zich niet bedreigend, beledigend of intimiderend uitgelaten. Zijn taalgebruik is niet grof, onfatsoenlijk, bedreigend of beledigend. Dagelijks Leven heeft [verweerder] ook nooit enige waarschuwing gegeven. Dagelijks Leven heeft eenzijdig de conclusie getrokken dat de arbeidsverhouding ernstig en duurzaam is verstoord, terwijl van haar had mogen worden verwacht dat zij een externe mediator of andere derde zou inschakelen om tot herstel van de verhoudingen te komen. Dagelijks Leven heeft aldus onvoldoende gedaan om de problematiek op te lossen. Voorts is niet gebleken dat herplaatsing op een andere locatie van Dagelijks Leven is onderzocht. Dagelijks Leven heeft dan ook ernstig verwijtbaar gehandeld.

5 De beoordeling

5.1

Allereerst wordt vastgesteld dat van opzegverboden zoals bedoeld in artikel 7:671b lid 2 BW ten aanzien van het onderhavige verzoek niet is gebleken.

5.2

De kantonrechter kan de arbeidsovereenkomst tussen partijen op verzoek van Dagelijks Leven ontbinden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van [verweerder] in een andere passende functie binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, niet mogelijk is of niet in de rede ligt (artikel 7:671b lid 1 en 2 jo. 7:669 lid 1 BW). In artikel 7:669 lid 3 BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. Dagelijks Leven stelt dat de redelijke grond voor ontbinding primair is gelegen in verwijtbaar handelen van [verweerder] in de zin van artikel 7:669 lid 3 sub e BW. Subsidiair is volgens Dagelijks Leven sprake van een verstoorde arbeidsverhouding in de zin van artikel 7:669 lid 3 sub g BW.

5.3

De kantonrechter is van oordeel dat er onvoldoende grond is voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens verwijtbaar handelen als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub e BW. Wel is genoegzaam komen vast te staan dat sprake is van een verstoorde arbeids- relatie als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub g BW. De kantonrechter overweegt daartoe het volgende.

5.4

Het verweer van [verweerder] tegen de verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst bestaat in de eerste plaats uit blote ontkenningen van de hem verweten gedragingen. Zo ontkent [verweerder] dat hij zich intimiderend of bedreigend jegens zijn collega’s en/of leidinggevenden heeft uitgelaten. Het hele dossier is één grote leugen, aldus [verweerder] . Dit terwijl Dagelijks Leven de verwijten die zij [verweerder] maakt heeft onderbouwd met verschillende gespreksverslagen en verklaringen van diverse medewerkers en bovendien

(in ieder geval) het dwingende gedrag dat [verweerder] wordt verweten ook blijkt uit door Dagelijks Leven overgelegde stukken die van [verweerder] zelf afkomstig zijn. [verweerder] heeft dan ook onvoldoende gemotiveerd betwist dat hij zich heeft gedragen en uitgelaten zoals weergegeven in de door Dagelijks Leven overgelegde producties. Uit deze producties ontstaat, zoals ook door Dagelijks Leven is aangevoerd, het beeld van een werknemer die zich niet laat aanspreken op zijn functioneren en gedrag en, mede gelet op zijn manier van communiceren, de positie van zijn leidinggevende(n) miskent.

5.5

Ten aanzien van de onder 2.10 weergegeven email aan [naam 6] is onvoldoende komen vast te staan dat [verweerder] haar (gezin) heeft willen bedreigen. De tekst van het email-bericht is voor meerderlei uitleg vatbaar en [verweerder] heeft hierover ter zitting verklaard dat hij bedoelde aan te geven dat [naam 6] zich diende te realiseren welke impact de gebeurtenissen op hem en zijn gezin hadden en dat zij ook niet zou willen dat dit haar overkwam. Dit lijkt ook tot uitdrukking te komen in de laatste zinsnede “empathisch vermogen voorop stellen”. De kantonrechter geeft [verweerder] het voordeel van de twijfel. Van verwijtbaar handelen in de zin van artikel 7:669 lid 3 sub e BW is dan ook enkel op grond van bedoeld emailbericht naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake.

5.6

Desalniettemin is te verdedigen dat [naam 6] , gelet op de gebeurtenissen die zich voorafgaand aan het emailbericht hadden voorgedaan, de inhoud van de email als een bedreiging aan haar adres heeft opgevat. Het had dan ook op de weg van [verweerder] gelegen om, toen hem dit door de directeur van Dagelijks Leven duidelijk werd gemaakt, aan te geven dat sprake was van een misverstand en dat hij niet heeft bedoeld een dreigement te uiten. Door dit na te laten kan [verweerder] worden aangerekend dat de verhoudingen, nota bene tijdens de aan hem gegunde time-out, verder op scherp zijn komen te staan.

5.7

Namens [verweerder] is ter zitting in zekere mate erkend dat thans sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding. [verweerder] verwijt Dagelijks Leven echter dat zij onvoldoende heeft gedaan om de verhoudingen te normaliseren. Dagelijks Leven heeft hiertegen aangevoerd dat zij [naam 2] vanuit haar functie als locatiecoach als bemiddelaar heeft ingeschakeld, maar dat [verweerder] niet openstond voor een gesprek met haar. [verweerder] liet [naam 2] niet uitspreken, luisterde niet naar haar, wilde geen kritiek horen en stuurde aan op een rechtszaak, aldus Dagelijks Leven. Dagelijks Leven stelt zich op het standpunt dat gelet op het gebrek aan zelfinzicht van [verweerder] , geen uitzicht bestaat op verbetering.

5.8

Hoewel in beginsel van Dagelijks Leven als werkgever mag worden verwacht dat zij er het nodige aan doet om een verstoorde arbeidsverhouding te herstellen, is de kantonrechter met Dagelijks Leven van oordeel dat gelet op de houding van [verweerder] in deze niet meer van haar mocht worden verwacht dan zij heeft gedaan. [verweerder] verwijt Dagelijks Leven dat hij niet (genoeg) is gewaarschuwd, maar de onder 2.11 weergegeven waarschuwing van de directeur van Dagelijks Leven heeft geen verbetering gebracht en de situatie alleen maar verergerd. In dit kader is tevens van belang dat de houding van [verweerder] ter zitting evenmin aanknopingspunten biedt om te verwachten dat de verhoudingen tussen partijen zullen herstellen. Op de vraag hoe [verweerder] een en ander voor zich ziet, antwoordde hij dat hij graag wil praten, maar dat hij niet ingaat op leugens, waar het hele dossier vol mee zit. [verweerder] trekt zich geen enkele kritiek aan, hetgeen het door Dagelijks Leven gestelde gebrek aan zelfinzicht bevestigt. Illustrerend is in dit kader ook de stelling namens [verweerder] dat hij in reactie op het gespreksverslag van 9 oktober 2018 “in fatsoenlijke bewoordingen heeft gevraagd om de beschuldigingen van tafel te halen”.

5.9

Omdat [verweerder] zich op geen enkele wijze coöperatief heeft opgesteld, is te begrijpen dat voor Dagelijks Leven op enig moment geen draagvlak meer bestond voor een verdere samenwerking. Gelet op de verschillende verklaringen die Dagelijks Leven vervolgens bij het verzoekschrift heeft overgelegd, had [verweerder] op zijn minst bij zichzelf te rade moeten gaan hoe hij zou kunnen bijdragen aan herstel van de arbeidsrelatie. Door dit na te laten is naar het oordeel van de kantonrechter sprake van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding.

5.10

Gezien de betrekkelijk korte periode waarin de situatie is geëscaleerd alsmede het feit dat [verweerder] er niet voor is gewaarschuwd dat zijn gedrag zou leiden tot het einde van de arbeidsovereenkomst tussen partijen, kan, naast hetgeen hiervoor onder 5.5 is overwogen, niet worden geoordeeld dat sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] in de zin van artikel 7:669 lid 3 sub e BW. Het is immers niet duidelijk of [verweerder] zich bewust is geweest van de impact van zijn handelen en of het hem voldoende duidelijk was dat zijn gedrag niet werd getolereerd.

5.11

Herplaatsing van [verweerder] ligt in de gegeven omstandigheden niet in de rede.

5.12

Gelet op al het voorgaande wordt de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden op grond van artikel 7:669 lid 3 sub g BW.

5.13

Omdat geen sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen van [verweerder] worden de verzoeken weergegeven onder 3.1.II. en 3.1.III. afgewezen.

5.14

De arbeidsovereenkomst wordt dan ook ontbonden met inachtneming van de opzeg-termijn, derhalve per 1 april 2019. Van aftrek van de proceduretijd in de zin van artikel 7:671b lid 8 sub a BW, waartegen [verweerder] zich heeft verzet, is geen sprake omdat de tussen partijen geldende opzegtermijn slechts één maand - derhalve de minimaal in acht te nemen termijn - is.

5.15

[verweerder] heeft verzocht aan hem een billijke vergoeding toe te kennen. Gelet op het bepaalde in artikel 7:671b lid 8 sub c BW is voor toekenning van een billijke vergoeding alleen plaats indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Uit de voorgaande overwegingen volgt dat naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door Dagelijks Leven. Dagelijks Leven heeft in alle redelijkheid kunnen besluiten een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] na te streven. Het verzoek van [verweerder] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt dan ook afgewezen.

5.16

Het verzoek van [verweerder] tot toekenning van de transitievergoeding is evenmin toewijsbaar, omdat de arbeidsovereenkomst nog geen 24 maanden heeft geduurd (artikel 7:673 lid 1 BW).

5.17

De kantonrechter ziet in de aard van de procedure aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen op grond van het bepaalde in artikel 7:669 lid 3 sub g BW met ingang van 1 april 2019;

wijst de overige verzoeken van partijen af;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van de procedure draagt;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. T.M.J. Smits en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

673