Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:1874

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-03-2019
Datum publicatie
24-06-2019
Zaaknummer
7138094 CV EXPL 18-34056
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

overeenkomst van opdracht, 7:400 BW, aanbod en aanvaarding, 6:217 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zaaknummer: 7138094 CV EXPL 18-34056

Uitspraak: 15 maart 2019

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

1 [eiser 1] , en

2. [eiser 2],

beiden wonende te ’ [woonplaats] ,

eisers bij exploot van dagvaarding van 7 augustus 2018,

gemachtigde: mr. H. Weisfelt te ‘s-Gravenhage,

tegen

[gedaagde] handelend onder de naam [handelsnaam],

wonende te Capelle aan den IJssel,

gedaagde,

gemachtigde: mr. A.A.R. van Eijsden te Rijswijk.

Partijen worden hierna ‘ [eiser 1] c.s.’ respectievelijk ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken:

 de dagvaarding, met producties;

 de conclusie van antwoord, met producties;

 de conclusie van repliek tevens houdende wijziging van eis, met producties;

 de conclusie van dupliek.

1.2

De datum van de uitspraak van dit vonnis is door de kantonrechter op heden bepaald.

2 Het geschil

2.1

[eiser 1] c.s. hebben -na eiswijziging bij repliek- gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. te verklaren voor recht dat er sprake is van een overeenkomst van opdracht tussen [gedaagde] en [eiser 1] c.s.,

  2. te verklaren voor recht dat [gedaagde] toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst met [eiser 1] c.s. en uit dien hoofde gehouden is de schade die [eiser 1] c.s. daardoor geleden hebben te vergoeden, en

  3. [gedaagde] te veroordelen om aan [eiser 1] c.s. tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen € 20.266,96, vermeerderd met de wettelijke handelsrente althans de wettelijke rente daarover vanaf 18 augustus 2015 tot de dag der algehele voldoening,

met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure alsook in de nakosten, al deze kosten eveneens vermeerderd met wettelijke rente.

2.2

Aan die vordering hebben [eiser 1] c.s. -samengevat en voor zover thans van belang- ten grondslag gelegd dat zij zich voor de financiering van een door hen gekochte woning hebben gewend tot twee hypotheekadviseurs, te weten de heer [naam] , verbonden aan [naam bedrijf] , (hierna te noemen: ‘ [naam bedrijf] ’) en [gedaagde] . Uiteindelijk heeft [gedaagde] op 10 juli 2015 via ‘De Financiële Makelaar’ voor [eiser 1] c.s. een hypotheekaanvraag bij Aegon gedaan en op 15 juli 2015 hebben [eiser 1] c.s. de daarop door Aegon afgegeven offerte voor akkoord getekend. Voorts heeft hij voor [eiser 1] c.s. een financieringsopzet opgesteld, heeft hij namens [eiser 1] c.s. gebruik gemaakt van de diensten van ‘Taxatiepunt’ en heeft hij, op 31 juli 2015, een aantal documenten opgevraagd bij [eiser 1] c.s. om de hypotheekaanvraag bij Aegon compleet te maken.

Uiteindelijk werd de hypotheekaanvraag door Aegon pas op 2 oktober 2015 afgewezen, ruim nadat de termijn waarvoor het in de koopovereenkomst opgenomen voorbehoud van financiering -op 18 augustus 2015- was verstreken. Dit heeft ertoe geleid dat [eiser 1] c.s. de woning niet konden afnemen en de voor dat geval overeengekomen boete groot 10% van de koopsom verschuldigd zijn geworden. Die boete is door middel van de door BNP Paribas Cardif, op aanvraag van [gedaagde] , ten behoeve van [eiser 1] c.s. gestelde bankgarantie voldaan. Door dit alles zijn [eiser 1] c.s. BNP Paribas Cardif € 20.266,96 verschuldigd geworden.

[eiser 1] c.s. stellen zich op het standpunt dat [gedaagde] gehouden is hen dit bedrag te vergoeden nu hij toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de tussen [eiser 1] c.s. en hem gesloten overeenkomst van opdracht tussen partijen. [gedaagde] heeft namelijk in strijd met de op hem, als hypotheekadviseur van [eiser 1] c.s., rustende zorgplicht verzuimd om hen, terwijl zij de Nederlandse taal niet machtig zijn en ondeskundig zijn op het gebied van hypotheken, te informeren over het feit dat de financiering niet vóór het verstrijken van de termijn waarvoor het voorbehoud gold, rond zou komen, en wat de gevolgen zouden zijn van het overschrijden van die termijn. Zo waren [eiser 1] c.s. er niet van op de hoogte dat dit het verbeuren van een boete van 10% van de koopsom kon meebrengen. Indien [gedaagde] hen ter zake wel (tijdig) geïnformeerd zou hebben, dan hadden [eiser 1] c.s. het voorbehoud nog tijdig kunnen inroepen of de termijn daarvan kunnen (trachten te) verlengen, teneinde de boete te voorkomen. Daarbij komt nog dat voor het kunnen inroepen van dat voorbehoud volgens de koopovereenkomst twee afwijzingen van geldverstrekkende instellingen vereist zouden zijn geweest, terwijl [gedaagde] voor het verstrijken van de termijn slechts bij één instelling een hypotheekaanvraag had gedaan.

2.3

[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd, dat strekt tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van [eiser 1] c.s. in de kosten van de procedure. Op hetgeen hij in dat verband naar voren heeft gebracht en op hetgeen [eiser 1] c.s. (mede in reactie daarop) overigens nog hebben aangevoerd, wordt hierna, voor zover voor de uitkomst van de procedure van belang, bij de beoordeling teruggekomen.

3 De beoordeling

3.1

De eerste vraag die hier moet worden beantwoord, is de vraag of, naar [eiser 1] c.s. aan hun vordering ten grondslag hebben gelegd maar [gedaagde] gemotiveerd heeft bestreden, sprake is van een overeenkomst van opdracht tussen partijen ter zake van door [gedaagde] ten behoeve van [eiser 1] c.s. te verrichten werkzaamheden als hypotheekadviseur.

3.2

[eiser 1] c.s. hebben ter adstructie van hun standpunt dat dit het geval is, aangevoerd dat hoewel een schriftelijke bevestiging van de opdracht door [gedaagde] nimmer werd verstrekt, hetgeen voor zijn risico behoort te komen, uit de in het geding gebrachte stukken blijkt dat [gedaagde] namens hen heeft opgetreden bij het doen van de hypotheekaanvraag bij Aegon en hij hen heeft bijgestaan bij het verkrijgen van de bankgarantie bij BNP Paribas Cardif terwijl ook van de zijde van [naam bedrijf] schriftelijk is verklaard dat niet zij maar [gedaagde] [eiser 1] c.s. heeft begeleid bij de financiering van de woning.

3.3

[gedaagde] heeft hiertegenover echter een andere lezing van de feiten gesteld. Volgens hem is het zo dat [eiser 1] c.s. [naam bedrijf] hebben ingeschakeld als hypotheekbemiddelaar. Deze heeft vervolgens telefonisch aan [gedaagde] gevraagd de hypotheekaanvraag voor [eiser 1] c.s. namens haar te verzorgen. Daarbij werd afgesproken dat [gedaagde] uitsluitend die aanvraag zou verzorgen en dat [naam bedrijf] de overige werkzaamheden zou verrichten en zij daarvoor ook verantwoordelijk bleef. [gedaagde] heeft de hypotheekaanvraag vervolgens via ‘De Financiële Makelaar’ ingediend bij Aegon, waarna deze een offerte heeft uitgebracht. Deze offerte werd op 15 juli 2015 door [eiser 1] c.s. ondertekend en op 14 en 31 juli 2015 heeft [gedaagde] diverse (door Aegon benodigde) documenten opgevraagd bij [eiser 1] c.s. Voorts heeft [gedaagde] er onder meer op gewezen dat de verkopend makelaar op 30 juli 2015 de koopovereenkomst per e-mail heeft gezonden aan [naam bedrijf] (productie 2 bij conclusie van antwoord), gelijk ook de ingebrekestelling aan het adres van [eiser 1] c.s. op 16 oktober 2015 per e-mail door die makelaar aan [naam bedrijf] werd gestuurd (productie 3 bij die conclusie) en op 26 oktober 2015 een e-mail houdende een ‘vordering tot nakoming’ (productie 4 bij diezelfde conclusie).

[gedaagde] stelt zich dan ook op het standpunt dat er geen overeenkomst van opdracht is gesloten tussen [eiser 1] c.s. en hem. Zij hebben zich tot [naam bedrijf] -en niet ook tot [gedaagde] - gewend om de hypotheekaanvraag te verzorgen. Omdat [naam bedrijf] zelf niet in de gelegenheid was dat te doen, heeft zij [gedaagde] gevraagd de hypotheekaanvraag namens haar te verzorgen, waarvoor zij haar kantoor ter beschikking heeft gesteld voor overleg tussen [eiser 1] c.s. en [gedaagde] . Hij zou dus enkel, als hulppersoon van [naam bedrijf] , de hypotheekaanvraag verzorgen terwijl [naam bedrijf] [eiser 1] c.s. zelf verder zou adviseren. Van de door [eiser 1] c.s. gestelde contractuele relatie tussen hen en [gedaagde] is dan ook geen sprake. Aldus [gedaagde] .

3.4

De kantonrechter stelt voorop dat indien wordt uitgegaan van de door [eiser 1] c.s. aan hun vordering ten grondslag gelegde overeenkomst van opdracht (als bedoeld in artikel 7:400 BW) tussen hen en [gedaagde] , er sprake moet zijn geweest van een door [gedaagde] ter zake gedaan aanbod dat daarop door [eiser 1] c.s. is aanvaard (artikel 6:217 BW). Daarbij gelden overigens geen vormvereisten zodat een en ander ook mondeling kan zijn geschied. Evenwel impliceert één en ander dat tussen [eiser 1] c.s. en [gedaagde] tenminste is besproken welke werkzaamheden hij in hun -rechtstreekse- opdracht en voor hun rekening zou gaan verrichten en welke financiële vergoeding daar dan tegenover zou staan. Uitgaande van de juistheid van de door [eiser 1] c.s. betrokken stelling is [gedaagde] de overeenkomst van opdracht immers aangegaan in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf, zodat hij op de voet van artikel 7:405 lid 1 BW recht heeft op loon, terwijl overigens ook niet aangevoerd is dat [gedaagde] de gestelde werkzaamheden om niet zou verrichten.

3.5

Geoordeeld wordt dat het gelet op het door [gedaagde] gevoerde verweer -dat hij door [naam bedrijf] als hulppersoon is ingeschakeld en niet rechtstreeks met [eiser 1] c.s. heeft gecontracteerd- hier op de weg van [eiser 1] c.s. zou hebben gelegen nadere feiten en omstandigheden aan te voeren, en die zoveel als mogelijk te onderbouwen, die, indien bewezen, tot de conclusie nopen dat hier sprake is geweest van aanbod en aanvaarding in vorenbedoelde zin. Bij dagvaarding hebben zij ter zake (immers) weinig méér gesteld dan dat zij zich voor de financiering van de woning hebben gewend tot twee hypotheekadviseurs - [naam bedrijf] en [gedaagde] - en erop gewezen dat [gedaagde] een aantal werkzaamheden te hunner behoeve heeft verricht. Die omstandigheden zijn echter ook te rijmen met het door [gedaagde] gevoerde verweer dat hij die werkzaamheden op diens verzoek als hulppersoon van [naam bedrijf] heeft verricht en dat van een (rechtstreekse) overeenkomst tussen hem en [eiser 1] c.s. geen sprake is geweest.

3.6

Een dergelijke nadere en voldoende concrete onderbouwing hebben [eiser 1] c.s. bij conclusie van repliek echter niet verstrekt. Dat heeft tot gevolg dat hun stelling -die de vordering zou moeten dragen- dat hier sprake is (geweest) van de door hen gestelde (rechtstreekse) overeenkomst van opdracht tussen hen en [gedaagde] (in de nakoming waarvan [gedaagde] jegens hen tekortgeschoten zou zijn) als onvoldoende onderbouwd wordt verworpen. Aan bewijslevering wordt dan ook niet toegekomen.

3.7

Hiermee is de bodem aan het door [eiser 1] c.s. gevorderde komen te ontvallen. Hun vordering wordt dan ook integraal afgewezen. Dat brengt met zich dat de overige verweren van [gedaagde] geen bespreking (meer) behoeven.

3.8

[eiser 1] c.s. worden, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van de procedure veroordeeld.

4 De beslissing

De kantonrechter:

 wijst het door [eiser 1] c.s. gevorderde af;

 veroordeelt [eiser 1] c.s. in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op € 960,- aan salaris voor zijn gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.I. Mentink en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

654