Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:1772

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-03-2019
Datum publicatie
07-03-2019
Zaaknummer
10/811186-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewijsconstructie moord. Gedragingen van de verdachte voor, tijdens en kort na het feit dragen bij aan de voorbedachte raad. Eis: 14 jaar GVS met aftrek van voorarrest en TBS met bevel tot verpleging. Verdachte is, gelet op de inhoud van de over hem uitgebrachte rapportages, verminderd toerekeningsvatbaar. Rechtbank legt op 10 jaar GVS met aftrek voorarrest en TBS met bevel tot verpleging. Benadeelde partijen: Materiele schade grotendeels toegewezen. Vorderingen ter zake shockschade toewijsbaar geacht, waarbij voor wat betreft de hoogte is aangesloten bij de forfetaire bedragen uit de Wet affectieschade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/811186-17

Datum uitspraak: 5 maart 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie De Schie,
raadsman mr. L.A.R. Newoor, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 11 februari 2019 en 5 maart 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. P. Swaak heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het impliciet primair ten laste gelegde (moord);

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaren met aftrek van voorarrest, alsmede ter beschikkingstelling van de verdachte met bevel tot dwangverpleging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Inleiding

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben op de terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

Op 22 september 2017 omstreeks 06:00 uur is in recreatiegebied “ De Krabbeplas ” in Vlaardingen het stoffelijk overschot van de 21-jarige [naam slachtoffer] (verder: het slachtoffer) gevonden. Het slachtoffer lag deels in een sloot.

Uit onderzoek van de patholoog volgt dat aan het hoofd, de hals, de nek en de borstkas van het slachtoffer in totaal 16 scherprandige perforaties zijn aangetroffen, die geduid zijn als steekletsels. Het overlijden van het slachtoffer wordt verklaard door de gevolgen van vier bij leven opgelopen steekletsels aan de hals.

Tijdens het politieverhoor van 12 juli 2018 en op de zitting van 11 februari 2019 heeft de verdachte verklaard dat hij het slachtoffer in de nacht van 22 september 2017 van haar werk heeft opgehaald. Na enige tijd te hebben rondgereden is hij met het slachtoffer naar “ De Krabbeplas ” gereden. Aldaar zijn zowel het slachtoffer als de verdachte de auto uit gegaan en heeft de verdachte het slachtoffer op enig moment een aantal keer met een mes in het lichaam, waaronder de hals(streek) van het slachtoffer, gestoken. Vervolgens heeft de verdachte het lichaam van het slachtoffer versleept naar het water en is hij weggegaan.

Op grond van de inhoud van het rapport van de patholoog in samenhang met de verklaring van de verdachte op zitting, stelt de rechtbank vast dat het slachtoffer op 22 september 2017 in Vlaardingen is overleden als gevolg van vier door de verdachte met een mes veroorzaakte steekletsels aan de hals. Alleen al op basis van de uiterlijke verschijningsvorm van handelen van verdachte, te weten het toebrengen van in totaal zestien steekverwondingen waarvan vier in de hals, volgt dat de verdachte het slachtoffer opzettelijk van het leven heeft beroofd.

4.2

Wel of geen voorbedachte raad

Gelet op de inhoud van de tenlastelegging dient vervolgens de vraag te worden beantwoord of het handelen van de verdachte moord of doodslag oplevert, dus of wel of niet bewezen kan worden dat verdachte bij het steken met voorbedachte raad heeft gehandeld.

4.2.1

Standpunt officier van justitie

Kernachtig samengevat heeft de officier van justitie gesteld dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad en dat het handelen van verdachte (dus) als moord moet worden gekwalificeerd.

4.2.2

Standpunt verdediging
De verdediging geeft aan dat geen sprake is geweest van voorbedachte raad bij het handelen van de verdachte en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

In de nacht van 22 september 2017 zijn het slachtoffer en de verdachte naar “ De Krabbeplas ” gereden om rustig met elkaar te praten. Op enig moment ontstond er ruzie over geld in relatie tot de drugshandel van de verdachte. Het slachtoffer is daarbij erg boos geworden en zij heeft een mes uit haar tas gepakt. Daarmee heeft zij vervolgens geprobeerd de verdachte te steken. Hierop is de verdachte uit de auto gesprongen en is hij weggerend. Het slachtoffer is achter de verdachte aan gerend, terwijl zij een mes in haar hand had en zij bedreigingen uitte. Tijdens de achtervolging van de verdachte door het slachtoffer die op dat moment nog steeds het mes in handen had, heeft de verdachte kans gezien de tas met inhoud en de telefoon van het slachtoffer op te pakken en deze ver weg in het water te gooien. Op enig moment heeft het slachtoffer de verdachte naar de grond geduwd. Tijdens de worsteling die hierop is gevolgd, heeft het slachtoffer de verdachte met het mes in zijn rechterkuit geraakt. Vervolgens heeft de verdachte het mes afgepakt, is hij –naar eigen zeggen- “geflipt” en heeft hij vele keren op de hals en het lichaam van het slachtoffer ingestoken.


De raadsman heeft aangevoerd dat het handelen van de verdachte om bovenstaande reden geen moord, maar doodslag oplevert. De verdachte heeft in een opwelling gehandeld en dit gegeven is niet verenigbaar met het aannemen van voorbedachte raad. Die opwelling was het gevolg van het feit dat het slachtoffer tijdens de ruzie de verdachte begon te steken met een mes. Dat ook voorafgaand aan die ruzie niets aan de hand was, blijkt uit één van de in die nacht verzonden S.O.S.-berichten aan de broer van het slachtoffer, waarin ze liet weten dat zij, het slachtoffer, “oké is”. Ook uit de bij het verzenden van de S.O.S.-berichten opgenomen geluidsfragmenten volgt niet dat op dat moment sprake was van een (dan) al uit de hand gelopen situatie. Van een vooropgezet plan, kalm beraad en rustig overleg was dan ook geen sprake. Het handelen van de verdachte ná de geweldshandelingen kan niet bijdragen aan het bewijs voor de voorbedachte raad, omdat het element ‘voorbedachte raad’ naar zijn inhoud betrekking heeft op de fase voorafgaand aan de later door verdachte gepleegde geweldshandelingen. Ook de verklaringen van getuigen over relationele problemen en (vermeend) geweld van de verdachte ten opzichte van het slachtoffer kunnen in dit kader niet voor het bewijs worden gebruikt, omdat al deze verklaringen niet op eigen waarneming van deze getuigen berusten en niets zeggen over hetgeen er die nacht is gebeurd. De (doods)bedreigingen die de verdachte in de periode vóór 22 september 2017 via app-berichten naar het slachtoffer heeft verstuurd, heeft de verdachte niet gemeend en moeten in de context van een eerdere ruzie worden gezien. Deze berichten kunnen daarom evenmin meewerken aan het bewijs voor voorbedachte raad. Dit alles moet er in de visie van de verdediging toe leiden dat vrijspraak moet volgen van het primair ten laste gelegde, de moord.

4.2.3

Inleiding bespreking verweer

De rechtbank zal hierna eerst bespreken of zij de lezing die de verdachte geeft omtrent de gebeurtenissen voorafgaand aan de dodelijke steken geloofwaardig acht. De rechtbank zal daarna aangeven welke feiten en omstandigheden zij betrekt bij het beoordelen van de ten laste gelegde gedragingen van verdachte, meer in het bijzonder of hieruit voorbedachte raad volgt.

4.2.4

Verwerping scenario verdachte
Uit het forensisch rapport van 24 oktober 2018 volgt dat onderzoek is verricht naar de door de verdachte bedoelde verwonding op zijn rechterkuit. Geconcludeerd wordt dat de huidverkleuring met een diameter van 6 millimeter waarschijnlijk is opgelopen door een puntig voorwerp of uitsteeksel. Nadere bepaling van wanneer dit letsel is ontstaan, is maar beperkt mogelijk: de arts geeft aan dat het litteken een ouderdom heeft van tenminste meerdere maanden, maar mogelijk al meerdere jaren aanwezig is.

De rechtbank is van oordeel dat deze minimale verwonding niet direct lijkt te passen bij het door de verdachte geschetste scenario waarbij het slachtoffer met een mes in de kuit van de verdachte zou hebben gestoken. Ook het (late) moment waarop de verdachte met deze verklaring is gekomen en voor het eerst over de verwonding heeft verteld, te weten 12 juli 2018, maakt dat geen ander of nader forensisch onderzoek meer kan worden gedaan naar de ouderdom en/of het ontstaan van het litteken op de kuit van verdachte. Er is geen enkele aanwijzing –naast de eigen verklaring van de verdachte- die steun geeft aan zijn verklaring dat hij die nacht (door toedoen van het slachtoffer) een verwonding aan zijn kuit heeft opgelopen. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitgebreide en gedetailleerde verklaringen van verschillende personen die de verdachte in de nacht en/of in de ochtend van 22 september 2017 hebben gezien en/of aan het lichaam hebben onderzocht. Er is geen letsel en/of bloeding op/aan de kuit van de verdachte waargenomen, terwijl verdachte bij het moment van aanhouding en boeien in zijn onderbroek op bed lag en hij door een verbalisant is gecontroleerd. Ook de verdachte zelf heeft niets laten merken van een die nacht opgelopen verwonding en heeft daarover niets gezegd. Ook voor het overige bevat het dossier geen enkel aanknopingspunt voor de lezing van de verdachte.

Dat het slachtoffer een mes bij zich zou hebben gedragen en/of dat zij geld uit haar (beweerdelijke) aandeel in de drugshandel van verdachte tegoed had van de verdachte en dit (op gewelddadige wijze of anderszins) van hem zou hebben opgeëist, vindt geen enkele steun in het dossier.

De rechtbank stelt vast dat er naast de eigen verklaring van verdachte in het hele dossier geen enkele steun is te vinden voor de feiten zoals die volgens verdachte zouden zijn voorafgegaan aan de door hem toegebrachte fatale steken. Om die reden wordt zijn scenario als ongeloofwaardig terzijde geschoven.

4.2.5

Beoordeling voorbedachte raad

Volgens vaste jurisprudentie is voor bewezenverklaring van voorbedachte raad nodig dat de verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

De rechtbank heeft hierboven aangegeven waarom zij geen enkel geloof hecht aan de verklaring van de verdachte over de aanleiding van zijn handelen. Hierna zal de rechtbank aandacht besteden aan feiten en omstandigheden die blijken uit de bewijsmiddelen in het dossier. Het gaat daarbij om feiten en omstandigheden voorafgaand aan het toebrengen van de steekverwondingen, gedragingen kort na de dodelijke steken op en nabij de plaats delict, maar ook feiten en omstandigheden van nadien die echter wel in verband zijn te brengen met de verdachte.

Uit het dossier volgt dat de verdachte in de weken voorafgaand aan 22 september 2017 verschillende concrete doodsbedreigingen heeft geuit tegen het slachtoffer naar aanleiding van het verbreken van de relatie. Als voorbeeld wijst de rechtbank op het navolgend bericht van 9 september 2017 “Als jij denkt. Dat je nu bij me weg gaat. Dan ga ik jouw dood maken. Geloof mij. Dat ga ik zeker doen (..) Als jij denkt dat je niet meer bij me terug gaat komen. Dan ga ik jouw zeker. Wat aan doen”. Ook uit andere berichten blijkt genoegzaam dat de verdachte het niet kon accepteren dat de relatie was verbroken. Uit alle uitlatingen van het slachtoffer, zowel mondeling tegenover getuigen en schriftelijk (middels app-berichten) naar de verdachte blijkt dat zij de relatie met de verdachte had verbroken maar dat zij zich zorgen maakte over zijn én haar welzijn, omdat de verdachte bij herhaling had aangegeven haar en/of zichzelf iets aan te zullen doen.

Uit de vele getuigenverklaringen en verschillende app-berichten van de verdachte aan het slachtoffer, ontstaat het beeld dat de verdachte gedurende de relatie met het slachtoffer al meer dan eens fysiek gewelddadig is geweest in haar richting, maar (vooral) ook van een persoon die zeer veel moeite had met het gegeven dat de relatie met het slachtoffer voorbij was. Het slachtoffer heeft in die tijd tegenover veel verschillende getuigen, zowel uit haar familie- en vriendenkring, maar ook tegenover collega’s op haar werk, bij herhaling gezegd dat zij ontzettend bang was voor de verdachte en zijn eventuele reactie op nieuwe ontwikkelingen in het persoonlijke leven van het slachtoffer, zoals het aangaan van een nieuwe relatie. Doordat het slachtoffer vreesde voor haar eigen veiligheid heeft zij een S.O.S. nood-app op haar telefoon geïnstalleerd zodat zij in geval van nood haar broer kon berichten.
Ook in de middag en avond van 21 september 2017 heeft de verdachte nog dergelijke berichten gestuurd aan het latere slachtoffer: “Ik ben zo zwaar aan het trippen in me hoofd ik kan niet rustig staan of zitten niks“ en “dat doet me pijn dat jij ziet hoe erg ik lijdt en jij dood leuk met een of andere jongen bezig bent daarvoor doe jij dit allemaal en ik zeg je eerlijk kan gewoon niet kijk hou er aub mee op met die jongen”.

Tevens heeft hij aan het slachtoffer gevraagd of ze elkaar konden spreken omdat “het dringend is”. Omdat het slachtoffer op dat moment aan het werk was, heeft hij haar die nacht bij haar werk opgehaald. Wat vervolgens precies in de auto is gebeurd, is onduidelijk gebleven. Wel is gebleken dat het slachtoffer in het bijzijn van de verdachte 11 S.O.S.-berichten naar haar broer heeft verstuurd. Niet is gebleken dat zij dit eerder/vaker had gedaan. Tegelijk met het verzenden van een S.O.S.-bericht is telkens een korte geluidsopname gemaakt. Uit die geluidsbestanden blijkt onder meer dat het slachtoffer de verdachte in de auto een aantal keren heeft gesmeekt haar thuis te brengen. Op het geluidsbestand bij het S.O.S.-bericht van 03:10:51 uur is duidelijk te horen dat zij op dat moment tegen de verdachte heeft gezegd dat zij echt bang is. De verdachte heeft het slachtoffer die nacht niet naar huis gebracht, maar is met haar naar recreatiegebied “ De Krabbeplas ” gereden, op dat tijdstip een donkere en zeer afgelegen plek.

Bij gebrek aan aanwijzingen voor het tegendeel -buiten de verklaring van de verdachte dat het slachtoffer die nacht een mes bij zich zou hebben gehad- kan het niet anders zijn dan dat het de verdachte zelf is geweest die het mes, waarmee hij enige tijd later de dodelijke steken heeft toegebracht, heeft meegenomen naar “ De Krabbeplas ”. Ook moet hij het mes hebben meegenomen toen hij met het slachtoffer de auto verliet, omdat uit het (bloed)sporenbeeld volgt dat de verdachte de dodelijke steken aan het slachtoffer buiten de auto moet hebben toegebracht.

De verdachte heeft het slachtoffer in totaal zestien steekverwondingen toegebracht. Op het moment dat de verdachte op het slachtoffer heeft ingestoken, moet zij zich aanvankelijk nog hebben afgeweerd, zoals door de rechtbank wordt afgeleid uit de forse (afweer)letsels op beide handen van het slachtoffer.

Kort nadat de verdachte het slachtoffer de dodelijke steekletsels had toegebracht, heeft hij het slachtoffer naar een andere plaats versleept, waar zij door de politie met het hoofd in het water is aangetroffen. De verdachte heeft de telefoon van het slachtoffer weggegooid in het water en heeft eveneens het bij het delict gebruikte mes weggemaakt. Vervolgens heeft hij bij een kennis (de getuige [naam getuige] ) zijn bebloede kleding uitgedaan en heeft hij de kleding in de woning van deze getuige gewassen of tegen betaling laten wassen. Ook heeft de verdachte die nacht al, dus kort na het delict, de auto waarin hij samen met het slachtoffer naar “ De Krabbeplas ” was gegaan, schoongemaakt en gestofzuigd.

Iets meer dan een uur nadat de verdachte de dodelijke steken had toegebracht aan het slachtoffer, is hij aangesproken door de politie. Hij reageerde op dat moment heel kalm en heeft verschillende, leugenachtig gebleken, verklaringen afgelegd over het wel of niet zien van het slachtoffer op 21 september 2017. De rechtbank kent echter (vooral) ook waarde toe aan de omstandigheid dat de verdachte in deze contacten, kort na de dodelijke steekpartij, een rustige indruk maakte op de politieambtenaren die met hem spraken. Anders dan de verdachte ter zitting heeft aangevoerd is niets gebleken dat –ook niet achteraf- erop wijst dat verdachte op dat moment in een shocktoestand verkeerde.

De verdachte heeft op een zeer laat tijdstip een inhoudelijk ongeloofwaardige verklaring afgelegd over zijn handelen. Gelet daarop is de rechtbank genoodzaakt het gedrag van de verdachte te beoordelen aan de hand van de uiterlijke verschijningsvorm ervan op basis van uit de bewijsmiddelen volgende feiten en omstandigheden.

Gelet op alle hiervoor genoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte in afdoende mate tijd en gelegenheid moet hebben gehad zich te beraden op het besluit om zijn eerdere doodsbedreigingen ten uitvoer te brengen en het slachtoffer te doden. De verdachte moet, alleen al gelet op het tijdsverloop tussen alle beschreven handelingen, tevens ook de gelegenheid hebben gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en moet zich daarvan rekenschap hebben kunnen geven. Anders gezegd: boven genoemde feiten en omstandigheden duiden niet op een handelen van verdachte vanuit een plotselinge opwelling.

De conclusie is dat de ten laste gelegde voorbedachte raad wettig en overtuigend bewezen is.

4.3

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 22 september 2017 te Vlaardingen ,

opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd
[naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte

- met kracht meermalen met een mes, gestoken in de hals, van die [naam slachtoffer] .

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

Moord

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf en maatregel

De straf en maatregel die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Nadat het slachtoffer de relatie tussen haar en de verdachte had beëindigd, heeft de verdachte haar meermalen met de dood bedreigd. Vervolgens heeft de verdachte in de bewuste nacht het slachtoffer opgehaald en is hij met haar naar een afgelegen plek gereden. Daar heeft hij het slachtoffer met een mes zestien keer in de hals en het lichaam gestoken. Het lichaam van het slachtoffer heeft hij naar een slootkant versleept en daar achtergelaten.

Verdachte heeft het 21-jarige slachtoffer met voorbedachte raad van het leven beroofd.

Door zijn handelen heeft verdachte met voorbedachte raad een medemens het meest kostbare ontnomen wat een mens heeft, zijn leven. Dat feit en de brute wijze waarop het slachtoffer om het leven is gebracht, heeft een nagenoeg onbeschrijflijk groot leed en verdriet teweeg gebracht bij de nabestaanden, zoals ook is gebleken uit de ter zitting voorgelezen slachtofferverklaringen van de ouders en de broer van het slachtoffer. Deze nabestaanden hebben op de zitting verteld hoe diep het overlijden van hun dochter en zusje hun levens en die van vele anderen heeft geraakt. Zij lijden niet alleen onder het verdriet en het gemis door het overlijden van het slachtoffer, maar ook doordat zij niet precies weten hoe het slachtoffer de laatste uren van haar leven heeft doorgebracht. Ook uit de grote belangstelling van verdere nabestaanden en andere aanwezigen bij de zitting blijkt de impact van het bewezenverklaarde feit. Een buitengewoon ernstig en schokkend feit zoals deze moord versterkt gevoelens van onveiligheid en angst in de samenleving.

Op het bewezenverklaarde feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een zeer lange gevangenisstraf. Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank rekening gehouden met de volgende feiten en omstandigheden.

Allereerst heeft de rechtbank gekeken naar de straffen die in min of meer vergelijkbare zaken zijn opgelegd.

In het nadeel van de verdacht is meegewogen dat hij in de uren nadat hij het feit had gepleegd alles heeft gedaan om sporen weg te maken en het onderzoek naar eventuele sporen te bemoeilijken. De rechtbank leidt (mede) daaruit af dat verdachte bij het plegen van het feit koelbloedig en berekenend te werk is gegaan. Op de zitting heeft de verdachte bij de rechtbank een onbewogen en weinig empathische indruk gemaakt. Hoewel hij ter zitting heeft bekend verantwoordelijk te zijn voor haar dood, heeft hij daarbij op geen enkele wijze een bijpassende emotie getoond, ook niet tijdens het voorlezen van de zeer emotioneel zeer ingrijpende slachtofferverklaringen.

Eveneens is meegewogen dat de verdachte na zijn aanhouding bijna een jaar lang heeft gewacht met het afleggen van zijn verklaring. De verdachte heeft het recht die proceshouding aan te nemen, maar het gevolg van zijn keuze is wel dat hij de nabestaanden bijna een jaar langer in onzekerheid heeft laten verkeren over zijn betrokkenheid bij de dood van het slachtoffer. Ook heeft de inhoudelijke behandeling van de strafzaak hierdoor een vertraging opgelopen, en beide omstandigheden zijn extra belastend geweest voor de nabestaanden.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van 23 januari 2019 blijkt dat de verdachte de afgelopen vijf jaren niet met politie en justitie in aanraking is geweest.

De mate van toerekenbaarheid van de verdachte weegt eveneens mee bij het bepalen van de uiteindelijke strafmaat. De officier van justitie heeft aangevoerd dat de conclusie in het pro justitia rapport van 31 januari 2019, dat inhoudt dat het feit de verdachte in verminderde mate toegerekend kan worden, niet in het voordeel van de verdachte moet meewegen omdat de rapporteurs in het rapport zelf aangeven geen uitspraak te kunnen doen over het verband tussen de persoon van de verdachte en het ten laste gelegde feit.

Uit het op 10 augustus 2018 door het Pieter Baan Centrum opgemaakt rapport volgt dat, ondanks de weigering van verdachte zijn medewerking te verlenen, op grond van contactmomenten en observaties, milieuonderzoek, politiemutaties, het strafdossier en de stukken van een oude strafzaak, een consistent en overtuigend beeld omtrent de persoon van de verdachte is ontstaan. Bij de verdachte is, zo blijkt uit dit rapport, sprake van een langdurig en consistent patroon van egocentrische gerichtheid, problemen in de agressieregulatie en een hoge mate van krenkbaarheid. De verdachte vertoont controlerend gedrag; door de rapporteurs geduid als een onderdeel van stalking. Het beschreven patroon in dit gedrag is zo langdurig en hardnekkig dat de rapporteurs de overtuiging hebben dat een gebrekkige persoonlijkheidsontwikkeling hieraan ten grondslag ligt. Gelet op de weigering zijn medewerking te verlenen aan onderzoek kan een persoonlijkheidsstoornis echter niet worden vastgesteld. Duidelijke aanwijzingen voor een beperking van de intellectuele capaciteiten ontbreken. Indien het feit kan worden bewezen, kan het niet los worden gezien van de woede van de verdachte over de afwijzing. De rapporteurs zijn van mening dat het handelen van de verdachte, voortkomend uit zijn psychopathologie, hem in verminderde mate kan worden toegerekend. Het risico op ernstig geweld richting (ex-)partners bij (dreigende) beëindiging van een relatie wordt als hoog ingeschat. Een behandeling gericht op de gebrekkige ontwikkeling is aangewezen. De maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden is niet haalbaar, omdat volgens de rapporteurs een dergelijk kader onvoldoende veiligheid biedt. Zelfs vanuit de penitentiaire inrichting heeft de verdachte kans gezien (naar een derde) dreigementen te uiten en ander belastend gedrag te vertonen. Ook heeft de verdachte niet laten zien enig inzicht te hebben in zijn psychopathologie. Geadviseerd wordt oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

Uit het door D. van der Meer, psychiater, B. Koudstaal, klinisch psycholoog, D. Schippers (GZ-psycholoog) en A. Witteveen (forensisch milieuonderzoeker) opgemaakte triple onderzoeksrapport volgt dat ondanks de relatief weinig beschikbare informatie ten aanzien van de verdachte, met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat sprake is van ernstige psychopathologie. Er is sprake van een persoonlijkheidsstoornis, omdat de

gedragingen en cognities bij de verdachte meer afwijkend zijn dan volgens de rapporteurs alleen op grond van de zwakbegaafdheid kan worden verklaard. Deze persoonlijkheidsstoornis kent antisociale, narcistische en borderline kenmerken. Ook is volgens de rapporteurs sprake van forse psychopatische trekken. Het leidt geen twijfel dat ook tijdens het ten laste gelegde sprake was van deze stoornissen. Op grond daarvan kan het ten laste gelegde de verdachte maar in verminderde mate worden toegerekend. De kans op recidive van agressief partnergeweld wordt als hoog ingeschat. Een langdurige klinische behandelinterventie in een dwingend kader is aangewezen. De maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden wordt niet toereikend geacht, gelet op de inschatting dat de verdachte niet in staat zal zijn zich langdurig aan voorwaarden te kunnen houden. Geadviseerd wordt over te gaan tot oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

Uit het op 7 februari 2019 opgemaakt rapport van Reclassering Nederland volgt dat de verdachte geen concrete hulpvraag heeft en dat hij vindt dat er weinig tot niets met hem aan de hand is. De reclassering volgt de adviezen van de gedragskundigen en acht oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging het meest passend. Gelet op genoemde uitlating van de verdachte is de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden niet haalbaar, nu de in dat kader vereiste consensus ontbreekt.

De rechtbank heeft acht geslagen op de weergegeven bevindingen en conclusies uit voormelde rapporten. Omdat de conclusies van de gedragskundigen gedragen worden door hun bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank die conclusies over. Bij de verdachte bestond ten tijde van het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens in verband waarmee hij in verminderde mate toerekeningsvatbaar wordt geacht. Gelet hierop zal een gevangenisstraf van kortere duur worden opgelegd dan gevorderd door de officier van justitie.

De rechtbank komt tot de conclusie dat oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege noodzakelijk is. De veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen eisen de terbeschikkingstelling van de verdachte met bevel tot verpleging van overheidswege. Dat oordeel is gegrond op de ernst en aard van het bewezen verklaarde feit en het hiervoor beschreven gevaar voor herhaling. De rechtbank kan deze maatregel opleggen omdat aan de wettelijke vereisten voor oplegging is voldaan. De verdachte wordt veroordeeld ter zake een feit waarop naar de wettelijke omschrijving vier jaren of meer is gesteld en dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Daartoe zijn de aard en de kwalificatie van het bewezen verklaarde feit redengevend. De totale duur van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zal daarom een periode van vier jaar te boven kunnen gaan.

De verdediging heeft aangevoerd dat de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging een uiterste middel is en dat de verdachte een kans moet krijgen in de vorm van oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden. De aard en ernst van het feit, het hoge recidiverisico, de inschatting dat de verdachte zich niet langdurig aan voorwaarden zal kunnen houden en de eigen uitlating van de verdachte dat er weinig tot niets met hem aan de hand is, maken oplegging van de maatregel met verpleging noodzakelijk. Daar komt bij dat de door de rechtbank op te leggen straf het maximum genoemd in artikel 38, derde lid, Sr (te weten: vijf jaren gevangenisstraf) te boven gaat. Het verzoek van de raadsman om een maatregelrapport te laten opmaken wordt alleen al vanwege de laatstgenoemde reden verworpen.

Het verzoek van de verdediging toepassing te geven aan artikel 37b, tweede lid, Sr wordt afgewezen. In het aangevoerde ziet de rechtbank in deze zaak geen aanleiding een advies op te nemen over het tijdstip waarop de verpleging dient aan te vangen.

In aanmerking genomen de aard en ernst van het feit, het gegeven dat de rechtbank de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar acht en alle overige hiervoor besproken omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat naast de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tien jaren dient te worden opgelegd.

8 Vorderingen van de benadeelde partijen

Bij de hoogte van het gevorderde bedrag hebben de benadeelde partijen in dit dossier aansluiting gezocht bij de bedragen die forfaitair zijn vastgesteld ter zake affectieschade.

Grondslag voor de vorderingen ter zake immateriële schade is shockschade.

Shockschade betreft, kort gezegd, geestelijk letsel dat is opgelopen door een schokkende gebeurtenis, waarbij de shock dermate ernstig is dat deze leidt tot een aantasting van de gezondheid. Uit vaste rechtspraak volgt dat bij de beoordeling van de vordering beoordeeld moet worden of sprake is van geestelijk letsel in de vorm van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

Hierna zal per benadeelde partij nader worden ingegaan op de inhoud en hoogte van de vorderingen.

8.1

Vordering benadeelde partij [naam benadeelde 1]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd de heer [naam benadeelde 1] te Rotterdam. Hij vordert een vergoeding van EUR 17.953,25 aan materiële schade en een vergoeding van EUR 17.500,-, subsidiair EUR 5.000,- aan immateriële schade.

De gevorderde vergoeding aan materiële schade is als volgt opgebouwd:

  1. Begrafeniskosten EUR 10.750,60

  2. Kosten en plaatsing gedenksteen EUR 5.750,-

  3. Rouwboekjes EUR 544,95

  4. Vervoerskosten begrafenis EUR 460,-

  5. Verklaring van erfrecht EUR 447,70 +

-----------

Totaal EUR 17.953,25

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] volledig toewijsbaar is, en dat daarbij de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

De verdediging heeft aangevoerd dat op grond van artikel 6:108, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) alleen de begrafeniskosten en de kosten van de plaatsing van een gedenksteen in aanmerking komen voor vergoeding. De posten 3 tot en met 5 moeten om die reden worden afgewezen. De verdediging betwist dat de gevorderde kosten door de benadeelde partij zijn gemaakt. Ten aanzien van de immateriële schade (shockschade) is aangevoerd dat deze moet worden afgewezen, dan wel dat de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Betwist wordt dat sprake is van letsel in de zin van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Ook betwist de verdediging dat sprake is van een rechtsreeks verband tussen de gestelde schade en het feit. Tot slot verzoekt de verdediging geen wettelijke rente te berekenen over het geldbedrag dat al (voorwaardelijk) is uitgekeerd door het Schadefonds Geweldsmisdrijven.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Materiële schade

Door de benadeelde partij [naam benadeelde 1] is EUR 17.953,25 aan materiële schadevergoeding gevorderd. Deze benadeelde partij is een nabestaande van het slachtoffer en dit gedeelte van de vordering zal worden beoordeeld op grond van artikel 6:108 BW. De begrafeniskosten en de kosten voor de gedenksteen zijn niet betwist en zullen worden toegewezen. Ook voor wat betreft de overige posten is de rechtbank genoegzaam gebleken dat dat de benadeelde partij deze schade heeft geleden in verband met de begrafenis van het slachtoffer. Het gaat immers om de kosten van de rouwboekjes, de vervoerskosten in verband met de begrafenis en de kosten voor de verklaring van erfrecht. Naar burgerlijk recht is de verdachte aansprakelijk voor deze schade. De onder 3 tot en met 5 gevorderde schadeposten zullen daarom eveneens worden toegewezen.

Immateriële schade

Namens de benadeelde partij is een verklaring van 21 november 2018 overgelegd waaruit blijkt van behandeling gedurende enige tijd door bedrijfsmaatschappelijk werk in verband met het overlijden van de dochter van de benadeelde partij. Op de zitting is namens de benadeelde partij de slachtofferverklaring voorgelezen waarbij de benadeelde partij zichtbaar hevig geëmotioneerd was. Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering tot vergoeding van shockschade voldoende aannemelijk gemaakt. Op grond van artikel 6:106, eerst lid, BW dient de hoogte door de rechter naar billijkheid te worden vastgesteld.

De rechtbank begroot de omvang van de shockschade op het gevorderde bedrag van EUR 17.500,-.

Het bovenstaande leidt ertoe dat de verdachte aan [naam benadeelde 1] een schadevergoeding moet betalen van EUR 35.453,25 (EUR 17.953,25 aan materiële schade en EUR 17.500,- aan immateriële schade). Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 september 2017 tot de dag van algehele voldoening.

Omdat de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten van dit deel van de procedure.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

8.2

Vordering benadeelde partij [naam benadeelde 2]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd mevrouw [naam benadeelde 2] te Cabo Verde (Kaapverdië). Zij vordert een vergoeding van EUR 2.059,33 aan materiële schade en een vergoeding van EUR 17.500,-, subsidiair EUR 5.000,- aan immateriële schade.

De gevorderde vergoeding aan materiële schade is als volgt opgebouwd:

  1. Reiskosten EUR 536,-

  2. Reiskosten EUR 249,-

  3. Reiskosten EUR 299,-

  4. Kosten huisarts EUR 145,30

  5. Kosten verzekering [naam] EUR 172,90

  6. Kosten visum [naam] EUR 60,-

  7. Reiskosten EUR 204,-

  8. Reiskosten EUR 299,-

  9. Reiskosten zitting EUR 94,13

-----------

Totaal EUR 2.059,33

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 2] volledig toewijsbaar is, met oplegging van de schadevergoedings-maatregel.

De verdediging heeft aangevoerd dat op grond van artikel 6:108, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) geen van de gevorderde kosten in aanmerking komt voor vergoeding. De verdediging betwist voorts dat de kosten (onder 5 en 6) die niet door of ten behoeve van de benadeelde partij zelf zijn gemaakt, in aanmerking komen voor vergoeding. De onder 4 gevorderde kosten zijn niet het rechtstreeks gevolg van het feit. De onder 9 gevorderde kosten zijn onvoldoende onderbouwd. Ten aanzien van de immateriële schade (shockschade) is aangevoerd dat deze moet worden afgewezen, dan wel dat de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat slechts een verklaring in het Portugees is overgelegd. Betwist wordt dat sprake is van letsel in de zin van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Ook betwist de verdediging dat sprake is van een rechtsreeks verband tussen de gestelde schade en het feit. Tot slot verzoekt de verdediging geen wettelijke rente te berekenen over het geldbedrag dat al (voorwaardelijk) is uitgekeerd door het Schadefonds Geweldsmisdrijven.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Materiële schade

Door de benadeelde partij [naam benadeelde 2] is EUR 2.059,33 aan materiële schadevergoeding gevorderd. Deze kosten zien op reiskosten en overige gerelateerde kosten gemaakt voor het regelen en bijwonen van de uitvaart, plaatsen gedenksteen, bijwonen van de zitting en gesprekken met de notaris over de afhandeling. Deze benadeelde partij is een nabestaande van het slachtoffer en dit gedeelte van de vordering zal worden beoordeeld op grond van artikel 6:108 BW. Ten aanzien van de onder 1, 2, 3, 7 en 8 gevorderde kosten is de rechtbank genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij deze schade heeft geleden. Naar burgerlijk recht is de verdachte aansprakelijk voor deze schade. De onder 1, 2, 3, 7 en 8 gevorderde posten zullen worden toegewezen. Toewijsbaar is een bedrag van EUR 1.587,- De overige kosten komen niet in aanmerking voor vergoeding. Dit deel van de vordering wordt afgewezen.

Immateriële schade
Namens de benadeelde partij is een verklaring van een psycholoog uit Kaapverdië van 2 januari 2019 overgelegd. Op de zitting heeft de benadeelde partij een Nederlandse vertaling hiervan overgelegd waaruit blijkt dat de benadeelde partij een psychologische behandeling ondergaat. Voorts heeft de benadeelde partij een slachtofferverklaring voorgelezen, waarbij de benadeelde partij zichtbaar hevig geëmotioneerd was. Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering tot vergoeding van shockschade voldoende aannemelijk gemaakt. Op grond van artikel 6:106, eerst lid, BW dient de hoogte door de rechter naar billijkheid te worden vastgesteld. De rechtbank begroot de omvang van de shockschade op het gevorderde bedrag van EUR 17.500,-.

De conclusie is dat de verdachte de benadeelde partij [naam benadeelde 2] een schadevergoeding moet betalen van EUR 19.087,- (EUR 1.587,- aan materiële schade en EUR 17.500,- aan immateriële schade). Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 september 2017 tot de dag van algehele voldoening.

Nu de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 2] grotendeels wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten van dit deel van de procedure.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

8.3

Vordering benadeelde partij [naam benadeelde 3]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd de heer [naam benadeelde 3] te Rotterdam. Hij vordert een vergoeding van EUR 20.000,-, subsidiair EUR 5.000,- aan immateriële schade.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 3] volledig toewijsbaar is met oplegging van de

schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft aangevoerd dat de gevorderde immateriële schade (shockschade) moet worden afgewezen, dan wel dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Betwist wordt dat sprake is van letsel in de zin van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Ook betwist de verdediging dat sprake is van een rechtsreeks verband tussen de gestelde schade en het feit. Tot slot verzoekt de verdediging geen wettelijke rente te berekenen over het geldbedrag dat al (voorwaardelijk) is uitgekeerd door het Schadefonds Geweldsmisdrijven.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Immateriële schade
Namens de benadeelde partij is een behandelverklaring van Antes van 31 juli 2018 overgelegd en is toegelicht dat de benadeelde partij is doorverwezen om de EMDR-behandeling te ondergaan. Op de zitting heeft de benadeelde partij zijn slachtofferverklaring voorgelezen, waarbij de benadeelde partij zichtbaar geëmotioneerd was. Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering tot vergoeding van shockschade voldoende aannemelijk gemaakt. Op grond van artikel 6:106, eerst lid, BW dient de hoogte door de rechter naar billijkheid te worden vastgesteld. De rechtbank begroot de omvang van de shockschade op het gevorderde bedrag van EUR 17.500,-. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

De conclusie is dat de verdachte de benadeelde partij [naam benadeelde 3] een schadevergoeding moet betalen van EUR 17.500,- aan immateriële schade. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 september 2017 tot de dag van algehele voldoening.

Nu de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 3] grotendeels wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten van dit deel van de procedure.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

8.4

Vordering benadeelde partij [naam benadeelde 4]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd de heer [naam benadeelde 4] te Rotterdam. Hij vordert een vergoeding van EUR 17.500,-, subsidiair EUR 5.000,- aan immateriële schade.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 4] volledig toewijsbaar is met oplegging van de

schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft aangevoerd dat de gevorderde immateriële schade (shockschade) moet worden afgewezen, dan wel dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Betwist wordt dat sprake is van letsel in de zin van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Ook betwist de verdediging dat sprake is van een rechtsreeks verband tussen de gestelde schade en het feit. Tot slot verzoekt de verdediging geen wettelijke rente te berekenen over het geldbedrag dat al (voorwaardelijk) is uitgekeerd door het Schadefonds Geweldsmisdrijven.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Immateriële schade
Namens de benadeelde partij is een verklaring van Het Doktershuis (POH-GGZ) van 22 november 2018 overgelegd en daarnaast is toegelicht dat de benadeelde partij is doorverwezen naar een psycholoog. Tijdens de behandeling op zitting is gebleken hoe geëmotioneerd de benadeelde partij nog was. Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering tot vergoeding van shockschade voldoende aannemelijk gemaakt. Op grond van artikel 6:106, eerst lid, BW dient de hoogte door de rechter naar billijkheid te worden vastgesteld. De rechtbank begroot de omvang van de shockschade op het gevorderde bedrag van EUR 17.500,-.

De conclusie is dat de verdachte de benadeelde partij [naam benadeelde 4] een schadevergoeding moet betalen van EUR 17.500,- aan immateriële schade. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 september 2017 tot de dag van algehele voldoening.

Omdat de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 4] grotendeels wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten van dit deel van de procedure.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 37a, 37b en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het impliciet primair ten laste gelegde feit (moord), zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van tien (10) jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld;

beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege wordt verpleegd;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] te Rotterdam, te betalen een bedrag van € 35.453,25 (zegge: vijfendertigduizendvierhonderddrieënvijftig euro en vijfentwintig cent), bestaande uit
€ 17.953,25 aan materiële schade en € 17.500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 22 september 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 35.453,25 (zegge: vijfendertigduizendvierhonderddrieënvijftig euro en vijfentwintig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 september 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van

€ 35.453,25 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 161 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] te Cabo Verde (Kaapverdië), te betalen een bedrag van
€ 19.087,- (zegge: negentienduizendzevenentachtig euro), bestaande uit € 1.587,- aan materiële schade en € 17.500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 22 september 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 19.087,- (zegge: negentienduizendzevenentachtig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 september 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 19.087,- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 80 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 3] te Rotterdam, te betalen een bedrag van € 17.500,- (zegge: zeventienduizendvijfhonderd euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 22 september 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde (ad € 2.500,-);

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 17.500,- (zegge: zeventienduizendvijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 september 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 17.500,- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 62 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 4] te Rotterdam, te betalen een bedrag van € 17.500,- (zegge: zeventienduizendvijfhonderd euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 22 september 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 17.500,- (zegge: zeventienduizendvijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 september 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 17.500,- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 62 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.A.F. Damen , voorzitter,

en mrs. M.A. van der Laan-Kuijt en S. Jordaan, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. van Empelen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 maart 2019.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 22 september 2017 te Vlaardingen , althans in Nederland,

opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een persoon genaamd
[naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte

- ( met kracht) meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, gestoken/gesneden in de hals, althans het lichaam van die [naam slachtoffer] , en/of

- ( vervolgens) die [naam slachtoffer] in het water gebracht en/of (aldaar)

gelaten.