Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:1771

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-03-2019
Datum publicatie
07-03-2019
Zaaknummer
568178 / HA RK 19-189
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen. Of een beslissing - in dit geval de beslissing tot het houden van de doorzoeking - op de juiste gronden is genomen, is volgens vaste rechtspraak in beginsel geen grond voor wraking. De wijze waarop de doorzoeking is uitgevoerd, is evenmin reden tot wraking van de rechtercommissaris. De rechter-commissaris heeft de doorzoeking overgedragen aan haar Haagse collega. Daarvoor bestaat een wettelijke basis. Eventuele fouten bij de uitvoering van een doorzoeking door een andere rechter-commissaris leveren geen zwaarwegende aanwijzing

op dat de opdracht gevende rechter-commissaris jegens de verzoeker vooringenomenheid koestert. Voor zover de raadsman beoogd heeft te stellen dat de rechter-commissaris - ondanks die overdracht - had moeten toezien op de uitvoering van de doorzoeking, vindt dit

geen steun in het recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Zaaknummer / rekestnummer: 568178 / HA RK 19-189

Beslissing van

op het verzoek van

[naam verzoeker] ,

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

advocaat mr. W. Römelingh,

strekkende tot wraking van:

mr. A. Buizer, rechter-commissaris in de rechtbank Rotterdam, team kabinet rechter-commissaris in strafzaken (hierna: de rechter-commissaris).

Belanghebbende in deze procedure is:

mr. E.D.I. Martens, officier van justitie.

1 Het procesverloop en de processtukken

Op 7 februari 2019 heeft, op beslissing van de rechter-commissaris (hierna mede: rc), een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van verzoeker in [woonplaats]. De rechter-commissaris heeft deze doorzoeking overgedragen aan haar ambtsgenoot in de rechtbank Den Haag.

Op 11 februari 2019 heeft de raadsman van verzoeker wraking verzocht van de rechter-commissaris en haar ambtsgenoot in Den Haag.

Het wrakingsverzoek tegen de rechter-commissaris van de rechtbank Den Haag is behandeld door de wrakingskamer aldaar.

Aan de wrakingskamer zijn ter beschikking gesteld de navolgende stukken (voorzover van belang):

  • -

    Beschikking wrakingskamer rechtbank den Haag van 12 februari 2019;

  • -

    Het wrakingsverzoek ten aanzien van de rc mr. Strop (rechtbank den Haag) en rc mr. Buizer (rechtbank Rotterdam);

  • -

    Schriftelijke reactie rc mr. Buizer van 19 februari 2019;

  • -

    Schriftelijke reactie ovj mr. Martens van 21 februari 2019;

  • -

    Besluit doorzoeking van 5 februari 2019;

  • -

    Processen-verbaal doorzoeking [straatnaam 1] en [straatnaam 2] van 22 februari 2019;

Verzoeker alsmede de rechter-commissaris en de officier van justitie zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechter-commissaris is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter-commissaris heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt bij e-mail van 19 februari 2019. Op 21 februari 2019 heeft de officier van justitie haar standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.

Ter zitting van 25 februari 2019, waar het wrakingsverzoek is behandeld, zijn verschenen verzoeker en zijn raadsman. De raadsman heeft aan de hand van een pleitnota verzoekers standpunt nader toegelicht.

2 Het verzoek en de reactie daarop

2.1

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoeker het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven:

De rechter-commissaris heeft een machtiging verleend tot het doorzoeken van de woning van verzoeker. De beslissing maakt niet inzichtelijk welke verdenking er jegens de verzoeker bestaat en geeft hiermee een blanco volmacht aan de politie voor een doorzoeking. Verzoeker is ook niet aan het begin van de doorzoeking aangehouden, maar vijf uur later, aan het einde van de doorzoeking. Dat is een aanwijzing dat er voorafgaand aan de doorzoeking geen concrete verdenking tegen verzoeker bestond.

De rechter-commissaris heeft er onvoldoende zorg voor gedragen dat de inbreuk op de rechten van verzoeker zo beperkt mogelijk bleef. Daarmee heeft zij haar wettelijke taken van toezichthouden en leidinggeven in de zin van de artikelen 110 lid 2 en 170 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering miskend. De doorzoeking heeft niet op een normale wijze plaatsgevonden. De politie is tegen de wil van verzoeker binnengetreden. Verzoeker mocht niet zelf zijn deur openen voor de politie; zijn voordeur werd geforceerd. De doorzoeking heeft vervolgens vijf uur lang geduurd, waarbij alle kamers grondig zijn doorzocht. Verzoeker en zijn dochter moesten een uur lang in hun ondergoed op de bank zitten.

Zowel de rechter-commissaris als haar collega in Den Haag zijn verantwoordelijk voor het verloop van de doorzoeking. De rechter-commissaris is, als de rechter-commissaris die de strafzaak van verzoeker in behandeling heeft, eindverantwoordelijke. Zij had een duidelijke instructie aan haar collega in Den Haag moeten geven.

2.2

De rechter-commissaris heeft niet in de wraking berust.

De rechter-commissaris heeft te kennen gegeven dat geen sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking kan opleveren. Daarbij is – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:

De rechter-commissaris heeft op vordering van de officier van justitie en na toetsing van de vordering aan de wet bepaald om de woning van verzoeker te doorzoeken. Bij de doorzoeking zelf is zij niet betrokken geweest: de Haagse rechter-commissaris heeft leiding gegeven aan de doorzoeking.

De rechter-commissaris heeft verder gereageerd op de feitelijke gang van zaken, zoals door de verzoeker gesteld. De rechter-commissaris ziet daarin onvoldoende ongebruikelijkheden die de stelling dat de doorzoeking niet normaal en dus onrechtmatig was, ondersteunen.

2.3

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.

3 De beoordeling

3.1

Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de door verzoeker geuite vrees voor vooringenomenheid van de rechter door objectieve factoren gerechtvaardigd is.

3.2

Aan de door verzoeker aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechter-commissaris door haar persoonlijke instelling en overtuiging niet onpartijdig is.

3.3

Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoeker geuite vrees dat de rechter-commissaris jegens hem een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is. Hierbij is de opvatting van verzoeker van belang, maar is deze niet doorslaggevend.

3.4

De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe als volgt.

Of een beslissing – in dit geval de beslissing tot het houden van de doorzoeking – op de juiste gronden is genomen, is volgens vaste rechtspraak in beginsel geen grond voor wraking. Dit kan slechts anders zijn, als er sprake is van bijkomende omstandigheden die de aangevochten beslissing zo onbegrijpelijk maken, dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat de beslissing door vooringenomenheid is ingegeven. Van dergelijke omstandigheden is niet gebleken.

De wijze waarop de doorzoeking is uitgevoerd, is evenmin reden tot wraking van de rechter-commissaris. De rechter-commissaris heeft de doorzoeking overgedragen aan haar Haagse collega. Daarvoor bestaat een wettelijke basis. Eventuele fouten bij de uitvoering van een doorzoeking door een andere rechter-commissaris leveren geen zwaarwegende aanwijzing op dat de opdracht gevende rechter-commissaris jegens de verzoeker vooringenomenheid koestert. Voor zover de raadsman beoogd heeft te stellen dat de rechter-commissaris – ondanks die overdracht – had moeten toezien op de uitvoering van de doorzoeking, vindt dit geen steun in het recht.

De stelling van verzoeker dat het optreden van de politie en de rechter-commissaris in de strafprocedure niet, althans niet op een adequate manier kan worden getoetst – wat daar verder ook van zij – maakt het voormelde toetsingskader en de beslissing van de wrakingskamer niet anders.

3.5

Het verzoek is mitsdien ongegrond. Het verzoek wordt afgewezen.

4 De beslissing

De rechtbank:

- wijst af het verzoek tot wraking van mr. A. Buizer.

Deze beslissing is gegeven door mr. A.P. Hameete, voorzitter, mr. N. Doorduijn en mr. A.M.H. Geerars, rechters, door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 maart 2019 in tegenwoordigheid van mr. E.L. Vedder, griffier en door de voorzitter en de griffier ondertekend.

Verzonden op:

aan:

- verzoeker;

- de advocaat van verzoeker, mr. W. Römelingh;

- mr. A. Buizer;

- de officier van justitie, mr. E.D.I. Martens.