Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:1699

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-03-2019
Datum publicatie
05-03-2019
Zaaknummer
C/10/567299 / KG ZA 19-89
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Opheffingskortgeding. Art. 705 Rv. Toetsing beslagrekest aan art. 21 Rv (waarheidsplicht). Overeenkomst van Nederlands bedrijf met Iraans bedrijf voor door het Nederlandse bedrijf te verrichten werkzaamheden aan Iraanse (gas)pijpleidingen. Rechtskeuzebepaling voor Nederlands recht in de overeenkomst. Beslag gelegd in Nederland door Iraans bedrijf wegens beweerdelijke niet-tijdige nakoming door Nederlands bedrijf. Bij de beoordeling van de summierlijke ondeugdelijkheid ex art. 705 lid 2 Rv van de vordering waarvoor beslag is gelegd rijst de vraag of onder “governmental infringement” in de overmachtbepaling van de overeenkomst verstaan mogen worden de in 2018 afgekondigde Amerikaanse sancties tegen Iran die aan uitvoering van de onderhavige overeenkomst in de weg zouden kunnen staan. Deze vraag betreft de uitleg van een contractuele bepaling volgens de Haviltex-maatstaf. Daarvoor is in een (opheffings)kortgeding maar beperkt ruimte. Summierlijke ondeugdelijkheid van de vordering waarvoor beslag is gelegd wegens afwezigheid van verzuim van schuldenaar. Belangenafweging. Beslag opgeheven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

Zittingsplaats Rotterdam

zaaknummer / rolnummer: C/10/567299 / KG ZA 19-89

Vonnis in kort geding van 1 maart 2019

in de zaak van

de commanditaire vennootschap

[eiseres] ,

gevestigd te Zwijndrecht,

eiseres,

advocaat mr. W.M. van Agt te Amsterdam,

tegen

de buitenlandse vennootschap

[gedaagde] ,

gevestigd te Teheran, Iran,

gedaagde,

krachtens volmacht vertegenwoordigd door M. Taheri .

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 8 februari 2019, met producties 1-20;

  • -

    het herstelexploot van 14 februari 2019;

  • -

    producties 21 en 22 van [eiseres] ;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties 1-15;

  • -

    de mondelinge behandeling van 25 februari 2019;

  • -

    de spreekaantekeningen van [eiseres] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 5 mei 2017 hebben [eiseres] en [gedaagde] een overeenkomst gesloten, met de titel “CONTRACT for the provision of In-line Inspection 7 sections 24 “ Pipeline 173 km”. In deze overeenkomst (hierna: de Overeenkomst) wordt [eiseres] aangeduid als “Contractor” en [gedaagde] als “Company”. De Overeenkomst heeft betrekking op door [eiseres] ten behoeve van [gedaagde] uit te voeren werkzaamheden waarvan de inspectie van zes pijpleidingen in Iran (van een klant) van [gedaagde] een onderdeel vormt. Van de Overeenkomst maken de volgende bepalingen deel uit:

14 Order Cancellation

Both parties reserve the right to charge, to the maximum of 25% of lump sum for order cancellation, excluded from reasons of force major and up to 15% for reasons including force major. Any work that has been completed by [eiseres] shall be invoiced and payable to 30 days.

15 Force Major

Parties shall not be responsible for and shall have no liability in respect of failure or of delay in performance hereunder if such failure or delay is due to any causes which are not reasonably within the control of [eiseres] , including in particular but without limitation strikes, lock-outs, wars, earthquakes, storms, fires, floods, explosions, hurricanes, civil disturbance, terrorism, governmental infringement.

16 Liability

[eiseres] shall not be liable or responsible for any costs, claims of any nature, compensation, losses, or any consequential damages directly or indirectly resulting from the use of [eiseres] equipment or services. These costs, claims, expenses and losses do include (but are not limited to) downtime, damages, or injuries to the Customer or any other third party personnel, equipment, assets or property, unless such damage is the result of willful or gross misconduct. [eiseres] does not take any liability of any kind with respect to the pipeline.

19 Liquidated damages

Without prejudice to any liquidated damages or other compensation, none of the parties shall be liable or responsible to the other party for indirect or consequential loss or damaged suffered by such other party.

28 Governing Law

The contract of which these terms form a part shall be governed by and interpreted in accordance with Dutch law and all parties shall submit to the non-exclusive jurisdiction of by international arbitrary but both parties may enforce the agreement in any court of competent jurisdiction.

29 Termination

This agreement terminates with the final payment of the complete scope of work under this agreement. The contract has a validity of 12 months from date of signing of both parties and may be extended for an undetermined period of time, should circumstances require such to the benefit of either party.

2.2.

[gedaagde] heeft na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam d.d. 13 december 2018, op 28 januari 2019 conservatoir beslag laten leggen ten laste van [eiseres] onder ABN Amro voor een op een bedrag van € 371.302,-- begrote vordering.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

Primair:

  • -

    de door [gedaagde] ten laste van [eiseres] gelegde beslagen opheft;

  • -

    [gedaagde] verplicht binnen twaalf uur na betekening van het in dezen te wijzen vonnis alle maatregelen te treffen die nodig zijn om de conservatoire beslagen ten laste van [eiseres] op te heffen, alsmede aan (de advocaat van) [eiseres] afschrift van het bewijs van deze maatregelen verstrekt, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 7.500,-- voor ieder(e) dag(deel) dat [gedaagde] deze verplichtingen niet nakomt, althans een zodanig beslissing als de voorzieningenrechter in goede justitie rechtvaardig acht;

  • -

    [gedaagde] verbiedt om uit hoofde van hetzelfde feitencomplex en/of hetzelfde beslagverlof nieuwe (conservatoire) beslagen te leggen,

Subsidiair:

  • -

    bepaalt dat de vordering van [gedaagde] op [eiseres] wordt begroot op, althans wordt beperkt tot, een bedrag van € 72.000,-- (vrijgesteld van BTW);

  • -

    [gedaagde] verplicht binnen twaalf uur na betekening van het in dezen te wijzen vonnis alle maatregelen te treffen die nodig zijn om de gelegde conservatoire beslagen conform de vorige vordering aan te (doen) passen, alsmede aan (de advocaat van) [eiseres] afschrift van het bewijs van deze maatregelen verstrekt, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 7.500,-- voor ieder(e) dag(deel) dat [gedaagde] deze verplichtingen niet nakomt, althans een zodanig beslissing als de voorzieningenrechter in goede justitie rechtvaardig acht;

Zowel primair als subsidiair:

- [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente en (na)kosten.

3.2.

Hieraan heeft [eiseres] – kort samengevat en zakelijk weergegeven – de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

  1. [gedaagde] heeft in strijd met artikel 21 Rv in haar beslagverzoekschrift de voorzieningenrechter van deze rechtbank onjuist, althans onvolledig, geïnformeerd;

  2. De vordering waarvoor [gedaagde] beslag heeft gelegd ten laste van [eiseres] is (summierlijk) ondeugdelijk; [gedaagde] heeft in het geheel geen vordering op [eiseres] ;

  3. De begroting van de gepretendeerde vordering van [gedaagde] is ondeugdelijk; er is voor een niet onderbouwd en buitensporig bedrag beslag gelegd;

  4. Een belangenafweging dient in het voordeel van [eiseres] uit te vallen en noopt tot opheffing van de beslagen.

3.3.

[gedaagde] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van [gedaagde] wordt hierna bij de beoordeling, voor zover zij daarvoor van belang zijn, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Inleiding

4.1.

[eiseres] heeft het aanvankelijk ter zitting gevoerde verweer dat [gedaagde] niet rechtsgeldig is verschenen uiteindelijk ter zitting weer ingetrokken.

4.2.

Nog daargelaten dat partijen hier niet over hebben getwist, is het spoedeisende belang van [eiseres] bij haar vorderingen voldoende aannemelijk geworden.

Beroep op overtreding van artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)

4.3.

De vorderingen van [eiseres] zijn onder meer gegrond op schending door [gedaagde] van de waarheidsplicht van artikel 21 Rv. Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] de voorzieningenrechter in het beslagrekest (en in de toelichting op het beslagrekest) op verschillende punten onvolledig geïnformeerd. [gedaagde] zou bewust hebben nagelaten iets te vermelden over de vertragingen die zijn ontstaan tussen juli 2017 en november 2018 en die te wijten zijn aan [gedaagde] . Meer in het bijzonder, aldus [eiseres] , heeft [gedaagde] nagelaten in het beslagrekest te vermelden:

  • -

    het meermaals overeenkomen van een nieuwe mobilisatietermijn

  • -

    het vastzitten van inspectietools van een derde in de bewuste pijpleidingen

  • -

    het lekken van de afsluiters tussen de pijpleiding en de zogenaamde ‘pig traps’

  • -

    de kans op een explosief mengsel op de werkplek

  • -

    het feit dat twee van de zes pijpleidingen zuur gas bevatten

  • -

    de door [eiseres] gestelde voorwaarde dat alle zes pijpleidingen zouden worden geïnspecteerd voordat de werkzaamheden door [eiseres] zouden worden voortgezet, en dat die inspectie nooit heeft plaatsgevonden

  • -

    het verhinderen bij vijf van de zes pijpleidingen van daaraan te brengen ‘site visits’ door de heer [naam 1]

  • -

    de bespreking van partijen op 27 februari 2018 waarbij wederom een nieuwe mobilisatietermijn was overeengekomen en waarbij de gevolgen van eventuele sancties zijn besproken (opschorting levering diensten)

  • -

    de door [gedaagde] (althans haar klant) gestelde nieuwe eis dat eerst een inspectie van de tools diende plaats te vinden, die pas ná de nieuwe mobilisatietermijn plaatsvond

  • -

    het akkoord van [gedaagde] met vertragingen vóór 5 mei 2018, ongeacht aan welke partij de vertraging te wijten was

  • -

    het feit dat [gedaagde] op 5 mei 2018 wederom akkoord is gegaan met een nieuwe mobilisatietermijn

  • -

    de gevolgen van de sancties voor de levering van diensten door [eiseres] .

Verder heeft [gedaagde] volgens [eiseres] de belangrijkste verweren van [eiseres] te summier aan de voorzieningenrechter voorgelegd, namelijk (i) dat de vertraging in de uitvoering van de Overeenkomst was een gevolg van handelen of nalaten van [gedaagde] , niet van handelen of nalaten van [eiseres] en (ii) dat een beroep op de artikel 15, 16 of 29 van de Overeenkomst op zichzelf genomen al tot afwijzing van de vordering van [gedaagde] leidt.

4.4.

[gedaagde] betwist dat de informatie die zij heeft verstrekt aan de beslagrechter onvolledig was in de zin van artikel 21 Rv.

4.5.

Artikel 21 Rv houdt in dat partijen verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Het ex parte-karakter van de beslagverlofprocedure brengt bovendien mee dat aan de zorg voor nakoming van artikel 21 Rv door de advocaat die het verlof vraagt hoge eisen mogen worden gesteld. Indien artikel 21 Rv wordt geschonden, kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht (art. 21 Rv).

4.6.

[gedaagde] heeft zich in haar beslagrekest eigenlijk beperkt tot een weergave van de aard van haar contractuele relatie met [eiseres] en van de omstandigheden waarom volgens haar [eiseres] toerekenbaar tekort is geschoten in de tijdige nakoming van diens verbintenissen uit de overeenkomst met [gedaagde] . Dat partijen een aantal malen nieuwe prestatietermijnen zijn overeengekomen, heeft [gedaagde] niet duidelijk in haar beslagrekest vermeld. Zij heeft het eigenlijk gehouden bij vermelding van haar standpunt dat [eiseres] eenzijdig is overgegaan tot het opschuiven van de tijdschema’s. Verder heeft [gedaagde] in haar beslagrekest nagelaten alle verweren waarmee [eiseres] in de loop van de tijd is aangekomen om niet te hoeven presteren concreet te benoemen.

4.7.

[gedaagde] heeft derhalve niet alle relevante informatie vermeld in haar beslagrekest. De voorzieningenrechter acht dit verzuim echter niet van dien aard dat reeds op deze grond het beslag opgeheven zou dienen te worden.

Inhoudelijke beoordeling van de vordering waarvoor het beslag is gelegd; belangenafweging

4.8.

Volgens artikel 705 lid 2 Rv dient het beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481). Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. De Hoge Raad heeft hieraan toegevoegd dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.

4.9.

Uit het beslagverzoek van [gedaagde] volgt dat zij zich op het standpunt stelt dat [eiseres] toerekenbaar tekort is geschoten door niet op het afgesproken tijdstip de overeengekomen werkzaamheden te hebben verricht en dat zij als gevolg daarvan schade heeft geleden waarvoor [eiseres] aansprakelijk is. [eiseres] betwist dit.

4.10.

[eiseres] beroept zich op een onderzoek(sbezoek) (audit) dat door vertegenwoordigers van [gedaagde] en van diens klant [naam klant] op 5 mei 2018 is uitgevoerd op/gebracht aan haar locatie in Nederland om de door [eiseres] ontwikkelde apparatuur te controleren die na akkoordbevinding zouden moeten worden ‘gemobiliseerd’ door [eiseres] in Iran. Volgens [eiseres] is tijdens deze audit door partijen overeengekomen dat deze apparatuur na het doorvoeren van enkele wijzigingen zou worden gemobiliseerd in Iran. Ondanks dat aanvankelijk door partijen in de Overeenkomst was voorzien in een veel vroegere mobilisatietermijn en dat de mobilisatietermijn een aantal malen uitsluitend op aandringen van [eiseres] verder is opgeschoven, ziet de voorzieningenrechter vooralsnog onvoldoende aanleiding om ervan uit te gaan dat [gedaagde] (ook) niet met deze laatste opschuiving van de mobilisatietermijn akkoord is gegaan. In haar conclusie van antwoord (randnr. 30) bevestigt [gedaagde] dat toen (mei 2018) is afgesproken dat de werkzaamheden in augustus 2018 zouden gaan beginnen.

4.11.

[eiseres] is ook niet na de audit van 5 mei 2018 (en de vervolgens door [eiseres] op haar Nederlandse locatie aangebrachte wijzigingen aan haar apparatuur) overgegaan tot mobilisatie van haar apparatuur in Iran. De reden daarvoor, zo is de voorzieningenrechter op grond van de in het geding gebrachte correspondentie genoegzaam gebleken, was dat begin mei 2018 de Amerikaanse president Trump sancties tegen Iran had aangekondigd en [eiseres] vreesde dat die sancties haar zouden treffen. Ter afwering van haar aansprakelijkheid voor deze tekortkoming doet [eiseres] in dit geding dan ook een beroep op het bepaalde in artikel 15 van de Overeenkomst inzake overmacht (force majeure). Volgens [eiseres] hebben deze sancties te gelden als “governmental infringement” in de zin van dit artikel. Dat deze sancties een beroep op overmacht rechtvaardigen, wordt door [gedaagde] betwist.

4.12.

De gevolgen van genoemde Amerikaanse sancties uit 2018 tegen Iran hangen onder meer af van de aard van een zakelijke transactie of van de personen of bedrijven die bij een bepaalde zakelijke transactie betrokken zijn. In het onderhavige kort geding is slechts één type Amerikaanse sancties aan de orde dat van invloed kan zijn op de zakelijke transacties tussen [eiseres] en [gedaagde] . Dit zijn de zogeheten ‘secundaire Amerikaanse sancties’ die een verbod inhouden voor niet-Amerikaanse personen of bedrijven om goederen van Amerikaanse oorsprong (goederen die voor meer dan 10% bestaan uit Amerikaanse onderdelen, software of technologie) uit te voeren naar Iran.

4.13.

[eiseres] heeft met haar producties voorshands voldoende aannemelijk gemaakt dat zij in haar producten meer dan 10% aan Amerikaanse onderdelen verwerkt.

4.14.

Bij de vraag of dit type van secundaire Amerikaanse sancties te gelden heeft als een “governmental infringement” in de zin artikel 15 van de Overeenkomst en [gedaagde] een beroep op force majeure toekomt, gaat het om de uitleg van een contractuele bepaling. Vanwege de in artikel 28 van de Overeenkomst opgenomen rechtskeuze moet deze uitleg plaatsvinden aan de hand van Nederlands intern recht.

4.15.

De vraag hoe een bepaling in een overeenkomst moet worden uitgelegd kan niet alleen worden beantwoord op grond van een zuiver taalkundige uitleg van die bepaling. Het komt immers tevens aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen en aan de context van de overeenkomst mochten toekennen en op wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 13 maart 1981, NJ 1981/635 (Haviltex)). Ook het gedrag van een partij in de uitvoeringsfase van een overeenkomst kan voor de uitleg van die overeenkomst van groot gewicht zijn (HR 20 mei 1994, NJ 1994/574 (Gasunie/Gemeente Amsterdam)).

4.16.

In navolging van partijen vertaalt de voorzieningenrechter de woorden “governmental infringement” in artikel 15 van de Overeenkomst als “overheidsingrijpen”. Tussen partijen is niet in geschil dat door een staat afgekondigde sancties neerkomen op een overheidsingrijpen. Evenmin is in geschil dat het bij het begrip “governmental infringement” in artikel 15 van de Overeenkomst moet gaan om overheidsingrijpen waarvan niet zonder meer is uitgesloten dat het een belemmering kan vormen voor de naleving door (een van de) partijen van de Overeenkomst

4.17.

Afhankelijk van de betrokken sector is een overgangsperiode van 90 dagen, met deadline 6 augustus 2018, of 180 dagen, met deadline 4 november 2018 voorzien voor de hier aan de orde zijnde Amerikaanse sancties tegen Iran. Niet in geschil is dat in deze zaak deze deadline van 180 dagen van toepassing is.

4.18.

Voldoende aannemelijk is dat partijen reeds begin mei 2018 toen [eiseres] de ‘bui zag hangen’ van de Amerikaanse sancties tegen Iran van deze overgangsperiodes op de hoogte waren. Vergelijk de als productie 14 van [gedaagde] in het geding gebrachte uitdraai van whatsapp-gesprekken tussen leidinggevenden van [eiseres] en [gedaagde] in de periode 8-11 mei 2018, in welke gesprekken zowel de overgangsperiode van 90 dagen als de overgangsperiode van 180 dagen aan de orde wordt gesteld.

4.19.

Na de aankondiging van de Amerikaanse sancties begin mei 2018 en de kennisneming daarvan door partijen omstreeks datzelfde moment resteerden voor [eiseres] dus nog ongeveer 25 weken om haar met [gedaagde] overeengekomen leveringen en werkzaamheden te verrichten voordat deze sancties op 4 dan wel 5 november 2018 van kracht zouden worden. Ter zitting is van de zijde van [eiseres] verklaard dat ze bij [eiseres] nog ongeveer 27 à 28 weken nodig zouden hebben gehad (als alles “perfect” was gegaan). Dit aantal weken is maar een betrekkelijk kleine afwijking van genoemd aantal van 25 weken. In artikel 15 van de Overeenkomst zouden de op een inspanningsverbintenis van [eiseres] wijzende woorden “if such failure or delay is due to any causes which are not reasonably within the control of [eiseres] ” ook betrekking kunnen hebben op gevallen van “governmental infringement”. Bij dit alles komt nog dat partijen, nadat zij op de hoogte waren gekomen begin mei 2018 van de aangekondigde sancties, jegens elkaar het vernomen uitspraken om al het mogelijke in het werk te stellen om de werkzaamheden en leveringen af te ronden vóór het van kracht worden van de sancties. Zie bijvoorbeeld de volgende whatsapp-conversatie van 9 mei 2018 tussen [naam 2] , Construction & Operation Inspection Manager van [gedaagde] , en [naam 3] , Managing Director van [eiseres] :

“ [naam 2] , it seems we still have 90 days before sanctions implied, so we will work very hard.

I will study again payment terms. We maybe must aks for some financial security to cover us up.

Yes [naam 3]

Also it seems in some sections there is 180 days for sanctions implements specially for energy section and contract with oil company of iran, be sure we will do anything to cover you and keeping you safe

It is requested to start the project soon, we will ask client to dig up soon and we will negotiate with client for providing the finanacial sources to keep you safe

--------------------------------------------------------------------

I think we can pass this

Still there is not any hard decision from european union”.

De kans van slagen in een bodemprocedure van een beroep door [eiseres] op artikel 15 van de Overeenkomst vanwege de in 2018 aangekondigde Amerikaanse sancties tegen Iran is, naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter, dan ook niet zo groot dat dit de vordering van [gedaagde] summierlijk ondeugdelijk maakt in de zin van artikel 705 lid 2 Rv. Bij de beoordeling van dit beroep komt het immers aan, als gezegd, op de uitleg van een contractuele bepaling volgens de Haviltex-maatstaf, wat betekent dat alle feitelijke omstandigheden van de casus in ogenschouw moeten worden genomen. Een kort geding als het onderhavige leent zich niet goed voor zulke uitvoerige beoordeling van louter feitelijke aard.

4.20.

Het in artikel 16 van de Overeenkomst verwoorde exoneratiebeding heeft uitsluitend betrekking op schade die het (indirecte) gevolg is “from the use of [eiseres] equipment or services”. Het gegeven dat het onderhavige geding uitsluitend betrekking heeft op (eventuele)aansprakelijkheid van [eiseres] voor het uitblijven van werkzaamheden (en leveringen) van [eiseres] vormt naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter een voldoende basis om dit artikel van de Overeenkomst verder buiten beschouwing te kunnen laten.

4.21.

Het in artikel 19 van de Overeenkomst verwoorde exoneratiebeding heeft uitsluitend betrekking op indirecte schade. De vordering van [gedaagde] waarvoor zij beslag heeft laten leggen heeft, naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter, niet zonder meer betrekking op zulke indirecte schade, zodat ook een eventueel beroep dat [eiseres] heeft gedaan op dit artikel van de Overeenkomst verder buiten beschouwing kan blijven.

4.22.

Een ander punt waarom volgens [eiseres] de vordering van [gedaagde] summierlijk ondeugdelijk is, is de grond dat zij in het geheel niet in verzuim is komen te verkeren. [gedaagde] betwist dat [eiseres] niet in verzuim zou zijn geraakt.

4.23.

De vordering van [gedaagde] waarvoor beslag is gelegd strekt tot vergoeding van schade als gevolg van een toerekenbare tekortkoming van de nakoming van contractuele verplichtingen. In het zich hier voordoende geval dat nakoming niet blijvend onmogelijk is, is voor de verschuldigdheid van schadevergoeding vereist dat de schuldenaar in verzuim is komen te verkeren. Zie artikel 6:74 lid 2 BW. Volgens artikel 6:81 BW is de schuldenaar in verzuim gedurende de tijd dat de prestatie uitblijft nadat zij opeisbaar is geworden en aan de eisen van de artikel 6:82 en 6:83 BW is voldaan.

Artikel 6:82 BW luidt als volgt:

  1. Het verzuim treedt in, wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld, en nakoming binnen deze termijn uitblijft.

  2. Indien de schuldenaar tijdelijk niet kan nakomen of uit zijn houding blijkt dat aanmaning nutteloos zou zijn, kan de ingebrekestelling plaatsvinden door een schriftelijke aanmaning waaruit blijkt dat hij voor het uitblijven van de nakoming aansprakelijk wordt gesteld.

Artikel 6:83 BW luidt als volgt:

Het verzuim treedt zonder ingebrekestelling in:

  1. wanneer een voor de voldoening bepaalde termijn verstrijkt zonder dat de verbintenis is nagekomen, tenzij blijkt dat de termijn een andere strekking heeft.

  2. wanneer de verbintenis voortvloeit uit onrechtmatige daad of strekt tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 74 lid 1 en de verbintenis niet terstond wordt nagekomen.

  3. wanneer de schuldeiser uit een mededeling van de schuldenaar moet afleiden dat deze in de nakoming van de verbintenis zal tekortschieten.

4.24.

Op 31 oktober 2018 heeft mr. M. Taheri te Capelle aan den IJssel namens [gedaagde] een brief gestuurd naar [eiseres] waarin gerefereerd wordt aan de brief van mr. M.Taheri aan [eiseres] van 22 oktober 2018 (“Inzake het bovenvermelde dossier is ondergetekende gebleken dat het schrijven d.d. 22 oktober jl. […] u klaarblijkelijk niet bereikt heeft.”). Laatstgenoemde brief is als bijlage bij eerstgenoemde brief gestuurd, met aantekening van het volgende: “Uiteraard zal de in het schrijven d.d. 22 oktober jl. vermelde termijn van 14 werkdagen vanaf heden aanvangen.” [eiseres] en [gedaagde] verschillen van mening of een brief van [gedaagde] aan [eiseres] die zij aanmerken als een brief van 31 oktober 2018 heeft te gelden als een ingebrekestelling door [gedaagde] van [eiseres] in de zin van artikel 6:82 BW. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat dit ingebrekestelling-geschil eigenlijk geen betrekking heeft op de hierboven beschreven brief van 31 oktober 2018 maar op de hierboven beschreven brief van 22 oktober 2018 waarnaar verwezen is in de brief van 31 oktober 2018.

4.25.

In het beslagverzoek stelt [gedaagde] enerzijds in algemene zin dat zij [eiseres] in de periode voorafgaande aan haar brief van 31 oktober 2018 (lees: 22 oktober 2018; zie r.o. 4.24) “herhaaldelijk” in gebreke heeft gesteld en gesommeerd om tot levering over te gaan en anderzijds dat zij in haar brief van 31 oktober 2018 (lees 22 oktober 2018; zie r.o. 4.24) [eiseres] “volledigheidshalve nogmaals in gebreke alsook aansprakelijk [heeft][ gesteld”.

4.26.

Genoemde brief van [gedaagde] aan [eiseres] van 22 oktober 2018 luidt als volgt:

“Geachte heer/mevrouw,

Tot mij heeft zich gewend de naar het Iraanse recht opgerichte onderneming genaamd [gedaagde]

, vertegenwoordigd door de heren [naam 2] en [naam 4] , u wel bekend,

voor deze aangelegenheid domicilie kiezend ten kantore van ondergetekende, verder als ‘cliënte,

met het verzoek haar belangen te behartigen en haar bij te staan als haar rechtsbijstandverlener,

waarvoor zij mij uitdrukkelijk en bepaaldelijk heeft gemachtigd, met het recht op vervanging, inzake

het navolgende.

Op 1 maart 2017 bent u met cliënte een overeenkomst aangegaan waarbij is bedongen dat u

volgens de als bijlage bij dat overeenkomst behorende tijdschema bepaalde diensten en goederen

zou leveren. Daar tegenover stond dat cliënte uiteraard het in de voornoemde overeenkomst

bedongen bedrag aan u te voldoen.

Cliënte heeft aan u, zoals eveneens was bedongen, een voorschotbedrag ad. €72.000,- voldaan,

waarvan u de ontvangst per email aan cliënte heeft bevestigd. Naar aanleiding hiervan bent u,

naar eigen zeggen – want enig concreet bewijs daartoe is tot op heden uitgebleven — gestart met

het produceren van de te leveren goederen.

Volgens de afgesproken (eerste) tijdschema zou u vanaf april 2017 dienen te leveren en diende de

levering van uw diensten en goederen op 15 november 2017 voltooid zijn. Echter, helaas is dit

nimmer het geval geweest doordat u te kennen heeft gegeven niet hierin te kunnen slagen. U heeft

zelfs niet een begin gemaakt aan het leveren! Daarbij komt nog dat u uiterst laat, te weten 5 dagen

vóór de geplande levering, aan cliënte heeft te kennen gegeven niet daartoe over te kunnen gaan.

Vervolgens heeft u — eenzijdig — een nieuwe tijdschema aan cliënte geleverd waaruit zou volgen

dat u vanaf 12 februari 2018 zou leveren en dat de levering van uw diensten en goederen op 15

juni 2016 zou voltooid zijn. Andermaal bent u hierin nalatig geweest en is enige levering van uwe

zijde uitgebleven.

Na herhaaldelijk door cliënte daartoe in gebreke te zijn gesteld alsook gesommeerd te zijn geweest

om tot levering over te gaan, heeft u per schrijven d.d. 9 september 2016 te kennen gegeven dat

vanwege de onzekerheden omtrent de sancties door de VS niet tot levering over zult gaan, althans

dat u uw levering tot 30 november 2018 zult aanhouden.

Al het voorgaande komt samengevat erop neer dat u tot en met heden en op meerdere momenten

nalatig bent geweest in het (tijdig) nakomen van de als gevolg van de voornoemde overeenkomst

op u rustende verplichtingen waardoor u zich meerdere maal schuldig heeft gemaakt aan

wanprestatie. Derhalve bent u conform artikel 6:74 BW thans gehouden tot het vergoeden van de

door cliënte geleden schade.

Cliënte is bovendien van oordeel dat u onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door keer op

keer door verscheidene (door u gebruikte) ongefundeerde redenen wanprestatie te leveren, terwijl

u wist dat cliënte, bouwend op de met u aangegane overeenkomst, met een derde partij – aldus

met dier klant — een overeenkomst is aangegaan op grond waarvan hetgeen cliënte van u afnam

aan dier klant diende te leveren.

Deze onrechtmatige handelingen c.q. gedraging van uwe zijde maakt u ex artikel 6:162 BW

eveneens schadeplichtig jegens cliënte.

Al het voorgaande maakt dat cliënte zich thans genoodzaakt heeft gezien om u hierbij

aansprakelijk te stellen voor alle door haar geleden schade. Cliënte behoeft u thans geen nadere

termijn voor levering te gunnen doordat u thans klaarblijkelijk blijvend in verzuim bent, ondanks het

feit dat cliënte u thans hij meerdere gelegenheden aangemaand en gesommeerd heeft om tot

levering over te gaan. Een redelijke termijn om tot levering over te gaan is aldus u bij meerdere

gelegenheden verstrekt.

Bij deze wordt u dan ook fatsoenlijkheidshalve in de gelegenheid gesteld om binnen een termijn

van 14 werkdagen na heden over te gaan tot erkenning van uw aansprakelijkheid jegens cliënte

en de daaruit volgende verplichting om de als gevolg daarvan door cliënte geleden schade te

moeten vergoeden. Indien binnen de gestelde termijn niet van u wordt vernomen, dan zal cliënte

zonder enige nadere berichtgeving zich tot de bevoegde rechter wenden om zodoende haar

volledige schade op u te verhalen. Daarbij zal cliënte uiteraard tevens aanspraak maken op de

door haar te maken proceskosten alsook de door haar geleden gevolgschade.

Uiteraard hoopt cliënte dat het niet zo ver zal behoeven te komen en aldus dat partijen onderling

en in der minne de kwestie oplossen.

Volledigheidshalve wordt u hierbij vermeld dat u uw eventuele verdere correspondentie in deze

kwestie aan het kantoor van ondergetekende dient te richten.

In het vertrouwen u hiermee naar behoren te hebben geïnformeerd, teken ik,

Met vriendelijke groet.

[ondertekening; Voorzieningenrechter]

mr. M. Taheri ”.

Op deze (als bijlage verzonden) brief heeft [eiseres] bij brief van 8 november 2018 als volgt gereageerd:

Geachte mevrouw Taheri,

Wij hebben uw brief met bovengenoemd kenmerk op 31 oktober j,l ontvangen betreffende

overeenkomst voor dienstverlening in Iran via onze agent [gedaagde] (hierna [gedaagde] ). Op 1

maart 2017 hebben wij met genoemd bedrijf een overeenkomst getekend voor uitvoering

specialistische dienstverlening aan gastransportfaciliteiten met zeer bijzondere kenmerken. Voor de

ontwikkeling van de hiervoor benodigde apparatuur is in de overeenkomst een aanbetaling bedongen

van 20% van de hoofdsom voor een gedeeltelijke dekk1ng van de voorbereidingskosten. Op 5 mei is

deze aanbetaling ontvangen en is een leveringsschema overeengekomen volgens welk schema wij

alsnog zouden proberen om het project inclusief voorbereidingstijd in de zomer van 2017 uit te voeren. Toen bleek dat dit schema levering-technisch niet haalbaar was en aangezien de inspecties alleen in de zomer en niet in de winter worden uitgevoerd, is voorgesteld om een nieuw schema voor 2018 op te stellen.

Gedurende de zomer en het najaar van 2017 bereikten ons via andere kanalen in Iran verontrustende

berichten over de status van de faciliteiten. Een tool van een voorgaande opdrachtnemer zou in de

faciliteit vast zijn komen te zitten en de gas-closures zouden lekken hetgeen de veiligheid van

personeel ter plaatse in gevaar kan brengen. Wij zijn toen overeengekomen dat onze

regiovertegenwoordiger de betreffende faciliteiten Ier plaatse zou inspecteren. Aangezien

herstelwerkzaamheden aan dergelijke faciliteiten ingrijpend en tijdrovend kunnen zijn, zijn toen ook

in Nederland de voorbereidingen tijdelijk op hold gezet. Het bezoek van onze regiomanager heeft in

de eerste week december plaatsgevonden. Tijdens dit bezoek kon hij echter, tegen de afspraak in,

slechts één van de zes faciliteiten bezoeken. Voor de overige inspecties moesten wij vertrouwen op de bevindingen van een lokale inspecteur.

Om alle resultaten en projectdetails te bespreken en een audit uit te voeren is afgesproken dat onze

agent samen met de klant ons bedrijf zou bezoeken in de laatste week van februari 2018. Dit bezoek

heeft uiteindelijk plaatsgevonden in de eerste week van mei. De klant heeft tijdens dit bezoek de tools

gezien die voor dit project zijn gebouwd en de pull-testfaciliteiten geïnspecteerd en goedgekeurd. Het

is relevant om te vermelden dat de kosten die gemoeid zijn met de bouw van de inspectieapparatuur

en de testfaciliteiten beduidend meer bedragen dan de 20% van de totale projectkosten die zijn

voldaan en dat het in het belang is van onze ondernerning om het project succesvol te kunnen afronden ten einde de door ons geïnvesteerde kosten te kunnen terugverdienen. Ons bedrijf heeft er dus belang bij om het project te voltooien.

Echter werd op 6 mei 2018 het nieuws wereldkundig dat Amerikaans president Trump nieuwe sancties aankondigde die met name de olie en gas sector in Iran treffen. Dit maakt dat banken financiële transacties niet langer garanderen. Dit vormde een grote onzekerheid voor ons bedrijf, aangezien de doorlooptijd van het project ter plaatse inclusief mobilisatie en douaneformaliteiten enkele maanden kan bedragen, nog afgezien van de rapportagetijd, en daarbij zijn onverwachte vertragingen die van allerlei aard en oorzaak kunnen zijn, niet inbegrepen. De politieke onzekerheid is in de weken die volgden toegenomen totdat president Trump aankondigde dat de sancties op 4 November zouden ingaan. Op dat moment was het voor ons bedrijfseconomisch een onaanvaardbaar risico om materieel en personeel naar Iran te mobiliseren — helaas! Wij hebben in een brief d.d, 9 september 2018 aangegeven dat mobilisatie in ieder geval wordt uitgesteld naar 30 november, om te kunnen zien hoe de situatie zich zou ontwikkelingen en in de hoop op een positieve wending in de situatie! Zoals inmiddels bekend zijn de sancties van kracht geworden.

Wij willen voor de duidelijkheid stellen dat [eiseres] het contract met [gedaagde] nog steeds respecteert!

Er zijn van onze zijde vertragingen geweest, maar constitueren geen contractbreuk Het is in ons eigen

belang dat de genoemde werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd. Derhalve hebben wij verklaard

dat de werkzaamheden noodzakelijkerwijs worden uitgesteld totdat de politieke omstandigheden zich

wijzigen. Clausule 29 van het contract zegt ‘This agreement terminates with the final payment of the

complete scope of work under this agreement. The contract has a validity of 12 months from date of

signing of both parties and may be extended for an undetermined period oftime, should circumstances require such to the benefit of either party’. Volgens de clausule 15 van het contract is [eiseres] niet aansprakelijk voor de vertragingen die zijn ontstaan vanwege de sancties of de aankondiging daarvan, aangezien dit duidelijk force majeur Is. Concluderend stellen wil dat de overeenkomst nog steeds geldig is en vertragingen die wij momenteel ondervinden niet verwijtbaar zijn. Wij houden ons derhalve niet aansprakelijk nog verplicht om de contractueel bedongen aanbetaling teniet te doen.

Wij betreuren de ontstane situatie ten zeerste en vinden dit voor onze partner [gedaagde] heel vervelend.

Tevens spreken wij de hoop uit dat de politieke omstandigheden zich spoedig voor alle partijen ten

goede zullen keren en dat de voorgenomen werkzaamheden alsnog kunnen worden hervat en

voltooid.

Vertrouwende u hiermee naar behoren te hebben geïnformeerd, verblijf ik,

Met vriendelijke groet,

[ondertekening; Voorzieningenrechter]

[naam 3]

[eiseres]

Managing Director”.

4.27.

In de brief van 22 oktober 2018 – welke brief, als gezegd, in dit geding door partijen wordt aangeduid als de brief van 31 oktober 2018 – wordt [eiseres] , naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter, niet in gebreke gesteld. Ten onrechte wordt door [gedaagde] in deze brief gesteld dat [eiseres] reeds aansprakelijk is voor de schade zijdens [gedaagde] conform artikel 6:74 BW. Artikel 6:74 BW vereist echter een ingebrekestelling, die nu juist ontbreekt. Voor zover [gedaagde] een beroep doet op het bepaalde onder a) van artikel 6:83 BW wegens de tussen partijen achtereenvolgens afgesproken termijnen waarbinnen [eiseres] uitvoering diende te geven aan haar verbintenissen tot levering en dienstverlening, moet dit beroep, naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter, falen, omdat partijen – al dan niet na aandringen van [gedaagde] – overeenstemming bereikten over een opschuiving van deze termijnen. Deze termijnen waren dus – uiteindelijk – geen fatale termijnen in de zin van artikel 6:83 BW onder a).

4.28.

De voorzieningenrechter kan [gedaagde] ten slotte niet volgen in haar standpunt dat (de aanvullende werking van) de maatstaven van redelijkheid en billijkheid ruimte laten voor het intreden van verzuim zonder ingebrekestelling buiten de gevallen van artikel 6:83 BW.

4.29.

Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is van verzuim van [eiseres] derhalve geen sprake geweest. Dat gegeven is voldoende voor de summierlijke ondeugdelijkheid van de vordering van [gedaagde] in de zin van artikel 705 lid 2 Rv, op zichzelf genomen al een grond voor opheffing van het beslag.

4.30.

Ook een belangenafweging rechtvaardigt opheffing van het beslag. Door het gelegde beslag, dat doel heeft getroffen voor een bedrag van (ongeveer) € 190.000,--, komt de bedrijfsvoering van [eiseres] ernstig in gevaar. Aannemelijk is dat doorlopende kosten zoals salarissen niet meer zullen kunnen worden voldaan. Door het beslag wordt [gedaagde] ‘lam gelegd’. Daarbij komt dat een groot deel van de vordering van [gedaagde] gebaseerd is op door haar afgegeven bankgaranties, waarvan evenwel vaststaat dat die garanties nog niet zijn ingeroepen, zodat op dit punt nog geen schade is geleden.

4.31.

De primair gevorderde opheffing van de beslagen zal worden toegewezen. Het primair gevorderde bevel aan [gedaagde] om zekere maatregelen te treffen zal worden toegewezen op de wijze als in het dictum is bepaald. Het maximum van de gevorderde en op zichzelf niet bestreden dwangsom zal worden bepaald op € 180.000,00. Het primair gevorderde verbod om opnieuw beslag te leggen gaat de voorzieningenrechter te ver, omdat omstandigheden kunnen veranderen. Wel zal bepaald worden dat bij een eventueel nieuw beslagrekest van [gedaagde] ten laste van [eiseres] met betrekking tot de hier aan de orde zijnde kwestie dit vonnis overgelegd moet worden.

Proceskosten

4.32.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten aan de zijde van [eiseres] worden tot aan deze uitspraak begroot op:

dagvaardingskosten € 81,83

griffierecht € 639,00

salaris advocaat € 980,00

totaal € 1.700,83.

De veroordeling in de proceskosten omvat een veroordeling in de nakosten.

De rechtbank zal bepalen dat de proceskosten binnen veertien dagen na de uitspraak moeten zijn betaald en zal de proceskostenveroordeling bij voorraad uitvoerbaar verklaren.

Tegen de over de deze kosten gevorderde wettelijke rente is geen afzonderlijk verweer gevoerd, zodat deze zal worden toegewezen op de wijze als in het dictum van dit vonnis is bepaald.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

heft de door [gedaagde] ten laste van [eiseres] gelegde beslagen, waaronder het op 28 januari 2019 onder ABN Amro gelegde beslag, op;

5.2.

beveelt [gedaagde] om binnen 12 uur na betekening van dit vonnis medewerking te verlenen, indien en voor zover door ABN Amro in het kader van de opheffing van het beslag aan [gedaagde] wordt verzocht bepaalde acties te ondernemen, en om afschrift te verstrekken aan (de advocaat van) [eiseres] van het bewijs van deze maatregelen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 7.500,00 voor ieder(e) dag(deel) dat [gedaagde] deze verplichtingen niet nakomt tot een maximum van € 180.000,00;

5.3.

bepaalt dat bij een eventueel nieuw beslagrekest van [gedaagde] ten laste van [eiseres] met betrekking tot de hier aan de orde zijnde kwestie dit vonnis overgelegd moet worden;

5.4.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten;

begroot de tot deze uitspraak aan de zijde van gedaagden gevallen kosten op € 1.700,83;

bepaalt dat de proceskosten binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis moeten zijn betaald;

begroot het nasalaris op € 157,00, te verhogen met een bedrag van € 82,00 in geval van betekening;

5.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F.L. Geerdes en in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2019.

901/676