Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:1665

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-02-2019
Datum publicatie
10-05-2019
Zaaknummer
C/10/564301 / KG ZA 18-1326
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kort geding. Geschil tussen vennoten VOF. Sprake van uittreding of niet? Vordering tot het verstrekken van afschriften van de boekhouding toegewezen. Artikelen 843a Rv en 3:15j sub c BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2019/314
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/564301 / KG ZA 18-1326

Vonnis in kort geding van 14 februari 2019

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiseres,

advocaat mr. J. Bouwman-Treffers te Naaldwijk,

tegen

1 [gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BLANKEN & NIEUWENHUIJZEN B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagden,

advocaat mr. L. Hennink te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] , [gedaagde] en B&N genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 18 december 2018, met producties 1 tot en met 7;

  • -

    de aanvullende producties 8 tot en met 11;

  • -

    de vermeerdering van eis;

  • -

    de producties 1 en 2 van [gedaagde] ;

  • -

    de mondelinge behandeling op 31 januari 2019;

  • -

    de pleitnota van [eiseres] ;

  • -

    de pleitnota van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Het huwelijk is in 2016 ontbonden.

2.2.

In 2006 zijn partijen mondeling een overeenkomst tot samenwerking met elkaar aangegaan. De samenwerkingsvorm kwalificeert zich als een vennootschap onder firma (hierna: VOF). De VOF van partijen is genaamd Strandpaviljoen [naam V.O.F.] . De VOF exploiteert een strandtent in Ooltgensplaat, genaamd [naam bedrijf] .

2.3.

In november 2015 zijn partijen als echtelieden uit elkaar gegaan. Zij hebben toen met elkaar gesproken over uittreding van [eiseres] uit de VOF.

2.4.

[eiseres] heeft, nadat zij en [gedaagde] uit elkaar zijn gegaan, geen werkzaamheden meer voor de VOF verricht en ook geen inzage meer gehad in de administratie van de VOF.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert – na vermeerdering van eis vóór de zitting en vermindering van eis op de zitting, samengevat – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair

  1. [gedaagde] te veroordelen tot het verstrekken van een afschrift aan haar van de jaarrekeningen van de VOF over de jaren 2016 en 2017, de volledige grootboekadministratie, bankafschriften en computerbestanden (al dan niet in de cloud) van de VOF over de periode 1 januari 2016 tot en met heden, en de activastaten van de VOF voor 2016, 2017 en 2018, binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

  2. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan haar van een voorschot van € 25.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente;

subsidiair

[gedaagde] te veroordelen tot het, binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, verlenen van medewerking aan het aanwijzen van een onafhankelijke accountant die de administratie over de jaren 2015 tot en met 2018 zal onderzoeken, daaronder begrepen het voldoen aan door de accountant gegeven instructies en het verstrekken van door de accountant verzochte inlichtingen en bescheiden, op straffe van verbeurte van een dwangsom,

een en ander met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiseres] in haar vorderingen, dan wel tot ontzegging van die vorderingen aan [eiseres] , met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.

3.3.

Op de voor de beoordeling van de vorderingen van belang zijnde stellingen van partijen wordt hierna ingegaan.

4 De beoordeling

Ten aanzien van de vordering jegens B&N

4.1.

[eiseres] heeft tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding te kennen gegeven dat zij de vordering tot veroordeling van B&N tot het verstrekken van een afschrift aan haar van de controledossiers van de VOF over de jaren 2015 tot en met 2018 intrekt, omdat haar de dag voor de zitting is gebleken dat B&N, de accountant van de VOF, niet over controledossiers beschikt.

4.2.

De voorzieningenrechter beschouwt de intrekking van de vordering jegens B&N als een vermindering van eis in de zin van artikel 129 Rv. Dit betekent dat op die vordering niet hoeft te worden beslist.

4.3.

B&N heeft de voorzieningenrechter verzocht wel te beslissen over de kosten die zij heeft gemaakt. B&N en [gedaagde] hebben dezelfde advocaat. Om die reden wordt ten laste van hen éénmaal griffierecht in rekening gebracht. Ook maken zij maar éénmaal advocaatkosten, althans is niet gebleken dat in de zaak tegen B&N een ander verweer zou zijn gevoerd dan in de zaak tegen [gedaagde] , wat reden zou zijn geweest om af te wijken van het gebruik om in een zaak waarin meerdere gedaagden worden bijgestaan door dezelfde advocaat de advocaatkosten te begroten op éénmaal het liquidatietarief. Over de proceskosten kan daarom niet afzonderlijk worden beslist.

Ten aanzien van het spoedeisend belang bij de primair onder 1 gevorderde voorziening

4.4.

[gedaagde] stelt zich primair op het standpunt dat de eerste primaire vordering moet worden afgewezen omdat het spoedeisend belang bij de gevorderde voorziening ontbreekt. [eiseres] probeert al vanaf 2016 inzage te krijgen in de financiën en er wordt in ieder geval al vanaf november 2017 door partijen gesproken over de financiële afrekening. [eiseres] had al lang een bodemprocedure aanhangig kunnen maken. Door stil te zitten, creëert zij geen spoedeisend belang. [eiseres] stelt dat zij risico’s loopt, maar die risico’s kan zij alleen afwenden door zich als vennoot uit te schrijven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel, aldus [gedaagde] .

4.5.

Vooropgesteld wordt het volgende.

Artikel 254 Rv bepaalt dat de voorzieningenrechter in spoedeisende zaken waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, bevoegd is om deze te geven. Van een spoedeisende zaak in vorenbedoelde zin is sprake als van de eiser niet kan worden gevergd dat hij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.

4.6.

De eerste primaire vordering strekt tot verstrekking aan [eiseres] van afschriften van stukken die deel uitmaken van de boekhouding van de VOF. Voor zover moet worden aangenomen dat [eiseres] , zoals zij stelt, maar door [gedaagde] wordt betwist, nog steeds vennoot is van de VOF, heeft zij in beginsel recht op kennisneming van de boekhouding van de VOF. Dit vloeit voort uit het bepaalde in artikel 3:15j BW. Omdat zij als medevennoot aansprakelijk is jegens derden, heeft zij ook een spoedeisend belang daarbij. Daar komt bij dat zowel op [gedaagde] als op haar de verplichting rust om op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen kunnen worden gekend (artikel 3:15i BW). Of aan deze verplichting wordt voldaan, moet door [eiseres] kunnen worden gecontroleerd.

4.7.

In het geval moet worden aangenomen dat [eiseres] , zoals [gedaagde] stelt, geen vennoot meer is van de VOF, omdat zij per 1 januari 2016 is uitgetreden, heeft zij eveneens belang bij kennisneming van de boekhouding van de VOF. Een uitgetreden vennoot is immers aansprakelijk jegens derden zo lang de VOF niet (door middel van vereffening en verrekening) is geëindigd.

4.8.

Een en ander brengt met zich dat van [eiseres] niet kan worden gevergd dat zij de uitkomst van een bodemprocedure over de verstrekking van afschriften van de boekhouding afwacht. Het verweer wordt daarom gepasseerd.

Ten aanzien van de eerste primaire vordering

4.9.

[eiseres] legt – samengevat – het volgende aan haar vordering ten grondslag.

Aan de vereisten van artikel 843a Rv is voldaan: er is sprake van een rechtmatig belang, bepaalde bescheiden, en een rechtsbetrekking. Partijen zijn beiden vennoten in de VOF. De vordering ziet dus op bescheiden aangaande een betrekking waarin [eiseres] partij is. De bescheiden waarvan zij een afschrift wenst te hebben zijn jaarrekeningen over de jaren 2016 en 2017, de volledige grootboekadministratie, bankafschriften en computerbestanden over de periode 1 januari 2016 tot en met heden, en de activastaten voor 2016, 2017 en 2018. Zij heeft een rechtmatig belang hierbij, omdat deze bescheiden relevant zijn voor haar rechtspositie jegens [gedaagde] , alsmede jegens derden. Het is vaste jurisprudentie dat wanneer de ene vennoot (niet-besturend vennoot) twijfelt over de juistheid van de administratie en inzage wil, deze inzage gegeven dient te worden. Een niet-besturend vennoot heeft recht en belang bij toegang tot de administratie. Deze moet kunnen controleren of de dagelijkse geldstromen op een juiste wijze in de boekhouding worden verwerkt. Zij is niet bij de bedrijfsvoering en de administratie betrokken, maar zij is als medevennoot wel jegens derden aansprakelijk.

4.10.

[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat de vordering moet worden afgewezen, omdat [eiseres] met ingang van 1 januari 2016 is uitgetreden als vennoot. Er moet weliswaar nog tot een afrekening worden gekomen, maar daarvoor zijn de jaarwerken van na 31 december 2015 niet relevant. Berekend moet namelijk worden wat het kapitaal van de VOF is per die datum, aldus [gedaagde] .

4.11.

Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of [eiseres] nog steeds vennoot is van de VOF. De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

4.12.

Een vennootschap onder firma is – zo volgt uit artikel 16 van het Wetboek van Koophandel – een vorm van een maatschap in de zin van artikel 7A:1655 BW. Op maatschappen zijn de artikelen 7A:1655 tot en met 7A:1688 BW van toepassing. Daarnaast zijn de in boek 3 en boek 6 BW neergelegde algemene bepalingen van toepassing.

4.13.

Artikel 7A:1683 BW bepaalt dat een maatschap, daaronder begrepen een VOF, wordt ontbonden door verloop van de tijd waarvoor deze is aangegaan, door het tenietgaan van een goed of de volbrenging van de handeling die het onderwerp van de maatschap bepaalt, door opzegging van een vennoot aan de andere vennoten en door de dood of de curatele van één van de vennoten, of indien hij in staat van faillissement is verklaard dan wel ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard. Artikel 7A:1684 BW bepaalt dat de rechter de maatschap/VOF op vordering van iedere vennoot kan ontbinden wegens gewichtige redenen. Verder kan een VOF worden ontbonden als de vennoten dat overeenkomen. Zij kunnen in de oprichtingsovereenkomst van de VOF ontbindende voorwaarden opnemen. Ook kunnen zij ná oprichting van de VOF overeenkomen dat de VOF wordt ontbonden. In het laatste geval moet overeenstemming bestaan over de wens tot beëindiging van de samenwerking, alsook over de wijze waarop dit zal geschieden. Alleen dan wordt de VOF ontbonden (vgl. rechtbank Den Haag 25 juli 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:8797, HR 16 mei 1986, NJ 1987, 206 en gerechtshof ’s‑Gravenhage 20 juni 1947, NJ 1948, 492).

4.14.

[gedaagde] stelt dat partijen in 2015 zijn overeengekomen dat de samenwerking binnen de VOF met ingang van 1 januari 2016 eindigt. Het is uitsluitend de hoogte van het te verrekenen bedrag aan goodwill of badwill waarover partijen het nooit eens zijn geworden, aldus [gedaagde] . Hij stelt zich, anders dan [eiseres] , op het standpunt dat de afrekening losstaat van het vaststellen van de datum waarop de samenwerking binnen de VOF eindigt.

4.15.

[gedaagde] wordt hierin niet gevolgd. Nu partijen blijkbaar geen overeenstemming hebben bereikt over de wijze van afwikkeling, is de VOF niet ontbonden. Dit betekent, naar voorlopig oordeel, dat [eiseres] nog steeds vennoot is van de VOF.

4.16.

De vraag die vervolgens moet worden beantwoord, is of [gedaagde] aan [eiseres] een afschrift moet verstrekken van de stukken waarop haar vordering ziet. De voorzieningenrechter beantwoordt ook die vraag bevestigend.

4.17.

[eiseres] grondt haar vordering op het bepaalde in artikel 843a Rv. Dit artikel biedt een partij de mogelijkheid om kennis te nemen van bescheiden waarover zij niet, maar een ander wel beschikt. Een op basis van dit artikel ingestelde vordering is, behoudens in de gevallen genoemd in het vierde lid van dit artikel, toewijsbaar als het gaat om concreet door de eiser geduide bescheiden die betrekking hebben op een rechtsbetrekking waarin hij (of zijn rechtsvoorganger) partij is, en hij een rechtmatig belang heeft bij inzage, afschrift of uittreksel van die bescheiden. Dat – in het geval de voorzieningenrechter concludeert dat [eiseres] nog steeds vennoot is – aan deze vereisten is voldaan, is door [gedaagde] niet betwist. Dat [eiseres] een rechtmatig belang heeft bij (in ieder geval) inzage in de administratie van de VOF, volgt ook uit artikel 3:15j sub c BW. Dit artikel bepaalt dat vennoten ten aanzien van de boekhouding van de vennootschap openlegging van tot een administratie behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers kunnen vorderen. Het recht op en belang bij inzage in de administratie van de VOF is daarmee gegeven.

4.18.

[eiseres] vordert [gedaagde] te veroordelen tot het verstrekken van een afschrift van de bescheiden. [gedaagde] heeft zich niet verzet tegen verstrekking van een afschrift.

4.19.

Een en ander betekent dat de eerste primaire vordering wordt toegewezen.

4.20.

De gevorderde dwangsomveroordeling wordt afgewezen, omdat voor een dwangsomveroordeling geen termen aanwezig worden geacht. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding medegedeeld aan een eventuele veroordeling te zullen voldoen. Dat er reden is om aan de geloofwaardigheid van [gedaagde] te twijfelen is niet door [eiseres] gesteld, laat staan dat dit aannemelijk is geworden.

Ten aanzien van de tweede primaire vordering

4.21.

[eiseres] vordert veroordeling tot betaling van een geldsom. Met betrekking tot een voorziening in kort geding bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar – kort gezegd – het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

4.22.

[eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat zij recht heeft op de helft van het vermogen van de VOF en dat de VOF vanaf 2016 in ieder geval een bedrag van € 120.000,- heeft ontvangen doordat zij een samenwerkingsovereenkomst is aangegaan met Windpark Hellegatsplein B.V. Deze onderneming heeft een windpark gerealiseerd dat door de VOF wordt beheerd.

4.23.

[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat de vordering moet worden afgewezen. De inkomsten die de VOF genereert uit de samenwerkingsovereenkomst worden verwerkt in de balans van de VOF en meegenomen in het resultaat. Het resultaat wordt verwerkt in de kapitaalpositie en zo mogelijk, bij verkoop van een aandeel, in de goodwill. Losse inkomsten dienen niet verdeeld te worden. Bovendien is sprake van een restitutierisico aan de kant van [eiseres] , aldus [gedaagde] .

4.24.

De vordering wordt afgewezen, alleen al omdat geen feiten en omstandigheden zijn gesteld die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. [eiseres] heeft met betrekking tot deze vordering geen afzonderlijk spoedeisend belang gesteld. Het ten aanzien van de eerst primaire vordering gestelde, kan voor deze vordering geen spoedeisend belang opleveren.

Ten aanzien van de proceskosten

4.25.

[gedaagde] zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 103,81

- griffierecht € 914,00

- salaris advocaat € 980,00

Totaal € 1.997,81

Omdat de vordering strekkende tot betaling van een geldsom wordt afgewezen, is [gedaagde] slechts gehouden om het griffierecht te vergoeden dat in rekening zou zijn gebracht als alleen de eerste primaire vordering zou zijn ingesteld, zijnde € 297,00. Het meerdere griffierecht moet voor rekening van [eiseres] blijven. Ook het meerdere aan [gedaagde] in rekening gebrachte griffierecht komt voor rekening van [eiseres] . [eiseres] is immers ten aanzien van de vordering strekkende tot betaling van een geldsom in het ongelijk gesteld. Daarom zal tweemaal een bedrag van € 617,00 in mindering worden gebracht (het voor een natuurlijke persoon geldend tarief voor een geldvordering van niet meer dan € 100.000,00, zijnde € 914,00, minus het tarief voor een vordering van onbepaalde waarde, zijnde € 297,00). Per saldo resteert derhalve een bedrag van € 763,81.

4.26.

Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert. De vordering zal daarom op dit onderdeel worden afgewezen.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] tot het verstrekken van een afschrift aan [eiseres] van

  • -

    de jaarrekeningen van de VOF over de jaren 2016 en 2017;

  • -

    de volledige grootboekadministratie, bankafschriften en computerbestanden (al dan niet in de cloud) van de VOF over de periode 1 januari 2016 tot en met heden;

  • -

    de activastaten van de VOF voor 2016, 2017 en 2018,

binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden – per saldo – begroot op € 763,81, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F.L. Geerdes en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2019.2885/676