Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:1663

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-02-2019
Datum publicatie
11-03-2019
Zaaknummer
ROT 18/3833 en ROT 18/3834
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herziening, terugvordering, boete en hoofdelijk aansprakelijk. Schending inlichtingenplicht. Geen sprake van niet duurzaam gescheiden leven. Bijstandsuitkering ten onrechte naar norm alleenstaande verstrekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummers: ROT 18/3833 en ROT 13/3834

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 februari 2019 in de zaak tussen

[eiseres]

[eiser]

gemachtigde: mr. J. Nieuwstraten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel, verweerder,

gemachtigde: mr. N.D. Fritz-Pierik.

Procesverloop

Bij besluit van 25 januari 2018 (primair besluit 1) heeft verweerder het recht van eiseres op een bijstandsuitkering over de periode van 1 maart 2008 tot 1 juli 2017 herzien en de als gevolg daarvan ten onrechte verstrekte bijstand ten bedrage van € 122.638,90 aan algemene bijstand en € 3.277,- aan bijzondere bijstand van haar teruggevorderd.

Bij besluit van eveneens 25 januari 2018 (primair besluit 2) heeft verweerder eiser hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor voornoemde vordering.

Bij besluit van 2 maart 2018 (primair besluit 3) is aan eiseres een boete opgelegd van

€ 5.532,-.

Bij besluit van 13 juni 2018 (bestreden besluit 1) heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen het primaire besluit 1 ongegrond verklaard en het bezwaar van eiseres tegen primair besluit 3 deels gegrond verklaard voor zover het de hoogte van de boete betreft en de boete vastgesteld op € 1.190,54.

Bij besluit van eveneens 13 juni 2018 (bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen primair besluit 2 ongegrond verklaard.

Eiser en eiseres hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2019. De zaken zijn gevoegd behandeld. Eiseres en eiser zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Voor een weergave van de feiten verwijst de rechtbank naar de uitspraak van deze rechtbank van 25 mei 2018 (ECLI:NL:RBROT:2018:3993) zoals vermeld onder de overwegingen 1.1. tot en met 1.3. Bij deze uitspraak is het beroep van eiseres tegen het besluit van 7 november 2017, waarbij de bijstandsuitkering van eiseres met ingang van

1 juli 2017 wegens schending van de inlichtingenverplichting is ingetrokken, ongegrond verklaard.

2. Verweerder acht het naar aanleiding van zijn onderzoek voldoende aannemelijk dat eiser en eiseres in ieder geval vanaf 1 maart 2008, zijnde de datum waarop eiser een begrafenisverzekering voor eiseres heeft afgesloten, niet duurzaam gescheiden leven.

Herziening en terugvordering

3. Aan de herziening en terugvordering heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiseres in strijd met de op grond van artikel 17 van de Participatiewet (Pw) op haar rustende verplichting heeft verzwegen dat zij over de betrokken periode niet duurzaam gescheiden leefde van eiser, zodat zij over die periode ten onrechte als ongehuwd is aangemerkt en geen zelfstandig subject van bijstand was. Als gevolg daarvan heeft ten onrechte bijstandsverlening plaatsgevonden.

4. Eiseres voert aan dat zij de inlichtingenplicht niet heeft geschonden. Bij haar aanvraag om een bijstandsuitkering in het jaar 2000 heeft ze aangegeven dat haar echtgenoot [eiser] in een later stadium naar Nederland zou komen om zich bij zijn gezin te voegen. Destijds was er dus geen sprake van duurzaam gescheiden leven, terwijl haar desondanks wel een bijstandsuitkering als een zelfstandig subject naar een alleenstaande (ouder) is verstrekt. Het is eiseres niet duidelijk op grond van welke wettelijke bepaling haar deze uitkering is verstrekt. Eiseres is dan ook van mening dat verweerder, gelet op wat zij heeft verklaard, haar aanvraag niet correct heeft beoordeeld maar dat dit haar niet kan worden verweten. Ze heeft niet kunnen weten dat ze niet duurzaam gescheiden leefde van eiser en daardoor geen zelfstandig subject van bijstand was. Volgens eiseres leefde ze vanaf 1 maart 2008 tot 1 juli 2017 duurzaam gescheiden van eiser. Eiseres voert verder nog aan dat er sprake was van stelselmatige observaties door verweerder. Deze observaties vormen een inbreuk op haar recht op privacy als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De bevindingen op grond van deze observaties mogen niet als bewijs gebruikt worden omdat het onrechtmatig is verkregen. Volgens eiseres is niet duidelijk op welke wijze de waarnemingen en registraties hebben plaatsgevonden.

4.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

Op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Pw wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.

Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Pw doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep - CRvB - (bijv. ECLI:NL:CRVB:2018:1093 is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten eerst sprake indien het een door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld. Dit zal moeten blijken uit de feitelijke omstandigheden.

4.3.

Vaststaat dat eiseres aan verweerder niet heeft gemeld dat zij in de periode in geding niet duurzaam gescheiden leefde van eiser. Bij de aanvraag van eiseres in 2000 heeft zij weliswaar verklaard dat het de bedoeling was dat eiser zich weer bij het gezin zou voegen, maar eiseres heeft noch bij de komst van eiser in 2002, noch later gemeld dat er sprake was van niet duurzaam gescheiden leven. Eiser heeft op 2 augustus 2017 verklaard dat hij ten tijde van het op 1 maart 2008 afsluiten van de begrafenisverzekering voor hem en voor eiseres, samen was met eiseres en met haar getrouwd was. Nu dit een verandering was ten opzichte van de situatie van voor 1 maart 2008, had het eiseres, die een uitkering naar de norm van een alleenstaande (ouder) ontving, redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat het niet meer duurzaam gescheiden leven, van invloed kon zijn op haar recht op een bijstandsuitkering. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op grond van de in het rapport van 25 januari 2018 vermelde onderzoeksbevindingen terecht op het standpunt gesteld dat eisers in de periode in geding niet duurzaam gescheiden leefden en dat eiseres de op haar rustende wettelijke inlichtingplicht heeft geschonden door verweerder niet daarover te informeren. Dat de burgerlijke staat ongewijzigd was en eisers uiteindelijk van tafel en bed zijn gescheiden, doet hier niet aan af omdat de feitelijke omstandigheden bepalend zijn. De toelichtingen en nuanceringen van eisers acht de rechtbank, ook in onderling verband beschouwd, onvoldoende overtuigend om af te kunnen doen aan het overheersende totaalbeeld dat naar voren komt uit de bevindingen van verweerder. De opmerkingen van eiseres over het onderzoek naar het waterverbruik en de bankafschriften en het onderzoek naar de adressen [adres 1] en [adres 2] doen hier ook niets aan af.

4.4.

De rechtbank is van oordeel dat de observaties geen stelselmatig karakter hadden en dat er sprake was van een gerechtvaardigd doel voor het doen van de observaties. De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 12 van de uitspraak van deze rechtbank van 25 mei 2018.

5. Eiseres voert aan dat zij vanwege haar geloofsovertuiging van tafel en bed is gescheiden en dat op grond van artikel 9 van het EVRM, en onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Alkmaar (ECLI:NL:RBALK:2009:BJ1928) er vanaf het moment van de inschrijving daarvan ten onrechte is getoetst of er sprake was van duurzaam gescheiden leven. De scheiding van tafel en bed zou gelijkgesteld moeten worden aan een echtscheiding.

5.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

In artikel 9 van het EVRM is in het eerste lid bepaald dat een ieder recht heeft op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als privé zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uitdrukking te brengen in erediensten, in onderricht, in praktische toepassing ervan en in het onderhouden van geboden en voorschriften.

In het tweede lid is bepaald dat de vrijheid zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uiting te brengen aan geen andere beperkingen kan worden onderworpen dan die die bij de wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de openbare veiligheid, voor de bescherming van de openbare orde, gezondheid of goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

5.2.

Eiseres beroept zich op het recht op vrijheid van godsdienst. Daargelaten of in dit geval sprake is van een inbreuk op het recht op godsdienstvrijheid, is de rechtbank van oordeel dat voor de gestelde inbreuk een rechtvaardiging bestaat. Verweerder heeft de besluitvorming gebaseerd op artikel 3 van de Pw, waarin door de wetgever onderscheid wordt gemaakt tussen degenen die als gehuwd en degenen die als ongehuwd kunnen worden aangemerkt. De (gestelde) inbreuk berust dan ook op een wettelijke grondslag als vereist in artikel 9, tweede lid, van het EVRM. De scheiding van tafel en bed kan niet gelijk worden gesteld met een echtscheiding omdat het huwelijk daardoor niet is ontbonden. Verder is, zoals onder overwegingen 4.2. en 4.3. van deze uitspraak aangegeven, de feitelijke situatie bepalend.

6. Eiseres stelt dat verweerder de aanstellingsbesluiten van de medewerkers in publiekrechtelijke dienst moet overleggen die betrokken zijn geweest bij het onderzoek en dat verweerder inzage moet geven in de contracten die de gemeente met SV-land heeft afgesloten.

6.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de aanstelling van de bij het onderzoek betrokken medewerkers en de door verweerder gegeven verklaring over het inhuren van twee medewerkers van het organisatiebureau
SV-land die onder verantwoording van een handhaver van verweerder werkten. Verder is volgens vaste rechtspraak (CRvB 31 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011: BQ7576) het college op grond van artikel 53a van de WWB - thans Pw - bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en de volledigheid van de verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van de bijstand. Artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht ziet niet op de ambtenaren die in het kader van de algemene onderzoeksbevoegdheid van artikel 53a, tweede lid, van de Pw onderzoek doen naar het bestaan of voortbestaan van het recht op bijstand (zie CRvB 12 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR2211).

7. Eiseres neemt het standpunt in dat verweerder meer informatie moet overleggen over het project “Niet Duurzaam Gescheiden Levend” (het project). Deze beroepsgrond slaagt niet. Verweerder heeft in het verweerschrift voldoende toegelicht over het project. Daaruit blijkt dat als criterium om onder het project te vallen werd gehanteerd: cliënten die een uitkering naar de norm van een alleenstaande (ouder) ontvingen en volgens de Basisregistratie personen geregistreerd stonden als zijnde gehuwd. Aan dit criterium voldeed eiseres.

Boete

8. Aan de in bezwaar gehandhaafde oplegging van een boete heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiseres de inlichtingenverplichting heeft geschonden, waardoor sprake is van een benadelingsbedrag van € 125.916,90. Ten onrechte is vanaf 1 maart 2008 bijstand verstrekt naar de norm voor een alleenstaande. Verweerder heeft in bezwaar de boete, vanwege de draagkracht van eiseres, gematigd tot een bedrag van € 1.190,54.

9. Eiseres stelt primair dat de hoogte van de boete niet op haar aflossingscapaciteit is afgesteld en dat er geen sprake is van verwijtbaarheid omdat ze de inlichtingenplicht niet heeft geschonden. Subsidiair voert eiseres, onder verwijzing naar artikel 2a, aanhef en

onder d van het Boetebesluit socialezekerheidswetten (het Boetebesluit) aan dat de overtreding van de inlichtingenverplichting of de hoogte van het benadelingsbedrag mede te wijten is aan het bestuursorgaan dat bevoegd is de bestuurlijke boete op te leggen.

9.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

Op grond van artikel 18a, eerste lid, van de Pw, voor zover van belang, legt het college een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw.

9.2.

Volgens vaste rechtspraak van de CRvB moet het bestuursorgaan bij het opleggen van een boete wegens schending van de inlichtingenverplichting feiten stellen en, voor zover betwist, aantonen dat betrokkene de inlichtingenverplichting heeft geschonden (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3024). Ook als de besluitvorming over de intrekking of herziening en de terugvordering vaststaat, dient in het kader van de boete een zelfstandig oordeel over de schending van de inlichtingenverplichting te worden gegeven (zie bijvoorbeeld de uitspraak, van 25 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2730). De bewijslast bij een bestraffende sanctie als hier aan de orde is dus zwaarder dan die bij de toepassing van de intrekking en terugvordering op de grond dat de inlichtingenverplichting is geschonden en ten onrechte een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aan deze verzwaarde bewijslast heeft voldaan. Met het vergaarde bewijs is het niet duurzaam gescheiden leven in de periode in geding in voldoende mate aangetoond en kan eiseres van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting een verwijt worden gemaakt. Verweerder was daarom verplicht een boete op te leggen.

9.3.

Vervolgens moet worden beoordeeld of verweerder terecht heeft geconcludeerd dat er sprake is van gewone verwijtbaarheid bij het opleggen van de boete. Artikel 2a, eerste lid, van het Boetebesluit bepaalt dat de mate van verwijtbaarheid beoordeeld wordt naar de omstandigheden waarin de betrokkene verkeerde op het moment dat hij de inlichtingenverplichting had moeten nakomen. Het bestuursorgaan dient op basis van de beschikbare informatie te beoordelen of er sprake is van verminderde verwijtbaarheid, zo nodig aangevuld met door de betrokkene nader te verstrekken inlichtingen of gegevens.

9.4.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat er sprake is van gewone verwijtbaarheid. Er is niet gebleken van omstandigheden van sociale, psychische of medische aard en onvoorziene of ongewenste omstandigheden waardoor eiseres feitelijk niet in staat was haar inlichtingenverplichting na te komen. Evenmin is de overtreding van de inlichtingenverplichting of de hoogte van het benadelingsbedrag mede te wijten aan het bestuursorgaan.

9.5.

Naar vaste rechtspraak (uitspraak van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:9) moet een bestuursorgaan, indien het een bestuurlijke boete oplegt en daarbij rekening houdt met de draagkracht van de overtreder, acht slaan op diens financiële positie ten tijde van het besluit tot het opleggen van de boete. Wordt de beslissing van een bestuursorgaan over de hoogte van de boete aan het oordeel van de rechter onderworpen, dan dient deze zijn oordeel daarover te vormen met inachtneming van de op dat moment aannemelijk geworden omstandigheden, waaronder de financiële omstandigheden, waarbij het dan in de eerste plaats op de weg van de betrokkene ligt daarover inzicht te geven.

9.6.

Eiseres heeft geen inzicht in haar financiële omstandigheden gegeven anders dan de mededeling dat ze geen inkomen meer heeft. Verweerder gaat er terecht vanuit dat eiseres een inkomen op bijstandsniveau heeft. Indien er onvoldoende draagkracht is voor de betaling van de boete, kan deze boete worden gematigd tot het bedrag dat - in geval van gewone verwijtbaarheid - binnen 12 maanden kan worden betaald. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de beslagvrije voet, waarbij het uitgangspunt is dat maandelijks het volledige bedrag van het inkomen boven de beslagvrije voet beschikbaar is voor het betalen van de boete. Uit de uitspraak van de CRvB van 16 mei 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1816) volgt dat in het kader van de vaststelling van de hoogte van de bestuurlijke boete voor de bepaling van de fictieve (minimum) draagkracht bij personen met een inkomen op bijstandsniveau in beginsel steeds 10% van de toepasselijke bijstandsnorm moet worden aangehouden. Alhoewel (zie in dit verband de uitspraak van de CRvB van 24 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3754) verweerder voor de hoogte van de boete ten onrechte geen onderscheid heeft gemaakt tussen de periode voor 1 januari 2013 (waarover geen boete kan worden opgelegd maar een maatregel) en de periode daarna, heeft verweerder de boete gelet op de draagkracht van eiseres uiteindelijk terecht vastgesteld op € 1.190,54. De rechtbank concludeert dat de opgelegde boete daarmee evenredig is. Van dringende redenen om af te zien van het opleggen van een boete is niet gebleken.

10. Verder voert eiseres aan dat verweerder ten onrechte de Richtlijn voor strafvordering sociale zekerheidsfraude niet heeft gevolgd. Onder verwijzing naar een uitspraak van de CRvB (ECLI:NL:CRVB:2018:2577) stelt eiseres dat indien er aangifte was gedaan en eiseres strafrechtelijk vervolgd zou zijn, geen veroordeling was gevolgd omdat het haar zou ontbreken aan het kenbaarheidsvereiste. In vervolg hierop zou de bestuursrechter in het kader van de onschuldpresumptie tot het oordeel kunnen komen dat eiseres haar inlichtingenplicht niet heeft geschonden waardoor er geen grond zou zijn voor de terugvordering en de boete.

10.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank kan zich vinden in de toelichting van verweerder dat het benadelingsbedrag vanaf 1 januari 2013 circa € 50.000,- bedraagt en dat daarom mede op grond van de mogelijkheid dat eiseres een strafblad zou krijgen, is besloten om deze zaak bestuursrechtelijk af te doen en niet strafrechtelijk.

11. Eiseres voert verder aan dat er een onvolledige cautie is gegeven omdat verweerder had meegedeeld dat eiseres niet tot antwoorden verplicht was op de ‘waarom’ vragen en dat zij wel op andere vragen antwoord moest geven.

11.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Bij het geven van de cautie heeft verweerder het volgende aangegeven:

“U bent niet verplicht tot antwoorden op zogenaamde ‘waarom’ vragen. Als wij u de vraag stellen waarom heeft u dat niet tegen de dienst Sociale Zaken verteld bent u daar niet verplicht toe te antwoorden. Als wij u vragen hoeveel mensen op uw adres woonachtig zijn dan heeft u een informatieplicht, begrijpt u dit?”.

11.2.

De rechtbank is van oordeel dat betwijfeld kan worden of hiermee een volledige cautie is gegeven en of deze duidelijk was. De boete is echter niet uitsluitend gebaseerd op de door eiseres afgelegde verklaring. Ook indien deze buiten beschouwing wordt gelaten, bestaat er, gelet op de overige onderzoeksbevindingen en de verklaring van eiser, voldoende grond om eiseres een boete op te leggen.

Proceskosten

12. Verweerder heeft het verzoek om vergoeding van proceskosten afgewezen omdat de gedeeltelijke herroeping van het boetebesluit niet aan zijn onrechtmatigheid is te wijten.

12.1.

Eiseres stelt dat verweerder in bezwaar de proceskosten had moeten vergoeden omdat het boetebedrag is verlaagd.

12.2.

Deze beroepsgrond slaagt. Vastgesteld wordt dat het bezwaar van eiseres ertoe heeft geleid dat verweerder bij het bestreden besluit de boete heeft gematigd. Dat eiseres vooraf geen inzicht in haar financiële situatie heeft gegeven ter bepaling van de draagkracht, doet hier niets aan af, omdat verweerder ook in bezwaar heeft vastgesteld dat eiseres nog steeds geen inzicht daarin heeft gegeven maar desondanks de boete toch heeft gematigd. Verweerder had daarom op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb tot vergoeding van de proceskosten in bezwaar moeten overgaan.

12.3.

Het beroep is in zoverre gegrond. Daarom komt bestreden besluit 1, voor zover hierbij de kosten van de bezwaarprocedure zijn afgewezen, voor vernietiging in aanmerking.

De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien in die zin dat alsnog proceskostenvergoeding wordt toegekend voor in de bezwaar gemaakte kosten. Voorts bestaat aanleiding tot vergoeding van de proceskosten die in verband met het beroep zijn gemaakt. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting toegekend met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1, in totaal € 2.048,- .

12.4.

Omdat het beroep gegrond is, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

Hoofdelijk aansprakelijk

13. Aan bestreden besluit II heeft verweerder, onder verwijzing naar bestreden besluit I, ten grondslag gelegd dat op grond van artikel 59, tweede lid, van de Pw eiser - met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden - hoofdelijk aansprakelijk is voor de kosten van bijstand, nu deze ten onrechte niet als gezinsbijstand aan gehuwden is verleend.

13.1.

De beroepsgronden van eiser zijn gelijkluidend aan de gronden die door eiseres zijn aangevoerd. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding om in dit geschil tot een ander oordeel te komen.

13.2.

In artikel 59, tweede lid, van de Pw is bepaald dat, indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende de verplichtingen als bedoeld in artikel 17 van de Pw niet is nagekomen, de kosten van bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van de bijstand rekening had moeten worden gehouden.

13.3.

Nu eisers in de periode hier in geding niet duurzaam gescheiden leefden en eiser degene is met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden, volgt hieruit dat ten aanzien van eiser is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 59, tweede lid, van de Pw. Verweerder was dus bevoegd de kosten van de ten onrechte aan eiseres verleende bijstand mede van eiser terug te vorderen.

14. Het beroep tegen bestreden besluit 2 is ongegrond en voor een proceskostenveroordeling bestaat hierbij geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond en vernietigt het bestreden besluit
voor zover daarbij de vergoeding van de proceskosten in bezwaar zijn afgewezen;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 1 voor het overige ongegrond;

- ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien in die zin dat verweerder alsnog de
proceskosten in bezwaar moet vergoeden ten bedrage van € 1024,-;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ten bedrage van € 1024,-

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 46,- vergoedt;

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van

mr. J. Nieuwstraten, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 27 februari 2019.

griffier rechter

de griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.