Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:1655

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-01-2019
Datum publicatie
04-03-2019
Zaaknummer
C/10/566021 / FA RK 19-324 (beroep) / C/10/566025 / KG ZA 19-35 (voorlopige voorziening)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Wet Tijdelijk Huisverbod – uitspraak. Huisbod opgelegd voor tien dagen. Beroep ongegrond, verzoek voorlopige voorzieningen afgewezen, verzoek proceskostenveroordeling afgewezen.

Motivering besluit – het besluit wordt in stand gelaten omdat verzoeker noch andere belanghebbenden door het niet omschrijven van het incident in hun belangen zijn geschaad.

Gevaar – vaststaat dat er een geweldsincident aan vooraf ging. De burgemeester kon dit als onmiddellijk dreigend gevaar aanmerken.

Redelijkheid in de bevoegdheidsuitoefening – het systeemgesprek heeft nog niet plaatsgevonden en er zijn nog geen veiligheidsafspraken gemaakt.

Geen opheffing huisverbod - nog onvoldoende waarborg dat het gevaar in de zin van de Wth geweken is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

Reg.nrs.: C/10/566021 / FA RK 19-324 (beroep)

C/10/566025 / KG ZA 19-35 (voorlopige voorziening)

Procesverbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 januari 2019 op het verzoek om voorlopige voorziening en het beroep in de zaken tussen

[verzoeker] , verzoeker,

wonende te [woonplaats] , [adres] ,

gemachtigde mr. H.J. Naber.

en

de burgemeester van de gemeente Papendrecht, verweerder,

gemachtigde mr. [naam vertegenwoordiger 1] ,

in welke zaak belanghebbenden zijn:

[achterblijfster] , de vriendin van verzoeker,
hierna te noemen achterblijfster,

en

[naam minderjarige 1] , kind van de vriendin van verzoeker,

[naam minderjarige 2] , kind van de vriendin van verzoeker,

[naam minderjarige 3] , kind van de vriendin van verzoeker,

wonende te [woonplaats] , [adres] ,

hierna te noemen de minderjarigen.

1 Ontstaan en loop van de procedure

1.1.

Bij besluit van 13 januari 2019 heeft verweerder een huisverbod opgelegd aan verzoeker voor de duur van tien dagen. Dit huisverbod eindigt op 23 januari 2019, 19:46 uur.

1.2.

Bij faxbericht van 14 januari 2019 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit). Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

1.3.

De minderjarige [naam minderjarige 1] is in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. [naam minderjarige 1] heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

1.4.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2019. Bij deze gelegenheid zijn verschenen:

 verzoeker en zijn gemachtigde;

 verweerder, vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger 1] ;

 Veilig Thuis, vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger 2] .

 achterblijfster.

2 Beslissing

De voorzieningenrechter:

 verklaart het beroep ongegrond;

 wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

 wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af.

3 Overwegingen

3.1.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan verzoeker een huisverbod opgelegd voor de duur van tien dagen op grond van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth). Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de aanwezigheid van verzoeker in de woning (een vermoeden van) een ernstig en onmiddellijk gevaar (hierna: het gevaar) oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen.

3.2.

Het verzoek strekt ertoe de rechtsgevolgen van het bestreden besluit te schorsen totdat op het beroepschrift is beslist.

Het beroep strekt ertoe het bestreden besluit te vernietigen en verweerder te veroordelen in de proceskosten.

3.3.

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), voor zover hier van belang, kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3.4.

Op grond van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

3.5.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zodat hij onmiddellijk uitspraak zal doen op het beroep.

4 Beoordeling van het beroep

motiveringsgebrek

4.1.

Verzoeker voert aan dat het bestreden besluit lijdt aan een motiveringsgebrek. Op geen enkele wijze blijkt welk incident de aanleiding is geweest voor het opleggen van het huisverbod. Dit gebrek moet leiden tot vernietiging van het besluit.

4.1.1.

De voorzieningenrechter overweegt dat het incident inderdaad niet als zodanig staat omschreven in het bestreden besluit. Ter zitting blijkt dat het besluit wel direct na het nemen ervan met verzoeker is besproken door Veilig Thuis en dit blijkt overigens ook uit het dossier. Dit was kort na het incident. Voor verzoeker bestond en bestaat op zichzelf geen onduidelijkheid over de aanleiding van verweerder om het huisverbod op te leggen. Ook bij overige belanghebbenden blijkt niet van onduidelijkheid. Het besluit is zeer kort na het incident genomen en aan verzoeker en belanghebbenden bekend gemaakt. Op grond van artikel 6:22 van de Awb kan een besluit waartegen beroep is ingesteld, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. De voorzieningenrechter ziet in dit geval aanleiding om het bestreden besluit in stand te laten, omdat verzoeker noch andere belanghebbenden door het niet omschrijven van het incident in hun belangen zijn geschaad.

gevaar

4.2.

Verzoeker voert aan dat er geen gevaar bestond ten tijde van het opleggen van het huisverbod.

4.2.1.

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet tijdelijk huisverbod kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat.

4.2.2.

Vaststaat dat er een geweldsincident vooraf ging aan het opleggen van het huisverbod. Dit was in de nacht van zaterdag 12 januari 2019 op zondag 13 januari 2019. Zowel verzoeker als achterblijfster waren onder invloed van alcohol en kunnen zich niet alles van het gebeurde herinneren. Wel geven zij beiden aan dat verzoeker achterblijfster heeft geduwd, waarna zij is gevallen en een korte tijd – al dan niet met een black out – op de grond heeft gelegen. Verzoeker heeft daarbij een scherp voorwerp in zijn handen gehad. Achterblijfster is daarop gevlucht en heeft de politie gebeld. Zij is uit de woning gevlucht, met twee van de drie kinderen die in de woning aanwezig waren.

4.2.3.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat er sprake is geweest van een zodanig ernstig incident dat verweerder dit als onmiddellijk dreigend gevaar kon aanmerken. Daarbij weegt mee dat minderjarige kinderen betrokken waren. Het incident deed zich voor in de nacht en de minderjarigen lagen boven op bed. Zij hebben het incident gehoord en zijn alle drie naar beneden gekomen. Twee van de drie kinderen zijn zonder jas of schoenen met hun moeder diep in de nacht van de woning weggegaan. Verzoeker stelt dat het om een eenmalig incident gaat en dat niet blijkt van een strafrechtelijk verleden van verzoeker. Dit doet aan het incident op zichzelf niet af. Het betoog faalt. Verweerder was bevoegd om het huisverbod op te leggen.

redelijkheid in de bevoegdheidsuitoefening

4.3.

Verzoeker betoogt dat verweerder niet in redelijkheid gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot oplegging van het huisverbod. Hij heeft spijt en is bereid is mee te werken aan alle vormen van hulpverlening, verzoeker en achterblijfster vinden beiden dat verzoeker terug naar huis kan komen, en verzoeker moet nu kosten gaan maken voor verblijf in een hotel omdat hij niet langer bij zijn zuster kan logeren.

4.3.1.

Vaststaat dat de hulpverlening nog niet op gang is gekomen. Het systeemgesprek is gepland voor de maandag na de zitting. Er zijn nog geen veiligheidsafspraken gemaakt. Dat achterblijfster wil dat verzoeker terug naar huis komt, betekent niet dat er geen sprake meer is van onmiddellijk dreigend gevaar. Uit het ingevulde Risico-taxatie instrument Huiselijk Geweld blijkt dat achterblijfster de verwachting heeft dat verzoeker opnieuw agressief kan worden wanneer hij onder invloed is van alcohol. Ook het standpunt van verzoeker dat hij spijt heeft van zijn aandeel in het incident doet niet af aan het gevaar. Verzoeker stelt dat de broer van achterblijfster – die volgens hem de aanleiding voor het incident was – met ingang van de dag van de zitting niet meer bij verzoeker in huis verblijft. Wat daar ook van zij, de voorzieningenrechter is van oordeel dat het noodzakelijk is om veiligheidsafspraken te maken. Voor wat betreft de opvang van verzoeker overweegt de voorzieningenrechter dat aan verzoeker opvang bij het Leger Des Heils is aangeboden, dat verzoeker ter zitting heeft verklaard dat hij bij zijn zuster heeft overnacht en voor een eventuele vervolgopvang een hotel zal boeken, zodat verzoeker onderdak heeft. Dat hij zich dan voor hotelkosten gesteld ziet, is zijn eigen keuze. Gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid om het huisverbod op te leggen. Het betoog faalt.

opheffing van het huisverbod

4.4.

Verzoeker voert aan dat er (zo er al gevaar heeft bestaan) nu geen gevaar meer bestaat, zodat het huisverbod moet worden opgeheven.

4.4.1.

Op grond van artikel 6, tweede lid, van de Wth betrekt de voorzieningenrechter bij de beoordeling van het huisverbod tevens de feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het opleggen van het huisverbod.

4.4.2.

Bijzondere feiten of omstandigheden kunnen rechtvaardigen dat de voorzieningenrechter het huisverbod opheft voordat de periode van tien dagen is verstreken (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2010:BN1875). Ondanks dat het een stap in de goede richting is dat verzoeker zich bereid verklaart om hulp te aanvaarden, is dat nog onvoldoende waarborg dat het gevaar in de zin van de Wth geweken is. Er is sprake geweest van een fors incident en er was alcohol in het spel, hetgeen in het geval van verzoeker en achterblijfster naar eigen zeggen escalerend heeft gewerkt. Het systeemgesprek heeft nog niet plaatsgevonden en er zijn nog geen veiligheidsafspraken gemaakt. De voorzieningenrechter ziet geen bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om van het uitgangspunt van tien dagen rust af te wijken. Het betoog faalt.

4.5.

Het beroep is ongegrond.

4.6.

Omdat de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak doet in de hoofdzaak, wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

4.7.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Aldus gedaan door mr. C.A. Schreuder, voorzieningenrechter, tevens kinderrechter, en door deze en mr. S. Stolk, griffier, ondertekend.

De griffier: De voorzieningenrechter:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover die ziet op het beroep, kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op: