Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:1636

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-02-2019
Datum publicatie
01-03-2019
Zaaknummer
16.2382 EA
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering voordracht tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling. Door opleiding (met baangarantie) tijdelijk niet volledig beschikbaar voor de arbeidsmarkt. Daarom verlenging van de regeling.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 350
Faillissementswet 349a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

weigering tussentijdse beëindiging en wijziging termijn

insolventienummer: [nummer]

uitspraakdatum: 28 februari 2019

Bij vonnis van deze rechtbank van 23 november 2016 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van:

[schuldenares] ,

[adres]

[woonplaats]

schuldenares,

bewindvoerder: N. Pavljasevic.

1 De procedure

De bewindvoerder heeft de rechter-commissaris op 25 januari 2019 verzocht de schuldsaneringsregeling voor tussentijdse beëindiging voor te dragen. De rechter-commissaris heeft met dit verzoek ingestemd.

De bewindvoerder heeft de rechtbank op 6 februari 2019 een brief gestuurd met de laatste stand van zaken.

De waarnemend bewindvoerder, de heer T.P.F. Eisses, en schuldenares, in het bijzijn van haar advocaat mevrouw mr. J.J.E. Stout, zijn gehoord ter terechtzitting van

21 februari 2019.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De standpunten

Voor de standpunten van de rechter-commissaris, de bewindvoerder, schuldenares en de advocaat van schuldenares verwijst de rechtbank naar de desbetreffende gedingstukken en het verhandelde ter zitting.

3 De beoordeling

Vooropgesteld wordt dat schuldenares eerder – gedurende 15 maanden – tekortgeschoten is in de nakoming van de inspanningsverplichting. De rechter-commissaris heeft daarom, na een verhoor op 21 maart 2018, bij beschikking van 5 juli 2018 de looptijd van de regeling met 15 maanden verlengd (tot 23 februari 2021). Na het verhoor heeft schuldenares in maart en april 2018 voldoende aantoonbaar gesolliciteerd. Vanaf mei 2018 heeft zij geen, althans onvoldoende sollicitatiebewijzen ingeleverd. Voorts is zij per 1 september 2018, zonder toestemming van de bewindvoerder/rechter-commissaris, een leer/arbeidsovereenkomst aangegaan. De overeengekomen arbeidsduur bedroeg tot 1 januari 2019 24 uur per week, nadien 28/30 uur. Daarnaast moet schuldenares een dag per week naar school. De opleiding duurt tot 9 juli 2019. Schuldenares heeft verklaard dat zij de opleiding is gaan volgen omdat zij geen diploma’s heeft en steeds bij sollicitaties werd geweigerd. Als zij de opleiding met goed gevolg afrondt heeft zij de garantie dat zij daarna een baan krijgt.

De rechtbank overweegt dat een van de kernverplichtingen in de schuldsaneringsregeling is dat een schuldenaar zich inspant om minimaal 36 uur betaald werk te verkrijgen of te behouden. Schuldenares voldoet daar al geruime tijd niet aan. Dit valt haar eens te meer te verwijten nu de schuldsaneringsregeling al eerder is verlengd vanwege een tekortkoming in de nakoming van deze inspanningsverplichting. Bovendien valt het haar te verwijten dat zij is gestart met een opleiding zonder voorafgaande toestemming van de bewindvoerder en de rechter-commissaris. Zolang zij de opleiding volgt kan zij niet volledig voldoen aan de inspanningsverplichting.

Daar staat tegenover dat schuldenares de garantie heeft dat zij na afronding van de opleiding per 9 juli 2019 de garantie heeft dat zij een baan krijgt. In die zin kan de opleiding worden gezien als een investering waarbij zowel schuldenares als haar schuldeisers na 9 juli 2019 baat bij hebben. Ter zitting is daarom met schuldenares de mogelijkheid besproken dat zij in de gelegenheid wordt gesteld haar opleiding tot 9 juli 2019 te vervolgen zonder dat zij daarnaast een aanvullende inspanningsverplichting heeft, maar dat ter compensatie daarvan (alsmede van het feit dat zij van 1 mei tot 1 september 2018 niet voldoende aantoonbaar heeft gesolliciteerd) de regeling met nog eens negen maanden wordt verlengd. Schuldenares heeft verklaard dat zij zich daarmee kan verenigen. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

De rechtbank benadrukt hierbij dat per 9 juli 2019 de volledige inspanningsverplichting weer van toepassing zal zijn. Als schuldenares dan geen baan heeft voor minimaal 36 uur per week, zal zij aanvullend moeten solliciteren. Mocht zij een baan krijgen in de zorg voor 32 uur met onregelmatigheidstoeslag dan kan zij de rechter-commissaris (via de bewindvoerder) vragen om in aanmerking te komen voor vrijstelling voor de resterende uren.

Daarnaast zal schuldenares maatschappelijk werk inschakelen om haar te ondersteunen bij het nakomen van de informatieverplichting. Ter zitting heeft schuldenares toegezegd dat zij de nog ontbrekende stukken binnen een week aan de bewindvoerder zal doen toekomen. De rechtbank verwijst ter zake naar de brief van de bewindvoerder van 6 februari 2019, onder “2. informatieverplichting”. Voorts heeft schuldenares verklaard dat zij in het vervolg iedere maand de informatie stipt zal aanleveren. Indien blijkt dat de hulp van maatschappelijk werk niet voldoende is, is schuldenares in overweging gegeven om beschermingsbewind aan te vragen.

In het voorgaande ligt besloten dat de rechtbank thans geen aanleiding ziet om de regeling tussentijds te beëindigen. Dit neemt niet weg dat aan schuldenares met de onderhavige beslissing een laatste kans geboden wordt om de schuldsaneringsregeling tot een goed einde te brengen. Alle uit de regeling voortvloeiende verplichtingen moeten in het vervolg door schuldenares stipt worden nagekomen, om een (tussentijdse) beëindiging van de schuldsaneringsregeling zonder schone lei te voorkomen.

4 De beslissing

De rechtbank:

- weigert de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen;

- bepaalt dat schuldenares tot 9 juli 2019 haar opleiding kan vervolgen en daarnaast geen aanvullende sollicitatieverplichting heeft;

- wijzigt de termijn van de schuldsaneringsregeling, in die zin dat deze vijf jaar bedraagt en daarmee eindigt op 23 november 2021;

- bepaalt dat gedurende de verlenging alle verplichtingen onverkort van kracht blijven.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Kalmthout, rechter, en in aanwezigheid van

J. Hillen-Huizer, griffier, uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 februari 2019.1

1 Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.