Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:1635

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-02-2019
Datum publicatie
01-03-2019
Zaaknummer
18.320 EA
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling op grond van artikel 350, derde lid, onder f, Fw. Schuldenaar heeft bij toelating tot de Wsnp zijn alcoholproblematiek verzwegen

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

tussentijdse beëindiging

insolventienummer: [nummer]

uitspraakdatum: 14 februari 2019

Bij vonnis van deze rechtbank van 26 maart 2018 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van:

[schuldenaar] ,

[adres]

[woonplaats] ,

schuldenaar,

bewindvoerder: R. van den Brink.

1 De procedure

De bewindvoerder heeft de rechter-commissaris verzocht de schuldsaneringsregeling voor tussentijdse beëindiging voor te dragen. De rechter-commissaris heeft op 8 januari 2019 met dit verzoek ingestemd.

De bewindvoerder en schuldenaar, bijgestaan door zijn advocaat mevrouw mr. L.E.M. Elbertse en zijn beschermingsbewindvoerder mevrouw L. Yerlikaya, zijn gehoord ter terechtzitting van 7 februari 2019.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De standpunten

De rechtbank verwijst voor de gronden voor tussentijdse beëindiging naar de door de rechter-commissaris ondertekende voordracht van de bewindvoerder.

Bij brief van 23 januari 2019 heeft de bewindvoerder de rechtbank bericht dat de situatie ongewijzigd is. Zij heeft niet vernomen of schuldenaar door de gemeente is opgeroepen voor een medische keuring. Uit de stukken die zij voorhanden heeft, blijkt weliswaar dat schuldenaar gezondheidsklachten heeft, maar uit niets blijkt dat schuldenaar zelf iets doet om zijn klachten te verminderen. De bewindvoerder blijft bij haar standpunt dat voldoende is komen vast te staan dat schuldenaar vóór toelating tot de schuldsaneringsregeling al kampte met een alcoholverslaving en psychische problematiek. Bij toelating heeft schuldenaar hier geen melding van gemaakt. Zij handhaaft daarom haar advies om de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen.

Op 6 februari 2019 heeft de advocaat van schuldenaar de rechtbank een verweerschrift toegestuurd, waarin zij zich namens schuldenaar verzet tegen toewijzing van het verzoek om de regeling tussentijds te beëindigen. Aangevoerd wordt dat er geen sprake is van een alcoholverslaving. Schuldenaar is wel al jarenlang een stevige drinker, maar hij heeft dit nooit gezien als een verslaving. Zijn dagelijkse werkzaamheden hebben er niet onder geleden en voor schuldenaar was er daarom geen reden om aan te nemen dat hij arbeidsongeschikt zou zijn door zijn alcoholgebruik. Zijn arbeidsongeschiktheid komt voornamelijk door psychische en lichamelijke klachten. In het laatste keuringsrapport, waarin Stroomopwaarts reden zag om schuldenaar tot juni 2018 te ontheffen van de sollicitatieverplichting, wordt wel vermeld dat schuldenaar zwaarder was geworden door zijn alcoholgebruik, maar niet dat dit de oorzaak is van zijn arbeidsongeschiktheid. Van alcoholverslaving was, zo stelt de advocaat, bij toelating tot de schuldsaneringsregeling geen sprake. Schuldenaar had zijn alcoholgebruik op dat moment onder controle. Pas na toelating tot de regeling is het alcoholgebruik van schuldenaar toegenomen. Een psycholoog heeft schuldenaar toen ook geadviseerd om hier hulp voor te zoeken. Het ontwikkelen van de alcoholverslaving is niet iets dat schuldenaar kan worden toegerekend, aldus de advocaat. Schuldenaar heeft van de uitkeringsinstantie nog altijd geen uitnodiging gehad voor een medische keuring. Hij is zelf van mening dat de bewindvoerder de rechter-commissaris een keuring ten laste van de boedel had moeten verzoeken. Bij haar verweerschrift heeft de advocaat van schuldenaar een drietal producties gevoegd: een overzicht van de afspraken bij de huisarts en het ziekenhuis, het keuringsrapport van 27 juni 2017 en de behandelovereenkomst van Antes van 8 november 2018.

Schuldenaar heeft ter terechtzitting verklaard dat hij na zijn maagverkleining in 2011 wel weer is aangekomen, maar dit heeft niets te maken met zijn alcoholgebruik. Ten tijde van de toelating was er volgens schuldenaar geen sprake van een alcoholverslaving. Weliswaar is hij in maart 2018 naar de huisarts gegaan om van het alcoholgebruik af te komen, maar dit was alleen omdat hij gewicht wilde verliezen, niet omdat hij zijn alcoholgebruik niet onder controle had. De afgelopen tien dagen heeft hij naar eigen zeggen niet gedronken, daarvóór wel. Zijn broer heeft een café en op die manier en met hulp van vrienden kon schuldenaar makkelijk aan sterke drank komen. Ter terechtzitting heeft schuldenaar verklaard dat wanneer hij eenmaal begint met drinken, hij niet kan stoppen. In de drie maanden voorafgaand aan de zitting heeft hij naar schatting ongeveer tien glazen sterke drank per keer gedronken. Schuldenaar gaat momenteel niet meer naar een psycholoog en hij staat nog op de wachtlijst voor een behandeling bij Antes. Om in aanmerking te komen voor een tweede maagverkleining moet schuldenaar eerst stoppen met alcohol en roken en beginnen met sporten.

De beschermingsbewindvoerder heeft ter terechtzitting verklaard dat schuldenaar in 2017 zelfstandig hulp heeft gezocht. Hij heeft beschermingsbewind laten instellen. Zij heeft nooit, ook niet ten tijde van de toelating, de indruk gehad dat sprake was van problematisch alcoholgebruik. Schuldenaar staat thans op de wachtlijst om medisch gekeurd te worden. De uitkeringsinstantie heeft schuldenaar in afwachting van het keuringsrapport ontheven van de sollicitatieverplichting tot juni 2019. Hier is geen beschikking voor afgegeven. De beschermingsbewindvoerder heeft de bewindvoerder in september 2018 al verzocht om schuldenaar op kosten van de boedel te laten keuren, maar de bewindvoerder heeft hier geen gehoor aan gegeven. Het alcoholprobleem speelt wel een rol, maar is niet de hoofdoorzaak van het feit dat schuldenaar thans niet kan werken, aldus de beschermingsbewindvoerder. Zij heeft niet het idee dat schuldenaar lijdt onder zijn alcoholgebruik.

De bewindvoerder heeft ter terechtzitting verklaard dat zij via de beschermingsbewindvoerder een brief van de uitkeringsinstantie heeft ontvangen waaruit blijkt dat schuldenaar nog geen arbeidsverplichting wordt opgelegd in afwachting van een medische keuring. Niet duidelijk is op welke gronden deze voorlopige beslissing is genomen; meer in het bijzonder is niet duidelijk of en zo ja in hoeverre het thans nog onbehandelde alcoholgebruik van schuldenaar daarbij een rol heeft gespeeld. De enkele brief is onvoldoende om de rechter-commissaris om een ontheffing van de sollicitatieplicht te kunnen vragen. Schuldenaar had bij toelating een alcoholverslaving. Dat heeft hij niet gemeld. Uit niets blijkt dat hij dit momenteel onder controle heeft. Hij is ook niet onder behandeling. Mede door zijn alcoholproblematiek kan schuldenaar geen inkomsten verwerven om aan de boedel af te dragen. Dat hij ook andere gezondheidsklachten heeft, doet daar niet aan af. Daarbij is nog wel van belang dat die problemen niet kunnen worden aangepakt zolang zijn alcoholprobleem niet onder controle is. Had hij ten tijde van de toelating melding gemaakt van zijn alcoholverslaving, dan was hij waarschijnlijk niet toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, aldus de bewindvoerder.

3 De beoordeling

De schuldsaneringsregeling biedt een schuldenaar in een problematische schuldensituatie de mogelijkheid om na drie jaar een schone lei te verkrijgen. Dit betekent in de voorliggende regeling dat een groot deel van de schuld van bijna € 32.000,00 niet langer opeisbaar is. Ingevolge artikel 350 lid 3 sub f van de Faillissementswet (Fw) kan een schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigd worden, als feiten en omstandigheden bekend worden die op het tijdstip van indiening van het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen. De rechtbank is van oordeel dat hiervan sprake is en overweegt daartoe als volgt.

Vooropgesteld wordt dat een verzoeker met een (alcohol)verslaving in beginsel alleen wordt toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, als aannemelijk is dat de verslaving al enige tijd onder controle is, in die zin dat de verzoeker al enige tijd geen alcohol meer gebruikt. De periode waarover de verslaving onder controle dient te zijn bedraagt in beginsel 1 jaar. Dat de verslaving onder controle is, dient te worden bevestigd door een hulpverlener of door een hulpverlenende instantie.

De rechtbank overweegt dat voldoende is komen vast te staan dat ten tijde van toelating tot de schuldsaneringsregeling sprake was van een alcoholverslaving die niet onder controle was. In het arbeidsdeskundig belastbaarheidsonderzoek van A-REA van 28 juni 2017, ruim een half jaar voor toelating, staat dat sprake is van “veel alcoholgebruik” en dat schuldenaar niet moet werken in een omgeving waarin het gebruik van alcohol gangbaar is. Voorts staat in dit rapport dat schuldenaar geen hulpverleningstraject volgt maar dat dit wel “dringend” zou moeten. Tijdens het verhoor bij rechter-commissaris, gehouden op 3 december 2018, heeft schuldenaar bovendien verklaard dat hij een alcoholverslaving heeft opgebouwd en dat hij in maart 2018, de maand waarin hij is toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, voor zijn verslaving naar de huisarts is geweest.

In het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling staat bij de vraag of sprake is van een verslaving echter het antwoord “nee”. Hij heeft desgevraagd verklaard een paar afspraken te hebben met een psycholoog en bezig te zijn met een diëtist. Uit de aantekeningen van de behandeling van dit verzoek blijkt niet dat de alcoholverslaving door schuldenaar ter sprake is gebracht of dat hij anderszins melding heeft gemaakt van overmatig alcoholgebruik. Op de vraag van de toelatingsrechter of er nog dingen zijn die zij moest weten heeft schuldenaar “nee” geantwoord.

Naar het oordeel van de rechtbank kan worden aangenomen dat het verzoek was afgewezen als schuldenaar toen melding had gemaakt van zijn alcoholverslaving.

De rechtbank tekent nog aan dat ter zitting is vastgesteld dat de alcoholverslaving tot op dit moment niet onder controle is. Volgens de behandelovereenkomst van Antes van 8 november 2018 (productie 3 bij het verweerschrift) is sprake van een ernstige stoornis in alcoholgebruik, bestaande uit het dagelijks drinken van grote hoeveelheden sterke drank, soms oplopend tot 30 glazen whisky per dag. Er is geen lopende behandeling, waardoor ook de gestelde andere problemen niet kunnen worden aangepakt. Het ligt niet in de rede dat schuldenaar op korte termijn betaald werk zal kunnen verrichten. Een en ander onderstreept het belang van het uitgangspunt dat een verslaving die niet aantoonbaar onder controle is, in de weg staat aan toelating tot de schuldsaneringsregeling.

De toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden beëindigd op grond van artikel 350, derde lid, onder f, Faillissementswet (hierna: Fw).

De rechtbank zal het salaris van de bewindvoerder en de door deze gemaakte kosten vaststellen.

De rechtbank stelt vast dat er geen baten beschikbaar zijn om daaruit vorderingen geheel of gedeeltelijk te voldoen. Er is daarom geen sprake van een faillissement van rechtswege zodra deze uitspraak in kracht van gewijsde gaat.

4 De beslissing

De rechtbank:

- beëindigt de toepassing van de schuldsaneringsregeling;

- stelt het salaris van de bewindvoerder, één en ander inclusief onkosten en omzetbelasting, vast op het aanwezig actief tot een bedrag van maximaal € 3.273,74.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Kalmthout, rechter, en in aanwezigheid van R.I. Buitenwerf-Don, griffier, in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2019.1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.