Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:1630

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-02-2019
Datum publicatie
01-03-2019
Zaaknummer
10/650060-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor:

- het achterlaten of plaatsen van een voorwerp (een pakketje met daarin een explosief) op een al dan niet voor het publiek toegankelijke plaats (een parkeerplaats) met het oogmerk een ander ten onrechte te doen geloven dat daardoor een ontploffing kan worden teweeggebracht;

- handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met bijzondere voorwaarden.

Vrijspraak poging tot doodslag/zware mishandeling en bedreiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/650060-18

Datum uitspraak: 20 februari 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

feitelijk verblijvende op het adres [verblijfadres verdachte] , [verblijfplaats verdachte] ,

raadsvrouw mr. E. IJspeerd, advocaat te Den Haag.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 6 februari 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. B.M. van Heemst heeft gevorderd:

  1. bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde;

  2. veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en met als bijzondere voorwaarden: een meldplicht en een verplichte ambulante behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling;

  3. dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden;

  4. oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel inhoudende een contactverbod ten aanzien van de aangever en een locatieverbod ten aanzien van de woning en het bedrijf van de aangever, met 2 weken hechtenis per overtreding tot een totaal van 6 maanden;

  5. opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Feit 1 primair

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend kan worden bewezen. Bewezen is dat de verdachte het pakketje dat op 9 april 2018 is aangetroffen op de parkeerplaats aan het [plaats delict] te Berkel en Rodenrijs, heeft gemaakt en onder de auto van de aangever [naam slachtoffer] heeft geplaatst of op de parkeerplaats onder of in de nabijheid van deze auto heeft neergelegd. Bewezen is dat de verdachte dit heeft gedaan met het voorwaardelijk opzet om [naam slachtoffer] dan wel anderen van het leven te beroven. Op basis van de bevindingen en conclusies van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) moet worden geconcludeerd dat het pakketje niet is aan te merken als een absoluut ondeugdelijk middel of object, maar als een relatief ondeugdelijk middel of object om iemand van het leven te beroven. Het bleek uiteindelijk ondeugdelijk te zijn als explosief, maar het pakketje bevatte wel een lading die bestond uit een explosieve stof en er was ook een deugdelijke ontsteker aanwezig. Het pakketje was dus in het algemeen wel geschikt om iemand van het leven te beroven, maar niet in dit concrete geval. Dit staat echter niet in de weg aan bewezenverklaring van poging tot doodslag.

Beoordeling

Op 9 april 2018 werd op de parkeerplaats (in een parkeervak) aan het [plaats delict] te Berkel en Rodenrijs een verdacht pakketje aangetroffen. Dit betrof een mobiele telefoon voorzien van een ontsteekpil (een gloeipin), die middels (oranje) draden waren verbonden met een pakket. De verdachte heeft bekend dat hij dit pakketje heeft gemaakt en daar heeft neergelegd.

Het NFI heeft in het door haar opgemaakte rapport met betrekking tot het onderzoek aan het pakketje het volgende geconcludeerd:

Alhoewel de lading (…) [van dit pakketje] wel degelijk een explosieve stof betrof (namelijk 330 gram ammoniumnitraatspringstof) en [de] ontsteker (…) wel degelijk een deugdelijke ontsteker betrof (namelijk een gloeipil) was het verdachte pakketje (…) om meerdere redenen niet deugdelijk:

  • -

    (…) [de betreffende] gloeipil is geen geschikte ontsteker om een relatief ongevoelige springstoflading, zoals (…) [ammoniumnitraatspringstof] tot ontploffing te brengen;

  • -

    omdat de uiteinden van de elektriciteitsdraden van de gloeipil nooit op afstand geactiveerd hadden kunnen worden middels [de] telefoon (…) [die aan het pakketje verbonden was] (bijvoorbeeld door het telefoonnummer van de telefoon te bellen of door de wekker/alarmfunctie te gebruiken).

Met betrekking tot deze elektriciteitsdraden heeft het NFI ook vastgesteld dat deze ‘los’ in de telefoon staken en niet aan componenten op het moederbord van de telefoon waren aangesloten.

De conclusie van het NFI is dat het pakketje gelet op het voorgaande nooit tot ontploffing had kunnen komen. Het was niet geschikt om een ontploffing teweeg te brengen.

De rechtbank is, met de verdediging, van oordeel dat het pakketje, gelet op deze bevindingen en conclusies van het NFI, een absoluut ondeugdelijk middel of object betreft, namelijk een middel dat in alle gevallen, zelfs onder zeer gunstige omstandigheden, niet tot doodslag of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel had kunnen leiden. Ook wanneer de verdachte het pakketje zou hebben neergelegd met de intentie om iemand te doden of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, hetgeen hij ontkent, had dit doel niet kunnen worden bereikt.

De onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag/zware mishandeling is daarom niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.2.

Feit 1 subsidiair, tweede cumulatief ten laste gelegde

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 subsidiair, tweede cumulatief ten laste gelegde bedreiging wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Beoordeling

De verdachte heeft bekend dat hij het pakketje op de genoemde parkeerplaats heeft neergelegd met de bedoeling de aangever [naam slachtoffer] te bedreigen. In de tenlastelegging is echter opgenomen dat de bedreiging is uitgevoerd door het plaatsen van een voorwerp ‘waardoor/waarmee een ontploffing teweeg kan worden gebracht’. Zoals hiervoor is overwogen had het pakketje nooit tot ontploffing kunnen komen.

De onder 1 subsidiair, tweede cumulatief ten laste gelegde bedreiging is daarom niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, eerste cumulatief ten laste gelegde en het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1. subsidiair, eerste cumulatief ten laste gelegde.

hij op of omstreeks 9 april 2018 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland , een voorwerp, te weten een mobiele telefoon voorzien van een ontsteekpil en welke telefoon en/of ontsteekpil middels (oranje) draden waren verbonden met een pakket waarin zich een explosief bevond, op een al dan niet voor het publiek toegankelijke plaats, te weten op/in een parkeervak/parkeerplaats aan de openbare weg, het [plaats delict] , heeft achtergelaten of geplaatst, met het oogmerk een ander ten onrechte te doen geloven dat daardoor een ontploffing kon worden teweeggebracht;

2.

hij in of omstreeks de periode van 8 april 2018 tot en met 9 april 2018 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland en/of 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie I onder 7º van de Wet wapens en munitie gelet op 3, onder a van de Regeling wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat zodanig op een wapen gelijkt dat het voor bedreiging of afdreiging geschikt is, namelijk een nabootsing van een voor ontploffing bestemd voorwerp, namelijk een explosief, welke door vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met een voor ontploffing bestemd voorwerp, namelijk een explosief,

voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1. subsidiair, eerste cumulatief ten laste gelegde

een voorwerp op een al dan niet voor het publiek toegankelijke plaats achterlaten of plaatsen met het oogmerk een ander ten onrechte te doen geloven dat daardoor een ontploffing kan worden teweeggebracht;

2.

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft een voorwerp met daarin een explosief neergelegd op een parkeerplaats aan het [plaats delict] te Berkel en Rodenrijs, onder of in de buurt van de auto van het slachtoffer [naam slachtoffer] , zijn toenmalige werkgever. Hij heeft op de zitting verklaard dat hij dit heeft gedaan omdat hij zijn werkgever wilde bedreigen. Het moest zoveel mogelijk op een echte bom lijken, zodat men zou denken dat het een ontploffing teweeg zou kunnen brengen. Dit betreft een ernstig feit met verstrekkende gevolgen. De impact hiervan is groot, met name voor het slachtoffer en zijn vriendin. Dit blijkt ook uit de door hem op de zitting voorgelezen slachtofferverklaring. Het slachtoffer en zijn vriendin hebben lange tijd in angst en onzekerheid geleefd. Omdat pas later is gebleken dat het explosief ondeugdelijk was, hebben zij lange tijd met de gedachte geleefd dat iemand een aanslag op hun leven heeft willen plegen. Zij hadden aanvankelijk ook geen idee wie dit had gedaan, waarom en of zij nog steeds voor hun leven moesten vrezen.

Daarnaast zorgt een dergelijk feit voor gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Dit geldt met name voor de bewoners van het [plaats delict] . Ook zij werden geconfronteerd met de vondst van het explosief. De gedachte dat deze tot ontploffing had kunnen komen moet ook voor hen beangstigend zijn geweest.

Dit alles wordt de verdachte aangerekend. Ook wordt meegewogen dat de verdachte ook op de zitting nog steeds niet heeft willen verklaren waarom hij zijn werkgever op deze wijze heeft willen bedreigen en hij aldus geen inzicht heeft willen geven in zijn beweegredenen.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 15 januari 2019, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Wel is hij eerder, in 2011, veroordeeld voor onder meer meerdere pogingen tot afpersing. Hij zou daarbij twee klanten van hem, die volgens hem niet snel genoeg betaalden, hebben proberen af te persen door hun brieven met teksten en voorzien van echte kogels te bezorgen.

De rechtbank heeft ook acht geslagen op het door Reclassering Nederland over de verdachte opgemaakte rapport, gedateerd 10 september 2018, en het op 31 januari 2019 ontvangen bericht van de reclassering met betrekking tot de voortgang van het schorsingstoezicht.

Het reclasseringsrapport houdt onder meer het volgende in.

De verdachte werd in 2011 psychologisch onderzocht ten behoeve van een Pro-

Justitiarapportage. Hieruit kwam onder meer naar voren dat hij een beperkte gewetensontwikkeling heeft en er een persoonlijkheidsstoornis in ontwikkeling zou zijn met antisociale trekken en inadequate copingstrategieën (manieren op met stressvolle situaties om te gaan). De reclassering is van mening dat deze factoren nog steeds aanwezig zijn en de grootste risicofactoren vormen. Omdat de verdachte geen toestemming heeft gegeven om referenten uit zijn persoonlijke netwerk te spreken, kan de reclassering geen inschatting maken van de beschermende factoren.

De voorlopige hechtenis van de verdachte werd op 18 mei 2018 (de rechtbank leest: op 26 juni 2018, met ingang van de daaropvolgende dag) onder voorwaarden geschorst. Hij staat sindsdien onder toezicht van de reclassering. Hij komt zijn meldplichtafspraken goed na, maar geeft weinig openheid van zaken.

De verdachte staat afwijzend tegenover begeleiding door de reclassering omdat hij daar het nut niet van inziet. Hij geeft aan wel bereid te zijn om een behandeltraject te volgen. De reclassering acht oplegging van bijzondere voorwaarden noodzakelijk. Het is zorgelijk dat de verdachte opnieuw verdacht wordt van een ernstig feit dat overeenkomsten vertoont met de feiten waarvoor hij in 2011 is veroordeeld. Omdat de verdachte niet afwijzend staat ten opzichte van een behandeltraject en hij in het verleden eerder zowel een toezicht als een behandeltraject bij De Waag positief heeft afgesloten, schat de reclassering in dat er een redelijke kans is dat hij mee zal werken.

De reclassering adviseert om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden:

6. een meldplicht,

7. een ambulante behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling,

8. een contactverbod ten aanzien van het slachtoffer;

9. een locatieverbod ten aanzien van de woning van het slachtoffer met een straal van 1 kilometer rond die woning.

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan daarop niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op de ernst van deze feiten en de straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De rechtbank acht een forse gevangenisstraf op zijn plaats.

Nu de rechtbank – met de reclassering – begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht om het recidiverisico te verminderen, zal de rechtbank een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

De rechtbank zal onder meer een contactverbod ten aanzien van het slachtoffer en een locatieverbod ten aanzien van de woning en het bedrijf van het slachtoffer opleggen. Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen reden om deze voorwaarden op te leggen in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel.

Ook is de rechtbank van oordeel dat niet is voldaan aan het criterium dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De bijzondere voorwaarden worden daarom niet dadelijk uitvoerbaar verklaard.

Evenmin acht de rechtbank termen aanwezig om de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 57, 63 en 142a van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit en het onder 1 subsidiair als tweede cumulatief ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1 subsidiair als eerste cumulatief ten laste gelegde feit en het onder 2 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

stelt als bijzondere voorwaarden:

  1. de veroordeelde zal zich melden bij Reclassering Nederland, zo lang en zo vaak als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;

  2. de veroordeelde zal zich onder ambulante behandeling stellen bij forensische polikliniek De Waag of een soortgelijke instelling voor zijn problematiek, gedurende de duur van de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering in overleg met de instelling verantwoord vindt;

  3. de veroordeelde zal op geen enkele wijze – direct of indirect – contact (laten) opnemen, zoeken of hebben met het slachtoffer [naam slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer] ), gedurende de duur van de proeftijd, of zo veel korter als de reclassering verantwoord vindt;

  4. de veroordeelde zal de woning van het slachtoffer [naam slachtoffer] , waaronder mede wordt gerekend het erf waarop die woning is gelegen en de bijbehorende gebouwen, gelegen aan de [adres slachtoffer] te Berkel en Rodenrijs, niet betreden, noch daarin zijn of zich in een straal van 1 kilometer rond die woning ophouden, gedurende de duur van de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering verantwoord vindt;

  5. de verdachte zal het terrein waar het bedrijf van het slachtoffer [naam slachtoffer] is gelegen, te weten [adres] tot en met [huisnummer] te Den Haag, niet betreden, noch daarop aanwezig zijn, noch zich rond dat terrein ophouden, gedurende de duur van de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering verantwoord vindt;

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. K.A. Baggerman, voorzitter,

mrs. D. Visser en A.A. Kalk, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.K. van Zanten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

l.

hij in of omstreeks de periode van 08 april 2018 tot en met 09 april 2018 te Berkel en

Rodenrijs, gemeente Lansingerland en/of ‘s-Gravenhage, in elk geval in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon

genaamd [naam slachtoffer] en/of anderen van het leven te beroven, althans zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet een voorwerp waardoor/waarmee een ontploffing teweeg kan worden

gebracht onder/naast/in de nabijheid van de auto van voornoemde [naam slachtoffer] heeft

geplaatst,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 287/302 jo 45 van het Wetboek van Strafrecht);

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 09 april 2018 te Berkel en Rodenrijs, gemeente

Lansingerland en/of 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland,

een voorwerp, te weten een mobiele telefoon voorzien van een onsteekpil en

welke telefoon en/of ontsteekpil middels (oranje) draden waren verbonden met

een pakket waarin zich een explosief bevond,

op een al dan niet voor het publiek toegankelijke plaats, te weten op/in een

parkeervak/parkeerplaats op of aan de openbare weg, het [plaats delict] ,

heeft achtergelaten en/of geplaatst,

met het oogmerk een ander ten onrechte te doen geloven dat daardoor

een ontploffing kon worden teweeggebracht;

(artikel 141a van het Wetboek van Strafrecht);

en

hij in of omstreeks de periode van 08 april 2018 tot en met 09 april 2018 te

Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland en/of 's-Gravenhage, in elk geval

in Nederland,

[naam slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht

en/of met zware mishandeling,

immers heeft hij, verdachte een voorwerp waardoor/waarmee een ontploffing

teweeg kan worden gebracht onder/naast/in de nabijheid van de auto van

voornoemde [naam slachtoffer] geplaatst;

(artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht);

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 08 april 2018 tot en met 09 april 2018 te

Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland en/of 's-Gravenhage, in elk geval

in Nederland

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie I onder 7º van de Wet

wapens en munitie gelet op 3, onder a van de Regeling wapens en munitie, te

weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat

zodanig op een wapen gelijkt dat het voor bedreiging of afdreiging geschikt

is, namelijk een nabootsing van een voor ontploffing bestemd voorwerp,

namelijk een explosief, welke door vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis

vertoont met een voor ontploffing bestemd voorwerp, namelijk een explosief,

voorhanden heeft gehad;

(artikel 13 jo 55 van de Wet wapens en munitie);

art 13 lid 1 Wet wapens en munitie