Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:1628

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-03-2019
Datum publicatie
07-03-2019
Zaaknummer
ROT 18/3812
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Regeling vergoedingen Agentschap Telecom 2018. Exceptieve toetsing. Geen gelijke gevallen, geen willekeur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 18/3812

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 maart 2019 in de zaak tussen

[naam] , te [woonplaats] , eiser,

en

de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, Agentschap Telecom, verweerder,

gemachtigden: mr. M. Morssink en mr. R.A. Huiskens.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen verweerders besluit van 8 juni 2018 (het bestreden besluit), waarin is beslist over een vergoeding die eiser moet betalen voor de kosten van werkzaamheden of diensten in 2018. Eiser heeft zijn beroep nadien een aantal keren nader toegelicht.

Verweerder heeft een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2019. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. In deze zaak gaat het om de vraag of verweerder voor het jaar 2018 terecht aan eiser een bedrag van € 66,- in rekening heeft gebracht voor kosten van werkzaamheden of diensten. Het bedrag van € 66,- is gebaseerd op de Regeling vergoedingen Agentschap Telecom 2018.

2. De Regeling is een algemeen verbindend voorschrift. Daar staat geen beroep tegen open. De rechtmatigheid van een algemeen verbindend voorschrift kan alleen door middel van een zogenoemde exceptieve toetsing worden beoordeeld in het kader van een beroep. Zo’n voorschrift kan in dat geval alleen dan als niet verbindend worden aangemerkt als de door de betrokken regelgever gemaakte keuzen in strijd moeten worden geacht met een hogere algemeen verbindende regeling of als, met inachtneming van de beoordelingsruimte van de regelgever, geoordeeld moet worden dat de voorschriften in strijd zijn met algemene rechtsbeginselen.

3. Eiser stelt dat de recreatieve luchtvaart niet gelijk behandeld wordt ten opzichte van twee andere (sub)categorieën die gebruik maken van dezelfde luchtvaartband. Omdat dit andere (sub)categorieën van gebruikers zijn, zijn dit geen gelijke gevallen, zodat om die reden het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen.

4. Voor zover eiser zou menen dat er sprake is geweest van willekeur, stelt de rechtbank vast dat verweerder uitgebreid uiteen heeft gezet hoe tot de verschillende tarieven is gekomen. Verweerder heeft daarbij toegelicht hoe het komt dat de kosten zijn gestegen en dat daarom de te betalen vergoedingen voor werkzaamheden of diensten voor eiser met 10% zijn gestegen. Ook heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat de vergoeding voor werkzaamheden of diensten in 2018 voor de (sub)categorie waartoe eiser behoort (nog steeds) in redelijke verhouding staat tot de inschatting van de daadwerkelijk gemaakte kosten in dat jaar. Er is dan ook niet gebleken dat het tarief voor de recreatieve luchtvaart op willekeurige wijze is vastgesteld.

5. De beroepsgronden van eiser slagen niet zodat het beroep ongegrond is.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is op 7 maart 2019 in het openbaar gedaan door mr. J.H. de Wildt, rechter, in aanwezigheid van R.P. Evegaars, griffier.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.