Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:1583

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
28-02-2019
Zaaknummer
10/660293-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Minimega Couwael. Betrokkenheid verdachte bij drugslijn ‘Mo West’ volgt uit analyse van (live) taps en observaties. Wetenschap van aanwezigheid harddrugs. Algemene overweging betrouwbaarheid getuigenverklaringen gebruikers/verslaafden harddrugs en relevantie voor pleegperiode.

Dealen gedurende tien maanden, eerdere documentatie, toepassing 6 EVRM : 11 maanden GVS met aftrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/660293-16

Datum uitspraak: 19 februari 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[Naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedatum] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres 1] , [woonplaats] ,
raadsman mr. W.J.J. Trooster, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 22 januari 2019 en 5 februari 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting van 9 november 2016 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. B.M. van Heemst heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Drugsbestellijn en telefoonnummer [telefoonnummer 2] (hierna: [telefoonnummer 2] )


De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben op de terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

Op 13 maart 2016 hebben verbalisanten een vermoedelijke aflevering van verdovende middelen bij een woning in de [adres 2] in Rotterdam gezien door de bestuurder van een zwarte [auto 1] voorzien van kenteken [kenteken 1] . De afnemer van de verdovende middelen heeft verklaard dat zij sinds drie weken via het telefoonnummer [telefoonnummer 1] (hierna: [telefoonnummer 1] ) bolletjes cocaïne heeft gekocht en dat verschillende Marokkaanse jongens in de leeftijd van 20 tot 30 jaar deze bolletjes kwamen brengen. De afnemer heeft ook verklaard dat zij op 13 maart 2016 een “beterschap” heeft ontvangen, dat wil zeggen een gratis hoeveelheid cocaïne op zondag bestemd voor goede klanten. Het kenteken van de hiervoor bedoelde zwarte [auto 1] is gesteld op naam van de verdachte [medeverdachte 1] . Verbalisanten herkennen de verdachte [medeverdachte 2] als zijnde de bestuurder van de zwarte [auto 1] op 13 maart 2016.

Uit onderzoek naar verschillende telefoonnummers waaronder de telefoonnummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] en na analyse van de gesprekken die via de verschillende telefoonnummers zijn gevoerd volgt dat sprake is van verhuld taalgebruik. Veelal wordt gevraagd of men kan komen en hoe lang het gaat duren. In sommige gevallen wordt gesproken over aantallen (veelal één of twee, twintig) of “donnies” en over “wit” of “bruin” en “klaarleggen”. De manier van praten, het taalgebruik en gebruik van het woord “beterschap” komen overeen. De gespreksduur van al deze contacten blijft veelal beperkt tot 30 seconden. In de periode 23 maart 2016 tot en met 31 mei 2016 is door ongeveer 489 verschillende personen telefonisch contact gezocht met de verschillende telefoonnummers. Een aantal van deze personen is als getuige gehoord, waarover later meer. Alle telefoongesprekken zijn te relateren aan de handel in verdovende middelen. Hieruit wordt geconcludeerd dat de betreffende telefoonnummers werden gebruikt als ‘deallijnen’.

Uit observaties in samenhang met opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken volgt dat de telefoon waarmee de gesprekken voor het afleveren van verdovende middelen werden gevoerd, in bezit was van verschillende personen. Ook blijkt uit verschillende tapgesprekken dat deze personen hun diensten afwisselden waarbij de telefoon ‘werd overgepakt’ (al dan niet door middel van doorschakeling). De telefoonnummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] waren verder 24 uur per dag en 7 dagen in de week bereikbaar.

Op 23 mei 2016 werden in de woning aan de [adres 3] in Rotterdam verschillende goederen aangetroffen, waaronder een weegschaal en een mixer, bestemd voor het verwerken van verdovende middelen. Op de mixer bevond zich heroïne. Op de eettafel in de woonkamer werd een beker met 58 geprepareerde bolletjes met daarin heroïne en een zakje met 26 gram cocaïne aangetroffen. Uit observaties blijkt dat de verdachte [medeverdachte 2] één of meerdere keren in of nabij de woning aan de [adres 3] is geweest.

Op 25 mei 2016 is de verdachte [medeverdachte 3] op de Willemsbrug in Rotterdam aangehouden. Kort voor zijn aanhouding had hij een zwarte Nokia telefoon en een zakje met geprepareerde bolletjes met daarin 4, [adres 5] gram cocaïne en 0,8 gram heroïne weggegooid. De bolletjes zijn op dezelfde wijze verpakt als de in de woning op de [adres 3] aangetroffen geprepareerde bolletjes. De telecommunicatie gevoerd via telefoonnummer [telefoonnummer 2] , een van de deallijnen, blijkt via deze zwarte Nokia telefoon te zijn gevoerd.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden dat meerdere personen gedurende enige tijd betrokken zijn geweest bij het in Rotterdam verhandelen van cocaïne en heroïne. Deze verdovende middelen werden telefonisch besteld en op afspraak geleverd. Eén van de telefoonnummers waarmee de gesprekken voor het afleveren van verdovende middelen werden gevoerd is het telefoonnummer [telefoonnummer 2] . De conclusie is dat betrokkenheid van een verdachte bij het telefoonnummer [telefoonnummer 2] , een sterke aanwijzing vormt voor betrokkenheid van die verdachte bij het verhandelen van cocaïne en heroïne.

4.2

Standpunt verdediging

De verdachte heeft verklaard dat het juist is dat hij regelmatig optrok met de medeverdachte [medeverdachte 4] , zo ook op 10 mei 2016, maar dat hij niets weet van de handel in drugs.

Namens de verdachte is aangevoerd dat de fotomap methode op basis waarvan getuigen tot herkenning van de verdachte zijn gekomen in feite een enkelvoudige fotoconfrontatie betreft. Deze methode is suggestief en daardoor bestaat het risico op een vals positieve herkenning. Ook kan er sprake zijn van een vals positieve herkenning door cross raciale elementen. Tot slot is de verdachte een bekende in de buurt en was hij in het verleden zelf gebruiker, zodat de kans bestaat dat hij daarom wordt herkend. In nagenoeg alle getuigenverklaringen afgelegd door gebruikers ontbreken concrete aanknopingspunten voor zowel de herkenning, als de periode van gebruik. Redenen van wetenschap ontbreken eveneens, zodat de verklaringen niet betrouwbaar zijn en niet kunnen meewerken aan het bewijs. De verdachte heeft geen wetenschap gehad van de aanwezigheid of verkoop van verdovende middelen, zodat vrijspraak dient te volgen, aldus de raadsman.

4.3

Betrokkenheid verdachte

Op 10 mei 2016 is op bedoeld telefoonnummer een live tap aangebracht en uitgeluisterd. Uit die tap volgt dat omstreeks 10:36 uur de gebruiker van dat telefoonnummer wordt gebeld door telefoonnummer [telefoonnummer 3] en dat wordt afgesproken bij de sporthal (in Crooswijk). Omstreeks 10:56 uur laat de beller weten dat hij ’50’ wil en omstreeks 11:02 uur dat er politie staat in de straat en dat hij wel naar achter komt. Omstreeks 11:05 uur hebben verbalisanten gezien dat aan de [adres 4] , een locatie direct achter de sporthal [naam 2] in Crooswijk, NN1 als bestuurder en NN2 als bijrijder in een [auto 2] ter plaatse zijn geweest. Omstreeks 11:20 uur wordt telefoonnummer [telefoonnummer 2] gebeld door [naam 1] , wonende op het adres [adres 5] te Rotterdam, waarop de gebelde laat weten er over 20 minuten te zijn. Omstreeks 11.35 uur hebben verbalisanten gezien dat NN1 de [auto 2] op de [adres 5] ter hoogte van pand [adres 5] parkeert, waarna NN2 uitstapt, om korte tijd later weer als bijrijder in te stappen, waarna NN1 is weggereden. Tijdens de terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij zichzelf en medeverdachte [medeverdachte 4] herkent op een foto gemaakt tijdens deze observatie op 10 mei 2016. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat naar aanleiding van contacten met telefoonnummer [telefoonnummer 2] , een nummer waarmee gesprekken voor het afleveren van verdovende middelen werden gevoerd, de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 4] op de afgesproken locaties zijn verschenen om verdovende middelen te verhandelen.

Onder verwijzing naar het hiervoor vermelde concludeert de rechtbank dat uit de betrokkenheid van de verdachte bij het telefoonnummer [telefoonnummer 2] diens betrokkenheid bij het verhandelen van heroïne en cocaïne volgt.

4.4

Betrouwbaarheid en validiteit van getuigenverklaringen

De rechtbank stelt voorop dat met de verklaringen van kopers van drugs in strafzaken in het algemeen behoedzaam moet worden omgegaan. De door de verdediging genoemde argumenten om de betrouwbaarheid dan wel validiteit van die verklaringen kritisch te bezien zijn voor een deel gestoeld op de praktijk. Dit gaat echter niet zo ver dat die verklaringen op voorhand als onbetrouwbaar dan wel invalide moeten worden beschouwd.

Uit hun verklaringen blijkt dat deze op onderdelen specifiek en gedetailleerd zijn. Ook verklaren de gebruikers over hun reden van wetenschap. De verklaringen bevatten voor een belangrijk deel informatie die controleerbaar is en ook consistent is met andere informatie uit het dossier, bijvoorbeeld betreffende bijnamen, locaties, (nieuwe) verkooptelefoonnummers en de bereikbaarheid daarvan, vervoermiddelen, prijzen en modus operandi van de drugslijn. Voorts kan worden opgemerkt dat de verklaringen deels vrij kort na het oprollen van de drugslijn op 25 mei 2016 zijn afgelegd, veelal in de eigen woonomgeving van de betrokken getuige. Daarbij is de rechtbank uit de vraagstelling dan wel de verwoording in de verbalen niet gebleken van enige dwang of drang van de zijde van de politie. Met regelmaat wordt in de beantwoording van de vragen bijvoorbeeld ook meer informatie en details gegeven dan is gevraagd, die ook niet per se bezwarend is voor de betrokken verdachte. Voorts valt op dat nagenoeg alle getuigen met betrekking tot de eerste drie foto’s zeggen deze personen niet te kennen, wat niet voor de hand ligt als de gedachte voorop zou staan dat zij enkel verklaren om de politie ter wille te zijn.

Om vorenstaande redenen verwerpt de rechtbank de verweren die tot strekking hebben te betogen dat de verklaringen van kopers/verslaafden categorisch niet voor het bewijs zouden kunnen worden gebruikt.

Met betrekking tot de duur van de geschatte verkoopperiode, dat wil zeggen het tijdvak dat de verdachten als dealer actief zouden zijn geweest, overweegt de rechtbank het volgende.

Over de duur van de dealperiode van de verdachten in dit onderzoek is (ook per verdachte) bij de kopers weinig eensgezindheid te zien als het gaat om een schatting van de vraag hoeveel jaren de getuige de verdachte heeft meegemaakt als verkoper. De schatting van de totale lengte van de periode dat een koper afneemt van een dealer moet dan ook met grote behoedzaamheid worden bezien. Niettemin is er wel aanleiding om aan te nemen dat er sprake is geweest van verkoopactiviteit van enige duur door de betrokken verdachte reeds indien de koper er - onder meer via het noemen van hem of haar bekende details van die persoon - blijkt van geeft de verdachte al enige tijd te kennen en ook over een langere periode herhaaldelijke malen per week van deze verdachte te hebben gekocht. In combinatie met de overige gegevens betreffende de verdachte in het dossier is het volgens de rechtbank dan onaannemelijk dat het hierbij slechts ging om een eenmalige verkoopactiviteit dan wel een kortstondige periode in 2016. Als meerdere kopers betrouwbaar en valide verklaren de verdachte al langer vanaf een moment in 2015 te kennen levert dat voor de rechtbank dan ook voldoende wettig en overtuigend bewijs op om dat moment minimaal als aanvang van de periode vast te stellen. Zekerheidshalve zal de rechtbank in het voordeel van de verdachten in dit onderzoek evenwel langer durende perioden, dat wil zeggen vóór 2015, waarvoor enige verklaringen ook aanknopingspunten bieden, niet bewezen achten.

Ten aanzien van de betrouwbaarheid en validiteit van de relevante getuigenverklaringen overweegt de rechtbank als volgt.


De getuige [getuige 1]
Getuige [getuige 1] verklaart al vijf jaar lang bijna dagelijks bij de lijn te bestellen. Hij herkent meerdere verdachten aan de hand van hem getoonde foto’s. Van belang daarbij voor de beoordeling van de validiteit is dat hij niet alle medeverdachten herkent en voor degenen die hij wel herkent bijnamen heeft. Hij noemt daarbij ook een of meerdere details over de verdachten die hij herkent. De man op foto 5, [naam 3] , vond hij bijvoorbeeld erg arrogant, terwijl de man op foto 6 MS heeft en de chauffeur is van de man op foto 9, want die heeft geen rijbewijs. Dit maakt dat de rechtbank ervan uitgaat dat hij goed onderscheid heeft kunnen maken tussen de verschillende dealers.

[getuige 1] is niet geheel consistent als het gaat om het benoemen van de periodes van dealen door de onderscheiden verdachten, onderling vergeleken. Wel is uit de verklaring van [getuige 1] op te maken dat sommige verdachten langer voor de drugslijn werken dan andere. Voor iedere verdachte die hij herkent geeft hij een andere inschatting van de tijd dat zij drugs aan hem leveren. Gelet op het feit dat [getuige 1] de verschillende dealers zeer vaak heeft gezien, hecht de rechtbank daarom wel waarde aan dit aspect van zijn verklaring in samenhang met de overige informatie in het dossier. Dat [getuige 1] flinke tijd later bij de rechter-commissaris aangeeft dat hij geen periodes (meer) kan noemen, doet niet af aan zijn eerdere gedetailleerde verklaring tegenover de politie voor wat betreft de periodes. Gelet hierop acht de rechtbank de verklaring van [getuige 1] - met voorzichtigheid ten aanzien van de periodes - betrouwbaar en valide.

De getuige [getuige 2]

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat zij twee tot drie jaar lang, meerdere keren per dag, via drugslijn Mo West verdovende middelen heeft gekocht. Dit maakt dat zij veel contactmomenten heeft gehad met dealers van deze drugslijn. Van meerdere verdachten heeft zij aangegeven dat zij hen herkent als één van de mannen die de drugs kwam leveren. Zij heeft daarbij details over hen genoemd, bijvoorbeeld of iemand met een auto of scooter kwam, hoe diegene eruit zag, of hij samen of alleen werkte en wie van hen korting gaf bij een grotere afname. Hieruit blijkt dat zij de verschillende dealers goed uit elkaar heeft kunnen houden.


In haar verklaring zitten bovendien geen opvallende tegenstrijdigheden. Ten slotte heeft [getuige 2] bij de rechter-commissaris aangegeven dat zij zich tijdens haar verklaring tegenover de politie (waarin zij periodes heeft benoemd) op haar gemak heeft gevoeld. Gelet hierop acht de rechtbank de verklaring van [getuige 2] betrouwbaar en valide.

De getuige [getuige 3]

Getuige [getuige 3] heeft bij de politie verklaard dat hij heel 2015 en 2016 drugs heeft gebruikt en 3 tot 4 keer per week bestelde. Uit zijn verklaring dat verschillende verdachten meerdere keren per week drugs aan hem hebben verkocht, leidt de rechtbank af dat er in die jaren vele contactmomenten moeten zijn geweest. [getuige 3] herkent verschillende verdachten als de personen die aan hem drugs hebben geleverd. Bij die personen noemt hij verschillende details. De verdachten op foto 4 en 5 noemt hij bijvoorbeeld vaste bezorgers die hij vanaf het begin kent en van wie het hem opviel als zij een tijdje niet kwamen. Van de man op foto 6 weet hij dat hij de oudste is, normaal een bril draagt en in een [auto 2] rijdt. Ook van de anderen kan hij opvallende details noemen. De rechtbank concludeert hieruit dat [getuige 3] de verschillende bezorgers geïndividualiseerd heeft.

Ook in andere opzichten acht de rechtbank de verklaring van [getuige 3] betrouwbaar en valide. [getuige 3] heeft immers tegenover de politie verklaard dat hij er zelf voor heeft gekozen om een verklaring af te leggen. Op het moment dat hij een verklaring aflegt, op 10 september 2017, is hij afgekickt. Daarnaast is zijn verklaring ook consistent, ook als het gaat om periodes die hij noemt waarin hij de verschillende verdachten heeft gezien.

Dat [getuige 3] een aantal dagen na zijn verklaring contact heeft opgenomen met de betreffende verbalisant om de verklaring weer in te trekken omdat hij bang was voor de gevolgen, doet aan de inhoud van die verklaring niet af.

4.5

Pleegperiode en wetenschap

Ook uit de verklaring van de hiervoor genoemde getuigen volgt de betrokkenheid van de verdachte bij het dealen. Uit deze verklaringen in samenhang met de hiervoor vermelde observaties en live tap volgt bovendien dat de verdachte geruime tijd heroïne en cocaïne heeft verhandeld. Gelet op de lange duur van betrokkenheid van de verdachte en de ontelbare aantal keren dat hij drugs zou hebben geleverd, stelt de rechtbank vast dat de verdachte zonder meer kennis moet hebben gehad van zijn aandeel in de drugslijn, ook indien hij enkel functioneerde als chauffeur terwijl zijn bijrijder de drugsverkoop regelde. Het verweer namens de verdachte dat hij geen wetenschap heeft gehad van de handel in verdovende middelen, vindt de rechtbank dan ook niet aannemelijk.

Voor wat betreft de specifieke periode waarin de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt.

[getuige 3] heeft verklaard dat hij de verdachte voor het eerst zag na ongeveer drie maanden dat hij contact had met drugslijn Mo West . [getuige 3] heeft verklaard dat hij heel 2015 drugs bij de drugslijn kocht, zodat hij [verdachte] vanaf omstreeks april 2015 moet hebben gezien. [getuige 2] zegt de verdachte vier jaar geleden al te hebben gezien, toen een hele tijd niet en het laatste jaar (dus vanaf medio 2015) weer wel. Omdat die begindatum niet, maar het laatste jaar wél binnen de ten laste gelegde periode valt, zal de rechtbank deze verklaring gebruiken per medio 2015. De verklaringen van [getuige 3] en [getuige 2] steunen elkaar dus vanaf medio 2015. Dat de verdachte toen al drugs verkocht, wordt ook ondersteund door [getuige 1] . Volgens hem leverde de verdachte zelfs al zeven jaar drugs aan hem. De rechtbank stelt de begindatum van de pleegperiode dan ook vast op 1 juli 2015.

4.6

Medeplegen


Medeplegen kan worden bewezen verklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking gericht op het met anderen voltooien van de strafbare gedraging, in dit geval het in bedrijf houden van een drugsbestellijn. Via deze lijn konden 24 uur per dag en 7 dagen in de week gedurende een reeks van jaren drugs worden besteld en geleverd. De personen die de telefoonlijn bedienden en drugs leverden wisselden hun diensten af, waarbij de telefoon werd overgepakt. Er was aldus sprake van een georganiseerd werkverband waar verschillende personen een eigen aandeel in hebben gehad. Het specifieke aandeel van de verdachte bestond uit het gedurende de bewezenverklaarde periode vervoeren, afleveren en verkopen van geprepareerde bolletjes drugs, althans het vervoeren van een “collega” in zijn auto die deze drugs verkocht en afleverde. In beide gevallen is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering van het delict.

De conclusie is dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is in navolgende zin.

4.7

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij in de periode 1 juli 2015 tot en met 25 mei 2016 te Rotterdam, meermalen, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, (telkens)

(gebruikers)hoeveelheden cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of

(gebruikers)hoeveelheden heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne,

zijnde cocaïne en/of heroïne

(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder deze is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De verdachte heeft zich tezamen en in vereniging met anderen schuldig gemaakt aan de handel in cocaïne en heroïne gedurende een aanzienlijke periode van elf maanden. Hij heeft in dat verband deelgenomen aan een organisatie die zich op omvangrijke schaal bezig hield met de handel in deze middelen. Deze organisatie ging daarbij professioneel en geraffineerd te werk.

Er werd gebruik gemaakt van een deallijn. Het telefoonnummer van deze deallijn was 24/7 in bedrijf en werd kennelijk steeds van de ene aan de andere verkoper doorgegeven, waardoor de deallijn continu bereikbaar en in bedrijf was. De bevoorrading vond plaats vanuit een drugshuis, waardoor met niet te grote hoeveelheden drugs de straat op werd gegaan om deze af te leveren bij de gebruikers.

De geraffineerde wijze van opereren blijkt ook uit de actieve klantenbinding door aan de deur te leveren en op zondag gratis drugs als zogenaamde “beterschapjes” te verstrekken aan de vaste afnemers. Door deze wijze van werken werden de zwakste gebruikers aan de verkopers van de organisatie gebonden. Dat de verdachten wisten waar hun afnemers woonden en wat hun persoonlijke situatie was, heeft bovendien een intimiderend effect gehad, nog los van de daadwerkelijke intimidatie die niet werd geschuwd.

Harddrugs leveren een groot gevaar op voor de volksgezondheid. Het is algemeen bekend dat dergelijke verdovende middelen, mede vanwege de zeer verslavende werking ervan, schadelijk zijn voor de gezondheid van de gebruikers. De verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan de instandhouding van de verslaving van een grote groep veelal kwetsbare afnemers. De rechtbank rekent dit de verdachte in hoge mate aan.

Het gebruik van en de handel in drugs als cocaïne en heroïne leiden bovendien direct en indirect tot vele vormen van criminaliteit en vormen daarmee een bron van overlast en hoge kosten voor de samenleving. De handel in verdovende middelen dient daarom met kracht te worden bestreden.

Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank eveneens de hierna te bespreken omstandigheden meegewogen.

Allereerst is acht geslagen op de straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd, zoals die onder meer tot uitdrukking komen in de oriëntatiepunten voor straftoemeting zoals geformuleerd door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht.

De rechtbank heeft voorts meegewogen dat de verdachte blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie van 18 december 2018 eerder is veroordeelde voor soortgelijke feiten.

Tot slot heeft de rechtbank in het nadeel van de verdachte in aanmerking genomen dat de verdachte zelf verslaafd is geweest aan verdovende middelen, zodat hij als geen ander bekend zou moeten zijn met de nadelige gevolgen van harddrugsgebruik voor anderen. De verdachte heeft zich echter slechts laten leiden door financieel gewin.

Namens de verdachte is nog aangevoerd dat de verdachte een eigen huurwoning heeft en dat zijn fysieke gezondheid ernstig te wensen over laat. Voor zover hiermee is verzocht om toepassing van een andere strafmodaliteit, passeert de rechtbank dit verweer, nu de ernst en lange pleegperiode van het feit oplegging van een gevangenisstraf rechtvaardigen.

Bij de berechting van een zaak waarbij geen sprake is van bijzondere omstandigheden is het uitgangspunt dat deze dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn.

De rechtbank stelt vast dat er sprake is van een overschrijding de redelijke termijn ex artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden van acht maanden. Deze overschrijding is niet toe te rekenen aan de verdachte en dient gecompenseerd te worden door vermindering van de op te leggen straf. In het geval de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, zou de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden hebben opgelegd.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

8 In beslag genomen voorwerpen

De officier van justitie heeft gevorderd ten aanzien van de auto [auto 2] , blauw, voorzien van kenteken [kenteken 2] verbeurd te verklaren.

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Het in beslag genomen goed zal worden verbeurd verklaard. Het bewezen feit is met behulp van dit goed begaan.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op artikel 33, 33a, 47 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 (elf) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
verklaart verbeurd als bijkomende straf voor het feit:

- de auto [auto 2] , blauw, kenteken [kenteken 2] .

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.J. Bade, voorzitter,

en mrs. J. van Dort en W.H.S. Duinkerke, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. van Empelen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 februari 2019.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij in de periode 1 januari 2014 tot en met 25 mei 2016 te Rotterdam, althans in Nederland, meermalen, althans éénmaal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
opzettelijk
heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, althans aanwezig heeft gehad, (telkens)

één of meerdere (gebruikers)hoeveelhe(i)d(en) cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of

één of meerdere (gebruikers)hoeveelhe(i)d(en) heroïne, in elk geval een hoeveelheid van eon materiaal bevattende heroïne,

zijnde cocaïne en/of heroïne

(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.