Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:1576

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-02-2019
Datum publicatie
28-02-2019
Zaaknummer
10/964016-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte, politieambtenaar, heeft zich schuldig gemaakt aan het doorspelen van vertrouwelijke politie-informatie aan een derde. Hij wordt vrijgesproken van het valselijk opmaken van een proces-verbaal. Schuldigverklaring zonder oplegging van straf nu verdachte door de gevolgen van een en ander reeds zwaar getroffen is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/964016-13

Datum uitspraak: 12 februari 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[Naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres] , [woonplaats] ,

raadsman mr. L.P.H. Hameleers, advocaat te [plaats 1] .

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 29 januari 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. A.G. Janssen - de Boer heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis.

4 Ontvankelijkheid officier van justitie

4.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit niet-ontvankelijk is, omdat de redelijke termijn is geschonden en de kwaliteit van het onderzoek - met name wat betreft het herinneringsvermogen van getuigen - hierdoor ernstig en onherstelbaar is geschaad. Er is sprake van een schending van het recht op een eerlijk proces ex artikel 6 EVRM, waarbij niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie een passende sanctie is.

4.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie erkent dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn maar stelt zich op het standpunt dat een overschrijding van de redelijke termijn volgens vaste jurisprudentie niet leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie. Van het willens en wetens schaden van de belangen van de verdachte door het openbaar ministerie is geen sprake.

4.2.

Beoordeling

Vast staat dat de redelijke termijn is overschreden. Volgens vaste jurisprudentie leidt dit echter nimmer tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn geen reden is om de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren.

Voor zover de raadsman met zijn stellingen het standpunt heeft willen innemen dat sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan, en dat daarom niet-ontvankelijkheid dient te volgen, heeft de raadsman onvoldoende gesteld.

4.3.

Conclusie

Het verweer wordt verworpen. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

5 Waardering van het bewijs

5.1.

Vrijspraak feit 2

5.1.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat feit 2 wettig en overtuigend bewezen kan worden. Daartoe voert de officier van justitie aan dat de verdachte - samen met zijn medeverdachte - op 12 februari 2009 op ambtseed een proces-verbaal van bevindingen heeft opgemaakt en ondertekend, terwijl uit het dossier blijkt dat de inhoud hiervan in strijd is met de waarheid.

5.1.2.

Beoordeling

Vast staat dat de verdachte op 12 februari 2009 te [plaats 2] samen met medeverdachte [medeverdachte] op verzoek van officier van justitie mr. M.M.M. Smits een proces-verbaal van bevindingen op ambtseed heeft opgemaakt over de contacten die er zijn geweest tussen het onderzoeksteam van het (destijds) lopende onderzoek [code 1] en het Internationaal Schade- en recherchebureau [code 2] , vertegenwoordigd door de heer [onderzoeksrechercheur] . Uit dat proces-verbaal van bevindingen van 12 februari 2009 volgt dat de verbalisanten het proces-verbaal ieder slechts hebben opgemaakt en ondertekend voor zover het hun eigen bevindingen en verrichtingen betreft. Indien en voor zover er in het proces-verbaal van 12 februari 2009 onjuiste informatie dan wel informatie in strijd met de waarheid is opgenomen, kan daaruit dan ook niet zonder meer de conclusie worden getrokken dat beide verdachten opzet hebben gehad op die valsheid in het proces-verbaal. Per verbalisant zal de bewustheid dat de verklaring vals of in strijd met de waarheid is, moeten worden beoordeeld.

In het proces-verbaal van 12 februari 2009 is als antwoord op vraag 3 van officier van justitie mr. M.M.M. Smits gerelateerd dat informatieverstrekking van [onderzoeksrechercheur] telkens plaatsvond op diens verzoek of initiatief. Uit het dossier blijkt echter dat medeverdachte [medeverdachte] op 13 juni 2008, 7 augustus 2008 en 25 augustus 2008 zelf het initiatief nam [onderzoeksrechercheur] aan te schrijven met het verzoek om informatie te verstrekken. De informatie zoals weergegeven bij de beantwoording van vraag 3 is dus feitelijk onjuist. Er is echter niet gebleken dat de verdachte op enige wijze betrokken is geweest bij het versturen van deze informatieverzoeken door [medeverdachte] , noch dat hij bij de ondertekening van het proces-verbaal van 12 februari 2009 hiervan (inhoudelijk) op de hoogte was.

Nu de verdachte zelf geen informatieverzoeken heeft gedaan en hij ook geen bewustheid had van de informatieverzoeken door [medeverdachte] , heeft hij daarover in het proces-verbaal van 12 februari 2009 dus ook niet gerelateerd en kan niet worden bewezen dat de verdachte opzet heeft gehad op de onjuistheid van de mededelingen van [medeverdachte] hierover in het proces-verbaal.

5.1.3.

Conclusie

Het onder 2 ten laste gelegde kan niet wettig en overtuigend worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

5.2.

Bewijswaardering feit 1

5.2.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1 niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat weliswaar in strijd is gehandeld met de Gedragscode Integriteit Rijk, maar dat er geen “geheim” in de zin van artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is geopenbaard.

5.2.2.

Beoordeling

Het staat vast dat de verdachte in januari 2012 middels een rechtshulpverzoek door het IRC Limburg en Piket Sirene informatie heeft verkregen van een politieambtenaar uit Duitsland en het Nederlands consulaat in Dubai en dat hij die informatie vervolgens per e-mail heeft doorgestuurd aan (de secretaresse van) een kennis, [naam 1] . Bij de beoordeling van de vraag of dit geheime informatie in de zin van artikel 272 Sr was, dient acht te worden geslagen op de aard van de informatie, het moment dat de geheimhoudingsplichtige hiervan kennis kreeg en de hoedanigheid waarin deze hiervan kennis kreeg.

De verdachte heeft de informatie die hij heeft doorgestuurd verkregen in zijn hoedanigheid van politieambtenaar. De middels een rechtshulpverzoek opgevraagde informatie betreft vertrouwelijke informatie die niet door willekeurige burgers kan worden opgevraagd bij de betreffende autoriteiten. De informatie werd bovendien opgevraagd en verstrekt via e-mailadressen in gebruik bij de politie en voornoemde bevoegde overheidsinstanties. Dat maakt dat de door de verdachte verkregen informatie naar het oordeel van de rechtbank gekwalificeerd kan worden als “een geheim” in de zin van artikel 272 Sr. Dit brengt met zich dat de verdachte als politieambtenaar op grond van artikel 125a van de Ambtenarenwet en artikel 7 van de Wet Politiegegevens gehouden was deze informatie geheim te houden en dat hij deze informatie niet mocht doorsturen aan willekeurige burgers zoals [naam 1] en diens secretaresse. De uitzondering als bedoeld in artikel 7, lid 1, van de Wet Politiegegevens doet zich hier niet voor.

Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zijn ambtsgeheim opzettelijk heeft geschonden.

Dit betekent dat de rechtbank het onder 1 ten laste gelegde bewezen zal verklaren.

5.3.

Bewezenverklaring feit 1

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij in de periode van 20 januari 2012 tot en met 31 januari 2012 te [plaats 1] een geheim waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat hij uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift, te weten

- artikel 125a van de Ambtenarenwet en

- artikel 7 van de Wet Politiegegevens,

verplicht was te bewaren, opzettelijk heeft geschonden, immers heeft hij, verdachte, (middels medewerkers van het IRC Limburg en Piket Sirene) een verzoek tot rechtshulp, gedaan aan de bevoegde instanties in Duitsland en de Verenigde Arabische Emiraten over de bedrijven [bedrijf 1] en [bedrijf 2] en de personen [naam 2] en [naam 3] envervolgens

- de door dit verzoek van [Duitse politieambtenaar] , werkzaam bij de politie en Douane te Duitsland, verkregen informatie over die bedrijven en die persoonen en

- de door dit verzoek van [ambtenaar] , werkzaam als Head Economic Departement,

Netherlands Consulate-General Dubai, verkregen informatie over [bedrijf 2]

(per e-mail) doorgezonden en verstrekt aan [naam 4] en [naam 1] .

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

6 Strafbaarheid feit

6.1.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat de materiële wederrechtelijkheid van het onder 1 ten laste gelegde feit ontbreekt. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte enerzijds een vermoedelijk te plegen strafbaar feit heeft willen voorkomen, terwijl hij anderzijds was gehouden tot geheimhouding.

6.2.

Beoordeling

De rechtbank begrijpt het verweer van de raadsman aldus dat de verdediging een beroep heeft willen doen op overmacht in de zin van noodtoestand. Voor een geslaagd beroep hierop is vereist dat sprake is van een gedraging die voortvloeit uit een actueel en concrete nood (bestaande uit een belangenconflict) en die geëigend is om daaraan een eind te maken. Bovendien moet het gedrag een toetsing aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit kunnen doorstaan.

Niet is gebleken dat zich een dergelijke (uitzonderlijke) situatie heeft voorgedaan en dat (daarbij) aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit is voldaan. De rechtbank overweegt voorts dat de stelling van de verdachte dat hij als politieman vanuit zuivere motieven zou hebben gehandeld, op geen enkele manier afdoet aan zijn verplichting om juist als opsporingsambtenaar zeer zorgvuldig om te gaan met vertrouwelijke informatie die hem in deze hoedanigheid is toevertrouwd. Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank het verweer.

6.3.

Conclusie

Het bewezen feit levert op:

enig geheim waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift verplicht is het te bewaren, opzettelijk schenden, meermalen gepleegd.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluit.

Het feit is dus strafbaar.

7 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

8 Oplegging straf of maatregel

8.1.

Algemene overweging

De rechtbank heeft acht geslagen op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

8.2.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan schending van zijn ambtsgeheim door in twee door hem verstuurde e-mailberichten onbevoegd vertrouwelijke informatie over bedrijven en personen aan derden te verstrekken. Hiermee heeft de verdachte de integriteit van het overheidsapparaat geschonden. Zowel burgers als de politie moeten ervan uit kunnen gaan dat met dit soort gegevens vertrouwelijk wordt omgegaan door alle medewerkers van de politie.

De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij niet integer heeft gehandeld. De rechtbank neemt het de verdachte eveneens kwalijk dat hij politiemiddelen heeft ingezet voor een handelsgeschil van een kennis en aldus de schijn van belangenverstrengeling heeft gewekt.

In het voordeel van de verdachte neemt de rechtbank in aanmerking dat de verdachte ter terechtzitting blijk heeft gegeven van inzicht in de ernst van het door hem begane feit en dat hij heeft verklaard zijn handelwijze achteraf te betreuren. Bovendien heeft de verdachte vanaf het begin openheid van zaken gegeven over het ten laste gelegde.

8.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 20 december 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld, hetgeen overigens voor een (voormalig) politieambtenaar voor zich spreekt.

De rechtbank neemt ook in aanmerking dat de verdachte reeds in de privésfeer en met name in zijn professionele bestaan zware consequenties heeft ondervonden van het onderhavige strafbare feit.

8.4.

Conclusies van de rechtbank

Gezien de ernst van het feit zou daarop in beginsel met een straf dienen te worden gereageerd. Gelet echter op de tijd die inmiddels is verstreken, de daarmee samenhangende overschrijding van de redelijke termijn en de omstandigheid dat de verdachte reeds is geconfronteerd met de grote persoonlijke gevolgen van het strafbare feit, dient oplegging van een sanctie naar het oordeel van de rechtbank nu geen redelijk doel meer. De rechtbank zal de verdachte om die reden schuldig verklaren, maar hem geen straf of maatregel opleggen.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

bepaalt dat ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde feit geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E. Rabbie, voorzitter,

en mrs. L. Amperse en J.M.L. van Mulbregt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D.D.B. Reuter, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 februari 2019.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 januari 2012 tot en met 31 januari 2012 te [plaats 1] een geheim waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat hij uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift dan wel van vroeger ambt of beroep, te weten

- artikel 125a van de Ambtenarenwet en/of

- artikel 7 van de Wet Politiegegevens,

althans enige wettelijk voorschrift, verplicht was te bewaren, opzettelijk heeft geschonden, immers heeft hij, verdachte, (middels medewerkers van het IRC Limburg en/of Piket Sirene) een verzoek tot rechtshulp, althans een verzoek tot het verkrijgen van informatie, gedaan aan de bevoegde instanties in Duitsland en/of de Verenigde Arabische Emiraten over het/de bedrij(f)(ven) [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en/of de perso(o)n(en) [naam 2] en/of [naam 3] en/of (vervolgens)

- de door dit verzoek van [Duitse politieambtenaar] , werkzaam bij de politie en/of Douane te Duitsland, verkregen informatie over die/dat bedrij(f)(ven) en/of die perso(o)nf en) van een politiemedewerker en/of

- de door dit verzoek van [ambtenaar] , werkzaam als Head Economic Departement,

Netherlands Consulate-General Dubai, verkregen informatie over [bedrijf 2]

(per e-mail) doorgezonden en/of verstrekt aan [naam 4] en/of [naam 1] ;

2.

hij op of omstreeks 12 februari 2009 te Bom, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, in een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert en/of daaraan rechtsgevolgen verbindt, opzettelijk, schriftelijk, persoonlijk, een valse verklaring heeft afgelegd in een, door toen daar, in het door hem, verdachte en zijn, verdachtes, medeverdachte schriftelijk, op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 februari 2009 (proces-verbaal nr. [nummer 1] ) opzettelijk te vermelden dat:

“2. Vraag: zo ja, welke informatie betreft dit en wanneer en op welke wijze is die informatie ter beschikking van het team gekomen.

(...)

Op 12 juni 2008 ontving ik, verbalisant [medeverdachte] , van [onderzoeksrechercheur] een 18 tal E-mails conform zijn toezegging in het bedoelde telefoongesprek van 2 juni 2008. Op diverse tijdstippen daarna werden door mij verbalisant [medeverdachte] nog een aantal keren ongevraagd E-mails ontvangen van [onderzoeksrechercheur] met daarin informatie aangaande zijn onderzoek. (...)“

en/of

“3. Vraag: Zo ja, op wiens initiatief heeft deze informatieverstrekking plaats gehad?

antwoord:

Zoals ook uit het antwoord op vraag 2 reeds is gebleken vond informatieverstrekking van [onderzoeksrechercheur] aan het onderzoeksteam telkens plaats op diens verzoek/initiatief.”

terwijl hij, verdachte, wist dat hij, verdachte en/of zijn, verdachtes, medeverdachte die [onderzoeksrechercheur] (per e-mail) de volgende vragen heeft gesteld:

-(d.d. 13 juni 2008) “Heb jij misschien een onderzoeksdossier mbt de identificatie van de Caterpillar, Liebherr en de dieplader en de aangetroffen Caterpillar bij [bedrijf 3] . Verder ben ik benieuwd uit welke informatie blijkt dat de Komatsu ook op de groep is terug te brengen. Verder heb je in ons telefoongesprek aangegeven dat je op het terrein in Herten een vrachtwagen met OE kenteken hebt zien staan en hiervan foto’s hebt gemaakt. Graag zou ik

willen weten wanneer je deze daar hebt gezien en het gehele kenteken van deze vrachtwagen en eventueel de gemaakte foto’s.”

-(d.d. 7 augustus 2008) “Ik begreep dat jij hiervan foto’s zou hebben gemaakt. Zo ja, heb jij deze nog en zou je mij deze willen mailen. We vermoeden namelijk dat deze van diefstal afkomstig was.”

-(d.d. 25 augustus 2008) “Ik zie inderdaad dat ze de type plaatjes hebben vervalst met nr [nummer 2] . Heb jij het VINnr nog bekeken of ze dit ook hebben veranderd”.