Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:1532

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-03-2019
Datum publicatie
04-03-2019
Zaaknummer
ROT 18/4286
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstand. En/of-rekening mede op naam bijstandsgerechtigde. Kasstortingen en bijschrijvingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 18/4286

uitspraak van de meervoudige kamer van 1 maart 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te Dordrecht, eiser,

gemachtigde: mr. A. de Raad,

en

het Drechtstedenbestuur, verweerder,

gemachtigde: mr. E. van Zwieten.

Procesverloop

Bij besluit van 3 november 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers recht op bijstand ingetrokken over de periode van 1 juli 2002 tot en met 31 december 2008, eisers recht op bijstand herzien over de periode van 1 maart 2009 tot en met 30 september 2015 en een bedrag van € 93.411,49 teruggevorderd.

Bij besluit van 4 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard, waarbij de terugvorderingsperiode is gewijzigd maar de hoogte van het teruggevorderde bedrag gelijk is gebleven.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser ontvangt sinds 1 oktober 1986 een bijstandsuitkering. Naar aanleiding van het verzoek van eiser om een door hem ontvangen heffingskorting niet meer op de bijstand in mindering te brengen, heeft verweerder een rechtmatigheidsonderzoek ingesteld. Uit dit onderzoek is gebleken dat eiser in 2007 een woning heeft gekocht waarvan hij, volgens verweerder, geen melding heeft gemaakt. Verder heeft verweerder geconstateerd dat, naast de bij verweerder bekende bankrekening met nummer [rekeningnummer1] , eiser tezamen met zijn moeder, [naam moeder] , beschikte over een gezamenlijke bankrekening met rekeningnummer [rekeningnummer2] . Uit de door eiser ingeleverde bankafschriften blijkt dat op beide rekeningen contante stortingen zijn ontvangen en dat tot en met december 2008 op de gezamenlijke rekening de AOW-uitkering van [moeder] werd overgemaakt.

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser in de periode van 1 juli 2002 tot en met 31 december 2008 geen recht had op bijstand, nu hij in deze periode kon beschikken over een inkomen dat de voor hem geldende bijstandsnorm overschreed. Verder heeft verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de door eiser op zijn bankrekeningen ontvangen contante stortingen als inkomsten dienen te worden aangemerkt en daarom op de bijstand in mindering moeten worden gebracht.

3. Eiser stelt dat hij de woning heeft aangeschaft met toestemming van verweerder. Ter zitting heeft eiser daarbij nog gesteld dat het bezit van de woning voor verweerder daarom geen aanleiding mocht zijn om over een langere periode dan de gebruikelijke drie maanden bankafschriften op te vragen. Verder stelt eiser dat hij niet daadwerkelijk heeft beschikt over de tegoeden op de gezamenlijke rekening. Eiser voert daartoe aan dat hij met de hem ter beschikking gestelde bankpas uitsluitend transacties ten behoeve van zijn moeder heeft verricht. Ten aanzien van de contante stortingen stelt eiser dat deze afkomstig zijn uit de verkoop van persoonlijke bezittingen, waaronder sieraden die hij van zijn vader heeft geërfd.

4. Uit de beschikbare gegevens blijkt dat de aanleiding om een onderzoek in te stellen naar de rechtmatigheid van de aan eiser verleende bijstand – en in het kader daarvan bankafschriften op te vragen over de periode vanaf 1 juli 2002, – is geweest dat verweerder een verzoek van eiser heeft ontvangen om niet langer de door eiser van de Belastingdienst ontvangen teruggave in verband met de hypotheekrenteaftrek op zijn bijstandsuitkering in mindering te brengen. Uit het dossier is niet gebleken dat eiser de aankoop van zijn woning bij verweerder heeft gemeld. Gelet hierop was er voor verweerder een gegronde reden voor het instellen van een onderzoek en het opvragen van gegevens over een langere periode dan de gebruikelijke periode van drie maanden.

5. Volgens vaste rechtspraak rechtvaardigt het gegeven dat een bankrekening op naam van betrokkene staat de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Dit is niet anders bij een zogeheten “en/of-rekening”, aangezien daarmee slechts wordt aangeduid dat de rekeninghouders zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk over het tegoed kunnen beschikken. In een dergelijke situatie is het aan betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, de Raad, van 23 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY0888). Verder volgt uit vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 12 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2580) dat kasstortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Participatiewet (Pw) worden beschouwd. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is voorts sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Pw.

5. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij niet kon beschikken over het tegoed op de gezamenlijke rekening. Gebleken is dat eiser contante bedragen op de gezamenlijke rekening heeft gestort en dat er van de gezamenlijke rekening geldbedragen overgemaakt zijn van en naar de persoonlijke bankrekening van eiser. Ook heeft eiser met de hem ter beschikking staande bankpas pintransacties ten laste van de gezamenlijke rekening verricht. Eisers stelling dat hij deze pintransacties uitsluitend ten behoeve van zijn moeder heeft verricht, is door hem niet met concrete en verifieerbare bewijsstukken onderbouwd. Nu in de periode van 1 juli 2002 tot en met 31 december 2008 op deze rekening maandelijks een inkomen, te weten de AOW-uitkering van [moeder] , werd ontvangen dat de voor eiser geldende bijstandsnorm overschreed, had eiser in deze periode voldoende middelen om in zijn levensonderhoud te voorzien, zodat hij niet verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden. Nu eiser in de periode van 1 juli 2002 tot en met 31 december 2008 daarom geen recht had op bijstand, was verweerder gehouden het recht op bijstand van eiser over deze periode in te trekken.

7. Verder staat vast dat op de bankrekeningen van eiser bijschrijvingen door derden en diverse contante stortingen hebben plaatsgevonden, waarvan eiser geen melding heeft gemaakt bij verweerder. Uit wat onder 5. is overwogen, volgt dat de bedragen die eiser heeft ontvangen in beginsel als middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Pw in aanmerking moeten worden genomen. De stelling van eiser dat sprake is van het te gelde maken van vermogen nu de bedragen afkomstig zijn uit de verkoop van, onder andere, sieraden, geeft geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Eiser heeft zijn stelling niet met verifieerbare bewijsstukken onderbouwd. Dat eiser van zijn verkoopactiviteiten geen administratie heeft bijgehouden, is een gegeven dat voor zijn eigen risico komt.

8. Uit het voorgaande volgt dat verweerder op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw gehouden was eisers recht op bijstand in te trekken over de periode van 1 juli 2002 tot en met 31 december 2008 en te herzien over de periode van 1 maart 2009 tot en met 28 februari 2017. Hieruit vloeit tevens voort dat verweerder verplicht was om met toepassing van artikel 58, eerste lid, van de Pw de onverschuldigde bijstand van eiser terug te vorderen. Tegen de terugvordering zijn door eiser geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd zodat deze geen bespreking behoeft.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, voorzitter, en mr. A.I. van Strien en

mr. A.M.E.A. Neuwahl, leden, in aanwezigheid van mr. E. Huis-Grondman, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 1 maart 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.