Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:1531

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-03-2019
Datum publicatie
04-03-2019
Zaaknummer
ROT 18/4520
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2020:679, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Zwaardere bewijslast voor het opleggen van een boete ten opzichte van herziening. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de contante stortingen van in totaal € 700,- geldbedragen zijn die hij contant had gespaard en om die reden niet zouden kunnen worden aangemerkt als inkomen. Daar staat tegenover dat verweerder niet heeft kunnen aantonen dat de contante stortingen als inkomsten - en dus niet als spaargeld - moeten worden aangemerkt. Om die reden is de boete voor het verzwijgen van die stortingen ten onrechte opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 18/4520

uitspraak van de meervoudige kamer van 1 maart 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te Rotterdam, eiser,

gemachtigde: mr. D. Akdemir,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. R. Duivenvoorde.

Procesverloop

Bij besluit van 5 februari 2018 (primair besluit I) heeft verweerder eisers uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) herzien over de periode van 1 januari 2017 tot en met

31 december 2017 en een bedrag van € 1.776,17 van eiser teruggevorderd.

Eveneens bij besluit van 5 februari 2018 (primair besluit II) heeft verweerder eisers uitkering op grond van de Pw herzien vanaf 1 januari 2018 en een bedrag van € 90,61 van eiser teruggevorderd.

Bij besluit van 7 maart 2018 (primair besluit III) heeft verweerder eiser een bestuurlijke boete opgelegd van € 933,39.

Bij besluit van 18 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser ontvangt een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande. In het kader van een rechtmatigheidsonderzoek heeft verweerder eiser verzocht onder meer bankafschriften in te leveren. Eiser heeft een persoonlijke rekening met nummer [rekeningnummer1] en beschikt met zijn moeder over een en/of rekening met nummer [rekeningnummer2] . Uit de bankafschriften van deze rekeningen is gebleken dat er contante stortingen op de rekeningen worden verricht. Op de en/of-rekening wordt daarnaast maandelijks door de ouders van eiser geld overgemaakt.

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser in strijd met de op hem rustende inlichtingenplicht niet heeft gemeld dat hij in de periode van

1 januari 2017 tot en met 31 januari 2018 bijschrijvingen van zijn ouders op zijn bankrekening heeft ontvangen. Volgens verweerder moeten deze bijschrijvingen en contante stortingen, behoudens de stortingen op 3 juli 2017, 10 juli 2017 en de bijschrijving op

30 oktober 2017, worden aangemerkt als inkomsten over de maanden waarin de transacties hebben plaatsgevonden. Volgens verweerder is geen sprake van dringende redenen op grond waarvan van terugvordering moet worden afgezien. Bij het opleggen van de boete is verweerder uitgegaan van normale verwijtbaarheid.

3. Eiser stelt dat de bijschrijvingen giften betreffen en daarom niet zijn aan te merken als middelen. Eiser stelt verder dat verweerder geen duidelijk en consistent beleid heeft ontwikkeld ten aanzien van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder m, van de Pw. Daarnaast betoogt eiser dat de storting van in totaal € 700,- het aanwenden van vermogen beneden de grens van het vrij te laten vermogen betreft, nu dit geld is dat hij eerder contant heeft gespaard.

4.1

Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Pw worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande beschikt of redelijkerwijs kan beschikken tot de middelen gerekend.

4.2

Op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder m, van de Pw worden - voor zover hier van belang - niet tot de middelen van de belanghebbende gerekend giften voor zover deze naar het oordeel van het college uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn.

4.3

Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad), bijvoorbeeld de uitspraak van 12 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2580, volgt dat kasstortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Pw worden beschouwd. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is voorts sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Pw.

5.1

Niet in geschil is dat in de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 januari 2018 diverse bijschrijvingen en contante stortingen hebben plaatsgevonden op de bankrekening van eiser en dat hij daarvan geen melding heeft gemaakt bij verweerder. Uit wat onder 4.3 is overwogen, volgt dat de bedragen die eiser heeft ontvangen in beginsel als middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Pw in aanmerking moeten worden genomen. De stelling van eiser dat sprake is van giften die grotendeels zijn aangewend voor kluswerkzaamheden in zijn woning, geeft geen aanleiding om van het uitgangspunt, dat er sprake is van middelen, af te wijken.

5.2.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of verweerder aanleiding had moeten zien de door eiser ontvangen bedragen op grond van artikel 31, vierde lid, aanhef en onder m, van de Pw vrij te laten. De rechtbank wijst in dit kader op wat in de Memorie van Toelichting bij artikel 31 van de destijds geldende Wet werk en bijstand (Tweede Kamer 2002-2003, 28870, nr. 3, pagina 58) over giften is opgemerkt: “Giften worden eveneens niet tot de middelen gerekend voor zover dat, gezien de bestemming en de hoogte van de gift, uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is (onderdeel m). (…) Gezien het minimumbehoeftekarakter van de bijstand kan de vrijlating niet onbeperkt zijn. Wat betreft de hoogte van de gift geldt dat het in de reden ligt om de gift in aanmerking te nemen voor zover cumulatie daarvan met de bijstand leidt tot een bestedingsniveau dat niet verenigbaar is met hetgeen op bijstandsniveau gebruikelijk is. Wat betreft de bestemming is met name van belang of de gift betrekking heeft op kosten die in de algemene bijstand zijn begrepen. Als dit het geval is, of als de gift ter vrije besteding is, kan dit aanleiding zijn om de gift volledig in aanmerking te nemen.”

5.3

De kosten van onderhoud aan de woning behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan die in beginsel uit de algemene bijstand dienen te worden bestreden (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 6 september 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BF5288). Om die reden was verweerder niet gehouden de bijdragen van de ouders van eiser vrij te laten. Daarnaast heeft eiser ook niet aannemelijk gemaakt dat de bijschrijvingen door zijn ouders specifiek bestemd waren voor het bekostigen van kluswerkzaamheden in zijn woning. Nu de bijschrijvingen door eiser vrij konden worden besteed, heeft verweerder zich ook hierom op goede gronden op het standpunt kunnen stellen dat de bijschrijvingen volledig in aanmerking moeten worden genomen.

5.4.

In wat eiser aanvoert met betrekking tot het ontbreken van duidelijk gepubliceerd beleid ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen. Verweerder is immers op grond van de Pw niet gehouden dergelijk beleid te voeren en gelet op hetgeen onder 5.2 is overwogen, is verweerder met zijn besluitvorming binnen de kaders van de Pw gebleven.

6. De contante stortingen op 6 oktober 2017 heeft verweerder terecht aangemerkt als inkomen dat op de bijstand in mindering dient te worden gebracht. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de contante stortingen geldbedragen zijn die hij contant had gespaard en om die reden niet zouden kunnen worden aangemerkt als inkomen.

7. Uit het voorgaande volgt dat verweerder de contante stortingen en de bijschrijvingen terecht heeft aangemerkt als inkomsten van eiser die op de aan hem verleende bijstand in mindering moeten worden gebracht. Door van de ontvangst van deze bedragen geen melding te maken bij verweerder, heeft eiser de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Het had hem immers redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat de bijschrijvingen van invloed konden zijn op zijn recht op bijstand en dat hij deze bij verweerder moest melden. Op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw was verweerder dan ook gehouden om het recht op bijstand van eiser te herzien. Hieruit vloeit tevens voort dat verweerder op grond van artikel 58, eerste lid, van de Pw verplicht was de ten onrechte verleende bijstand van eiser terug te vorderen.

8. Dat uit wat onder 7. is overwogen volgt dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden, brengt volgens vaste jurisprudentie van de CRvB (bijvoorbeeld de uitspraak van 28 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3024) niet mee dat de schending van de inlichtingenplicht ook in dit geding met betrekking tot de opgelegde boete zonder meer een vaststaand gegeven is. Daarover moet bij betwisting, evenals over de feiten, een zelfstandig oordeel worden gegeven. Dit uitgangspunt bij de waardering van het bewijsmateriaal bij een opgelegde boete kan met zich meebrengen dat de bestuursrechter bepaalde feiten, die bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schending van de inlichtingenplicht als vaststaand hebben te gelden, in het kader van een met de schending van de inlichtingenplicht direct samenhangende bestuurlijke boete, niet als vaststaand mag aannemen omdat het bewijsmateriaal niet overtuigend genoeg is. De bewijslast bij een bestraffende sanctie, zoals hier aan de orde, is dus zwaarder dan die bij de toepassing van de bevoegdheid tot beëindiging, herziening en intrekking op de grond dat de inlichtingenplicht is geschonden en van de bevoegdheid tot terugvordering van ten onrechte of tot een te hoog bedrag ontvangen bijstand. Bij een boeteoplegging moet verweerder met andere woorden aantonen dat voldaan is aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 18a van de Pw. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder hierin niet geslaagd. Hoewel eiser onvoldoende aannemelijk heeft kunnen maken dat de contante stortingen gespaard geld betroffen, staat daar tegenover dat verweerder niet heeft kunnen aantonen dat de contante stortingen als middelen – en dus niet als spaargeld – moeten worden aangemerkt. Om die reden is de boete in zoverre ten onrechte opgelegd. Ten aanzien van de overige ontvangen bedragen heeft verweerder wel aangetoond dat dit in aanmerking te nemen middelen waren, zodat in zoverre op grond van artikel 18a, eerste lid, van de Pw wel terecht een boete is opgelegd. Dit betekent dat de opgelegde boete met € 350,- moet worden verlaagd.

9. Eiser heeft terecht gesteld dat het bestreden besluit op een onvoldoende motivering berust. De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn bezwaarschrift en tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft aangevoerd dat de bijschrijvingen van zijn ouders op de gezamenlijke rekening als vrij te laten giften dienen te worden aangemerkt. Verweerder heeft op deze bezwaargrond in het bestreden besluit niet gereageerd. Naar het oordeel van de rechtbank berust het bestreden besluit daarmee ook in zoverre op een onvoldoende motivering. Gelet op hetgeen in beroep is ingebracht door verweerder en eiser door dit motiveringsgebrek niet is benadeeld, ziet de rechtbank echter aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren.

10. Het beroep is gegrond, voor zover het de hoogte van de opgelegde boete betreft, en voor het overige ongegrond.

11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.048,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond, voor zover het ziet op de hoogte van de opgelegde boete;

- vernietigt in zoverre het bestreden besluit;

- legt aan eiser een boete op van € 583,39;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.048,-; en

- bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 46,- voldoet.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, voorzitter, en mr. A.I. van Strien en

mr. A.M.E.A. Neuwahl, leden, in aanwezigheid van mr. E. Huis-Grondman, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 1 maart 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.